De tweetaligheid van Biel/Bienne

Na de Keltische en Romeinse tijd lag Seeland in het Driemerengebied (de meren van Biel/Bienne, Morat/Murten en Neuchâtel/Neuenburgersee) aan de rand van het Bourgondische koninkrijk (443-534).

De bevolking bestond uit geromaniseerde Kelten van de stam van de Helvetiërs. Dit wordt geduid met de term Gallo-Romeins. De taal was vulgair Latijn, dat wil zeggen een Latijns dialect met veel Keltische invloeden.

Na de immigratie van de Duitstalige Alemannen van de vijfde tot de zevende eeuw vormde zich in de omgeving van Biel/Bienne een Gallo-Romeinse/Alemannische bevolking. Pas in de 8e eeuw werd het Germaanse cultuurelement dominant ten koste van het Latijnse element. Biel/Bienne is echter nog steeds tweetalig.

In de 11e en 12e eeuw breidden de prins-bisschoppen van Basel hun heerschappij in de Jura verder uit; daarbij ondervonden zij concurrentie van de Franstalige graven van Neuchâtel en Neuchâtel-Nidau.

De invloedssfeer van deze dynastie strekte zich uit van de meren Neuchâtel  en Bienne en de hoogten van de Jura tot Grenchen en Büren an der Aare en omvatte in de 12e en het begin van de 13e eeuw ook kasteel Nidau, aan de rand van Biel. Dit kasteel is rond 1140 gebouwd en nog steeds in goede staat te bewonderen.

Tussen 1225 en 1230 stichtte de bisschop van Bazel Heinrich II. Von Thun de stad Biel (en de Mittlere Brücke in Bazel) als uitvalsbasis tegenover het oudere bastion Nidau. In 1275 verleende koning Rudolf van Habsburg (1218-1291) de stad Biel stadsrechten.

Anoniem, Biel omstreeks 1830. Neues Museum Biel

De alliantie met het Duitstalige Bern, een “eeuwige alliantie” sinds 1352, bracht Biel in de Confederatie. In de 15e eeuw werd de positie van de stad geconsolideerd. Biel was een soevereine stad in de Confederatie.

Als bondgenoot van Bern, Freiburg en Solothurn verkreeg de stad de status van ‘zugewandter Ort’, maar bleef verstoken van een confederatieverdrag.

De bekering tot de reformatie was in 1528. Met de Franse Revolutie ontstond er een nieuwe situatie voor Biel. Op 6 februari 1798 trokken Franse troepen de stad binnen.

Biel werd bij Frankrijk ingelijfd als het “Canton de Bienne”. Het kanton behoorde aanvankelijk tot het Département du Mont-Terrible, vervolgens van 1800-1813 tot het Département du Haut-Rhin.

Na de definitieve nederlaag van Napoleon in 1815 herleefde de hoop op een eigen kanton. Biel werd echter, samen met het grootste deel van het grondgebied van het vroegere prinsbisdom Bazel, toegewezen aan het kanton Bern.

In de bloeitijd van de horlogerie in de negentiende en begin twintigste eeuw trokken duizenden Franstalige vaklieden uit de Franstalige kantons Jura, Vaud en Neuchâtel naar Biel. Dit versterkte weer de positie van het Frans en Biel werd steeds meer Bienne.

Dit is sindsdien de situatie. Biel/Bienne wordt ook wel de meest tweetalige stad van het land genoemd vanwege de beheersing van het Duits en Frans door grote delen van de inwoners.

Het Forum voor tweetaligheid (Forum du bilinquisme/Für die Zweisprachigkeit) bevindt zich dan ook in deze stad (www.zweisprachigkeit.ch).

(Bron: Dubler, Anne-Marie; Kästli, Tobias: Biel, in: Historisches Lexikon der Schweiz (HLS), versie van 23.01.2018.

Neues Museum Biel/Nouveau Musée Bienne

Biel Bözingen (Boujean in het Frans), de grootste wijk van Biel en tot 1917 een zelfstandige gemeente

Een bijzondere dag voor Kulturverein Elsass-Freunde Basel in Ungersheim

Elzas, Baden en de regio Bazel en noordwest Zwitserland onderhouden al eeuwenlang nauwe economische, sociale en politieke contacten. Deze historie is in diverse voorgaande artikelen aan de orde gekomen.

Ondanks de landsgrenzen zijn sinds 1945 bovendien diverse grensoverschrijdende organisaties en projecten ontstaan. Het is geen overdrijving te stellen dat dit gebied aan de Bovenrijn zelfs een voorbeeldfunctie is van effectieve Europese regionale samenwerking.

Het is opvallend dat stad en regio Bazel een voortrekkersrol hebben vervuld in de totstandkoming van deze samenwerking. Een van deze organisaties is de Kulturverein Elsass-Freunde Basel/l’association culturelle Les Amis de l’Alsace Bâle, die op 25 april 1985 is opgericht in Ungersheim.

Ungersheim

De aanleiding was symbolisch voor het gemeenschappelijke erfgoed: om het in 1984 geopende Écomuée d’Alsace ook in Bazel en omgeving bekend te maken. De initiator van het Écomuée d’Alsace, architect Mard Grodwohl, en diens collega-architect uit Bazel Jürg-Peter Lienhard, waren de initiatiefnemers. De Kulturverein Elsass-Freunde Basel is op 25 april 1985 in Ungersheim, vlakbij het Écomuée, opgericht.

Om deze reden praten veertig jaar later inwoners uit Bazel en Elzas in Ungersheim weer of nog steeds in het lokale Duits-Alemannische dialect met elkaar!  De bloeiende vereniging symboliseert niet alleen eeuwenoude banden, maar vooral ook de toekomst: samenwerking en uitwisseling regionaal niveau.

Ter bevestiging van deze vriendschap en band hebben Vivienne Gaskell, voorzitter van de vereniging, en Jean-Claude Mensch, burgemeester van Ungersheim, een Linde op het terrein van ‘La Maison des Natures et Cultures’ in Ungersheim geplant.

Wie bomen plant heeft, zeker in deze tijd, de toekomst en het hartvormige blad van de Linde komt overeen met het logo van de vereniging.

De bijeenkomst in ‘La Maison des Natures et Cultures’ was een ware ontdekkingsreis door natuur, biologische landbouw en betrokkenheid van de lokale bevolking. Het Écomuée heeft inmiddels een reputatie die veel verder reikt dan Bazel. De vereniging speelt nu een rol bij het bekendmaken van het in diverse opzichten bijzondere ‘Maison des Natures et Cultures’.

La Maison des Natures et Cultures in Ungersheim

De dag is in stijl afgesloten: met een concert van l’Orchestre d’harmonie Vogésia onder leiding van Valerie Seiler. Niet alleen de Basler Marsch van Willy Haag, Accents Alsaciens van Benoît Bilger, Europe van Santana en Happy Birthday to you van Stevie Wonder, maar zelfs een Elzasser Alphorn Melancholy van Lothar Pelz werd naast andere arrangementen ten gehore gebracht.

De Alphorn in de Elzas

Valerie Seiler is 1969 geboren in Mulhouse en heeft een nauwe muzikale en artistieke band met de drielandenregio Elzas, Baden en Bazel. Ze heeft zelfs haar studie orkestdirigent in Bazel gevolgd. Wellicht speelt de eeuwenoude status van ‘Zugewandter Ort’ (tot 1798) van de Eidgenossenschaft nog een onbewuste rol in haar artistieke betrokkenheid en werk in Bazel.

Hoe het ook zij, de vereniging en andere regionale projecten groeien en bloeien, zoals de Linde dat ook nog lang zal doen.

Gebaseerd op afbeeldingen van de Cartoonist Peter Gaymann 

(Bron en verdere informatie: Kulturverein Elsass-Freunde Basel/ l’association culturelle Les Amis de l’Alsace Bâle).

Indrukken van Ungersheim

Indrukken van La Maison des Natures et Cultures

   

Dag van de Zwitserse kastelen in het teken van ambachten

28 kastelen uit twaalf kantons en drie taalgemeenschappen organiseren op zondag 5 oktober een dag rond het thema ambacht tijdens de jaarlijkse Journée des Châteaux Suisses/Schweizer Schlössertag. Ambachtslieden van vroeger en nu tonen hun vakmanschap in historische decors, van maliënkolders tot 3D-printen, van muntslaan tot glasblazen.

Ieder kasteel biedt een programma dat verband houdt met zijn geschiedenis en lokale gebruiken, een tijdreis van de middeleeuwen tot de 21e eeuw en een grote verscheidenheid aan ambachtslieden en voorwerpen.

Ook hedendaagse ambachten worden belicht. In het ene kasteel is zelfs een robot aan het werk, terwijl in een ander de verbanden tussen houtsnijden en 3D-printen worden uitgelegd.

(Bron en verdere informatie: Die Schweizer Schlosser/ Les Châteaux Suisses)

Meertaligheid, de kantons, de Zwitserse Grondwet en de Confoederatio Helvetica

In het kader van de 7e “Dag van de Meertaligheid” (Tag der Mehrsprachigkeit/Journée du plurilinguisme) in het federale parlement presenteerden Nationalrat Martin Candinas (voorzitter van de parlementaire groepen “Mehrsprachigkeit CH” en “Lingua e cultura rumantscha”), de Nationalrätinnen Anna Giacometti en Greta Gysin (co-voorzitters van de parlementaire groep “ITALIANITÀ”), evenals Nationalrat Laurent Wehrli (voorzitter van Helvetia Latina) tijdens de persconferentie op 24 september een terugblik op de edities sinds 2019. Ze schetsten de huidige uitdagingen en mogelijkheden voor de Zwitserse meertaligheid.

Het Duitssprekende kanton Basel-Stadt en het Franssprekende kanton Jura op 27 juli 2019,  Fête des Vignerons, in Vevey.

De editie in het federale parlement vond plaats op donderdag 25 september. Parlementsleden spraken in een andere landstaal dan hun eigen, met bijzondere aandacht voor de minderheidstalen Italiaans en Reto-Romaans.

Tijdens de persconferentie bespraken de aanwezigen het taalonderwijs en andere centrale thema’s, waaronder het volksinitiatief “200 Franken zijn genoeg! (SRG-initiatief in verband met de jaarlijkse verplichte luister- en kijkbijdrage aan de  Schweizerische Radio- und Fernsehgesellschaft SRG)”, het taalbevorderingsbeleid van de federale overheid en de kansen en risico’s van nieuwe technologieën en kunstmatige intelligentie.

Centraal in de presentaties stond echter het taalonderwijs op de basisschool en de middelbare school. Verschillende kantonale initiatieven willen het onderwijs in de landstalen uitstellen of het aantal lesuren verminderen en meer uren voor Engels invoeren.

Dit valt weliswaar onder de kantonale autonomie, maar bedreigt op langere termijn de samenhang, het federale principe, de multiculturele samenleving en de identiteit van het meertalige Zwitserland. De kantons dragen hierbij ook een verantwoordelijkheid, wat ook op verschillende plaatsen in de federale grondwet tot uiting komt.

Bern, Bundeshaus, de 26 Kantons

Het gaat hierbij niet in de eerste plaats om kinderen op te voeden tot polyglotten in vier talen (Duits, Frans, Italiaans en Romaans), maar om begrip en bewustzijn voor andere talen van het land bij te brengen. En ‘jong geleerd, oud gedaan’.

Helaas werd ook duidelijk dat leden van het parlement niet altijd het juiste voorbeeld geven. Een nationaal raadslid merkte in ieder geval op dat in de Raad van Staten (tot nu toe zonder simultaanvertalingen) binnenkort vertalingen nodig zouden kunnen zijn.

Het is natuurlijk noch realistisch noch mogelijk om Italiaans of zelfs de kleine minderheidstaal Reto-Romaans in het Duits- en Franstalige Zwitserland tot algemene omgangstaal te verheffen. Begrip en bewustzijn voor deze talen zijn echter belangrijk voor de wederzijdse communicatie en de samenhang, zowel in het parlement, in het bestuur en de regering als in het dagelijks leven.

Brigels/Breil

Talen zijn tenslotte meer dan alleen communicatie, ze zijn ook een integraal onderdeel van de Zwitserse grondwet, federatie, cultuur en identiteit en een rijkdom, ja zelfs een uniek erfgoed, wat betreft het Reto-Romaans.

Bovendien heeft het land een groot aantal Italiaanse immigranten, en het Reto-Romaans vergemakkelijkt bijvoorbeeld ook de integratie van Portugese immigranten in Graubünden. Deze leren Reto-Romaans namelijk probleemloos (ongeacht het idioom).

José Ribeaud sprak in zijn boek “La Suisse plurilingue se délingue” (Neuchâtel, 2010) al over de unieke viertaligheid van Zwitserland. Hij benadrukte ook het fundamentele belang van onderwijs, uitwisseling en media.

Het viertalige Zwitserland of de vijfde landstaal

Een nationaal raadslid vatte het tijdens de persconferentie (ironisch) kort en bondig samen: “Ländersprachen First“. Kortom, niet alleen de federale overheid is financieel en organisatorisch uitgedaagd, maar ook de kantons en gemeenten, het onderwijs, de media en, niet in de laatste plaats, particuliere initiatieven, burgers en burgeressen.

Na een pleidooi voor voldoende financiële middelen voor de SRG en particuliere en openbare media werden ook de digitale media, kunstmatige intelligentie en hun kansen besproken, onder andere met betrekking tot vertalingen en toegankelijkheid.

Overigens werd ook vermeld dat 75% van de financiële middelen voor de SRG afkomstig is uit Duitstalige kantons, die echter zelf slechts voor 45% aan Duitstalige programma’s besteed worden. Aan (Duitstalige) solidariteit ontbreekt het in dit opzicht niet, wat ook eens gezegd mag worden.

Conclusie

Deze twee dagen stonden geheel in het teken van een van de unieke kenmerken van Zwitserland en zullen in 2026 worden voortgezet met verschillende activiteiten en evenementen.

In feite staat de meertaligheid van het land onder druk. In het drietalige Graubünden of in tweetalige kantons is de ontwikkeling misschien niet zo zorgwekkend als in Italiaans-, Duits- of Franstalige kantons. Maar ook in deze taalgebieden is dit een onderwerp, bijvoorbeeld de Franse taal in Graubünden.

Het onderwijs en het gebruik van Italiaans en/of Frans in Duitstalige kantons en omgekeerd Duits in Italiaans- en Franstalige kantons geven echter aanleiding tot zorg en aandacht.

Het Latijn heeft het land immers ook verenigd in een Confoederatio Helvetica in plaats van Svizra, Svizzera, die Schweiz en la Suisse.

Misschien zou het Reto-Romaans (Rumantsch grischun) als een organisch ontwikkelde versie van het Esperanto een idee zijn voor het land? Het is bovendien een mooie en niet al te ingewikkelde taal met veel Duitse, Franse en Italiaanse woorden.

Tot slot nog een aanvulling die geen deel uitmaakte van de bijdragen, discussies en gesprekken van deze dagen, maar uitsluitend een mening van de Swiss Spectator weergeeft, die echter in de constitutionele context past.

Bern, Bundeshaus

Niet alleen de kantons hebben een verantwoordelijkheid tegenover de federatie, maar ook de federatie tegenover de kantons, namelijk met betrekking tot het (nieuwe) institutionele akkoord met de Europese Unie.

Dit akkoord tast namelijk niet alleen het federale en op subsidiariteit gerichte principe van het (succesvolle) Zwitserse model aan, maar ook de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht en zelfs de directe democratie en soevereiniteit!

Als de federale overheid om goede redenen het plurilinguistische karakter door nieuwe grondwettelijke wetten wil waarborgen, dan moet zij ook de bestaande grondwet toepassen en mag zij de kantons niet uitsluiten op basis van politiek opportunisme, dogmatische uitleg en interpretatie zonder rekening te houden met het doel van een eeuwenoude wettekst (met name art. 140 a en b)!

(Bron en verdere informatie: Forum Helveticum; Lia Rumantscha)

Twee Bourgondische Koninkrijken, Sapaudia en Zwitserland

Ook of zelfs Zwitserland, de oudste nog bestaande republiek van Europa, heeft eens koningen gekend. Het gaat niet om Habsburgers of koningen en keizers van het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie die tot 1499 een politieke en militaire rol speelden op het huidige Zwitserse grondgebied, maar om de  vrijwel vergeten Bourgondische Koninkrijken.

De Bourgondiers

De Germaanse stam van Bourgondiërs kwam oorspronkelijk van het Deense eiland Bornholm in de Oostzee. Na diverse omzwervingen in het noorden van Duitsland en Polen stichtte deze stam een koninkrijk in Worms (413-436). De Hunnen versloegen de Bourgondiërs in 436.

De Nibelungen-sage dankt hieraan haar ontstaan. Ze trokken verder richting zuiden om zich aan zuidelijke oevers van het meer van Genève, de Rhônevallei en in de omgeving van de Saône te vestigen.

Julius Schnorr von Carolsfeld (1794-1872), Nibelungen, 1847, der Tod von Siegfried. Afbeelding: Wikepedia/Nibelungen-Forum

Het eerste Bourgondische Koninkrijk

Ook hier vestigden ze in 443 en nieuw koninkrijk, dat de geschiedenis is ingegaan als het eerste Bourgondische Koninkrijk. Dit koninkrijk bestond tot 534. Het omvatte de regio’s rond Besançon, Genève, delen van het huidige Franstalige Zwitserland tot vlakbij Bazel, het meer van Konstanz (Bodensee), St. Maurice en strekte zich uit tot Avignon en de Rhône-delta in het zuiden van Frankrijk.

Koning Sigismund stichtte in 515 de abdij van St. Maurice (huidige kanton Valais). Het is een van de nog oudste functionerende klooster van Europa met het eeuwig durende gebed voor God, de laus perennis. 

Door de langzame teloorgang van het (West-)Romeinse Rijk tussen 454 en 476 konden verschillende volkeren zich emanciperen en koninkrijken stichten. Ook de Bourgondische koningen profiteerden hiervan. De Franken zijn een ander voorbeeld.

In tegenstelling tot andere Germaanse stammen namen de Duitstalige Bourgondiërs de lokale taal en cultuur, het Gallo-Romeins (gallo-romain) over. Dit is opmerkelijk, want deze nieuwkomers waren weliswaar de nieuwe machthebbers, maar de Gallo-Romeinse bevolking was veel talrijker. De basis en grens voor Franstalig-Zwitserland is grotendeels in deze periode gelegd.

Eerste Bourgondische Koninkrijk (443-534). Foto: Wikiwand.com

Een Bourgondische identiteit kwam tot ontwikkeling in dit koninkrijk. De (Gallo-Romeinse) inwoners accepteerden de nieuwe machthebbers en hun structuren en het nieuwe bewind nam de taal en cultuur van de oorspronkelijke bewoners over.

De internationale situatie was bovendien complex: vanwege de religieuze situatie (heidendom, arianisme, de kerk) en de etnische, politieke en culturele situatie (de bisschoppen, de Franken, de Alemannen, de Ostrogoten, de Visigoten en andere volken en koninkrijken).

De Alemannen, een andere Duitstalige stam, die vanuit Duitsland andere delen van Zwitserland introkken, introduceerden de Germaanse taal en cultuur en vervingen de Gallo-Romeinse taal en cultuur in enkele generaties. Het Gallo-Romaans werd Franco-provençaals, de basis van het Frans van Franstalig Zwitserland.

Het koninkrijk ging in 534 bij gebrek aan erfopvolging op in het Frankische Koninkrijk van de Merovingers en vervolgens de Karolingers. De naam Bourgondië was echter een begrip geworden in haar honderdjarig bestaan bestaan. De invloed op de loop van de geschiedenis was groot, voor Zwitserland en voor Europa.

Ondanks de val van het Bourgondische koninkrijk in 534 noemden de Frankische veroveraars (Merovingers en later de Karolingers) zich óók koning van Bourgondië (regnum Burgundiae), zo groot was het prestige.

Bourgondië was als staatkundige eenheid een geaccepteerd begrip, dat in latere eeuwen op verschillende gebieden en staatkundige eenheden toepassing zou vinden.

Sapaudia rond 475. Afbeelding: Marco Zanoli/Wikipedia

Sapaudia (Savoie)

Sapaudia (Savoie) ontstond ook in deze tijd als gebied van dit koninkrijk. Sapaudia betekent ‘pays des sapins’ (land van dennenbomen) in het Keltisch. Het gebied van Sapaudia omvatte de stad en het bisdom Genève, gebied in het huidige kanton Vaud en de huidige Savoie.

Verdrag van Verdun

Na het Frankische rijk (534-888) van de Merovingen en Karolingen, leidde de verdeling van de politieke erfenis van het Rijk van Karel de Grote (748-814) in 843 (Verdrag van Verdun) tot een periode van onrust.

De drie zonen van Lodewijk de Vrome (778-840), de zoon van Karel, verdeelden het Rijk. Het gebied van het oude Bourgondische koninkrijk (443-543) werd gegeven aan Lotharius (795-855). Dit Middenrijk omvatte de Lage Landen, de Elzas, Lotharingen, Luxemburg, Zwitserland en Italiaanse.

Het oostelijke deel, geregeerd door Lodewijk de Duitser (804-876) werd, ruwweg, het huidige Duitsland en de kern van het Heilige Roomse Rijk (962-1806) , het westelijke deel, geregeerd door Karel de Stoute (823-877) werd, min of meer, het huidige Frankrijk en het koninkrijk Frankrijk (987-1789).

File:Treaty of Verdun nl.svg

Verdrag van Verdun. Bron: Wikipedia

In de jaren 843, 879 en 887 waren er vier politieke eenheden met de naam Bourgondië, grotendeels gebieden van het oude koninkrijk van Bourgondië (443-534):

  • het hertogdom Bourgondië in het noordwesten, ruwweg het gebied van het huidige Franse Bourgondië en het latere administratieve centrum van de roemruchte hertogen van Bourgondië van de 14e en 15e eeuw;
  • het graafschap Bourgogne, de huidige Franche-Comté met als hoofdplaats Besançon;
  • het koninkrijk Basse-Bourgogne in het zuiden, dat zich uitstrekte van Genève tot aan de Rhône-delta;
  • het koninkrijk Haute-Bourgogne, dat zich uitstrekte over de huidige kantons Genève, Vaud, Jura en de twee Basler kantons (Basel-Stadt en Basel-Landschaft).

Het tweede Koninkrijk van Bourgondië. Afbeelding: Marco Zanoli/Wikipedia

Het tweede Bourgondische Koninkrijk

Het tweede Koninkrijk van Bourgondië (888-1032) reikte van Nice en de Côte- d’Azur (Basse-Bourgogne) tot het westelijk deel van Zwitserland en oost-Frankrijk (Haute-Bourgogne) en het middeleeuwse gebied van het hertogdom Bourgondië en de huidige Franche-Comté.

In 879 ontstond uit het Koninkrijk van Basse-Bourgogne en het koninkrijk van Arles het Koninkrijk van de Provence (Regnum Provinciae seu Burgundiae of le Royaume de Basse-Bourgogne) met Arles als hoofdstad.

Tien jaar later, in 888, ontstond het Koninkrijk van de Jura of Trans-Jurane Bourgogne (Regnum Iurense of Burgundia Transiurensis) met St. Maurice als hoofdstad. Dit koninkrijk bestond uit Haute-Bourgogne en het Koninkrijk van de Provence.

Payerne

Dit koninkrijk Regnum Arelatense of le Royaume des Deux Bourgognes (Basse-Bourgogne en Haute-Bourgogne) was het resultaat van dynastieke huwelijkspolitiek.

Het koninkrijk strekte zich uit over de huidige kantons Valais, Vaud, Neuchâtel, Genève, Bazel, Savoie, de Dauphiné en de Rhône-delta tot aan Nice. De kroningen vonden plaats in Payerne.

Payerne

Het koninkrijk was een geografische eenheid, met Zürich in het oosten (dat er net buiten viel), Nice in het zuiden, de rivier de Sâone in het westen en Bazel in het noorden als grens. Er was een directe verbinding tussen de Rijn en de Rhône, met de belangrijke handelssteden Bazel, Lyon, Genève, Arles en Marseille.

Er was ook een culturele homogeniteit in de Franstalige en Duitstalige gebieden. Niet alleen maakte het oude koninkrijk Bourgondië (443-543) deel uit van het territorium, ook het culturele erfgoed van het Karolingische Rijk zorgde voor een band.

Het bourgondische koninkrijk duurde bijna 150 jaar (888-1032). In 1032 stierf de laatste koning Rudolf III (970-1032) zonder erfgenaam. Het koninkrijk werd opgenomen in het Heilige Roomse Rijk.

Het derde Bourgondische Koninkrijk dat er nooit is gekomen

Bourgondië is echter altijd een begrip gebleven. Het is de ironie van historie dat uitgerekend de Zwitserse Confederatie (Eidgenossenschaft) de komst van het derde Koninkrijk Bourgondië in 1474-1477 heeft verhinderd. Dat was immers de ambitie van de (laatste) Hertog Karel de Stoute (1433-1477).

Karl Giradet (1813-1871),  1857. de slag bij Murten. Collectie: Museum Murten

Hij kwam dicht bij zijn doel en het zieltogende Franse Koninkrijk had geschiedenis kunnen zijn. De Eidgenossen versloegen in drie veldslagen (bij Grandson, Morat en Nancy) niet alleen het oppermachtige Bourgondische leger, maar maakten ook een eind aan het leven van de laatste hertog en diens ambities.

Conclusie

Het hertogdom en de koninkrijken Bourgondië bestaan al lang niet meer, maar zijn opgegaan in Frankrijk, Duitsland en Zwitserland.

Het huidige Franstalige deel van Zwitserland versterkte in deze periode echter haar (taalkundige) identiteit en cultuur. De Frans-Duitse taalgrens in Zwitserland verschoof na 1033 niet noemenswaardig.

De Sarine/ Saane, de taalgrens bij Fribourg/Freiburg

Alleen de Bourgondische oorlogen tussen 1474 en 1477 en de bezetting van Franstalig Vaud in 1536 door het deels Franstalige kanton en de katholieke stad Fribourg (Freiburg) en de Duitstalige protestantse stad en kanton Bern leidden tot tweetaligheid en katholicisme of protestantisme in sommige steden en gebieden.

Maar wat hebben de twee Bourgondische Koninkrijken inhoud, kleur en fleur gegeven aan Europa en Zwitserland. Payerne, St. Maurice of bijvoorbeeld Neuchâtel zijn maar enkele van de vele cultuurhistorische erfgenamen in Zwitserland.

(Bron: J. Favrod, Les Burgondes. Un royaume oublié au cœur de l’Europe, Lausanne 2011; F. Demotz, L’an 888. Le royaume de Bourgogne. Une puissance européenne au bord du Léman, Lausanne 2012; F. Walter, Une histoire de la Suisse, Neuchâtel, 2016)

Europese Dag van de Talen

Op initiatief van de Raad van Europa wordt sinds 2001 elk jaar op 26 september de Europese Dag van de Talen gevierd. Zwitserland, een van de 46 lidstaten van de Raad van Europa, is vanaf het begin actief bij dit initiatief betrokken geweest.

In heel Europa worden 700 miljoen Europeanen aangemoedigd om op elke leeftijd meer talen te ontdekken. Dit komt voort uit de overtuiging dat taalkundige diversiteit een instrument is om meer intercultureel begrip te bereiken en een belangrijk onderdeel vormt van het rijke culturele erfgoed van het continent. De Raad van Europa bevordert daarom meertaligheid in Europa.

Ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum staat ETS onder het motto: “Talen openen harten en gevoel!”

(Bron en verdere informatie: Europese dag van talen; Raad van Europa)

Met Athena de avonturen van Griekse helden in Bazel beleven

De oorsprong van de naam Bazel is nog steeds niet met zekerheid vastgesteld. De huidige naam is afgeleid van de antieke nederzetting Basilia of Basilea. Sommigen beweren zelfs dat het woord Basileus uit het Oudgrieks de naamgever is. Waarschijnlijk komt de naam van de Keltische stam van de Rauraken, die destijds het gebied bewoonden en een kleine nederzetting hadden bij de Münster en de oude gasfabriek.

Dit verandert echter niets aan het feit dat de Romeinen en met hen de Griekse godin Athene (Minerva voor de Romeinen) eeuwenlang (ca. 13 v. Chr.-410 n. Chr.) op deze plek aanwezig waren. Sindsdien heeft Athene zich niet meer in Bazel laten zien; tot 14 september 2025 ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Hero Games’ in het Antikenmuseum Basel.

Hoofd van Athena, Marmer, verkleinde Romeinse kopie van een Grieks bronzen beeld, c. 430 v. Chr. Inv. Lu 231

Het komt bovendien niet vaak meer voor dat de godin Athene zich tot mensen richt. Toch zijn haar woorden na lange afwezigheid weer te horen in het Antikenmuseum Basel. Dit is ook nodig, want de bezoekers staan op het punt de avonturen van de mythische Griekse helden te beleven. Athene ondersteunt hen met de woorden:

Ik, de onoverwinnelijke Athena, spreek tot u! Ik, die overwinning en roem in mijn goddelijke handen houd. Ik, de godin van wijsheid en oorlog, de dochter van Zeus. Ik begroet u bij de Hero Games!

Haastig ben ik van de Olympus afgedaald om u bij te staan. Al duizenden jaren geleden, in de tijd van de grote heldinnen en helden, was ik altijd ter plaatse. Ik begeleidde Herakles in de donkere diepten van de Hades, leidde het zwaard van Perseus naar de keel van de demonische Medusa en versterkte Theseus in het labyrint van de Minotaurus. Nog steeds kennen de mensen hun namen. Door hun daden hebben ze zich onsterfelijk gemaakt.

Maar nu is uw tijd gekomen. Het tijdperk van uw heldendaden is aangebroken. U treedt in de voetsporen van de antieke heldinnen en helden en beleeft hun legendarische avonturen. Op uw reis treft u op zeven avonturen. Bij elk avontuur moet u een andere vaardigheid bewijzen.

Uw doel, het orakel van Delphi en Apollo, wachten aan het einde van de avonturen op u. Daar ontvangt u de beoordeling van uw heldendaden. En wees gerust, ik, Athena, sta u bij elke missie bij en vertel u altijd wat u moet doen.”

Standbeeld van Athena (sog. Athena Giustiniani), Marmer, Romeinse kopie, maar een Grieks bronzen standbeeld, c.  380 v. Chr., Rom, Vatikanisches Museum (origineel), Gips, Inv. SH 947

Athena begeleidt de bezoekers daadwerkelijk via een audiogids in drie talen (Engels, Duits, Frans) door de Hero Games.

In totaal zeven missies in de vorm van analoge en digitale spellen brengen de bezoekers op de sporen van hun antieke voorgangers. Ze beleven dezelfde avonturen, staan tegenover dezelfde monsters en lossen dezelfde raadsels op.

Medusa

Perseus onthoofdt Medusa in aanwezigheid van Athena. Tempel in Seliunt, ca. 530 v. Chr. Palermo, Museo Archeologico Regionale (origineel), gipsen afgietsel. Inv. SH 440

Het everzwijn gedood door een pijl van een bezoeker

Pijlpunten, brons, verschillende tijdperken. Antikenmuseum Basel verschillende Inv.

Op hun weg ontmoeten ze de angstaanjagende Medusa aan de rand van de wereld en daarna het woud van Kalydon en het reusachtige everzwijn, een kwaadaardig monster.

Ze overwinnen de driehoofdige Kerberos in de onderwereld en staan tegenover de mensenetende Minotaurus in zijn labyrint op Kreta.

De Minotaurus in zijn labyrint

Ze bevinden zich in het tentenkamp van de Grieken, die al tien jaar Troje belegeren. De bezoekers proberen het beroemde Trojaanse paard te bouwen. Als het paard klaar is, trekken de Trojanen het samen met zijn geheime lading Griekse krijgers de stad in en is de ondergang van Troje bezegeld.

Op naar de strijd. Athena staat strijders bij. Wijnmengvat (krater) uit Korinthe, ca. 590 v. Chr., Inv. BS 451

In de kamer van Medea, een van de machtigste tovenaressen ter wereld, is er veel te zien: blikken, glazen, flacons en potten met geheime toveringrediënten, gedroogde kruiden. In een ketel borrelt een toverdrank, waarmee Medea haar beroemde verjongingsspreuk bereidde.

Hekate was de godin van de magie. Cultusbeeld van Hekate (zogenaamd Hekateion), marmer, ca. 100 v. Chr. Inv. Lu 246

Medea was gespecialiseerd in verjongingsspreuken. Wijnmengvat (krater) uit Athene, ca. 440 v. Chr., Inv. BS 1450

De bezoekers voegen nog de belangrijkste ingrediënten toe. Daarbij moeten ze zich strikt aan het recept houden.

De laatste missie voert hen naar het gebergte van Thebe. Hier zit de wrede Sfinx op een rots en stelt iedereen die voorbij wil een raadsel. Onwetendheid bestraft ze met de dood. Ontelbaren heeft ze al verslonden. Ooit bezat alleen Oedipus de geestkracht om het monster te verslaan. Nu staan de bezoekers voor de raadselsteller en moeten hun logica en verstand bewijzen.

Tot slot hebben de bezoekers de avonturen doorstaan en zijn ze aan het einde van hun reis in het heilige Delphi aangekomen. Hier bezit Apollo, de god van de voorspelling, de belangrijkste orakelplaats van de antieke wereld. In zijn tempel spreekt hij door zijn profetes, de Pythia. De Pythia zit op een driepootketel en verkondigt haar orakelspreuken.

Driepootketel Brons, c. 750 v. Chr., Inv. BS 554

De Pythia vat in een orakelspreuk de bijzondere vaardigheden samen die bezoekers tijdens hun heldenreis in zichzelf hebben ontdekt. Tot slot vereeuwigen onze bezoekers zich aan de Wall of Heroes.

Laurierkrans uit Etrurië, goud. 3e eeuw v. Chr., Inv. Zü 485

“Athena komt thuis” is een treffende samenvatting van deze tentoonstelling. Het biedt een innovatief spelconcept, een meeslepende enscenering, interactieve missies en meer dan 2500 jaar oude Griekse en Romeinse originele werken die deze avonturen en helden uitbeelden. Griekse mythen zijn ook in de huidige tijd nog actueel, want niets menselijks was de goden, godinnen, helden en monsters vreemd.

(Bron en verdere informatie: Antikenmuseum Basel und Sammlung Ludwig)

Hades zit in zijn paleis en verwelkomt een overledene in de onderwereld. Grafvaas (krater), uit Apulië, ca. 320 v. Chr., Inv. BS 464

Cavaione en de laatste gebiedsuitbreiding van Zwitserland in 1863

150 jaar geleden kregen de inwoners van Cavaione het Zwitserse staatsburgerschap, nadat ze twaalf jaar lang staatloos waren geweest. Het dorp, gelegen op een zeer steile berghelling (misschien wel de steilste nederzetting van Zwitserland), ligt boven Brusio in de Valposchiavo (kanton Graubünden) en niet ver van Tirano in de Valtellina (Italië).

Het dorp was eeuwenlang gebied van Habsburg, viel het onder het koninkrijk Sardinië, dat in 1861 het Koninkrijk Italië werd. In 1863 kwamen Zwitserland en  het nieuwe koninkrijk Italië overeen om een nieuwe grens te trekken tussen de Valposchiavo en de Valtellina.

Ze regelden echter niet (of wilden ze het niet regelen?) wat er met de 108 straatarme inwoners van het dorp Cavaione moest gebeuren. In ieder geval lag het geïsoleerde dorp sinds de grenscorrectie van 1863 op Zwitsers grondgebied, maar kregen ze geen Zwitsers staatsburgerschap of Zwitserse pas.

In Brusio wachtte niemand op nieuwe burgers en families die de armenkas zouden belasten en geen belasting zouden betalen en burgerschap gaat in Zwitserland nu eenmaal via de gemeente.

Alleen met een betaling van de federale overheid en het kanton Graubünden accepteerde de gemeente Brusio de nieuwe burgers. De 108 inwoners kregen vervolgens 1875 het Zwitserse staatsburgerschap en een Zwitsers paspoort. Voorheen konden inwoners niet emigreren of bijvoorbeeld in Tirano met een Italiaan(se) trouwen, omdat ze geen staatsburgerschap en pas hadden.

Tegenwoordig wonen er permanent nog acht mensen in het dorp, maar 180 nakomelingen en hun vrienden vieren dit jaar 150 jaar Zwitsers staatsburgerschap en de laatste en grootste territoriale uitbreiding van Zwitserland sinds het Congres van Wenen in 1815.

En, een anekdote, een inwoner van Tirano betreurt het vandaag, dat Tirano in 1863 niet bij de Confederatie is gevoegd. Een tentoonstelling in het dorp blikt terug op deze geschiedenis.

(Bron en meer informatie: Fondazione Cavaione; Il Grigione Italiano)

Bettingen, Riehen en wijnbouw in kanton Basel-Stadt

Het kanton Basel-Stadt bestaat uit drie gemeenten: Basel, Riehen en Bettingen. Riehen en Bettingen liggen aan de rechter Rijnoever, omgeven door Duitsland. Alleen de kantons Zürich en Schaffhausen kennen een dergelijke situatie.

Op het hoogste punt van de Maienbühl stond van de 1e tot de 4e eeuw een Romeinse boerderij. Model: Gemeente Riehen

Riehen en Bettingen werden al eeuwen voor de Romeinse tijd (vanaf 15. v. Chr.) bewoond. Na het vertrek van de Romeinen in de vijfde eeuw vestigden zich er Alemannen. De naam Riehen komt voor het eerst voor in een document uit 1113.

In de eeuwen daarna bezitten de bisschoppen van Bazel en St. Gallen en de kloosters St. Blasien en Wettingen landgoederen en huizen in de omgeving en in het dorp. In 1522 verwierf de stad Basel deze bezittingen door koop.

Het neue en het alte Wettsteinhaus en Museum

Riehen werd nadien bestuurd door een landvoogd en was een zogenaamd Untertanengebiet, bestuurd door een landvoogd.  In 1528 werd Riehen een protestante gemeente en steeds meer (welgestelde) inwoners van Bazel kochten daarna land en huizen in dit dorp.

St. Martinskirche, 11e eeuw

Na de inval van de Franse revolutionaire troepen kregen de dorpsbewoners in 1798 dezelfde rechten als Basel. De voogdij werd opgeheven. Bij de (Franse) Mediationsakte van 1803 werd Riehen ingedeeld bij het district Liestal.

Het landschapspark en villa Wenkenhof herinneren aan de industriebaronnen van Bazel.

Sinds de kantonsdeling (kanton Basel-Stadt en Basel-Landschaft) van 1833 is Riehen deel van het kanton Basel-Stadt en verkreeg de status van gemeente. Bettingen kent grotendeels dezelfde historie. (zie ook de enige berg van het kanton en St. Chrischona). De Fondation Beyeler is gevestigd in Riehen.

De Eiserne Hand in Riehen was een strook land van (wan) hoop, leven, redding, teleurstelling en dood voor tienduizenden vluchtelingen in de jaren 1933-1945.

Wijnbouw in kanton Basel-Stadt

De wijnbouw in kanton Basel-Stadt heeft een traditie van meer dan 1200 jaar. De eerste verwijzing naar wijnbouw stamt uit 751. De wijnbouw beleefde zijn hoogtijdagen in de tweehonderd jaar tussen de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) en het midden van de 19e eeuw.

De wijngaarden bevonden zich rond Riehen en Bettingen. Het wijngaardgebied, dat ongeveer 70 hectare besloeg, produceerde in zijn hoogtijdagen jaarlijks een half miljoen liter wijn.

Deze periode werd echter gevolgd door een fase, die de wijnbouw aanzienlijk verminderde, en in Bettingen verdween hij volledig. Tegenwoordig is er alleen nog  wijnbouw in Riehen. Twee wijngaarden bevinden zich ‘am Schlipf’ op de Tüllinger Berg.

De wijnbouw op Duits gebied

De Sonnenstein nr. 38

Grenssteen 39

De route tussen de grensstenen nr. 38 en 39 wijst op een zeer oude grenslijn. De zogenaamde Sonnenstein is al in 1491 gedocumenteerd. Grenssteen 38 toont het wapen van de markgraaf van Baden en het wapen van de bisschop van Bazel. Bijna geen enkele grens heeft zo’n merkwaardige vorm als het stuk rechts van de Rijn rond Bazel.

Dat wil zeggen, op het grondgebied van het kanton. Duitse wijngaarden strekken zich uit over kilometers. De vier kilometer lange Weiler Weinweg, de Tüllinger Weinweg van de Riehener Weinweg tonen de weg in en rond het kanton Basel-Stadt.

Wijnhuizen in kanton Basel-Stadt.

Twee wijnhuizen cultiveren momenteel de wijngaarden aan de voet van de Tüllinger Berg ‘am Schlipf’ rond Riehen: Weingut Riehen (ongeveer 3,4 hectare) en Wyguet Rinklin (ongeveer 3,5 hectare).

Al in de 19e eeuw was Weingut Riehen bekend vanwege zijn belangrijke bijdrage aan de lokale economie en de kwaliteit van zijn wijnen. Tijdens deze tijd werden enkele historische gebouwen op de wijngaarden gebouwd, die tot op de dag van vandaag bewaard zijn gebleven, samen met de kwaliteit van de wijnen. Naast enkele typische variëteiten worden hier Pinot Noir, Pinot Blanc, Sauvignon Blanc en Chardonnay geproduceerd. Het Weingut Riehen bevindt zich in het dorp Riehen nabij het Sarasin Park.

De wijngaard ‘am Schlipf’ van Weingut Riehen

Het tweede particuliere wijnhuis is het “Wyguet Rinklin”. Hun assortiment omvat verschillende witte, rosé en rode wijnen, evenals mousserende wijn en sterke dranken.

Wyguet Rinklin

Een van de kleinste kantons van het land was ooit een relatief belangrijke wijnproducent. Hoewel de hoeveelheid sterk is afgenomen, blijft de kwaliteit onbetwistbaar. De herfst is de perfecte gelegenheid om de wijnregio van het kanton Basel-Stadt te ontdekken en een bezoek te brengen aan Riehen, een van de slechts drie gemeenten in het kanton.

Wereldwijd zijn ongeveer 6500 druivensoorten bekend. In Zwitserland zijn ongeveer 200 soorten geplant. ‘Am Schlipf’ zijn 56 soorten gerangschikt te zien.

Bettingen

St. Chrischona

(Bron en verdere informatie:Gemeinde Bettingen; Gemeinde Riehen)

Fondation Beyeler in Riehen

Sarasinpark

Der Spittelmatthof

Paleis Tondü en de schoorsteenvegers van Tessin

Het paleis Tondü is de familiegeschiedenis van een familie van schoorsteenvegers uit het destijds arme Tessin. De historie van de vele Zuckerbäcker uit Graubünden en hun wereldwijde faam is bekend.  De meesten van deze emigranten hadden echter een armzalig bestaan.

Alleen een kleine minderheid vergaarde rijkdom door hotels, restaurants, cafés, patisserieën of, bijvoorbeeld brouwerijen, in (hoofd)steden van Europa, Noord-Amerika en Zuid-Amerika. Een aantal keerde terug naar het dorp van oorsprong in Graubünden en bouwde daar stadspaleizen.

Hetzelfde verhaal geldt voor Zwitserse huurlingen uit met name de Innerschweiz, Bern, Freiburg, Zürich en Solothurn. Vooral de organisatoren, enkele vooraanstaande families in dorpen of steden, vergaarden grote rijkdom, roem en (militair) aanzien en soms zelfs een militaire rang tot in de hoogste pauselijke, keizerlijke, koninklijke, prinselijke en koloniale kringen van Europa. Deze bedrijfstak was strak georganiseerd. De organisatoren sloten contracten met machthebbers in andere Europese landen. Huurlingen, meestal boerenzonen. waren de handelswaar.

De meeste huurlingen zagen hun ‘Heimat’ niet of nog net zo arm terug. Het woord Heimweh vindt zelfs zijn oorsprong in dit huurlingenleger van ongeveer  anderhalf miljoen man vanaf 1500 tot het wettelijke verbod in 1848.

Nostalgie en Heimwee

Het begrip ‘Nostalgie’ is voor het eerst, voor zover bekend, in Bazel gebruikt. Johannes Hofer (1669-1752) onderzocht in zijn dissertatie ( Dissertatio Medica de Nostalgia, Bazel 1688) aan de Universiteit van Bazel de (slechte) geestelijke gezondheidstoestand van veel Zwitserse huurlingen.

Hij combineerde de Griekse woorden νóστος (nóstos), wat zoveel wil zeggen als thuiskomen, en ἄλγος (algos), pijn. Hij kwam tot de conclusie dat heimwee, Heimweh, naar het vaderland een belangrijke oorzaak van ziekte was.

Schoorsteenvegers

De historie van de Zuckerbäcker of Söldner is een bekend onderdeel van de Zwitserse historie. Dit is anders bij de historie van de spazzacamini, meervoud van spazzacamino, of schoorsteenvegers (Kaminfeger) uit Tessin.

De emigratie van schoorsteenvegers uit  Lombardije en Piëmont (Italië) is bekend. Dat vele Italiaanssprekende schoorsteenvegers uit Tessin kwamen is echter nauwelijks onder de aandacht gebracht.

In Zwitserland was deze weinig tot de verbeelding sprekende historie tot voor kort ook vrijwel onbekend. Na 1945 was het afgelopen me deze bedrijfstak, maar (groot) ouders en hun nazaten schaamden zich voor het ‘verkopen’ van hun (jonge) zonen en het onderwerp was lange tijd taboe.

Het is aan enkele Zwitserse musea (onder andere Museo di Val Verzasca in Sonogno en Museo Regionale Centrovalli-Pedemonte in Intragna) te danken dat deze geschiedenis vanaf 2000 is gedocumenteerd.

Lisa Tetzner (1894-1963) publiceerde 1940 de roman Die schwarzen Brüder. Abenteuer eines Tessiner Bergbauernjungen (Aarau, 1940) en Elisabeth Wenger (1946) in 2010 het historische boek Als Lebender Besen im Kamin. Einer vergessenen Vergangenheit auf der Spur, (Books on Demand, BoD 2010). Ook in Nederland en Duitsland zijn diverse publicaties over de schoorsteenvegers uit Tessin verschenen.

De grote families met soms tien tot twintig kinderen konden niet in hun onderhoud voorzien. Ook de vaders werkten vaak als schoorsteenveger in de winter en als land- of fabrieksarbeiders in de zomermaanden. Met het verdiende geld kon de familie in het dorp weer even gevoed worden.

Jongens vanaf zes tot acht jaar waren klein en konden makkelijk afdalen in smalle schoorstenen om deze roetvrij en schoon te maken. Ouders hadden vaak geen andere keuze dan hun (zeer) jonge zonen te laten werken voor Padroni, die hun kinderen uitzonden naar met name Lombardije, Piëmont, Nederland, Oostenrijk, Frankrijk, Engeland of zelfs Amerika en Rusland om daar onder hun toezicht schoorstenen te vegen. Het begin van deze bedrijfstak gaat waarschijnlijk terug tot de vijftiende eeuw. De eerste documenten stammen uit de zestiende eeuw.

Schoorsteenveger met zijn padrone, rond 1870. Foto: Museum Museo di Val Verzasca in Sonogno 

De meeste schoorsteenvegers kwamen uit de dalen Centovalli, Verzasca, Vigezzo en Maggia bij Locarno. De bekende kroniekschrijver Aegidius Tschudi uit Glarus spreekt in 1538 over het dal Vigezzo (deels Tessin, deels Lombardije): “im Tal Vejetz sind alle Kaminfeger, die nach Neapel, Sizilien, Frankreich und Tütschland reisen”( Aegidius Tschudi, Die uralt wahrhaftig Rhetia, Bazel 1538).

Een andere kroniekschrijver meldt: “…das Kaemifaegertal, das man nennet Vallis Vegetia. Daraus kommend gemeinlich alle Kaeminfaeger, die durchziehend aller lender des gantzen Europae…” (Johannes Stumpf, Gemeiner loblicher Eydgenossenschaft Stetten, Landen und Völckeren Chronik wirdiger thaaten beschreibung (Zürich 1548).

Johannes Stumpf, Gemeiner loblicher Eydgenossenschaft Stetten, Landen und Völckeren Chronik wirdiger thaaten beschreibung (Zürich 1548). Collectie: Zentralbibliothek Zürich

Op een kaart uit het midden van de zestiende eeuw heet het Centovalli zelfs Kämifegertal (Giulio Rossi-Eligio Pometta, Storia del Cantone Ticino (Locarno 1980). Tessin was van 1512 tot 1798 een Untertanengebiet van de Eidgenossenschaft en werd bestuurd door voogden uit de kantons.

De padroni waren de organisatoren in deze branche, zeg maar uitzendbureaus voor schoorsteenvegers. De branche was, evenals de huurlingenbranche, in handen van enkele families in dorpen. De ouders sloten seizoenscontracten van november tot april voor hun zonen in Lombardije of Piëmont. Voor landen ver weg, onder andere Nederland, ging het om contracten van vijf jaar. In de zomermaanden werkten ze op boerderijen, (textiel) fabrieken, huishoudens of andere bestemmingen.

De ouders ontvingen daarvoor geld (de helft vooruit betaald, de andere helft na afloop van het contract). Bovendien waren er thuis dan minder monden te voeden, vaak ging het om meerdere zonen per gezin.

De armoede was zo groot dat een schrijver over zijn jeugd zei: “we aten ‘s morgens kastanjes, ’s middags kastanjes en ’s avonds kastanjes”. In feite was sprake van kinderarbeid en slavernij met zevendaagse werkweken, zeer ongezond en gevaarlijk werk met veelal meedogenloze padroni en opdrachtgevers. Vele vaak zeer jonge kinderen overleefden het niet, slechts enkelen konden hun levensstandaard verbeteren en nog minder brachten het tot rijkdom.

Lionza

Palazzo Tondü in Lionza

En toch zijn er ook verhalen van snelle maatschappelijke stijging en rijkdom. Het paleis in Lionza van de familie Tondutti in het dal Centovalli is een voorbeeld. Vader Tondutti en twee zonen Andrea van 13 en Antonio van 7 jaar reisden in oktober 1630 naar Parma om schoorstenen te vegen. Het lot bracht hun naar de villa van de rijke bankier Marini. Giuseppe stikte echter in de schoorsteen, omdat een bediende de keukenoven had aangestoken, zonder te weten dat de schoorsteenveger actief was.

De kinderloze bankier en zijn vrouw besloten Andrea en Antonio te adopteren. Het was het begin van een snelle carrière tot in de hoogste adellijke kringen en al in 1650 bouwden de broers hun paleis in Lionza. De geadelde nazaten woonden daar niet permanent en in 1784 schonk ridder Ferdinando Tondü het paleis aan de gemeente Lionza. In 1984 is de stichting (Fondazione) Casa Tondü opgericht om het complex te renoveren.

De Tondutti waren niet de enigen. Anders stadspaleizen zijn ook gebouwd door voormalige schoonsteenvegers, onder andere in Val Vigezzo. De oorsprong van deze spazzacamini is te herkennen aan de vele schoorstenen op de gebouwen. Meestal waren ze als schoorsteenveger begonnen en werden ze of hun nazaten padroni. Deze achtergrond bleef echter minder prestigieus als het succes van Zuckerbäcker of militair in vreemde krijgsdienst.

(Bron: Elisabeth Wenger,  Als Lebender Besen im Kamin. Einer vergessenen Vergangenheit auf der Spur, Books on Demand, BoD 2010; Guido Fiscalini, I Tondù di Lionza (Museo Regionale Centrovalli-Pedemonte in Intragna, 1998).

Lionza, de kapel van de familie Tondü

De St. Antonio da Padova, 17e eeuw, gefinancierd door de familie Tondü

Bazel, Unterer Heuberg, de schoorsteenveger (Der Kaminfeger)