Die Taubenlochschlucht, Römer, das Bistum Basel und Bern Die Taubenlochschucht und ihre Bauten. Foto/Phot: TES

De Taubenlochschlucht, Petinesca, het bisdom Bazel en Bern

De geschiedenis van de Taubenlochkloof als noord-zuidverbinding en als toegangspoort tot de Jura gaat terug tot in de Romeinse tijd.

De Romeinse tijd

De hoofdroute van Marseille via het Meer van Genève naar de Rijn vormde een tak; een tweede liep vanuit Bern (Engehalbinsel) tot in de Jura. Het kruispunt van beide assen was Petinesca bij Studen. Het Romeinse tempelcomplex bij Studen getuigt hiervan.

Petinesca, de locatie van het Romeinse tempelcomplex bij Studen

De Juraweg liep over de Bözingenberg, hoog boven de Taubenlochschlucht. Een Romeinse wachttoren op de Geissrücken boven Frinvillier onderstreept het strategische belang van de verbinding.

De weg liep langs de Schüss naar Sonceboz, om vervolgens via de Pierre Pertuis, de door de Romeinen doorboorde rots (piedra pertusa), het dal van de Birs te bereiken.

De huidige tijd

Tot het begin van de 19e eeuw kon deze wegverbinding het verkeersvolume naar de Erguel en het bisdom Bazel aan. Met de afscheiding van het bisdom Bazel en de daaropvolgende integratie in het kanton Bern in 1815 werd de verkeerssituatie kritiek.

Aan het begin van de Taubenlochschlucht

De nieuwe weg van Biel naar Sonceboz met de boogbrug over de Schüss is in 1859 voltooid. De Jurabahn werd in 1874 aangelegd. Deze betekende echter het einde van het postkoetsverkeer.

De waterkrachtcentrale

De wandelweg  door de kloof bestaat al sinds 1889 en is aangelegd op initiatief van de Zwitserse Alpenclub (SAC). Voor het onderhoud en de instandhouding is de Taubenlochgesellschaft opgericht. In 1969 begon de aanleg van de Taubenlochstrasse. Bruggen, viaducten, steunpilaren en tal van andere bouwwerken zijn daarvoor in de Taubenlochkloof verankerd.

(Bron en verdere informatie: Vereniging Taubenlochschlucht)