Willem Tell en het Congres van Wenen

1291

Toen de Habsburgerse heersers van gebieden in Centraal-Zwitserland er in de dertiende eeuw niet in slaagden de rust en orde te bewaren en handelswegen te beschermen, namen drie Orte Uri, Schwyz en Unterwalden het initiatief en sloten in 1291 een alliantie.

Deze allianties waren gebruikelijk in de dertiende en veertiende eeuw. Deze allianties hadden tot doel elkaar te helpen tegen agressors, de vrede te bewaren en (handels-, bedrijfs-, territoriale) geschillen op te lossen.

De kortstondige Swabische, Rijnland-, of Lombardische liga’s zijn slechts enkele voorbeelden. De succesvolle Hanze bestond echter meer dan vier eeuwen. Uiteindelijk is ook deze van het toneel verdwenen.

De alliantie van Uri, Schwyz en Unterwalden leidde daarentegen geleidelijk tot de Zwitserse Eidgenossenschaft en uiteindelijk tot de soevereine natiestaat in 1848.

De eed was een gemeenschappelijk symbool en formaliteit om verdragen en allianties te ratificeren en Eidgenossenschaft betekent een confederatie gesantioneerd door de eed.

In deze diep religieuze tijden was een eed een formele bekrachtiging. Niemand kon de loop van de geschiedenis, noch wilden deze Orte zich losmaken van de Habsburgse heersers.

Allianties

Maar het is een feit dat deze gemeenschappen een alliantie zijn aangegaan, die geleidelijk aan sterker werd met steeds meer (machtige) steden, kantons zoals ze later werden genoemd.

Rudolf I van Habsburg (1217-1291) werd in 1273 Duitse koning, maar was al heer van de dalen Uri, Schwytz en Unterwalden en andere gebieden en steden van het huidige Zwitserland.

Het uitsterven van geslachten van andere heersers (met name de hertogen van Zähringen) heeft geleid tot de Habsburgse jurisdictie over deze valleien, die onder andere de belangrijke Gotthardpas beheersten, die in 1230 was geopend.

Rudolf ontwikkelde nieuwe structuren door het opzetten van jurisdicties genaamd Landvogteien om toezicht te houden op de steden en plattelandsgemeenschappen. De Vogte  werden gerekruteerd uit de lokale aristocratie.

Het beroemde verhaal van Wilhelm Tell, die weigerde de hoed van de landvoogd te begroeten en vervolgens de nationale held werd, vond plaats in deze periode. Het is niet relevant of het werkelijk is gebeurd, het is een mooi verhaal en geeft wel de context weer.

1350-1648

In de jaren 1350 ontstonden er twee alternatieven voor het organiseren van het regionale politieke verbanden in Europa. De bottom-downbenadering was de methode van heersers, die nieuwe bureaucratische organisaties opzetten om effectieve vredeshandhavings en juridische en belastingstelsels op te bouwen.

De Zwitserse benadering was een netwerk van semi-autonome plattelands-, kerkelijke en stedelijke gemeenschappen die door allianties met elkaar verbonden waren, terwijl elke bondgenoot zijn eigen interne aangelegenheden beheerde.

De Confederatie of Eidgenossenschaft werd na de Schwaben- of Schweizerkrieg in 1499 beschouwd als een zelfstandig optredende eenheid, hoewel de interne strijd, verdeeldheid en het gebrek aan centrale instellingen geen blijk gaven van eenheid.

De dertien kantons behoorden echter formeel nog steeds tot het Heilige Roomse Rijk, zij het met volledige vrijstelling van de keizerlijke jurisdictie en rechterlijke macht. De Vrede van Westfalen (24 oktober 1648) bevestigde de Zwitserse onafhankelijkheid formeel niet, hoewel de confederatie als een soevereine staat optrad.

De (Latijnse) tekst bekrachtigde wel de status van vrijheid van belastingen en jurisdictie van Bazel en de overige (twaalf) kantons (Art. VI IPO, ondertekend in Osnabrück in Westfalen). (in het Duits: “die Stadt Basel und die übrigen Orte der Eidgenossen im Besitze voller Freiheit und Exemtion vom Reiche und in keiner Weise den Gerichtshöfen und Gerichten desselben
Reiches unterstellt sind“).

1648-1815

Veel steden bleven tot ver in de achttiende eeuw en zelfs 1733 keizerlijke symboliek gebruiken. Symbolen zoals wapenschilden (de dubbele adelaar) werden vaak niet uit de gebouwen verwijderd, zo krachtig was het (goddelijke) prestige van het Heilige Roomse Rijk.

Zes steden, Bazel, Zürich, Bern, Schaffhausen, Solothurn en Luzern, kondigden in de zeventiende eeuw formeel hun soevereine status “ein freyer souveräner Stand zu sein” aan

Een theoretische hedendaagse benadering van soevereiniteit en de handelingen van een soevereine entiteit waren alleen relevant vanuit het perspectief van het protocol.

De Zwitsers hadden, in tegenstelling tot de formeel soevereine Nederlandse Republiek van de (Zeven) Verenigde Provinciën (1648), geen prins-stadhouder, verenigd staand leger of Staten-Generaal met verreikende bevoegdheden.

De Confederatie was soeverein en formeel vrijgesteld van keizerlijke jurisdictie, maar het zou nog 150 jaar moeten duren (na de Napoleontische oorlogen en het Congres van Wenen) om formeel erkende soevereiniteit (en neutraliteit) te krijgen.

Een lange en moeilijke ontwikkeling van natievorming die in de tijd van William Tell als open verhaal was begonnen, bereikte in 1848 met de Grondwet zijn hoogtepunt. (Bron: P.H. Wilson, Heart of Europe. A History of the Holy Roman Empire, Cambridge (MA), 2016; C.H. Church, R.C. Head, A Concise History of Switzerland, Cambridge 2017; B. Marquardt, Die alte Eidgenossenschaft und das Heilige Römische Reich (1350-1798), Zürich 2007).

De Alpenconventie

De vorming van de politieke ruimte in Europa kan worden omschreven als een proces van concentratie.

In het begin van de moderne tijd waren er ongeveer tweehonderd onafhankelijke staten op het continent, kort voor 1900 waren dat er nog dertig.

De toenemende omvang van de staten komt duidelijk tot uiting in hun afnemende aantallen.

In het Alpengebied kan het proces worden gevolgd met behulp van de beroemde encyclopedie uit 1732 van Johann Heinrich Zedler (1706-1751). Deze telde meer dan 20 politieke eenheden (meest kantons) in de Alpen.

De encyclopedieën van de late 19e eeuw noemden deze aantallen niet meer, maar een handjevol staten, zoals de Oostenrijkse monarchie, het Koninkrijk Italië, de Franse Republiek en de Zwitserse Federatie.

De grenzen tussen de natiestaten werden barrières, ondersteund door ideologieën en toenemende militarisering in de eerste helft van de twintigste eeuw. Na de Tweede Wereldoorlog ging de ontwikkeling in een andere richting.

De opkomst van het regionalisme was duidelijk zichtbaar in het Alpengebied (nog afgezien van de Europese Unie en haar voorgangers).

Dit kwam voor het eerst tot uitdrukking in de oprichting van transnationale werkgemeenschappen op regionaal niveau en op 7 november 1991 in de Alpenovereenkomst.

Zo is deze regio voor het eerst in de geschiedenis tot het begin van een gemeenschappelijke politieke structuur gekomen. (J. Mathieu, Die Alpen. Raum, Kultur, Geschichte, Stuttgart 2015).

Internationaal Rijn Verdrag

Als gevolg van de steeds intensievere bewoning van het Rijndal werd in de 19e eeuw een betere bescherming tegen hoogwater noodzakelijk.

De meest verwoestende overstromingsramp vond plaats in 1817. Andere grote overstromingen waren er in 1888, 1927, 1954 en 1987 en natuurlijk de Magadalena-vloed van 1342.

Bij het Internationaal Verdrag van 1892 tussen Oostenrijk en Zwitserland is het Internationaal Reglement van de Rijn (IRR, die Internationale Rheinregulierung) vastgesteld.

In 2017 vierde de IRR zijn 125ste verjaardag. Dit verdrag was het begin van een nauwere samenwerking tussen de twee landen.

In de Rhy-Schopf van het Werkhof Widnau is een tentoonstelling over het begin en de toekomst van de bescherming en het project Rhesi.

Rhesi staat voor Rijn – Recreatie en veiligheid (Rhein – Erholung Sicherheit) in het benedenrijndal.

De autoriteiten willen het verloop van de Rijn en zijn stuwdammen voorbereiden op de komende 300 jaar.

Met de voltooiing van de planningsfase van het project presenteert de tentoonstelling de huidige stand van zaken.

(Bron en verdere informatie: www.rhesi.ch).

 

Een topographische historie van Graubünden

Een verzameling historische topografische landschappen van dorpen, gebouwen en landschapsbeelden is een zeer belangrijke bron van informatie om de historische ontwikkeling van nederzettingen, veranderingen van gebouwen, vernieuwing en verplaatsing van verkeersroutes en natuurlijke of door de mens veroorzaakte veranderingen van de woon- en natuurlijke omgeving te reconstrueren.

Het Rhätische Museum in Chur heeft een uitgebreide en waardevolle collectie, vanaf 1525 tot het einde van de negentiende eeuw en de opkomst van moderne media, zoals fotografie.

Deze afbeeldingen zijn samengevat in een boek, gecomplementeerd door andere verzamelingen in Zwitserland en in chronologische volgorde per druktechniek afgebeeld. Ook komt het landschap als bron van inspiratie voor kunstenaars aan de orde, wat ook door de eeuwen een veranderend beeld documenteert.

Het boek ‘Graubünden in alten Ansichten’ bevat honderden impressies van de historische ontwikkeling van steden, kastelen en natuur, bijvoorbeeld smeltende gletsjers, chronologische lijst van geïllustreerde gedrukte publicaties, grafische werken en tekeningen en schilderijen vanaf 1525 tot rond 1880.

Het boek bestaat uit drie delen: Tekeningen en schilderijen, prenten en ansichtkaarten. Het boek is een geschiedenis van Graubünden van de 16e tot het begin van de 19e eeuw. (Bron: B. Weber, Graubünden in alten Ansichten, Chur 2002).

Het Panorama van Thun

Het Panorama van Thun (1809) van Marquard Wocher (1760-1830) is het oudste bewaard gebleven panorama ter wereld en is 210 jaar oud.

Niet meer dan 21 andere panorama’s gemaakt voor 1900 overleefden, vier daarvan zijn te zien in Zwitserland, in Einsiedeln (kruisiging van Christus), in Murten (slag bij Murten 1476), in Luzern (vlucht van de Franse generaal Bourbaki naar Zwitserland (1871) en Thun (stad Thun rond 1809).

Het panorama is een bijzondere kunst- en mediavorm, zeer populair in de eerste helft van de negentiende eeuw. Het was het eerste optische massamedium en mensen konden hun steden, landschappen, historische gebeurtenissen en veldslagen zien. Het was een tijd van globalisering, het begin van de industriële en wetenschappelijke revolutie en de opkomst van het toerisme naar Zwitserland en de Alpen.

Slechts weinigen konden zich deze reizen echter veroorloven en panorama’s boden een spectaculaire, toegankelijke en niet al te dure mogelijkheid (de meeste panorama’s vroegen een gereduceerde toegangsprijs).

Het eerste panorama werd tentoongesteld door Robert Barker in 1787, het eerste Cyclorama van Londen. Staande op een platform kon men de hele stad zien. Vele panorama’s volgden, maar tegen het einde van de negentiende eeuw en de verschijning van fotografie, treinen en auto’s kregen mensen andere bronnen en het panorama verdween. De meeste panorama’s werden in stukken verkocht of vernietigd.

Het panorama maakt tegenwoordig echter een spectaculaire comeback, zoals Yadegar Asisi (1955) laat zien met zijn panorama’s (Rome 312, Slag bij Leipzig 1813, Pergamon museumstukken uit de antieke wereld (Berlijn) en Luther 1517 (Wittenberg).

Het panorama van Thun werd gered door geluk, financiering en visie van enkelen. Het toont de stad Thun rond 1809, oorspronkelijk in Basel, vanaf 1899 in Thun en in 1961 in de rotunda in het Schadaupark in Thun.

Thun was de ideale Zwitserse stad om te laten zien: stad, meer en bergen op de achtergrond. Het is nog steeds een uniek document over het leven, de gebouwen en de natuur in en rond Thun van die tijd.

(Bron: D. Imhof en anderen (Red.), Marquand Wocher, Das Panorama von Thun, Thun, 2009; Thun Panorama).

De Gletsjertuin

De gletsjertuin (Gletschergarten) van Luzern werd in 1872 ontdekt en toont de geologische geschiedenis van Luzern (en Europa) van de afgelopen 20 miljoen jaar.

Luzern was 20 miljoen jaar geleden een subtropische baai omringd door palmbomen en andere subtropische flora en fauna. Dezelfde omgeving was echter slechts 20.000 jaar geleden bedekt met 800 meter dikke gletsjers uit de laatste ijstijd.

De Gletsjertuin brengt deze geschiedenis weer tot leven door een museum, een tuin en een toegankelijke wetenschappelijke uitleg.

De plaats werd per toeval ontdekt, toen een wijnkelder werd gegraven. De gletsjertuin werd spoedig daarna in 1873 geopend. Geologen uit Zürich en Luzern hadden het grote belang van de locatie onderkend en maakten van de plek een geologische ontdekking van wereldwijde faam.

Het museum toont de geologische geschiedenis aan de hand van prachtige muurschilderingen, toelichtingen, foto’s en vele andere visuele werken.

Een surrealistische schilder slaagde erin de ideeën van de geleerden te vertalen in gedetailleerde en pakkende atmosferische kunstwerken van de wereld van 20 miljoen en 20 duizend jaar geleden.

Deze ontwikkeling in Luzern is geplaatst in het perspectief en de bredere context van de geologische geschiedenis en topografie van het Europese continent.

Het is moeilijk voor te stellen, maar Luzern was een kustplaats en veel zeefossielen zijn geconserveerd in gesteente, waaronder haaien en zeebrasems.

Het verschil kan niet groter zijn met de ijstijd van 20 000 jaar geleden, een zeer lange periode voor menselijke maatstaven, maar onbeduidend in vergelijking met de geschiedenis van de aarde van 4.600 miljoen jaar.

Het museum toont ook prachtige reliëfs van Centraal-Zwitserland en de Alpen, het beroemde model van Luzern uit het jaar 1792, berghutten en andere typisch Zwitserse huizen en hun interieur uit de 18e eeuw en vele andere voorwerpen die verband houden met Luzern.

De gletsjertuin breidt zich nog steeds uit en bezoekers kunnen spoedig de rotsen van binnenuit bekijken door een nieuw systeem van tunnels.

(Bron en verdere informatie: www.gletschergarten.ch).

Een eeuw Lia Rumantscha

2019 is een feestelijk jaar voor de Lia Rumantscha, de Reto-Romaanse Vereniging. De organisatie zet zich al al 100 jaar in voor het behoud van de Reto-Romaanse taal en cultuur Van 1 tot 18 augustus 2019 organiseert de Lia Rumantscha een taal- en cultuurfestival in Zuoz in het Bovenengadin.

Het programma biedt evenementen en activiteiten rond verschillende thema’s van de Reto-Romaanse taal en cultuur. Er is bijvoorbeeld een Di da famiglia (4.8.2019), een dag op Grischun triling (11.8.2019) en het grote Festa da 100 onns (17.8.2019).

’s Avonds wordt de speciaal voor het jubileum geschreven theaterproductie vertoond. Meer informatie over het programma en de voorboeking van het theater volgen. (Meer informatie: www.liarumantscha.ch).

Morat, Karel de Stoute, de obelisk en het panorama en de Eidgenossen

Morat (Murten in het Duits) is een van de steden, die door een speling van het lot in het kanton Freiburg ligt, en bijvoorbeeld niet in de kantons Bern of Vaud.

De zestiende eeuw én de inlijving bij kanton Freiburg tegen de wil van de bevolking in 1803 bij de Mediationsakte (opgesteld door Napoleon) waren hierbij doorslaggevend.

Het is een tweetalige stad, met een Duitstalige meerderheid van ongeveer 83%. De stad is gesticht door de Hertogen van Zähringen in de tweede helft van de twaalfde eeuw, vrijwel tegelijk met Bern en Freiburg. Daarna volgde in de dertiende eeuw de periode van de Graven en Hertogen van Savoie.

De Bourgondische oorlogen van 1476 zijn voor Morat van doorslaggevend belang geweest. In 1475 koos de stad voor Bern en Freiburg, tegen Bourgondië en haar bondgenoot Savoie.

Karl Giradet (1813-1871), Murtenschlacht, 1857. Museum Murten

De Hertog van Bourgondië belegerde Morat in juni 1476, na diens nederlaag bij Grandson in maart van dat jaar. De stad, bestuurd door Savoie, had in 1475 de kant van Bern, Freiburg en hun confederale bondgenoten gekozen. De Hertog van Bourgondië verliest en de stad zal vanaf 1484 tot 1798 afwisselend door Bern en Freiburg worden bestuurd.

Lord Byron (1788-1824) schreef in 1816:

„While Waterloo with Cannae’s carnage vies, Morat and Marathon twin names shall stand;
They were true Glory’s stainless victories,
Won by the unambitious heart and hand
Of a proud, brotherly, and civic band, …. ”

De Obelisk van Meyriez is opgericht in plaats van de Beinhauskapelle voor de omgekomen Eidgenossen. Bij de Franse invasie en verovering van de oude Confederatie in 1798, hebben Bourgondische soldaten in het Franse leger de kapel verwoest. In 1821 heeft het kanton daarvoor in de plaats deze obelisk opgericht. Het geeft wel aan hoe diep trauma’s kunnen zitten: ruim drie eeuwen van 1477 nemen Bourgondische soldaten alsnog wraak!

Het museum in Morat geeft een goed gedocumenteerd overzicht van de slag bij Morat. Bovendien renoveert het museum het Panorama van deze slag in 1476!

Het prinsbisdom Bazel tot 1813

Het bisdom Bazel met zijn huidige zetel in Solothurn kent een geschiedenis, die teruggaat tot het Romeinse Rijk. Basilia, zoals de stad toen heette, werd waarschijnlijk vanwege de invallen van de Germaanse stammen (de Alemannen) aan het einde van de vijfde eeuw de nieuwe zetel van de bisschop, die daarvoor in Augusta Raurica (Augst/Kaiseraugst) zetelde.

Augusta Raurica (Augst), bisschoppelijk paleis

De heuvel, waarop later de kathedraal gebouwd zou worden, bood een goed toevluchtsoord. Tot het Karolingische Rijk van Karel de Grote (742-814) leidde het bisdom een (politiek en cultureel) onopvallend bestaan.

Twee bisschoppen springen er in deze periode uit, bisschoppen Waldo (740-814) enHaito (762-836), adviseurs van Karel en culturele vernieuwers.

In 999 zou het bisdom ook een seculiere en militaire macht worden. In dat jaar verwerft het bisdom de rechten van de abdij Moutier-Grandval (een geschenk van Rudolf III (971-1032), de laatste koning van Bourgondië).

Rond 1 000 wordt de bisschop vazal van de keizer en prins in het Heilige Roomse Rijk.  Dit is het begin van het prinsbisdom Bazel, dat tot het begin van de negentiende eeuw zou bestaan.

Een belangrijk moment is de (financiële) betrokkenheid van keizer Hendrik II (953-1024) bij de bouw van de Münster. Sculptuur van de keizer en zijn vrouw Cunegonde (980-1033) zijn op diverse plekken in de kathedraal nog te zien.

Das Münster

Met het verwerven van de abdij St. Ursanne in 1146 en door militaire expedities in de dertiende eeuw werd het prinsbisdom de sterkste seculiere macht aan de Bovenrijn. Het gebied omvatte de huidige Jura, de Sundgau, zuidelijk Elzas, Birseck, Birstal en nog verspreide bezittingen in het huidige Baden-Württemberg.

Delémont, Musée d’art et d’histoire. 

Als gevolg van de Bourgondische oorlogen in 1476, de bisschop had de kant van de Eidgenossen Bern, Solothurn en Freiburg gekozen, ontstond ook de tweedeling, die bij de huidige referenda in 1979 (ontstaan kanton Jura minus zuidelijke gebieden) en 2021  (referendum Moutier) nog zo’n grote rol zouden spelen.

Delémont (Delsberg) kasteel van het kapittel en zomerresidentie van de bisschop 

Het zuidelijke deel van de Jura met de steden Biel en Moutier, kwam onder de invloedssfeer van Bern en Solothurn te staan, het noordelijke deel met Délemont, Porrentruy en St. Ursanne bleef onder volledige zeggenschap van de bisschop.

Door de toetreding van de stad Bazel tot de Eidgenossenschaft in 1501 werd de relatie tussen bisschop en stadsbestuur steeds moeizamer.

Het Raadhuis (Rathaus) van Bazel

Toen Bazel naar het andere geloof overging bij de Reformatie, verlegde de bisschop in 1527 zijn zetel naar Porrentruy (Pruntrut in Duits). De architectuur en grandeur van de stad getuigen nog steeds van de pracht en praal van de prins-bisschop en diens hof. De Domheren en het Kapittel zetelden tot 1678 in Freiburg, daarna in Arlesheim.

De Vrede van Westfalen (1648) leidde tot een verdere (politieke) verwijdering tussen de noordelijke en zuidelijke Jura. Het gebied van de prins-bisschop bleef na 1648 een katholiek vorstendom van het Heilige Roomse Rijk, terwijl de Eidgenossenschaft als soevereine staat werd erkend.

De wereld na 1792 zou niet meer hetzelfde zijn voor de prins-bisschop en zijn prinsbisdom. In 13 jaar tijd volgden vijf politieke constructies elkaar op, totdat het gebied in 1815 werd opgedeeld tussen het kanton Bern (het gebied minus de Birseck) en kanton Bazel (de Birseck).

Collectie: Musée jurassien d’art et d’histoire, Delémont

Ook in deze periode kenden noord- en zuid Jura een andere politieke geschiedenis. Het noorden van de Jura werd op 17 december 1792 ten gevolge van de Oostenrijks-Franse oorlog de Franse République rauracienne. Op 23 maart 1793 werd dit gebied samengevoegd met het Franse departement Mont-Terrible.

In 1797 annexeerde Frankrijk ook het zuidelijke deel van de Jura van het prinsbisdom in dit departement. Bij de volgende herziening op 17 februari 1800 werd het hele gebied van het prinsbisdom toegevoegd aan het departement Haut-Rhin.

Dit bleef de situatie tot de nederlaag van Napoleon. In december 1813 bezetten geallieerde troepen dit gebied. In de jaren 1814 en 1815 werd het gebied bestuurd door twee door de geallieerde benoemde gouverneurs die hun zetel in Arlesheim hadden.

Op 20 maart 1815 besloten de vier grootmachten Verenigd Koninkrijk, Oostenrijk, Pruissen en Rusland op het Congres van Wenen het prinsbisdom op te delen tussen de kantons Bern en Bazel.

Delémont, Musée d’art et d’histoire. 

De inwoners werd niets gevraagd, het werd in het belang geacht van een sterke Zwitserse positie aan de grenzen. Dit verleden heeft Jura, Bazel en Bern 1979 (Jura scheidt zich al van kanton Bern), 1994 (de Birseck kiest voor kanton Basel-Landschaft) en 2021 (Moutier kiest voor kanton Jura) ingehaald.

(Bron: A. Berchtold, Bâle et Europe. Une histoire culturelle, Lausanne 1990)

Zie ook het bisdom Bazel na 1813

Collectie: Musée jurassien d’art et d’histoire, Delémont

Evenredige vertegenwoordiging

Op 13 oktober 1918 werd het referendum voor een evenredige vertegenwoordiging op basis van algemeen kiesrecht (alleen voor mannen echter) aangenomen.

De verkiezingen het parlement (Nationalrat) werden zelfs met een jaar vervroegd om het stelsel op zo’n kort mogelijk termijn in te voeren.

Op 26 oktober 1919 was het zover: de eerste verkiezingen onder het nieuwe stelsel van evenredige vertegenwoordiging werden gehouden.

De tentoonstelling in het parlementsgebouw herdenkt deze gebeurtenissen, die verstrekkende gevolgen zouden hebben voor de Zwitserse politiek.

De drietalige tentoonstelling in het behandelt verschillende aspecten van deze periode rond 1918-1919, zoals de levensomstandigheden, de algemene staking, de gebeurtenissen in Europa en het proces naar de eerste evenredige verkiezingen (zonder vrouwen) op nationaal niveau.

Toen het parlement in 1919 voor het eerst door middel van evenredige vertegenwoordiging werd gekozen, werd in sommige Zwitserse kantons al gebruik gemaakt van evenredige vertegenwoordiging.

Het kanton Ticino speelde hierin een voortrekkersrol. In 1892 werden de regering en het parlement op basis van een evenredige vertegenwoordiging gekozen.

(Bron en verdere informatie: www.parlament.ch).