Kasteel van Romont

Het kasteel van Romont is in 1240 door Pierre II van Savoye (ook wel de Kleine Charlemagne genoemd, 1203-1268) gebouwd ter bescherming van de inwoners van de ook door hem gestichte stad.

In de eeuwen daarna is het verder uitgebouwd. De huidige staat dateert uit de zestiende eeuw, nadat in 1536 Freiburg (in alliantie met Bern) Savoie uit Vaud heeft verdreven. Deze uitbouw heeft de kenmerken van de laatgotische stijl.

Het kasteel herbergt tegenwoordig het glasmuseum (Vitromusée), dat een unieke verzameling glas in lood laat zien vanaf de Middeleeuwen, Renaissance, Jugendstil tot hedendaagse werken.

Urbanisme Horloger

Sinds 1705 produceert de regio Neuchâtel horloges en uurwerken. Deze horloge-industrie heeft de levensstandaard en zelfs de stadsplanning van de steden bepaald.

De steden La Chaux-de-Fonds en Le Locle belichamen de stedelijke en architecturale eenheid die volledig gewijd is aan de productie van horloges en horloges, aangezien ze door en voor deze industrie werden gebouwd.

Voordat deze industriële revolutie in de achttiende eeuw op gang kwam, waren het slechts kleine dorpen en was de landbouw verreweg de belangrijkste economische activiteit.

De Espace de’urbanisme horloger is een multimediaruimte die volledig gewijd is aan de stedenbouwkundige planning van La Chaux-de-Fonds.

Dit evenement is de sleutel tot het begrijpen van de oorsprong van de status van de stad als UNESCO-werelderfgoed en biedt een tentoonstelling en een film over het indrukwekkende industriële erfgoed en het unieke stedelijke concept van de stad.

(Bron en meer informatie: www.timExplorer.ch).

De wijngaarden van Lavaux

De wijngaarden van Lavaux of de regio Lavaux wordt ook wel “Land van de Drie Zonnen” genoemd, zon uit de hemel, zon uit het meer van Genève, die als een spiegel fungeert (Lac Léman) en zon van de muren van de terrassen, die de warmte absorberen.

Het landschap van Lavaux bestaat uit een van het grootste aaneengesloten complex van wijngaarden in Zwitserland. Het bestaat uit 14 goed behouden dorpen, 400 kilometer aan muren en 10 000 terrassen verspreid over 40 lagen over 830 hectare, geëxploiteerd door 160 eigenaren.

Lavaux ligt in het kanton Vaud en de wijngaarden bedekken de oevers van het meer van Genève tussen Vevey en Lutry.

Vanaf de elfde eeuw hebben monniken van verschillende kloosters de hellingen ontgonnen en geschikt gemaakt voor de verbouw van wijn. De monniken bouwden eeuwenlang muren en vormden terrassen om de grond te ondersteunen en te egaliseren.

Uiteindelijk werd de exploitatie overgedragen aan niet-geestelijken en sindsdien hebben generaties van wijnproducenten het gebied ontwikkeld en in stand gehouden en aldus bijgedragen aan het huidige prachtige mozaïek. Lavaux is sinds 2007 erkend als werelderfgoed door de UNESCO.

(Bron en verdere informatie: www.lavaux-unesco.ch).

Dornach, 1499, Goetheanum en Nepomuk

Dornach (Kanton Solothurn) biedt een prachtig uitzicht over het Schwarzbubenland en de regio tot aan de Vogezen, de Alpen en het Zwarte Woud.

De naam Dornach is afgeleid van Tornacho, Tornegg of Tornach, waarschijnlijk van het Keltische-Latijnse fundus turranicus. In ieder geval is er een Gallo-Romeinse nederzetting geweest.

Niet alleen de natuur, maar ook de historie is fascinerend. De kasteelruïnes van Dorneck en Hilzenstein, het Goetheanum, het klooster en de Nepomukbrug hebben iets te vertellen.

In 1813 werd deze brug verwoest door een overstroming, alleen het standbeeld van St. Nepomuk bleef intact.

Das Goetheanum

De Hoogrijn regio

De regio Hoogrijn (Hochrhein) strekt zich uit van het Bodenmeer tot aan de Bovenrijn (Oberrhein) en wordt in het noorden begrensd door het Zwarte Woud en in het zuiden door de Zwitserse Jura.

De Hoogrijn verlaat het Bodenmeer bij Stein am Rhein en wordt de Bovenrijn in Basel. De Hoogrijn stroomt in dit gebied meer dan 150 km door verschillende landschappen, door smalle kloven en dunbevolkte landbouwgronden, door havenfaciliteiten en industrieterreinen in de omgeving van de kantons Basel en Basel-Landschaft.

Lange tijd vormde deze regio een culturele, taalkundige, economische en zelfs politieke eenheid onder Habsburgse heerschappij, om nog maar te zwijgen van de Romeinse en Karolingische/Franken periode en het tijdperk van de Hertogen van Swaben en Alemannen en het Heilige Roomse Rijk.

Diverse steden, zoals Rheinfelden, Kaiserstuhl of Laufenburg, getuigen nog steeds van deze binding, hoewel de regio tegenwoordig politiek gezien twee landen omvat.

De verscheidenheid aan geschiedenis, cultuur, steden, kastelen, (Keltische en Romeinse) nederzettingen, agrarische landschappen en grensverdedigingswerken die zich in de loop van meer dan 2000 jaar heeft ontwikkeld, is vandaag de dag een succesvolle synthese van landschap, cultuur en bebouwing, die in eeuwen is gegroeid en cultuurhistorisch dezelfde wortels heeft.

(bron en verdere informatie: Marie-Louise von Plessen, Der Rhein, eine europäische Flussbiografie (Bonn, 2016), Erlebnisraum Hochrhein : www.baselland-tourismus.ch).

De middeleeuwse dodendans en de Mengele Dodendans van Tinguely in Bazel

Tot 1805 was een van de beroemdste bezienswaardigheden van Bazel een muurschildering die een dodendans voorstelde, met levensgrote figuren. Deze bevond zich op de muur van het kerkhof voor leken van het voormalige dominicanenklooster.

De processie, bestaande uit 37 paren, van de paus tot de kluizenaar, van de keizer tot de bedelaar, bracht alle sociale lagen en alle leeftijden van de middeleeuwse wereld samen. Elk paar ging vergezeld van een inscriptie in versvorm waarin de Dood zich tot degenen richtte die voor de dood bestemd waren.

Bazel, Museum Kleines Klingental. Der Totentanz.

Het werk had tot doel mensen te herinneren aan de alomtegenwoordigheid van de dood, de vergankelijkheid van het leven en de gelijkheid van alle mensen voor de dood. Het riep de toeschouwers zo op tot bekering en boetedoening. Het fresco werd gerealiseerd tijdens het Concilie van Bazel (1431-1448).

Der Basler Totentanz,  Matthäus Merian (1593–1650), “Todten-Tanz, wie derselbe in der löblichen und weitberühmten Stadt Basel zu sehen ist”, um 1621. Sammlung: Historisches Museum Basel, inv. 1932.1162 

De Basler Totentanz  van de Predikerkirche had een afmeting van 6o meter in de lengte en een hoogte van twee meter en symboliseerde de middeleeuwse standenmaatschappij en beroepen.

De dood kwam iedereen halen, paus, kardinaal, bisschop, keizers, koningen, hertogen, artsen, juristen, kooplieden, woederaars en onderaan de ladder uiteraard boeren.

De Basler Totentanz,  Matthäus Merian (1593–1650),  ‘Todten-Tanz, wie derselbe in der löblichen und weitberühmten Stadt Basel zu sehen ist”, rond 1621. Historisches Museum Basel, inv. 1932.1162 

De Basler Totentanz past in een uiting uit het begin van de vijftiende eeuw, de periode van pest, oorlog, honger, schisma van het pausdom, en is waarschijnlijk voortgekomen uit literatuur en gedichten over de dood.

Emanuel Büchel, ganz oben “Tod mit Kaiser”, aus dem Klingentaler Wandmalereizyklus, Aquarell auf Papier. Kunstmuseum Basel/Martin P. Bühler, Kupferstichkabinett, Skb A 48 H. Foto: TES

Deze afbeeldingen kwamen met name in het Duitstalige taalgebied van Zuid-Duitsland, Zwitserland, Elzas en het westen van Oostenrijk veel voor.

Basel, Webergasse vlakbij het Klingentalklooster, muurschildering op huis

De Basler Totentanz is in 1773, 32 jaar voor haar vernietiging op 5 en 6 augustus 1805 door de topograaf Emanuel Büchel (1705-1775) in een album vastgelegd.

Johann Jakob II Schneider (1882-1889), die Predigerkirche und der Abbruch der Friedhofsmauer, nach Constantin Guise (1811-1858). Inv. 2004.199

Daniel Burckhardt-Wildt (1752-1819), Abbruch des Totentanzes, 5. August 1805. Inv. 1950.103. Collectie: Historisches Museum Basel

In 1806 heeft Johann Rudolf Feyerabend de Totentanz in een aquarel vastgelegd op basis van eerdere kopieën. Om deze reden bestaat er een redelijk betrouwbaar beeld van dit werk.

Van het origineel zijn 19 fragmenten bewaard gebleven, die in het Historisch Museum aan de Barfüsserplatz in Bazel te zien zijn.

(Bron en verdere informatie: F. Egger, Basler Totentanz, Basel 2009; Historisches Museum Basel).

Jean Tinguely, Mengele Totentanz, 1987. Tinguely Museum Basel

Rhäzüns, Habsburg und die romanischen Kirchen Sogn Paul und Sogn Gieri, Habsburg en de Romaanse kerken Sogn Paul und Sogn Gieri

Toen Oostenrijk op 18 januari 1819 formeel de heerschappij van Rhäzüns en de Romaanse kerken Sogn Paul en Sogn Gieri aan het kanton Graubünden overgaf, had de laatste vreemde mogendheid het kanton verlaten.

Deze heerschappij begon in de twaalfde eeuw met de eerste gedocumenteerde akte (1137/1139) van de Freiherr van Rhäzüns, Habsburg und die romanischen Kirchen Sogn Paul und Sogn Gieri. Het gebied omvatte de dorpen en omgeving van Rhäzuns en Bonaduz, Domat/Ems en Felsberg, strategisch van groot belang in verband met de Lukmanierpas en de Splügenpas en de toegang tot het Hinterrheintal.

De machtige abt van de Abdij Disentis, de nog machtigere bisschop van Chur en de Freiherr Von Vaz hadden ook wel oog voor deze handelsroutes en (gewapende) twisten (Vazer Fehden) domineerden de 13e en 14e eeuw.

Van groot belang was de Illanzer Bund of Obere Bund van 14 februari 1395, de voorloper van de in 1424 tot stand gekomen Grauer Bund, een van de drie soevereine staten, die opgaan in Graubünden in 1524 (De andere twee zijn de Gotteshausbund en de Zehngerichtebund).

Geografisch omvatte de Obere Bund het gebied van de Vorderrhein, Rhäzüns, Habsburg und die romanischen Kirchen Sogn Paul und Sogn Gieri en zijn gebieden in de Hinterrhein. Het Graafschap Werdenberg-Sargans en diens gebieden van het Flimser Woud traden even later ook toe.

Na een onrustige 15e eeuw stierf het geslacht van de Freiherren van Rhäzüns in 1458 uit en na de in die tijd gebruikelijke koehandel in dit soort gevallen verwierf Habsburg (Keizer Maximiliaan) in 1497 de heerschappij van Rhäzüns, Habsburg und die romanischen Kirchen Sogn Paul und Sogn Gieri om deze pas in 1819 af te staan aan het kanton Graubünden.

Impressies van de twee Romaanse kerken Sogn (heilige) Paul en Sogn Gieri (Georg) in Rhäzüns  

De stad Avenches

De stad Avenches is omstreeks het jaar 1259 gesticht door Jean de Cossonay (c. 1219-1273), bisschop van Lausanne.

Avenches had als voorloper de Romeinse stad Aventicum, hoofdstad van de Helvetiërs, gesticht door keizer Augustus en onder keizer Vespanianus rond 70 n. Chr. opgewaardeerd tot Colonia, maar verwoest door de Alemanni rond 270 n. Chr., weer herbouwd en in de zesde eeuw zelfs voor korte tijd bisschopsstad voordat Lausanne dit werd.

Daarna werd de oude stad Aventicum verlaten. De middeleeuwse stad Avenches werd op de even verderop gelegen heuvel herbouwd.

Naast de Romeinse nalatenschap, onder andere het amfitheater, dat zomer’s in gebruik is als festivalplaats, en het theater, kent de stad een intacte middeleeuwse en vroeg moderne erfenis, onder andere het kasteel (14e eeuw), kerk (13e eeuw), het oude hospitaal (1720), L‘Auberge de la Coronne (1711), L’Hotel de Ville (1753) en vele middeleeuwse straatjes.

De Alpabzug in Graubünden

Sinds de 11e en 12e eeuw is er in grote delen van Europa, waaronder Zwitserland, sprake van een groei van de stedelijke ontwikkeling.

Steden  groeiden (onder andere Genève, Zürich, Bazel, Chur) of werden gesticht (onder andere Bern en Freiburg).

Tijdens deze periode veranderde ook de agrarische sector. In Centraal-Zwitserland en Graubünden maakte de schapenhouderij steeds meer plaats voor rundvee.

Van 1630 tot het einde van de 19e eeuw daalde het aantal schapen in dit gebied met de helft, terwijl het aantal runderen sterk toenam. Het landschap laat dit ook zien, het is in feite één weidetapijt.

De boeren zijn gespecialiseerd in het houden van vee en de koe was de belangrijkste dier. Het rundvee en de kaasproductie werden in de loop van de 15e eeuw steeds meer bepalend voor de identiteit van de Zwitserse Confederatie of Eidgenossenschaft.

De “Kuhschweizer” werd een scheldwoord in de context van de politieke en militaire strijd tussen Habsburgse vorsten en de republikeinse confederatie.

Koeien (en huurlingen) werden een symbool van federale deugdzaamheid. In de 18e eeuw kreeg de positieve beoordeling van de pastorale economie brede erkenning op het Europese continent, het idyllische Zwitserland.

Het jaarlijks terugkeren van het vee uit de malse Alpenweiden, soms tot 2200 meter hoogte, is nog steeds een feest in de dorpen van Graubünden (en andere Alpengebieden).

De koeien en hun begeleiders gaan in september weer het dal in, vaak langs een steil en eeuwenoud aangelegd pad, zoals de in 1645 in de rots van de Flimstein gehouwen Scala Mola weg.

De boeren en koeien zijn dan de helden van de dag. (Bron: J. Mathieu, Die Alpen. Raum, Kultur, Geschichte, Stuttgart 2015).

Sinfonia d’aua in Flims

Sinfonia d’aua in Flims bestaat uit zes kleine ‘waterkrachtcentrales’. Men ziet hoe natuur, technologie en mensen met elkaar omgaan en als geheel functioneren.

Het project geeft inzicht in water als natuurverschijnsel, ecologische elektriciteitsproductie, duurzaam drinkwatergebruik en multifunctionele infrastructuur voor het maken van sneeuw.

Duizenden jaren (sinds de laatste ijstijd, ongeveer 10 000 jaar geleden) heeft het water in het kalksteen nieuwe wegen gezocht en een wijd vertakt, ondergronds systeem van meertjes en waterbronnen gecreëerd. De twee grootste meren in Flims – het Cauma- en Crestameer – worden door ondergrondse bronnen gevoed.

Het Caumameer heeft ook geen bovengrondse afvoer en het waterpeil schommelt tot zeven meter per jaar. De karakteristieke turquoise blauwe kleur ontstaat door de lichtverstrooiing van kleine anorganische zwevende deeltjes.

De unieke kleur en idyllische ligging hebben het Caumameer wereldberoemd gemaakt. Punt Gronda is het bezoekerscentrum van het project dat Sinfonia d’aua heet (aua betekent water in het Romaans-Sursilvan).

(Meer informatie: www.wasserweltenflims.ch).