St. Peterseiland, Bern, Twann en Erlach

Tot 1868 was het eiland St. Peter (St. Petersinsel/l’île Saint-Pierre) een echt eiland, en zelfs het grootste van Zwitserland, voordat het niveau van het meer van Biel (Bielersee/lac de Bienne) tijdens de eerste correctie van de waterwegen van de Jura tussen 1868 en 1875 met ruim twee meter werd verlaagd.

St. Petersinsel en de Jura Correction 1868. Afbeelding: Klosterinsel St. Peter 

St. Peterseiland

Zo ontstond de passage (4,5 km) tussen de stad Erlach en het eiland en het huidige beschermde natuurgebied. Reeds bewoond vanaf de 11e eeuw v.Chr., waren er tot de 3e eeuw v. Chr. drie paalbouwdorpen aan de zuid-, oost- en noordkant van het eiland gebouwd.

Later werd het eiland een religieuze plaats met tempels voor de Romeinen (2-3e eeuw) en vervolgens een begraafplaats voor Merovingische families. De eerste kerk is  gebouwd in deze periode (7-8e eeuw).

Aan het begin van de 11e eeuw is het eiland overgenomen door de orde van Cluny. Na een nooit afgebouwde en voortijdig ingestorte Romaanse basiliek, zijn de  kloostergebouwen rond 1120 gebouwd.

Het klooster was opgedragen aan de apostelen Petrus en Paulus en geeft zijn naam aan het eiland Sint Peter. Na de reformatie is het klooster en grond in 1530 aan Bern overgedragen.

De kloosterkerk is toen afgebroken en het complex werd gebruikt als hospitaal door de stad Bern, die nog steeds eigenaar is van het complex (het huidige hotel-restaurant). De gemeenten Erlach en Twann beheren echter de andere delen van het eiland.

Pas in 1765, na de ballingschap van Jean-Jacques Rousseau op het eiland, kreeg het eiland Europese betekenis. Het eiland werd een populaire bestemming voor keizers, koningen, aristocraten, staatslieden, kunstenaars en schrijvers.

Onder anderen Goethe, Cook, keizerin Josephine Bonaparte en koningen van Pruisen (formeel tot 1857 Prins van Neuchâtel), Zweden en Beieren bezochten het eiland.

Tegenwoordig is het eiland een beschermd natuurgebied, een openluchtmuseum, landbouwgebied, en monument met haar voormalige klooster  en archeologische vondsten vanaf de prehistorie.

(Bron: D. Gutscher, A. Moser, L’ île Saint-Pierre, Bern, 2010)

Een toekomst voor wiens verleden?

Van 22 tot 24 oktober 2025 organiseren ICOMOS Suisse, ETH Zürich, EPFL en Zentrum NIKE de conferentie ‘Een toekomst voor wiens verleden?’ (Eine Zukunft für wessen Vergangenheit?/ A Future for whose Past?)op de Monte Verità boven Ascona.

De conferentie is interdisciplinair en richt zich op specialisten op het gebied van behoud van gebouwd erfgoed en archeologie, erfgoedstudies, sociale antropologie, historische en sociale wetenschappen, geschiedenis van architectuur en kunst, vertegenwoordigers van minderheden, marginale groepen en mensen zonder lobby, evenals mensen die werkzaam zijn op het gebied van integratie.

Alle documenten en aanvullende informatie over de call for papers en de conferentie zijn beschikbaar op de conferentiewebsite.

Klooster St. Peterseiland en Jean-Jacques Rousseau

De eerste kerk op het Sint-Peterseiland (St. Petersinsel/l’île de Saint-Pierre) in het meer van Biel (Bielersee, lac de Bienne, kanton Bern) is gebouwd in de Merovingische tijd (de 7e en 8e eeuw). Dit gebouw is later uitgebreid met een rechthoekig koor.

De kerken en resterende gebouwen 8e-20e eeuw

De kerk links (gebouwd rond 1120) is verwoest tijdens de Reformatie(1530). Rechts is de reconstructie van de basiliek (11e eeuw), die voortijdig instortte en nooit is voltooid. Afbeeldingen: St. Petersinsel

Aan het begin van de elfde eeuw verwierf de machtige abdij van Cluny het eiland en stichtte een klooster, een priorij van Cluny. In deze periode zijn de fundamenten gelegd voor een grote basiliek met drie schepen.  Deze basiliek is echter nooit gerealiseerd en stortte halverwege de bouw in.

De deels nog zichtbare fundamenten tonen een directe relatie met de kerkkloosters van Cluny II (980) en Romainmôtier III (1028).

Andere kloostergebouwen en een nieuwe kloosterkerk zijn rond 1120 wel gerealiseerd. In 1484 werd het klooster opgenomen in de Sint-Vincentiusabdij van de kathedraal van Bern.

Na de Reformatie in 1530 is de kerk gesloopt en de resterende gebouwen hebben eeuwenlang dienst gedaan als hospitaal van de stad Bern. Het complex huisvest tegenwoordig een hotel en restaurant.

Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) verbleef op het eiland in 1765 en schreef:

“Ik heb verschillende malen op betoverende plaatsen gelogeerd, maar aan geen enkele heb ik zulke waarlijk gelukkige uren te danken en aan geen enkele treur ik zozeer als aan St. Peterseiland”.

Museum Jean-Jacques Rousseau 

(De toutes les habitations où j’ai demeuré et j’en ai eu de charmantes, aucune ne m’a rendu si veritable heureux et ne m’a laissé de si tendres regrets que l’île de Saint-Pierre”, Vijde Wandeling van  Jean-Jacques Rousseau, uit ‘ Les Rêveries du promeneur solitaire : cinquième promenade ‘.

 

Museum Jean-Jacques Rousseau 

Een archeologische route toont de historie van dit kloostercomplex en de restanten uit de Keltische, Romeinse en Merovingische tijd, met onder andere Paalbouwwoningen, Romeinse vondsten en sarcofagen uit de Merovingische periode.

Romeinse zuil

Merovingische Sacrophaag, rond 700

Restanten van de muur tegen golfslag, gebouwd rond 1770

(Bron: D. Gutscher, A. Moser, L’île Saint-Pierre, Bern, 2010)

Die Eiserne Hand en de gedenkplaats 1933-1945 van Riehen

De grillige grens van het huidige Zwitserland met haar vele kronkels en zelfs enkele buitenlandse enclaves is het resultaat van natuur, politiek en soms toeval. De grenzen van de 26 kantons tonen veelal hetzelfde patroon. Binnen diverse kantons bevinden zich zelfs enclaves van andere kantons en soms heeft de grens meer weg van een lappendeken van drie kantons.

De Hoogrijn (en de Bodensee) is sinds 1803 de natuurlijke grens tussen de Zwitserse Confederatie aan de linkerrijnoever en het Duitse (Groot-Hertogdom) Baden en (Koninkrijk) Württemberg, sinds 1947 Bundesland Baden-Württemberg.

Collectie: Dreiländermuseum Lörrach

Ook deze grensrivier kent echter uitzonderingen: het kanton Schaffhausen ligt grotendeels aan de rechterkant van de Rijn, het kanton Zürich strekt zich ook enkele vierkante kilometers uit over de rechteroever.

De meest opvallende Zwitserse verschijning aan de rechterrijnoever ligt echter in kanton Basel-Stadt. Het kanton Basel-Stadt bestaat uit drie gemeentes: Bazel, Riehen en Bettingen. Riehen en Bettingen liggen aan de rechterrijnoever, maar ook een deel van Bazel (Kleinbasel) ligt aan de ‘Duitse’ kant van de Rijn met de Badische Badenhof van de Deutsche Bahn (DB) in Kleinbasel bovendien als Duits grondgebied in Zwitserland.

Tegenwoordig is dit voor het personenverkeer geen hindernis. In de periode 1933-1945 en met name vanaf 1938 was het voor velen echter een grens tussen leven en dood, vrijheid en dictatuur.

De Eiserne Hand, landsgrens gemeente Riehen

1933 – 1945

 De machtsovername door de Nazi’s op 30 januari 1933 leidde vanaf het eerste begin tot terreur en vervolging van politieke tegenstanders, andersdenkenden en Joodse burgers.

Na de pogrom van 9 november 1938 (Kristallnacht) tot de bezetting en capitulatie van Duitsland in 1945 overschreden duizenden Joodse burgers, vluchtelingen uit bezette gebieden, geallieerde militairen en dwangarbeiders deze Zwitserse grens aan de rechterrijnoever.

De Duitse veldtocht tegen Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk in mei 1940 leidde weliswaar niet tot een Duitse invasie van Zwitserland, maar de plannen waren er (Operatie Tannenbaum).

Wellicht heeft de snelle capitulatie van Frankrijk deze invasie voorkomen. De kosten wogen voor Duitsland (en Italië) niet meer op tegen de baten van een neutraal buurland met belangrijke transportverbindingen en (wapen)industrie en financiële sector, die niet gebombardeerd konden worden.

De permanente angst voor een Duitse invasie bepaalde echter  (zie ook de Duitse bezetting van Italië in 1943 en Hongarije in 1944) het dagelijkse leven in kanton-Basel-Stadt en Zwitserland.

Collectie: Gedenkstätte Riehen

In ieder geval was en bleef de grens aan de rechterrijnoever vanaf 10 mei 1940 hermetisch gesloten met versperringen en patrouilles.  Voor veel inwoners kwam daarmee een einde aan eeuwenlange vanzelfsprekende sociale en economische contacten en betrekkingen en familiebanden.

Vele Duitsers woonden of werkten (ook toen al) bovendien in dit kanton en steunden het nieuwe regime. Het overgrote deel van Zwitserse burgers moest echter niets hebben van het ‘Hilter-Zeug’, wat weer tot spanningen leidde met de grote Duitse gemeenschap.

Collectie: Gedenkstätte Riehen

Vluchtelingen

De permanente angst voor Duitsland, economische problemen, werkloosheid, armoede voor delen van de bevolking en antisemitisme eisten echter hun tol voor vele (Joodse) vluchtelingen.

Zwitserland was vanaf 1940 een democratische, multiculturele oase omringd door meedogenloze regimes. Hitler had Zwitserland al eens een ‘Ungeheuer’ genoemd en Heim ins Reich gold ook voor Duitstalig Zwitserland.

Mussolini had Italiaansprekende gebieden in Zwitserland op het oog (Irredentismo). Concessies, compromissen en samenwerken met deze dictators was een kwestie van overleven voor het kleine land te midden van een woestijn van duizenden kilometers dictatuur.

Collectie: Gedenkstätte Riehen

De details van de formele Zwitserse houding ten aanzien van Joodse en andere vluchtelingen zijn uitvoerig beschreven en bekend (zie onder andere het verslag van de Bergier-Kommisson van 22 april 2022). Bondspresident Kaspar Villinger had deze houding namens de Zwitserse regering  al treffend samengevat in een verklaring op 7 mei 1995:

“ Ich will aber nicht verhehlen, dass es einen Bereich gab, der sich aus heutiger Sicht der Rechtfertigung durch irgendwelche “äusseren Umstände” entzieht. Es steht für mich ausser Zweifel, dass wir mit unserer Politik gegenüber den verfolgten Juden Schuld auf uns geladen haben.

Die Angst vor Deutschland, die Furcht vor Überfremdung durch Massenimmigration und die Sorge um politischen Auftrieb für einen auch hierzulande existierenden Antisemitismus wogen manchmal stärker als unsere Asyltradition, als unsere humanitären Ideale.

Schwierige Zielkonflikte wurden auch überängstlich zu Lasten der Humanität gelöst. Wir haben damals im allzu eng verstandenen Landesinteresse eine falsche Wahl getroffen. Der Bundesrat bedauert das zutiefst, und er entschuldigt sich dafür, im Wissen darum, dass solches Versagen letztlich unentschuldbar ist“.

Gemeente Riehen en de Eiserne Hand. Collectie: Gedenkstätte Riehen

 De Eiserne Hand

 De tragedie voor met name Joodse vluchtelingen speelde zich aan alle Zwitserse grensposten af, in Tessin, Genève, St. Gallen, Schaffhausen, Graubünden en andere grenskantons. De situatie aan de rechterrijnoever van kanton-Basel-Stadt was echter uitzonderlijk.

In de eerste plaats waren er de treinverbindingen naar de Badische Bahnhof over Zwitsers grondgebied (de Wiesentalbahn), van Weil am Rhein via Kleinbasel naar Grenzach en van St. Louis naar het Frans station in Bazel. Vluchtelingen gebruikten deze treinen soms om op Zwitsers grondgebied uit de trein te springen.

De belangrijkste vluchtroute was echter de Eiserne Hand (de IJzeren Hand)in de gemeente  Riehen. Dit is een strook van ongeveer 2 kilometer lang en 300 meter  breed die zich als een hand (of vinger) in Duitsland uitstrekt.

Maienbühl tegenwoordig

Alleen dit gebied hadden de Duitsers bij gebrek aan materiaal niet meer afgesloten met prikkeldraad en andere versperringen en de Zwitserse regering weigerde dit te doen, ondanks Duitse aanmaningen.

Duizenden vluchtelingen bereikten  deze grens, ondanks vele patrouilles. De boerderij  Maienbühl was vaak het eerste opvangadres waar gastvrij onderdak werd geboden.

Bij grensteen 51 werden veel vluchtelingen weer de Duitse grens over gezet, voor veel anderen betekende het echter de vrijheid en het leven. Collectie: Gedenkstätte Riehen

Er bestond  echter een meldplicht voor vluchtelingen en daarna begon de bureaucratische procedure bij grenspolitie en autoriteiten. Joodse vluchtelingen waren volgens de nationale regering geen politieke vluchtelingen en moesten om deze reden worden teruggestuurd. De grens van hoop en leven werd zo een grens van teleurstelling en dood.

De meeste burgers  namen het asielbeleid voor kennisgeving aan. Een kleine minderheid, organisaties, kerken, politici verzetten zich echter tegen het nationale regeringsbeleid en hielpen vluchtelingen aan onderdak en papieren.

Ook enkele grenswachten stuurden vluchtelingen niet terug. De grote meerderheid vervulde echter zijn bureaucratische taak, al ging dat vaak, getuige archieven, met grote tegenzin.

De regering van kanton-Basel-Stadt was het ook niet eens met het beleid van de nationale regering en gebruikte haar kantonale vrijheid om toch zoveel mogelijk vluchtelingen een verblijfsvergunning te geven. Dit neemt niet weg dat voor velen de Eiserne Hand geen helpende had was.

Gedenkstätte Riehen

De gemeente Riehen geeft deze historie en vooral de verhalen van geredde en afgewezen vluchtelingen een gezicht en soms zelfs een stem. Een uitvoerig documentatiecentrum, vele persoonlijke getuigenissen van grenswachten, bewoners, vluchtelingenhelpers, politici en journalisten plaatsen deze tragedie in perspectief.

Deze ingetogen plek oordeelt niet. Wel heeft de verklaring van Kaspar Villiger een prominente plaats, naast enkele burgers, ambtenaren en politici die het beleid van de nationale overheid niet hebben opgevolgd.

Collectie: Gedenkstätte Riehen

Zwitserland is niet het enige land dat door dit verleden wordt ingehaald. Achteraf is het makkelijk oordelen en vooral veroordelen. Wie de echte helden zijn als het er om gaat, is in vredestijd en een democratie niet te voorspellen. Dat geldt tegenwoordig ook voor de vele activisten op diverse gebieden.

In ieder geval is het niet zo dat Zwitserland als natie heeft gefaald tegenover de Duitse en Italiaanse agressors.  Het land had geen keuze en heeft zich naar vermogen en mogelijkheden verzet tegen deze dictaturen

De Eiserne Hand is vooral een plek, die de morele, politieke en (on) menselijke houding in een (on) menselijke tijd symboliseert. De gedenkplaats is een plaats voor voor (zelf) reflectie.

En, tot besluit, aan de Duitse kant waren er ook enkelen die in verzet kwamen tegen het regime of hun leven waagden om Joden en andere vluchtelingen te helpen. Sommige treinmachinisten lieten op Zwitserse grondgebied de trein langzaam lieten rijden om vluchtelingen de kans te geven te onstnappen.

Afbeelding: Gedenkstätte Johann George Elser, Königsbronn

Een persoon verdient het echter in het bijzonder om vermeld te worden. Johann Georg Elser ( 1903-1945 ), een timmerman uit Königsbronn, pleegde op 8 november 1939 in Munchen een mislukte aanslag op de Fuhrer. Hij werd vervolgens bij Konstanz bij de grens met Zwitserland door Duitse grenswachten gearresteerd (W. Benz, Allein gegen Hitler. Leben und Tat des Johann Georg Elser, München, 2023).

(Bron en verdere informatie: Gedenkstätte Riehen)

Impressies van de Eiserne Hand

Grenssteen 60 van de Eiserne Hand. Collectie: Dreiländermuseum Lörrach

Impressies van Gedenkstätte Riehen

Impressies van de omgeving

Inzlingen (Duitsland)

Elsässerditsch, D´r Klein Prinz en alemannische dichters uit Elzas

Talen zijn nog steeds het belangrijkste communicatiemiddel, mondeling, schriftelijk, in woord en in gebaar. In het meertalige Zwitserland weet men er alles van. Maar ook de aangrenzende regio’s hebben een interessante taalkundige geschiedenis en ontwikkeling.

Dit geldt voor Savoye in Frankrijk, Zuid-Tirol (Adige), de Aostavallei, Piemonte en Lombardije in Italië, Tirol en Vorarlberg in Oostenrijk, het Bodenmeergebied, Baden, Franche-Comté en de Elzas.

Elzas

De oorspronkelijk Duitstalige Elzas werd geleidelijk tweetalig na de annexatie bij Frankrijk in de 17e eeuw. Vanaf 1945 ontwikkelde de regio zich steeds meer tot een puur Franstalige regio.

Tot de Tweede Wereldoorlog konden de inwoners van bijvoorbeeld Baden, Bazel en Elzas goed met elkaar communiceren in het Alemannische dialect. Na 1945 gingen deze regio’s echter taalkundig hun eigen weg.

Sinds enkele jaren heeft het Elzassisch Duits, Elsässerditsch, Duits dat in de Elzas wordt gesproken, een nieuwe impuls gekregen. Plaatsnamen zijn (weer) tweetalig (in het Elzassisch Duits en het Frans) en de media en de cultuur besteden er meer aandacht aan.

De eeuwenoude Alemannische en Frankische taal in de Elzas is dus nog niet helemaal verloren. Vanwege de eeuwenlange verbondenheid met de noordwestelijke Duitstalige kantons (Solothurn, Basel-Stadt, Basel-Landschaft en Aargau) en met de Franstalige Zwitserse Jura voor het Frans wordt de ontwikkeling van het Elzasser dialect en het Frans in het kort besproken aan de hand van Informatie van het Ecomusée d’Alsace in Ungersheim.

Afbeelding: Ecomusée d’Alsace

Elsässerditsch, Frans en Elzasser-Yiddisch

Het museum probeert de regionale taal onder de aandacht te brengen en presenteert een model van regionale bewegwijzering voor de gemeenten in de Elzas.

Er zijn vijf  Germaanse dialecten

Hochalemannisch in de zuidelijke Elzas (Sundgau), Niederalemannisch in het  noorden, Niederalemannisch in het Zuiden, Pfälzer Rheinfränkisch (francique rhénan palatin) in de noordelijke Elzas en Lothringisches Rheinfränkisch (francique rhénan lorrain of Lothringer Platt) in de Krummen Elsass (l’Alsace Bossue) bij Lotharingen.

De Germaanse en Romaanse dialecten stammen af van dialecten die aan de basis liggen van het Hoogduits en het moderne Frans. De Germaanse dialecten in de Elzas komen voor in de aangrenzende gebieden van Zwitserland, Duitsland en in Oostenrijk.

De twee Romaanse dialecten worden gesproken in de noordelijke en in de zuidelijke Elzas. Daarnaast bestond eeuwenlang het Yiddisch.

In vier Vogezen valleien in de Elzas komt het Romaans-Lotharingse (le roman-lorrain) voor: Bruche, Lièpvrette, Giessen en Weiss. Ze worden “Welche” genoemd in de Elzas (Welschen in Zwitserduits!). Deze dialecten zijn afgeleid van het Latijn, dat werd gesproken door soldaten, kooplieden en bestuurders en de geestelijkheid.

Deze Romaanse-Lotharingse dialecten in de Elzas behoren tot de Oïl-talen, die alle Romaanse talen ten noorden van de Loire omvatten en waaruit het moderne Frans is ontstaan. In gebieden die dicht bij de Frankische en Alemannische taalgrens liggen, komen veel Germaanse uitdrukkingen voor in deze Romaanse dialecten.

Het Romaanse dialect in de Haut-Elzas (le roman du Haut-Rhin), in Franche-Comté en in de Zwitserse Jura, ontwikkelde zich rond de 7e eeuw. Woorden van Keltische en Alemannische oorsprong werden hier ook overgenomen.

Tegenwoordig is het moderne Frans bijna overal standaard, zowel in Frankrijk als in Franstalig Zwitserland. Het patois is praktisch verdwenen of speelt geen rol meer, behalve in een paar regio’s zoals Wallis.

Conclusie

Tegenwoordig is het moeilijk voor te stellen dat de Elzassers tot 1945 zonder problemen in dialect konden communcieren met inwoners van Bazel en Baden! Het Sprachpanorama in Laufenburg biedt ook gedetailleerde en interessante inzichten in dit perspectief, de Alemannische dialecten en de geschiedenis van de Duitse taal.

Het Ecomusée d’Alsace plaatst zijn taalmodel in het perspectief van de Elzas in voorbije eeuwen, een Ballenberg in de Elzas als het ware.

Le Petit Prince (de Kleine Prins) kijkt ook van een kleine afstand toe in het Parc du Petit Prince, een themapark dat is opgezet rond de wereld van Le Petit Prince (1944) van Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944).

De auteur zou trots zijn geweest op de ‘D’r Klein Prinz’-uitgave van zijn wereldberoemde verhaal in het Elzassisch dialect.

Op de DreylandDichterweg langs de Rijn zijn 24 alemannische dichters uit Elzas, Baden en Bazel verwoord. Het traject loopt van van Bazel naar Huningue en Weil am Rhein.

(Bron en verdere informatie: Ecomusée d’Alsace in Ungersheim)

Impressies van het Ecomusée d’Alsace

   

 

50 jaar Musée international d’horlogerie in La Chaux-de-Fonds

Het halve eeuwfeest van het Musée international d’horlogerie in het hart van het Parc des musées in La Chaux-de-Fonds (kanton Neuchâtel) wordt groots gevierd in het weekend van 19 en 20 oktober, op de dag af 50 jaar na de opening.

Naast een programma van rondleidingen, workshops en demonstraties biedt het museum het publiek een aantal artistieke optredens als eerbetoon aan het emblematische Brutalistische gebouw.

Een van de andere hoogtepunten op zaterdag 19 oktober, vanaf 10.00 uur, zijn de poppen van La Turlutaine in een nieuwe creatie, de zangers van Evaprod en de Blind Tests van L’Amuse-Bar, die het feest tot een hoogtepunt zullen brengen met het uitblazen van de kaarsen van een gigantische verjaardagstaart om 22.30 uur.

Zondag 20 oktober zullen acht dansers van het gezelschap MOOST onder leiding van Marc Oosterhoff en dansers van ADN – Danse Neuchâtel op de daken van het MIH het sluitstuk zijn van dit jubileumsweekeinde.

Het MIH presenteert bovendien op beide dagen om 13.30 uur en 15.30 uur een uniek onlangs aangeschaft werk aan het publiek.

La Chaux-de-Fonds, Musée international d’horlogerie: zaterdag 19 oktober, 10.00-17.00 uur en 20.00-00.00 uur. Zondag 20 oktober, 10u tot 17u, gratis toegang.

(Bron en verdere informatie: www.mih.ch)

Handweberei Tessanda en de European Textile & Craft Award Prijs

De European Textile Academy, een onafhankelijk en internationaal platform voor interdisciplinaire kennisoverdracht in de textielindustrie, organiseert de European Textile & Craft Award.

Het doel is om bijzondere prestaties in hedendaagse en traditionele ambachtelijke en kunstberoepen en hun verbinding met de wereld van design te erkennen. Tessanda ontving de eerste prijs in de categorie Textielambacht in 2024.

Tessanda

De handweverij Tessanda in Sta. Maria (kanton Graubünden) is in 1928 opgericht om vrouwen een baan en de mogelijkheid tot een erkende vakopleiding tot handwever te bieden. Tessanda is opgericht onder het beschermheerschap van de vereniging “Società ütil public Val Müstair”, die al sinds 1910 bestond.

Parallel aan de oprichting van Tessanda richtte de “Società ütil public Val Müstair” ook de beroepsschool Sta. Maria op, die nog steeds actief is en die drie keer per jaar blokcursussen van twee weken voor leerlingwevers uit Zwitserland aanbiedt.

De vakschool in Sta. Maria is de kleinste in Zwitserland en wordt nog steeds gerund door de “Società ütil public Val Müstair”. Tessanda is sinds 1955 een onafhankelijke stichting.

Tegenwoordig is Tessanda een van de drie overgebleven professionele handweverijen in Zwitserland en een belangrijk cultureel erfgoed van Val Müstair. Er wordt nog steeds met de hand geweven op houten weefgetouwen, waarvan sommige meer dan honderd jaar oud zijn. Er werken momenteel 17 opgeleide en ervaren handwevers en naaisters bij Tessanda.

Vlas

Honderd jaar geleden werd er in Val Müstair nog vlas verbouwd. De vrouwen van Val Müstair weefden shirts, beddengoed en keukendoeken enz. met de hand op hun traditionele weefgetouwen van het zelf gesponnen garen. Dit was meestal textiel voor eigen gebruik.

De verwerking van de geoogste vlasplanten tot natuurlijk linnengaren is tijdrovend en arbeidsintensief. Daarom verdwenen de vlasvelden geleidelijk uit Val Müstair en uit Zwitserland. De verwerking werd te duur.

Vlasvelden zijn echter niet alleen een goede bron van garen, ze zijn ook zeer waardevol voor de bevordering van de biodiversiteit. Het natuurpark Biosfera Val Müstair en Tessanda lanceerden daarom in 2021 het project “Vlas herplanten in Val Müstair” (Wiederanbau von Flachs im Münstertal (Val Müstair). Sindsdien hebben twee boeren en verschillende particulieren vlas geplant en geoogst.

In oktober 2023 vond de eerste Flachs-Brächete (vlasbrunch) plaats. Na het oogsten van de gedroogde vlasplanten komen mensen samen om ze samen te verwerken. De stengels worden gerimpeld, gebroken en vervolgens gekafeld op oude apparatuur. En daarnaast is het feest en tijd voor lunch. De afgelopen Brächete heeft op 12 oktober bij Tessanda plaatsgevonden.

(Bron en verdere informatie: Handweberei Tessanda, Sta. Maria)

Museum d’engiadina bassa Scuol

Een tentoonstelling gewijd aan Handweberei Tessanda, inclusief Chalandamarz

De Bruggenbouwers, de Emme, de alpenhoorn en het streekmuseum van het Emmental

Het dorp Langnau (kanton Bern) in het Obere Emmental is voor het eerst genoemd in een document uit 1139. Tot 1300 heersten de heren van Kyburg, Langnau en Spitzenberg over deze regio.

Rond deze tijd verkochten de Spitzenbergs hun kasteel Spitzenegg met de rechten op Langnau aan de Habsburgers. De abdij Trub, gesticht in 1130, verwierf na 1300 ook talrijke landgoederen in de regio en in Langnau.

Na de Slag bij Sempach (1386) kreeg Bern de overhand in de regio met Luzern als grote conucrrent. Vanaf 1406 maakte Langnau deel uit van het baljuwschap Trachselwald en hoorde het bij het kanton Bern.

De term dorp is enigszins misleidend, want zoals zoveel dorpen in Zwitserland heeft ook Langnau een stedelijke allure, een zogenaamde ´Flecken´, inclusief marktrechten en andere privileges die in de 15e eeuw werden verworven. Tegenwoordig is het eeen kleine stad in een regio met ongeveer 50.000 inwoners.

Uiteraard speelt de productie van en handel in Emmentaler kaas hier ook een belangrijke economische rol, maar de stad stond vanouds ook bekend om zijn keramiek, weverij, textiel en orgelbouw (Schwyzerörgeli of de zogenaamde Langnauerli) en andere activiteiten en diensten.

Ondanks het idyllische landschap van het Emmental, waarvan dominee (Vikar) Albert Bitzius alias Jeremias Gotthelf (1797-1854) de bekendste literaire vertegenwoordiger is, was de regio in de 17e eeuw ook het toneel van meedogenloze doperse vervolging van wederdopers en boerenopstanden. Het Obere Emmental is daarom niet alleen een lieflijk landschap met groene weiden, bossen en mooie boerderijen.

Het Chüechlihus in Langnau is een van de grootste regionale musea van Zwitserland en richt zich ook op deze geschiedenis.

Het houten bruggenpad  (Holzbrückenweg) en de Emme

De Emme heeft vaak huis gehouden in deze regio. Het is surrealistisch om je deze rustig kabbelende rivier voor te stellen als een woest kolkende massa boomstammen, stenen en rotsen die alles op zijn pad verpulvert, inclusief de vele houten bruggen. En toch verandert zelfs deze prachtige rivier een paar keer per jaar van gedaante, een soort Jekyll en Hyde onder de rivieren (niet de enige overigens).

De Horbenbrücke (1834) bij Eggiwil is bijvoorbeeld de enige brug die de overstroming van de Emme in augustus 1837 heeft overleefd. In 2007 is deze brug vervangen door een betonnen brug vanwege het steeds zwaardere (vracht)verkeer, maar uit respect is de oude Horbenbrücke bewaard gebleven naast de nieuwe brug.

De ´Holzbrückenweg´ van het Obere Emmental toont 18 overdekte houten bruggen over de Emme en zijn zijrivieren over een afstand van minder dan 25 kilometer, evenals eenvoudige kleine houten bruggen (Stegge) en moderne (betonnen) bruggen. Er heerste zelfs een ware “Brückenfieber“ in de 19e eeuw!

Het Obere Emmental heeft ook andere (natuurlijke) bezienswaardigheden te bieden. De Rämisgummen wordt beschouwd als een van de mooiste almen van het toch al prachtige Emmental.

De Räbloch in de Emmeschluchtkloof is ook een indrukwekkend natuurwerk. De kloof is in de laatste ijstijd gevormd door gletsjerijs. In tegenstelling tot de rest van het Emmental was de Räbloch tijdens de laatste ijstijd nog bedekt met ijs. De Emme-gletsjer reikte tot aan het noordelijke uiteinde van het Siehenplateau bij Chnubel. De Schrattenfluh ligt in kanton Luzern, maar is vanaf Eggiwil en Schangnau niet alleen goed te zienm maar ook te bewandelen.

Maar de mens is hier ook al sinds de prehistorie aan het werk. Een van de eerste door mensen gemaakte verkeerstunnels in Zwitserland is niet de Gotthardtunnel uit 1882, maar de Hegeloch uit 1840. Deze tunnel ligt op de weg van het gehucht Hüpfenboden naar Girsgrat en is in 1840 gemaakt door boeren met financiële en logistieke steun van de overheid.

Eggiwil

Eggiwil (kanton Bern, district Signau) is een ander dorp in het Obere Emmental aan de samenvloeiing van de rivieren Röthenbach en Emme. Het dorp is daarom omgeven door water en toegankelijk via bruggen, waaronder drie overdekte houten bruggen en een betonnen brug (Beisatzgassebrug).

Het dorp is de thuisbasis van diverse legendarische producten, waaronder de Bachmann–Alphorn en Emmentaler kaas en is de locatie van bekende restaurants en hotels, waaronder het Restaurant en Hotel Hirschen en het Gasthof Bären en zijn filiaal zum Bären.

Tegenwoordig is het toerisme net zo’n belangrijke economische pijler als vroeger de houtskoolverbranding en de export van hout op de beroemde houtvlotten (Holzflössen). De dorpen en de natuurlijke omgeving hebben ook veel te bieden en een wandeling van Langnau naar Eggiwil stelt dan ook niet teleur.

De Zwitserse Alpen Club

De Zwitserse Alpen Club (Schweizer Alpen Club, SAC/Club Alpin Suisse, CAS) organiseert regelmatig wandeltochten in deze omgeving (en elders) in het land.

Hoewel de naam anders doet vermoeden, organiseert de SAC niet alleen skitochten, bergbeklimmingen en andere sporten in de Alpen, maar ook (wandel) activiteiten in andere regio’s.

(Bron en verdere informatie: Tourismus Emmental)

Indrukken van het Emmental

  

De Clavel-Villa, Augustus en Augusta Raurica

Het is maar goed dat Keizer Augustus (63 v. Chr. – 14 n. Chr.), wiens standbeeld op het Landgoed Castelen staat in Augst (kanton Basel-Landschaft), zijn blik op de Clavel-Villa richt. In zijn tijd bestond Bazel nog niet en stroomde de Rijn nog in diverse zijtaken door onbebouwd terrein. Er waren alleen enkele kleine Keltische nederzettingen, onder andere op de Münsterheuvel en op het terrein van het huidige Novartis-Complex.

Uitzicht op Bazel en de Rijnknie vanaf de Clavel-Villa in 2024

Weliswaar ‘romaniseerde’ ook Bazel in enkele generaties en stond het gebied later in de Romeinse tijd bekend als Basilea, maar Augusta Raurica was de belangrijke stad in deze regio aan de Rijn.  Augusta Raurica is in 44. v. Chr. gesticht  door Lucius Munatius Plancus (87 – 14 v. Chr.), waarschijnlijk  op initiatief van Julius Caesar (100 – 44 v. Chr.).

De stad telde op haar hoogtepunt in de tweede eeuw n. Chr. c. 20 000 inwoners. De stad was ingericht naar Romeins model, inclusief stenen theater, twee (!) amfitheaters, forum, basilica, badhuizen, tempels, stadspaleizen, woonwijken, haven en een brug over de Rijn.

Na het vertrek van de Romeinen in de vijfde eeuw ging ook de Romeinse stedelijke structuur verloren en begon de opkomst van Bazel. Het openluchtmuseum Augusta Raurica geeft een fascinerend beeld van Augusta Raurica ten tijde van het Romeinse Rijk.

Het Romeinse theater en Augusta Raurica, uitzicht vanuit de Villa Clavel

Op de plaats van Augusta Raurica ontstonden de dorpen Augst en Kaiseraugst (kanton Aargau) met enkele honderden inwoners in de middeleeuwen. De Romeinse ruïnes dienden eeuwenlang vooral als bouwmateriaal. Pas aan het einde van de 16e eeuw kwam er belangstelling voor het Romeinse verleden.

Dit leidde uiteindelijk in 1957 tot de opening van het openluchtmuseum Augusta Raurica. Met name in de 19e en begin 20e eeuw is de wetenschappelijke, financiële en organisatorische basis gelegd voor dit museum.

Alexander Zschokke (1955), buste van René Clavel in het Antikenmuseum Basel

Een van de grote persoonlijkheden voor de realisering van het museum was René Clavel (1886-1969), de naamgever van de Clavel-Villa, die niet alleen uitziet over Bazel, maar ook over Augusta Raurica.

Uitnodiging voor een tuinfeest op de Clavel-Villa. René Clavel nam ook deel aan de destijds beroemde Gordon Bennett vliegwedstrijden

Clavel, een welgestelde industrieel uit Bazel (en broer van Alexander Clavel (1881-1973) van de Wenkenhof in Riehen), was niet alleen een enthousiaste piloot en ballonvaarder, maar ook geïnteresseerd in de antieke oudheid en Rome  in het bijzonder.

In 1955 schonk hij onder andere de Domus Romana aan de stichting Augusta Raurica, nadat hij daarvoor al historisch relevante grond had gekocht ten behoeve van deze stichting.

Hij kocht begin 20 eeuw het land en gebouwen van de huidige Clavel-Villa. Deze locatie zag niet alleen uit over het oude Augusta Raurica, maar had zelf ook een rijk Romeins verleden. In de Romeinse tijd stond er een grote villa (domus) en waren er woonwijken  (insulae) voor de elite. Tegenwoordig zouden we spreken van een villawijk

Ook deze ‘villawijk’ raakte na de vijfde eeuw in verval en pas in de 17e eeuw is er een melding in documenten van wijnbouw en militaire gebouwen en kanonnen op deze locatie. De naam Castelen stamt waarschijnlijk uit deze tijd, ‘auf Cästellein’.

Muur van de Clavel-Villa en keizer Augustus

Clavel kocht deze grond, het kastelenplateau, in 1918 met het doel de aanwezige gebouwen te integreren in een nieuw landhuis, de huidige Clavel-Villa. De villa is sinds 1969 eigendom van de Römer-Stiftung René Clavel, die sindsdien nauw samenwerkt met Augusta Raurica en kanton Basel-Landschaft.

Ingang van de Clavel-Villa

Het complex, het interieur en de tuin zijn grotendeels in dezelfde staat gebleven, afgezien van enkele uitbreidingen (onder andere de vergaderruimte (Plenarsaal) en renovaties. De opdrachtgever en zijn architect Max Alioth (1883-1968) realiseerden hun doel: een historiserende atmosfeer met oog voor vakmanschap en de antieke oudheid en details in de zogenaamde Heimatstil.

Romeins mozaiek in de villa

De vijf bronzen kopieën in de tuin aan de voorzijde van het huis en de bronzen beelden aan de achterkant zijn afkomstig uit Napels van de firma Chiurazzi . De inrichting van diverse kamers van de villa, waaronder het Pompeianum, zijn als het ware de voorlopers van de Domus Romana.

De voorzijde van de Clavel-Villa

en de achterzijde 

Augustus kijkt vol respect en goeddunken uit op de Castelen-Villa en zelfs op Romulus en Remus. Deze staan, ook in navolging van een legende over het ontstaan van Rome, los van de wolf, die in de architectonische tuin aan de voorzijde staat.

De wolf aan de voorzijde

Romulus en Remus aan de achterzijde van de villa

Tegenwoordig is de villa een ontmoetingsplaats voor diverse culturele evenementen, waaronder de Jacob Burckhardt-Gespräche, de Colloquia Raurica , universitaire bijeenkomsten en, uiteraard, medewerkers en onderzoekers van Museum Augusta Raurica.

(Bron en verdere informatie: H. Reinau, M. Schwezier, Castelen. Geschichte und Gegenwart, Augst 2010)

Impressies van het interieur

Een schilderij van Gilbert Clavel (1883-1927), broer van René, kunstenaar en woonachtig in Italië

Het wapen van Clavel