Wonder der natuur en kunst: de molens van Col-des-Roches

Nederland staat al eeuwenlang bekend als het land van polders, tulpen en molens. In Zwitserland ontbreken de tulpen, maar waterbouwkundige werken maken hier eveneens deel uit van een eeuwenlange geschiedenis van kanalisatie, het veranderen van stroomgebieden, het droogleggen van moerassige zones en zelfs het verlagen van het niveau van meren.

Zwitserse Watermolens

Op het eerste gezicht zou je kunnen denken dat er geen molens zijn (afgezien van de huidige windturbines). Maar schijn bedriegt. Het land telt duizenden molens, alleen zijn ze vanop afstand moeilijk te herkennen. Ze werken namelijk uitsluitend met waterraderen, aangedreven door de kracht van het water uit beken, watervallen en andere waterlopen. Van veraf lijken ze op grote of kleine boerderijen of magazijnen – terwijl het in werkelijkheid watermolens zijn.

Collectie: Museum Les Moulins souterrains du Col-des-Roches

De ondergrondse watermolens 

Bovendien hebben innovatieve ondernemers in de 16e en 17e eeuw ook ondergrondse molens aangelegd – dus onzichtbaar voor het blote oog. In 1555 dreven ondergrondse waterraderen bij het Lac de Taillères (kanton Neuchâtel) graanmolens en zagerijen aan. De ondergrondse raderen van de molens van La Ronde, in La Chaux-de-Fonds, waren al in 1489 in gebruik. De molenstenen en zagen waren daarentegen bovengronds opgesteld. Beide installaties zijn al lang buiten gebruik (Lac de Taillères in 1923, La Ronde in 1870).

Lithographie von Fritz Huguenin-Lassauguette (1842-1926), 1876. De vallei van Le Locle (rechts) en de Col-des-Roches (links). Collectie: Museum Les Moulins souterrains du Col-des-Roches.

De geschiedenis van watermolens bij Le Locle gaat terug tot de 14e eeuw. De Gros Moulin du Locle dateert van 1370; de heer van Valangin verkocht zijn molens in La Sagne, Les Brenets en La Chaux-de-Fonds in de 16e eeuw; en de Moulin de la Roche, bij de Saut-du-Doubs, werd in 1642 eigendom van Daniel Sandoz (1604–1668).

De eeuwenoude ondergrondse molens van Col-des-Roches

De eeuwenoude molens van Col-des-Roches daarentegen werden in de 17e eeuw volledig ondergronds ingericht – tot op meerdere tientallen meters diepte! Col-des-Roches, bij Le Locle (kanton Neuchâtel), is een rotsformatie die over miljoenen jaren werd gevormd door de opheffing van het Juramassief en door de werking van zeeën, gletsjers en smeltwater.

Les moulins in de 17e eeuw

Les moulins in de 19e eeuw

Col-des-Roches ligt op ongeveer 2 kilometer van Le Locle. In de zachte Jurakalk zijn talrijke grotten en verschillende beekjes ontstaan. Dit gebied was traditioneel moerassig en werd pas in de 20e eeuw drooggelegd. De beek de Bied werd in de 20e eeuw gedeeltelijk gekanaliseerd en stroomt nog altijd deels ondergronds, voordat zij in de Doubs uitmondt bij de Grotte du roi de Prusse – in het Lac des Brenets, nabij de Saut-du-Doubs.

Beroemde bezoekers

De ondergrondse watermolens waren in Europa een begrip. De filosoof Karl Viktor von Bonstetten (1745–1832) drukte het aan het einde van de 18e eeuw zo uit: “ les fameux moulins sont connus dans le monde entier”.

Collectie: Museum Les Moulins souterrains du Col-des-Roches

De naam ‘roi de Prusse’ (koning van Pruisen) verwijst naar het vorstendom Neuchâtel van de koning van Pruisen (formeel van 1706 tot 1857, hoewel Neuchâtel sinds 1815 kanton van de Confederatie is en sinds 1848 een republiek!). In de geschiedenis van de ondergrondse molens van Col-des-Roches duikt de naam van de prins van Neuchâtel meerdere keren op: als verleende concessies voor molens, als bezoeker van deze ondergrondse molens en in het kader van de regulering van de graanmarkt. Koning Frederik-Willem IV (1795–1861), prins van Neuchâtel, bezocht de grotten in 1842.

Ook verschillende Europese politici, schrijvers, ingenieurs en andere notabelen bezochten dit ‘wonder van natuur en kunst’ (zoals Frédéric-Samuel Osterwald (1713–1795)), onder wie de Venezolaanse vrijheidsstrijder Francisco de Miranda (1750–1816), prins Edward (1767–1820), hertog van Kent (vader van koningin Victoria), en Hans Christian Andersen (1805–1875).

De concessies voor Jonas Sandoz. Collectie: Museum Les Moulins souterrains du Col-des-Roches

Daniel en Jonas Sandoz

Daniel Sandoz verkreeg de concessies voor molens in Col-des-Roches, in de toenmalige gemeente Rochefort. Zijn zoon Jonas Sandoz (1626–1690) was vervolgens in 1659 de initiatiefnemer van het complex van ondergrondse molens met een graanmolen, een zagerij, een stampmolen en een oliepers. In de grot richtte hij ruimte in voor vijf raderstellen, verticaal boven elkaar geplaatst ter hoogte van de waterval van de Bied.

Wapen van de familie Sandoz. Collectie: Museum Les Moulins souterrains du Col-des-Roches

Daarvoor liet hij de grot verder uitgraven en tussen de niveaus watergoten (aquaducten) aanleggen. Elk raderstel was gekoppeld aan een molen – of, zoals de Raad van State van Neuchâtel het in 1663 verwoordde:

“….l y puisse bastir et construire tels harnois et engins qu’il trouvera à propos, et qui luy soyent le plus commodes, utiles et profitables, soit moulins raise, rebattre, huilière, et autres artifices”.

De bloetijd in de 18e eeuw

De eigenaar exploiteerde de molens niet zelf: hij verpachtte ze aan molenaars. Op het hoogtepunt, in de 18e eeuw, telde dit bijzondere en unieke project nog vier ondergrondse molens. De horloge-industrie, de textielnijverheid en de kantproductie luidden een fase van industrialisering, welvaart en immigratie in de regio in – met name in Le Locle, La Chaux-de-Fonds, de Val-de-Travers (asfaltmijnen!) en Cortaillod.

De vraag naar tarwe en hout nam daardoor sterk toe, maar aan het einde van de 18e eeuw bleven er nog slechts drie molens in bedrijf. Mevrouw de Gauthier, een vluchtelinge van de Franse Revolutie, vermeldt in (Voyage d’une Française en Suisse et en Franche-Comté. Depuis la Révolution):

“Le moulin des Roches est situé à une quart heure de lieue du Locle dans une chaîne de montagnes, oû la nature a creusé une énorme caverne. Un ruisseau qui parcourt le vallon s’y précipite, et fait mouvoir aussi trois roues. Des escaliers taillés dans le roc, rendent ce voyage souterrain facile. Deux moulins servent à la mouture des blé ; le troisième au sciage des planches”.

Het einde in de 19e eeuw

Door de eeuwen heen volgden verschillende eigenaars elkaar op en brachten zij wijzigingen aan. De meest ingrijpende verandering was de installatie van turbines in de 19e eeuw. Maar dat veranderde niets: tegen het einde van de 19e eeuw waren de ondergrondse molens aan het einde van hun levensduur.

Langs deze schacht kwamen de boomstammen bij de zaagmolen

Het onderhoud van de molens vergde veel kapitaal en mankracht; de arbeidsomstandigheden waren zeer zwaar. Bovendien was de vochtigheid in de grot niet ideaal voor granen, en moesten de boeren hun gemalen meel zo snel mogelijk weer ophalen. Boven de graanmolens was een dak aangebracht om druppels en vocht te beperken. De stammen voor de zagerij kwamen via een ingang en een aquaduct tot bij de houtmolen.

De boer haalt gemalen graan op. Collectie: Museum Les Moulins souterrains du Col-des-Roches

In de 19e eeuw deden nieuwe technieken (elektriciteit en turbines) hun intrede, en waterkracht verloor snel aan belang. Daarna kwamen nieuwe vervoermiddelen (trein, auto). Die maakten het mogelijk om tarwe en hout goedkoop en snel over lange afstanden te vervoeren en te importeren, waardoor het belang van lokale productie en molens snel afnam.

Het museum Les Moulins souterrains du Col-des-Roches

Rond 1880 staakten de molens hun activiteiten, maar er diende zich een nieuwe mogelijkheid aan: de productie van elektriciteit. En in 1890 ging in Le Locle de eerste openbare straatverlichting aan dankzij de stroom die werd opgewekt door een waterkrachtinstallatie met een valhoogte van 90 meter, bij Col-des-Roches.

In die tijd waren de molens in de grot al vervallen, en in 1899 kreeg de grot een heel andere bestemming: een slachthuis. Door de constant lage temperatuur (7 °C) was de grot namelijk ideaal voor de verwerking en afvoer van dierlijke karkassen. Deze activiteit stopte definitief in 1966.

Na jaren van opruim- en graafwerkzaamheden opende het huidige museum op 1 juli 1987 zijn deuren. Het herbergt een permanente tentoonstelling, tijdelijke exposities en een parcours door de grot, waar men nog steeds de raderstellen en de ondergrondse molens kan zien.

(Bron en verdere informatie: Caroline Calame, Les Moulins souterrains du Col-des-Roches, Hauterive 2005; Les Moulins souterrains du Col-des-Roches).

Collectie: Museum Les Moulins souterrains du Col-des-Roches

Nieuwe wegen en de spoorwegverbinding van Frankrijk naar de Zwitserse Jura, eind 19e eeuw.

De Col-des-Roches, rond 1880. Collectie: Musée Les Moulins souterrains du Col-des-Roches

 27 septembre 1842, bezoek van de koning van Pruissen, prins van Neuchâtel

De Kelten, Romeinen, Ooievaars en natuur van Möhlin

De zoutmijnen van Ryburg behoren tegenwoordig tot de Schweizer Salinen AG, een samenwerkingsverband van drie mijnen in Bex, Pratteln en Ryburg. Ryburg maakt deel uit van de gemeente Möhlin (kanton Aargau), op slechts enkele kilometers afstand van Rheinfelden. Al in de Romeinse tijd was deze plek aan de Rijn bewoond. Dat is niet verwonderlijk gezien de nabijheid van Augusta Raurica, een van de grotere Romeinse steden ten noorden van de Alpen.

De Möhlinbach

Kelten en Romeinen

De eerste vermelding van Möhlin dateert uit het jaar 794, ten tijde van de karolingische heerschappij. Daarna maakte het dorp deel uit van het Bourgondische koninkrijk (888–1032), de heerschappij van lokale machthebbers (onder andere de Zähringers) en tot 1803 van Vorderösterreich  en het Oostenrijks-Habsburgse keizerrijk. Sinds 1803 maakt Möhlin deel uit van het kanton Aargau.

De kapel

Het is niet verwonderlijk dat de Kelten zich al 3000 jaar geleden aan deze vruchtbare oevers vestigden. Melina of Melin was de keltische naam van de nederzetting. De oude dorpskerk St. German werd in de 7e eeuw vernoemd naar de abt van het klooster Moutier-Grandval. Later werd de kerk omgedoopt tot St. Leodegar, bisschop van Autun. Tegenwoordig is het een christkatholieke kerk op een prachtige, verhoogde locatie.

St. Leodegar

In het zuiden wordt de gemeente begrensd door de Sonnenberg met de uitkijktoren (632 m), in het noorden door de Rijn.

Het langgerekte dorp wordt doorkruist door de Möhlinbach, en het oude centrum toont nog bebouwing die het belang van de landbouw weerspiegelt.

Ooieveaars

Niet alleen Kelten en Romeinen, maar ook ooievaars weten de weg naar Möhlin te vinden. De Storchenwiese Möhlin is een dorp in het dorp – maar dan voor ooievaars, en er is zelfs een zeldzame zwarte ooievaar te zien!

Natuur

Zoals op de meeste plaatsen in Zwitserland is ook hier de natuur op lokaal niveau in goede handen. Verantwoordelijk en respectvol omgaan met natuur en klimaat begint immers bij de burgers – bottom-up en niet top-down!

In het zuiden liggen de dorpen Magden, Zeiningen en Maisprach (kanton Basel-Landschaft) met hun morenen, Jurabergen, bossen, weiden en wijngaardterrassen. Ook in deze regio is muziek nooit ver weg, en een muziekpad begeleidt de wandelaars.

(Bron en meer informatie: gemeente Möhlin)

De natuur

Duet van de serpent en de saxofoon in de Collégiale van Saint-Imier

De Collégiale (11e eeuw) in Saint-Imier (kanton Bern) kende op 19 april een uniek concert met meer dan 15 ‘serpents’.

De serpent (nomen est omen) is in de 16e eeuw in Frankrijk uitgevonden. Het instrument werd gebruikt ter begeleiding van gregoriaanse gezangen en andere kerkliederen. Het hoogtepunt van het concert was het duet van de serpent en de saxofoon.

De serpent wordt gemaakt van hardhout, meestal notenhout, en in twee helften vervaardigd. Vervolgens worden de helften aan elkaar gelijmd en overtrokken met een dunne, perkamentachtige laag leer. Tot slot wordt het instrument met een speciale lak afgewerkt. Oorspronkelijk had de serpent zes gaten. In de loop der tijd kwamen er nog meer bij; sommige daarvan werden met kleppen bediend.

Omdat het bovenste deel met het mondstuk van metaal is gemaakt, behoort de serpent tot de koperblaasinstrumenten, hoewel het grootste deel uit hout bestaat.

Michel Godard

Na de Franse Revolutie werd het bespelen van de serpent weer opgepakt. Het instrument werd echter steeds vaker in de militaire muziek gebruikt. Tegen de 19e eeuw verloor de serpent steeds meer aan betekenis. De ophicleïde, een koperinstrument dat volledig van metaal is gemaakt en eveneens meerdere bochten heeft, verdrong de serpent—waarschijnlijk ook omdat het harder klinkt.

De serpent raakte in de vergetelheid, totdat in de jaren 1970 de Franse musicus Michel Godard de elegant gevormde, mooi klinkende serpent opnieuw ontdekte.

Michel Godard leerde klassiek trompet, vond vervolgens via het tubaspel de weg naar de jazz en geldt vandaag als de beste serpentspeler ter wereld.

Het verhaal van hoe Stephan Berger serpentbouwer werd

Stephan Berger, oorspronkelijk afkomstig uit Läufelfingen (kanton Basel-Landschaft), volgde een leertijd als landbouwmachine‑monteur. Later leerde hij leerbewerking en had hij een eigen werkplaats. Daar bedacht hij onder andere een speciale hondenriem voor geleidehonden. Deze uitvinding was een groot succes.

Toen Stephan in 2005 een jazzconcert van Michel Godard en zijn band bezocht, was hij helemaal in de ban van de warme, sonore klank van dit instrument.

Stephan, een echte knutselaar en zeer getalenteerde vakman, slaagde erin de serpent vanaf het niets te maken. Hij maakt het instrument voor musici uit de hele wereld en speelt het instrument zelf met veel passie.

Indrukken van het concert

En van de Collégiale van Saint-Imier

 

Kasteel Nidau en de Jurawatercorrecties

De graaf van Neuenburg zu Nidau bouwde rond 1140 de waterburcht, die in 1196 voor het eerst in documenten werd vermeld. In de Middeleeuwen was het waterpeil van het meer van Biel 2 meter hoger en de burcht lag direct aan het meer. Het kasteel rees de lucht in als een imposante en moeilijk te veroveren vesting.

De graven van Nidau, met als officiële naam ” Grafen von Neuenburg, Herren von Nidau”, speelden een belangrijke rol in de regio tot 1375 (Gugler-oorlog). De laatste graaf van Nidau, Rudolf IV, sneuvelde in 1375 in de strijd tegen de Guglers.

De Guglers waren Engelse en Franse huurlingen die tijdens de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) tussen de koninkrijken Frankrijk en Engeland naar het Zwitserse Mittelland trokken. Oorlog verbroedert kennelijk ook.

De Zwitserse huurlingen in latere eeuwen waren geen uitzondering, maar waren wel de beste soldaten en daarom veel gevraagd door de grootmachten van die tijd, waaronder de Republiek der Verenigde Zeven Provinciën.

De stad Bern (en Solothurn) organiseerde het verzet en in 1376 trokken de Guglers zich weer terug. Het kasteel ging daarna over naar de bisschop van Bazel en na hem naar de graaf van Neu-Kyburg.  Bern (en Solothurn) veroverden het kasteel en de stad in 1388.

Richard La Nicca (1794–1883)

Na de verovering diende het kasteel als zetel van de voogd van Bern. In de 19e eeuw werd het zuidelijke deel van de ringmuur afgebroken en de greppels gedempt. Dit was ook mogelijk door de Juragewässerkorrektion (1868-1891), waardoor het waterpeil van het Bielermeer twee meter zakte.

Door zijn ligging aan de uitmonding van de (Alte) Zihl (Thielle in het Frans) en als grensplaats met het prinsbisdom Bazel was Nidau tot het begin van de 19e eeuw een belangrijke douanepost. Tegenwoordig heeft het bestuursdistrict Biel (Bienne) zijn zetel in kasteel Nidau.

(Bron en verdere informatie: Schlossmuseum Nidau)

De toren van Nidau

De Zwitserse Deltawerken of de Jurawatercorrectie

Zwitserse ingenieurs kunnen niet alleen tunnels boren en spoorwegen aanleggen, maar zijn ook kanalengravers, dijkenbouwers en uitmuntende watermanagers.

Seeland 

Seeland en het grote moeras (das große Moor/le grand marais) zijn regio’s in het Drie-Meren-Land (Drei-Seen-Land/le Pays des Trois Lacs), de meren van Neuchâtel (Neuenburg), Bienne (Biel) en Morat (Murten), en strekken zich uit over de kantons Bern, Freiburg, Solothurn, Waadt en Neuchâtel.

De meren en rivieren

Na de laatste ijstijd (rond 12 000 jaar geleden) vormde zich een meer van ruim 100 kilometer lengte, dat zich uitstrekte van Yverdon-les-Bains (kanton Vaud) tot Solothurn. De rivieren de Aare, Emme en Zihl (Thielle in het Frans) doorkruisten deze regio en zorgden voor veel overstromingen.

De Thielle tussen Nidau en Büren vóór de waterregulering. De overstroming van 1817. Staatsarchief van Bern. Atlanten 21

De waterhuishouding

Vanaf het begin van de achttiende eeuw maakten ingenieurs en andere deskundigen plannen om deze wateroverlast te beperken. De technische mogelijkheden waren echter nog te beperkt. Dit veranderde door de Industriële revolutie in de negentiende eeuw.

De nieuwe Zwitserse Confederatie van 1848 had bovendien voor het eerst de bevoegdheid projecten in meerdere kantons te financieren. De regulering van waterhuishouding betrof de vijf bovenstaande kantons, die tot 1848  soeverein waren.

Beeld na het verlagen van het waterpeil in het meer van Neuchâtel en de restanten van Keltische paaldorpwoningen rond 1890

La Correction des Eaux du Jura/Juragewässerkorrektion

Dit is de zogenaamde Jurawatercorrectie (La Correction des Eaux du Jura/Juragewässerkorrektion). Deze vond plaats in twee etappes.

Het eerste project duurde van 1868 tot 1891 en stond onder leiding van de ingenieur Richard La Nicca (1794-1883). De Aare werd omgeleid in het meer van Biel door  het graven van een kanaal tussen Aarberg en Hagneck (1).

Afbeelding: Musée d’Yverdon et région

Daarnaast werden drie andere kanalen gegraven: het kanaal La Broye (3) tussen het meer van Morat en het meer van Neuchâtel, het kanaal van Zihl/Thielle (2) tussen het meer van Bienne en het meer van Neuchâtel en het kanaal Nidau-Büren (4) dat de Aare vanaf Büren tot aan het meer van Bienne reguleerde.

Afbeelding: Amt für Wasser und Abfall (AWA, Kanton Bern).

De Emme werd bij nader inzien buiten het project gehouden. Afbeelding 5 geeft het gebied van Seeland aan. De Aare was de voornaamste bron van wateroverlast. Het waterpeil van de meren zakte door deze projecten enkele meters. Dit leidde weer tot nieuwe agrarische, natuur- en ontspanningsgebieden in deze regio.

St. Peterinsel

Ook het eiland (St. Peter (île St. Pierre/St. Petersinsel in de Bielersee/lac de Bienne, verblijfplaats van Jean-Jacques Rousseau (1712-1778 in 1765), werd door het zakken van het waterpeil een schiereiland. Bij Hagneck kwam bovendien aan het einde van de negentiende eeuw een van Europa’s  eerste hydro-elektrische werken, de BKW (Bernische Kraftwerke).

Kernstuk

Het centrale middelpunt van de nieuwe waterhuishouding was het reguleren van de Aare. De waterdoorlaatbare Dam van Port (Regulierwehr Port/Barrage de régulation) in het kanaal Nidau-Büren is de kern van het project.

Dit grote werk is tevens een sluis (Schiffsschleusse Port/Ecluse de Port), een wegverbinding tussen Brügg en Port en later is daar nog een waterkrachtcentrale (Wasserkraftwerk Brügg/Centrale hydroélectrique de Brügg) bijgekomen.

Er waren echter toch nog enkele overstromingen. De tweede watercorrectie werd uitgevoerd tussen 1962 en 1973. Dit project behelsde de bouw van de waterkrachtcentrale  Flumenthal aan de Aare voorbij Solothurn en de uitbreiding en verbreding van de kanalen van Hagneck, Broye, Zihl en Nidau-Büren.

Hagneck Kanaal. 

Deze installaties zijn bovendien aan het einde van de twintigste eeuw gemoderniseerd. Tevens is er nog een waterkrachtcentrale voor de opwekking van elektriciteit gebouwd in het kanaal Nidau-Büren.

De centrale regulering van de waterstanden in de drie meren en de waterdoorlaatbare dam Port vindt tegenwoordig plaats vanuit Bern ( Regulierzentrale/centrale de Régulation). Van hieruit worden de waterstanden in de drie meren en de regulering van de Aare in de gaten gehouden.

Nidau-Büren-Kanal

De regio is tegenwoordig het voor de landbouw meest vruchtbare deel van het land  en de hofleverancier van groente en fruit. Bovendien zijn aan de oevers van de meren diverse natuurgebieden ontstaan, onder andere aan de zuidoever van het meer van Neuchâtel en is het gebied geschikt gemaakt voor toerisme en zijn faciliteiten.

Conclusie

De waterhuishouding van de drie meren en de rivieren de Aare, Emme en Zihl was sinds 1868 onderwerp van diverse projecten. Uiteenlopende, soms tegengestelde, belangen van scheepvaart, visserij, landschaps- en natuurbeheer, landbouw en veiligheid voor de bewoners speelden hierbij ook een rol.

Ondanks deze menselijke ingrepen is de natuur in de zomermaanden van 2021 toch weer sterker gebleken. De overstromingen waren niet zo verwoestend als voor deze ingrepen en de controlemechanismes hebben op zich gefunctioneerd, maar ze  stemmen wel tot bescheidenheid in relatie met de natuur.

Aan de geweldige prestatie van de ‘Deltawerken’ van Zwitserland doet dit niets af. De regulering van de waterhuishouding in deze regio heeft ook gevolgen voor andere gebieden, onder andere voor de meren van Brienz en Thun en het verdere verloop van de Aare, die bij het Zwitserse Koblenz (kanton Aargau) in de Rijn uitmondt.

Het is wat dat betreft goed te beseffen dat de Aare meer water vervoert dan de Zwitserse Rijn. De Gotthardtunnels zijn wijd en zijd bekend. Deze Deltawerken van de Alpen verdienen echter ook de aandacht die ze verdienen.

(Bron en nadere informatie: Bezoekerscentrum krachtcentrale www.bielerseekraftwerke.ch; www.schlossmuseumnidau.ch)

Nidau, ingenieur Richard la Nicca (1794-1883), drijvende kracht achter het project. 

Stichting Haegsche Tijd organiseert een excursie in Zwitserland

Op dinsdag 14 april 2026 organiseerde de Stichting Haegsche Tijd een feestelijke bijeenkomst ter gelegenheid van de verjaardag van Christiaan Huygens (1629-1695). Het is voor de achtste maal dat de stichting deze verjaardagviering organiseert in de Nobelzaal van het Venduehuis in Den Haag. Filosofe Joke Hermsen (1961) plaatste de verjaardag van de uitvinder van de spiraalveer in het perspectief van de tijd.

Kairos en Chronos

Daarbij refereerde ze ook aan het logo van Stichting Haegsche Tijd en de symbolen van Kairos , de Griekse god van het juiste moment, beleving en ervaring, en Chronos, de Griekse god van de exacte tijdsmeting.

Dit was ook het uitgangspunt van haar lezing “Tijd is hoop. Nieuwe manieren van hoopvol denken”. Chronos is tijdsmeting voor het functioneren van de economie, het ordelijk functioneren van de private en publieke sfeer en vooral van het tijdelijke, het sterfelijke. Om deze redenen zijn de symbolen van Chronos de zandloper en de zeis. Kairos is daarentegen de patroon van de gevoelens en een ieders subjectieve waarneming  van het moment.

De mogelijke verbinding en het evenwicht tussen Kairos en Chronos zijn het uitgangspunt van haar diverse publicaties (onder andere ‘Tijd is Hoop’, Amsterdam 2025). Soms een wat minder starre en wetmatige Chronos, en wat meer Kairos, inclusief dromen, mijmeren en gevoel in de dagelijkse beleving.

Christiaan Huygens

De Stichting Haegsche Tijd viert niet alleen deze verjaardag, maar bereidt ter gelegenheid van de 400e geboortedag van Christiaan Huygens in 2029 een groots (internationaal) evenement voor.

Zwitserse partners

Daarvoor was en is ze echter al actief met buitenlandse partners, onder andere met een derde buitenlandse educatieve excursie en wel voor de tweede keer naar Zwitserland (dinsdag 5 – vrijdag 8 mei 2026). De reis gaat onder andere naar Neuchâtel, La Chaux-de-Fonds, Le Locle en Genève

(Bron en verdere informatie: Stichting Haegsche Tijd)

De Bank voor Internationale Betalingen in Bazel

De Bank voor Internationale Betalingen (BI, die Bank für Internationalen Zahlungsausgleich) werd in 1930 opgericht om de herstelbetalingen van Duitsland te beheren, zoals vastgelegd in 1919 (Verdrag van Versailles). Ruim tien jaar later, in een periode van zeer hoge inflatie en een beurscrash (1929), werd duidelijk dat deze herstelbetalingen economisch onhaalbaar en politiek gevaarlijk waren voor Duitsland.

Om deze reden heeft de BIS ook een Duitstalige naam, de Bank für Zahlungsausgleich (BIZ). De bank werd opgericht tijdens de Haagse Conferentie in Nederland. Een verdrag tot oprichting van de BIS werd ondertekend door België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan en het Verenigd Koninkrijk enerzijds, en Zwitserland anderzijds. Basel werd gekozen als vestigingsplaats vanwege de neutrale status van Zwitserland, de centrale ligging in Europa en de goede bereikbaarheid.

Vanaf de oprichting tot op de dag van vandaag heeft de BIS een aantal sleutelrollen vervuld in de wereldeconomie, van het afwikkelen van de herstelbetalingen die na de Eerste Wereldoorlog aan Duitsland werden opgelegd tot het ondersteunen van centrale banken bij hun streven naar monetaire en financiële stabiliteit.

De BIS is vandaag de dag eigendom van 63 centrale banken en verwelkomt nog steeds nieuwe leden, die landen uit de hele wereld vertegenwoordigen die samen goed zijn voor ongeveer 95% van het wereldwijde bbp. Het hoofdkantoor is gevestigd in Bazel, Zwitserland, en de bank heeft twee vertegenwoordigingen: in Hongkong SAR en in Mexico-Stad, evenals Innovation Hub Centres over de hele wereld.

Haar missie is om centrale banken te ondersteunen bij het nastreven van monetaire en financiële stabiliteit door middel van internationale samenwerking en om op te treden als een bank voor centrale banken.

De BIS biedt centrale banken en financiële toezichthouders een forum voor dialoog en samenwerking, waar zij vrijelijk informatie kunnen uitwisselen, tot een gemeenschappelijk standpunt kunnen komen en kunnen besluiten tot gezamenlijke acties.

Tweemaandelijkse bijeenkomsten

Gouverneurs en andere hoge functionarissen van de centrale banken die lid zijn van de BIS komen tweemaandelijks bijeen, meestal in Bazel, om de huidige ontwikkelingen en de vooruitzichten voor de wereldeconomie en de financiële markten te bespreken. Ook wisselen zij standpunten en ervaringen uit over kwesties die voor centrale banken van belang zijn.

Andere bijeenkomsten van gouverneurs

De Groep van centrale-bankgouverneurs en hoofden van toezicht (GHOS) is een forum op hoog niveau dat verantwoordelijk is voor internationale samenwerking op het gebied van bankentoezicht. Onder voorzitterschap van Tiff Macklem, gouverneur van de Bank of Canada, komt de GHOS periodiek bijeen om te beslissen over mondiale bankregelgeving en toezicht te houden op de werkzaamheden van het Bazels Comité voor bankentoezicht.

Het Financial Stability Institute helpt centrale banken en toezichthouders hun financiële systemen te versterken. Het ondersteunt de toepassing van mondiale regels en goed toezicht. Dit doet het door middel van beleidswerk, kennisuitwisseling en opleiding.

Via dit programma van regelmatige bijeenkomsten en ondersteuning voor de belangrijkste mondiale normstellers van het internationale financiële stelsel draagt de BIS bij aan het bevorderen van de dialoog tussen centrale banken en toezichthoudende autoriteiten, teneinde de mondiale monetaire en financiële stabiliteit te versterken.

De toekomst van het centrale bankwezen is onlosmakelijk verbonden met innovatie. Of het nu gaat om kunstmatige intelligentie, big data, fintech, digitale valuta of groene financiering: innovatie biedt de kans om technologie in te zetten om nieuwe publieke goederen voor centrale banken te verkennen en het financiële stelsel voor iedereen beter te laten functioneren.

Om tegemoet te komen aan de groeiende behoefte van centrale banken om op dit gebied samen te werken, bieden de BIS Innovation Hub Centres een platform voor verantwoorde innovatie, terwijl het Cyber Resilience Coordination Centre centrale banken in staat stelt zich te beschermen tegen de daarmee samenhangende risico’s.

Het Botta-gebouw

Het is een bank

Zoals de naam al aangeeft, fungeert de BIS ook als een bank. Zij biedt financiële diensten aan, uitsluitend aan centrale banken, monetaire autoriteiten en internationale organisaties. Haar banktransacties financieren de activiteiten, salarissen, kantoren en projecten. De BIS is financieel zelfvoorzienend, een uitzondering op het gebied van internationale organisaties!

Tower headquarters building

De huidige en geplande gebouwen

De BIS beschikt momenteel over twee hoofdgebouwen in Bazel: het hoofdkantoor in de Tower (ontworpen door Martin Burckhardt in 1977) aan de Centralbahnplatz en het Botta-gebouw (ontworpen door Mario Botta in 1986) aan de Aeschenplatz. Daarnaast bezit de bank twee oudere gebouwen aan de Centralbahnstrasse en de Gartenstrasse.

Na een internationale wedstrijd heeft de BIS besloten om de uitbreiding van haar complex voort te zetten met een nieuwe toren. De eerste fase zal naar verwachting tot 2027 duren.

(Bron en verdere informatie: Bank for International Settlements)

De Taubenlochschlucht, Petinesca, het bisdom Bazel en Bern

De geschiedenis van de Taubenlochkloof als noord-zuidverbinding en als toegangspoort tot de Jura gaat terug tot in de Romeinse tijd.

De Romeinse tijd

De hoofdroute van Marseille via het Meer van Genève naar de Rijn vormde een tak; een tweede liep vanuit Bern (Engehalbinsel) tot in de Jura. Het kruispunt van beide assen was Petinesca bij Studen. Het Romeinse tempelcomplex bij Studen getuigt hiervan.

Petinesca, de locatie van het Romeinse tempelcomplex bij Studen

De Juraweg liep over de Bözingenberg, hoog boven de Taubenlochschlucht. Een Romeinse wachttoren op de Geissrücken boven Frinvillier onderstreept het strategische belang van de verbinding.

De weg liep langs de Schüss naar Sonceboz, om vervolgens via de Pierre Pertuis, de door de Romeinen doorboorde rots (piedra pertusa), het dal van de Birs te bereiken.

De huidige tijd

Tot het begin van de 19e eeuw kon deze wegverbinding het verkeersvolume naar de Erguel en het bisdom Bazel aan. Met de afscheiding van het bisdom Bazel en de daaropvolgende integratie in het kanton Bern in 1815 werd de verkeerssituatie kritiek.

Aan het begin van de Taubenlochschlucht

De nieuwe weg van Biel naar Sonceboz met de boogbrug over de Schüss is in 1859 voltooid. De Jurabahn werd in 1874 aangelegd. Deze betekende echter het einde van het postkoetsverkeer.

De waterkrachtcentrale

De wandelweg  door de kloof bestaat al sinds 1889 en is aangelegd op initiatief van de Zwitserse Alpenclub (SAC). Voor het onderhoud en de instandhouding is de Taubenlochgesellschaft opgericht. In 1969 begon de aanleg van de Taubenlochstrasse. Bruggen, viaducten, steunpilaren en tal van andere bouwwerken zijn daarvoor in de Taubenlochkloof verankerd.

(Bron en verdere informatie: Vereniging Taubenlochschlucht)

Erlenbach, Pfannenstiel, Natur, Meilen en kasteel Friedberg

De oevers van de Zürichsee zijn gevormd tijdens de opmars van de Rijn- en Linthgletsjers in de laatste ijstijd. Het meer dankt zijn bestaan grotendeels aan het smelten van deze gletsjers. Het Meer van Zürich en zijn flora en fauna hebben de afgelopen 150 jaar verschillende ecologische dieptepunten doorgemaakt.

Door de intensieve bebouwing van de oevers en de vervuiling door afvalwater is een groot deel van de natuurlijke leefomgeving op het land en in het meer verloren gegaan. De afgelopen jaren is de waterkwaliteit echter verbeterd en heeft de natuur op het land zich hersteld – ten voordele van zowel de mens als de flora en fauna.

Het is nog niet perfect, maar de menselijke ingreep in de natuur is, gezien de hoge bebouwingsdichtheid en het intensieve gebruik voor landbouw en recreatie, tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht. De grootste bedreiging gaat tegenwoordig uit van zogenaamde „invasieve exoten“, dieren en planten uit andere continenten, zoals Amerikaanse rivierkreeften.

In het dorp Erlenbach, dat enkele kilometers stroomopwaarts ligt, is van dit alles nog weinig te merken. De gelijknamige beek stroomt al duizenden jaren richting het meer en mondt bij Meilen uit in het Meer van Zürich.

Deze strategische ligging bleef ook de lokale machthebbers niet verborgen. Rond het jaar 1200 bouwden zij de burcht Friedberg. Rond 1350 werd de burcht verwoest en niet meer herbouwd.

Op een andere, vanuit toeristisch oogpunt strategische locatie staat tegenwoordig het hotel-restaurant Pfannenstiel, met een prachtig uitzicht op de Alpen, de Greifensee, Uster en de Schnebelhorn (1291 m), de hoogste berg van het kanton Zürich.

Hotel‑Restaurant Pfannenstiel

De Greifensee en Uster

De Schnebelhorn

(Bron en verdere informatie: Gemeinde Meilen)

Meilen

Wasserfels, voormalige electriciteitscentrale en textielfabriek

Ortsmuseum Meilen

En omgeving

 

Premonstrantenklooster Gottstatt en het Nidau-Bürenkanaal

Een dorp, stad of andere plaats in Zwitserland heeft meestal wel een of andere culturele, industriële of historische bijzonderheid of een noemenswaardige natuurlijke omgeving.

Het premonstrantenklooster Gottstatt

Het voormalige premonstrantenklooster Gottstatt in de gemeente Orpund (kanton Bern) heeft van alles wat. Het klooster ligt tussen de Büttenberg en het Nidau-Bürenkanaal, dat in de 19e eeuw is aangelegd ten tijde van de eerste Juragewässer Korrektion (1868-1891). Deze Deltawerken avant la lettre (een eeuw voor de Deltawerken in Nederland)  veranderden de waterhuishouding in dit deel (Seeland) van het land voorgoed.

Het Nidau-Büren-Kanal

De Remonstrantse orde is rond 1120 gesticht in de plaats Prémontré (departement Aisne in Frankrijk). Het Prämonstrantenklooster Gottstatt was de laatste vestiging van deze orde op het gebied van het huidige Zwitserland. De graven van Neuenburg-Nidau waren de stichters in 1247. In 1255 is het klooster ingewijd. Diverse generaties van de graven van Neuenburg-Nidau zijn in de kerk begraven. De abdij Bellelay was de moederabdij, Het klooster viel onder het bisdom Lausanne.

 

Bern

De graven van Kyburg verwierven Nidau en het klooster in 1375, maar verpandden het aan hertog Leopold III van Habsburg. Na diens nederlaag bij Sempach (1386)  tegen de Eidgenossen, verwierf Bern 1388 Nidau en het klooster. Dit leidde in 1528 tot de Reformatie en tot 1798 tot een landvoogdij van Bern. Het complex heeft tegenwoordig diverse functies, onder andere een religieuze functie en een woonbestemming.

Safnern

Het nabijgelegen dorp Safnern is voor het eerst in 1251 vermeld. Ulrich vo Biel schonk Safnern (feuchte Wiese, Ort mit saftigem Gras) aan de abdij Bellelay. Na de Juragewässer-Korrektion begon de economische opleving van het dorp en kreeg het prachtige natuurgebied Häftli aan de Oude Aare gestalte.

(Bron en verdere informatie: D. Amacher, B. Blaser, Die reformierte Kirche und das ehemalige Prämonstratenserkloster Gottstatt, Bern, 2005)