Le Landeron en natuurlijke schoonheid

Voordat Le Landeron werd gesticht, was er een andere stad op deze plek, Nugerol, die de graaf van Neuchâtel had gesticht als verdediging tegen het nabijgelegen expansieve bisdom Basel.

Nugerol werd in de 12e eeuw verwoest tijdens een grensgeschil tussen de graaf en de bisschop. In 1325 begon de graaf met de wederopbouw van de verwoeste stad op een nieuwe plaats. Hij koos een Moerasachtig gebied, Le Landeron, aan de rand van het meer van Biel en niet ver van het meer van Neuchâtel.

Het stadje lag aan de oevers van de rivier Thielle, de verbinding tussen de meren van Neuchâtel en Biel en profiteerde van de des tijds vitale waterwegen.

Meer van Biel (lac de Bienne/Bielersee)

De 19e eeuw markeerde het begin van de moderne tijd met de vrijheid van vestiging, de verandering van de politieke instituties door de oprichting van het kanton Neuchâtel (1815), de ontwikkeling van de weg- en spoorwegverbindingen, de opkomst van industrieën, de drooglegging van de moerassen na de eerste correctie van het water van de Jura (1868-1891) en de ontwikkeling van de groenteteelt,  landbouw en wijnbouw.

De aanwezigheid van pittoreske architectonische gebouwen uit voorbije eeuwen en de natuurlijke omgeving geven Le Landeron zijn unieke charme.

(Bron: Les plus beaux villages de Suisse, www.borghisvizzera.ch)

De kenmerken van het chalet

Wat is eigenlijk een “chalet”? Zijn er kenmerken die het gezellige houten huis tot een chalet maken? Is het de gebreide constructie, het brede overhangende dak? Zijn het de geraniums voor de ramen, de dakbalken? Of is het “chalet” gewoon een symbool en zinnebeeld van een verlangen naar de Alpennatuur en daarom een uitvinding, een mythe?

In de Franstalige gebieden van Zwitserland werden eenvoudige berghutten tot de 18e eeuw chalets genoemd. De eerste landschapstuinen in Engeland zijn in de 18e eeuw  aangelegd. Gebouwen uit de hele wereld verrijkten deze tuinen, waaronder het type eenvoudige ‘chalets’ uit de Zwitserse bergen. De Engelse aristocraten hadden deze chalets als toeristen leren kennen en waarderen.

In Zwitserland en andere Europese landen begon de luxe chaletstijl pas te bloeien in de tweede helft van de 19e eeuw. Ze werden nu aangepast aan de behoeften van welgestelde clientèle en prefab aangeboden door chaletfabrieken in catalogi in heel Europa.

Openluchtmuseum (Freilichtmuseum) Ballenberg, poster eind 19e eeuw, chalets te koop

De tentoonstelling heeft drie centrale punten: Verlangen, kitsch en bouwcultuur. Ze laat zien hoe de chalet een romantisch beeld van verlangen werd en schetst de weg van de “Laubsägeli chalet” naar een exporthit.

Tenslotte presenteert de tentoonstelling in de Villa Patumbah actuele projecten die het chalet herinterpreteren en in een ander daglicht stellen. De tentoonstelling is opgesteld door het Gelbe Haus Flims.

(Bron en verdere informatie: Schweizer Heimatschutz)

Sjeik Ibrahim ibn Abdallah uit Bazel

Een van Europa’s eerste volkenkundige musea staat in Bazel, zoals deze stad ook de primeur had van een publieke ruime die tegenwoordig als museum wordt aangeduid. Het wekt dan ook geen verbazing dat vele onderzoekers en kunstverzamelaars in de oude Confederatie (Eidgenossenschaft) van 13 kantons op vijf continenten actief waren.

Zo bevindt de grootste Europese collectie over Afghaanse taal en cultuur zich bijvoorbeeld in het dorp Bubendorf (kanton Basel-Landschaft) en zijn er diverse Zwitserse gerenommeerde etnografische musea, universitaire faculteiten en andere instituten.

Achterzijde Haus zum Kirschgarten tegenwoordig

Maar er is, voor zover bekend, maar een uit Bazel afkomstige en in Cairo begraven sjeik. De welgestelde fabrikant Johann Rudolf Burckhardt (1750-1813) en diens vrouw Sara Rohner (1761-1825) bewoonden in 1784 het stadspaleis Haus zum Kirschgarten in Bazel. Bazel was in deze tijd de stad met de meeste inwoners (15 000) van de Eidgenossenschaft van 13 kantons.

De stad was tevens een internationaal centrum voor handel, wetenschap en (textiel) industrie. Niet in de laatste plaats dankzij de komst van Hugenoten in de 17e eeuw, floreerden de financiële sector, (textiel) industrie en internationaal ondernemerschap. Dit uitte zich ook in de bouw van op Frankrijk georiënteerde stadspaleizen.

Een van de eerste moderne gebouwen was de Markgräflerhof (1705). Daarna volgden onder andere de Ramsteinerhof (1732),  het Weisse en het Blaue Haus am Rheinsprung (1762-1775), het Wildt’sche Haus am Petersplatz (1764) en in 1780 het Haus zum Kirschgarten. Burckhardt was een van de meest vooraanstaande families in Bazel. In de zomer verbleef hij vaak aan het meer van Genève bij Lausanne.

Anton Graff (1736-1813), Johann Ludwig Burckhardt op tweejarige leeftijd. Collectie: Historisches Museum Basel (Haus zum Kirschgarten)

Hij stond daar in contact met de hoogste Engelse aristocratie, schrijvers en kunstenaars (onder anderen Edward Gibbon (1737-1794) en Benjamin Constant (1767-1830). Tijdens een verblijf in Lausanne kwam in 1784 Johann Ludwig Burckhardt (1784-1817) ter wereld. Het was het tweede huwelijk van Johann Rudolf Burckhardt, die daarvoor getrouwd was geweest met Anna Maria de Barry (1749-1808).

Noch Johann Rudolf Burckhardt, noch Sara Rohner konden vermoeden dat ze in 1784 een toekomstige Sjeik ter wereld hadden gebracht. Weliswaar kregen Johann Ludwig en diens broer Georg Rudolf (1783-1866) en zuster Rosine Valerie (1786-1875) een in deze tijd van Verlichting, salons en sociëteiten gebruikelijke opvoeding in muziek, (antieke) kunst, reizen en talen, maar de Arabische wereld (toentertijd bestuurd door Turkije) was grotendeels onontgonnen gebied.

Haus zum Kirschgarten tegenwoordig

En zonder de Franse Revolutie en Franse bezetting van de oude Eidgenossenschaft in 1798, was  Johann Ludwig wellicht ook koopman en lokale politicus in Bazel geworden. Diens vader was echter een tegenstander van de Franse Revolutie en de Helvetische Republiek (1798-1803).

Om deze reden stuurde hij Johann Ludwig naar het gymnasium in Neuchâtel, destijds bestuurd door de Koning van Pruissen in zijn hoedanigheid van Prins van Neuchâtel. Pruissen was een tegenstander van Frankrijk en haar revolutionaire expansie.

Daarna studeerde Johann Ludwig van 1800 tot 1805 in Leipzig en Göttingen om vervolgens in 1805 te vertrekken naar Londen. In 1808 trad hij in dienst van de ‘British Association for Promoting the Discovery of the Interior Parts of Africa’ met als doel de handelsweg van Cairo naar Timboektoe in kaart te brengen.

Johann Ludwig correspondeerde regelmatig met zijn familie. Deze brieven worden grotendeels bewaard in de Universiteitsbibliotheek van Bazel en zijn in 1956 deels gepubliceerd. Collectie: Historisches Museum Basel (Haus zum Kirschgarten)

Johann Ludwig was een goede keuze van de ‘African Association’. Hij combineerde etnologische, geografische, cartografische, religieuze, linguïstische, historische en commerciële belangstelling. In korte tijd leerde hij Arabisch en Turks en bestudeerde hij de Koran. Hij bezocht diverse steden in de regio, onder andere Assuan, Esna, Amman, Caïro, Aleppo, Damascus, Hama, Palmyra en Homs.

Hij kleedde zich als een lokale sjeik en noemde zich Ibrahim ibn Abdallah.  Hij verzamelde kostbare Arabische handschriften, die hij na diens vroegtijdige door vermaakte aan de Universiteit van Cambridge.

Brief aan zijn moeder 3 Juli 1815:

“Meine Entdeckungen in Arabia petrae und an dem Nilufer von Egypten nach Dongola haben viel Aufsehen erweckt, und ich schäme mich wirklich, Dir alle diese Lobsprüche zu melden, mit welchen man mich von fallen Seiten in England überhauft” (Cairo, Collectie:Historisches Museum Basel (Haus zum Kirschgarten)

Hij reisde diverse keren met Bedoeïen mee en publiceerde over hun leefwereld in Engelstalige media en rapporteerde aan de African Association. Hij bezocht als een van de eerste Europeanen Petra, reisde Nijlopwaarts en bezocht en onderzocht Pyramides en graftempels. Hij berichtte als eerste Europeaan over de tempel van Abu Simbel.

Getuigschrift voor Sjeik Ibrahim voor deelname aan de Hadsch. Collectie: Historisches Museum Basel (Haus zum Kirschgarten)

Hij bezocht Nubië en het Arabisch schiereiland en nam deel aan de ‘Hadsch’ in Mekka. Hij schreef, voor zover bekend, als eerste Europeaan een gedetailleerd bericht over de ‘Hadsch’ na een verblijf van drie maanden.

Hij reisde vervolgens naar Soedan en de belangrijke handelsstad Schandi. De belangrijkste handelswaar bestond uit Afrikanen, die door andere Afrikanen gevangen waren genomen en door Arabieren als slaven werden verkocht aan andere Arabieren en Turken.

Daarna volgden reizen naar Taif, Savakin, Dschidda, Medina, Suez, de Sinaïwoestijn, de Golf van Akaba, het destijds al beroemde St. Katharinenklooster en de Mozesberg, de Dschebel Musa.

 Over zijn vele reizen, ervaringen en zelfs ontdekkingen in de periode 1810-1817 publiceerde hij regelmatig berichten voor de African Association.  Ook rapporteerde hij over handelskaravanen, handelswaar en mogelijkheden voor de Engelse textielindustrie. Zijn vader was immers ook een textielfabrikant- en handelaar en hij wist waarover hij praatte.

Overzicht van zijn reizen 1810-1817. Collectie: Historisches Museum Basel (Haus zum Kirschgarten)

Een doel bereikte hij echter niet. Vanwege diverse lokale oorlogen en epidemieën was hij niet in de gelegenheid de handelsweg Cairo naar Timboektoe in kaart te brengen en de mogelijkheden voor de Engelse handel en industrie te onderzoeken.

Zijn wetenschappelijke verdiensten, publicaties en rapporten over andere handelsmogelijkheden  waren echter van zodanig hoog niveau dat de African Association sjeik Ibrahim met geduld en financiële middelen jarenlang steunde.

Bovendien zond hij diverse kunstvoorwerpen naar Londen en het British Museum, onder andere het kolossale beeld van Ramses II, in overleg met lokale autoriteiten die geen belangstelling hadden in deze voorwerpen.

Ook Turkse gouverneurs in de regio waren onder de indruk van zijn verdiensten en ontvingen hem met grandeur in hun paleizen in Cairo, Damaskus, Taif en andere plaatsen.

Begin oktober 1817 sloeg het noodlot echter toe en kreeg sjeik Ibrahim een darminfectie. Op 15 oktober 1817 overleed hij in Cairo. Als sjeik, deelnemer aan de Hadtsch en gewaardeerde wetenschapper en Arabist is hij volgens Islamitische rituelen op de Bab el Nasr begraafplaats ter aarde besteld.

Haus zum Kirschgarten, maquette van de laatste instructie aan Henry Salt

Kort voor zijn overlijden gaf hij de Engelse consul Henry Salt (1780-1827) de laatste schriftelijke instructies, waaronder een bericht aan zijn moeder Sara Rohner.

Collectie: Historisches Museum Basel (Haus zum Kirschgarten)

Zijn reisberichten, reisdagboeken en zijn monografie over de Bedoeïen en Wahhabiten zijn na zijn overlijden in diverse talen gepubliceerd. Hij plaatste zijn ervaringen en indrukken vanuit zijn humanistisch-wetenschappelijke opvoeding en achtergrond in een historische, politieke en culturele context zonder (voor) oordelen. Zijn geschriften zijn om deze reden nog steeds actueel.

Collectie: Historisches Museum Basel (Haus zum Kirschgarten)

Zijn geschriften waren zelfs zo accuraat en waardevol, dat de Britse Geheime Dienst ze in de Tweede Wereldoorlog als handleiding gebruikte! Het koningshuis van Jordanië verleende sjeik Ibrahim ibn Abdallah alias Johann Ludwig Burckhardt in 1991 vanwege zijn verdiensten postuum een hoge onderscheiding.

Lawrence of Arabia (1888-1935) is bij een groot publiek bekend, maar sjeik Ibrahim ibn Abdallah uit Bazel legde honderd jaar daarvoor de basis voor kennis over de Arabische en oriëntaalse leefwereld, taal en cultuur.

(Bron en verdere informatie: Haus zum Kirschgarten; G. Piller, D. Suter (Red.), Scheich  Ibrahim. Der Basler Kaufmannssohn und seine Reisen durch den Orient, Basel 2017)

Sebastian Gutzwiller (1798-1872), rond 1830, Johann Ludwig Burckhardt. Collectie: Historisches Museum Basel/Haus zum Kirschgarten

Een manuscript uit Bazel voor de prins-bisschop

Een manuscript uit Bazel voor prins-bisschop Jan van Venningen (1409-1478) is in 2023 aangekocht door de Gottfried Keller Stichting.

Dit belangrijke document voor het erfgoed van kanton Jura vult een collectie van drie manuscripten aan die bewaard worden in Porrentruy (kanton Jura).

Het liturgische manuscript is gemaakt in 1462. Hij is in 1458 to bisschop gekozen en is vooral bekend omdat hij Ajoie en Porrentruy van de graven van Montbéliard heeft gekocht. Hij was tevens de eerste kanselier van de Universiteit van Basel  na haar oprichting in 1460.

Dit manuscript is het ontbrekende deel van een set van vier delen, waarvan de andere drie al in Porrentruy bewaard worden. Dit Latijnse manuscript, gedateerd 1462-1463, is geschreven in Gotisch schrift in bruine, blauwe en rode inkt op perkament.

Het werk, dat oorspronkelijk toebehoorde aan de Bibliothèque du Collège des Jésuites in Porrentruy, dook voor het eerst weer op in 2000. Het is vervolgens op 29 maart 2023 gekocht door de Gottfried Keller Stichting.

Het oude archief van de kantonale bibliotheek van Jura in Porrentruy (Le Fonds ancien de la Bibliothèque cantonale jurassienne) stelt het manuscript ter beschikking van onderzoekers en andere belangstellenden. Beschrijvingen en gedigitaliseerde facsimile’s zijn te vinden op het platform e-codices.ch.

(Bron en verdere informatie: République et Canton du Jura)

Sint-Maarten, de Fasnachtstentoonstelling en 10 jaar samenwerking

Op 8 november 2014 besloten het Museum der Kulturen Basel en de Verein Basler Fasnacht-Welt dat de tentoonstelling “Basler Fasnacht” in het museum van donderdag tot zondag open zou zijn voor het publiek.

Het museum zorgt voor de tentoonstelling en de infrastructuur, terwijl de Vereniging het toezicht op zich neemt. Dit betekent dat de Fasnachtstentoonstelling het hele jaar door toegankelijk is en wordt begeleid door ter zake deskundigen.

Ongeveer 45.000 bezoekers hebben tot dusverre van de gelegenheid gebruik gemaakt om dit unieke Unesco-Werelderfgoed  beter te leren kennen of herinneringen op te halen.

De tentoonstelling “Basler Fasnacht” geeft aan de hand van verschillende thematisch ingerichte ruimtes inzicht in de geschiedenis van de moderne Fasnacht en de ontwikkeling in de afgelopen 100 jaar.

De tentoonstelling is geopend van donderdag tot en met zaterdag van 13.00 tot 17.00 uur en op zondag van 11.00 tot 17.00 uur en kan afzonderlijk tegen een gereduceerde entreeprijs worden bekeken in het Museum der Kulturen Basel.

(Bron en verdere Informatie: Museum der Kulturen Basel)

Fasnacht 2022

Impressies uit de tentoonstelling

Rheinau en cultuur aan de Rijn

De Kelten bewoonden het schiereiland Rheinau  (kanton Zürich) aan de Rijn  al eeuwen voor de Romeinse overheersing (vanaf 13. v. Chr.). De ligging aan de linkeroever van de Rijn en het schiereiland boden een goede verdediging tegen de Germaanse stammen aan de rechteroever. De muren van de nederzetting (oppidum in het Latijn) stonden tot de sloop in 1840 overeind.

Na het vertrek van de Romeinse troepen in 410, trokken de Alemannen het gebied in. Daarna volgden de Frankische heersers van de Merovingen en de Karolingen. Zij stichtten in 724 het beroemde klooster Reichenau en in 778  de abdij Rheinau.

De Romaanse kerken St. Petrus en Paulus, de heilige Maria, St. Markus  en St. George met de beroemde muurschilderingen op het eiland (‘Klosterinsel’) Reichenau zijn tussen de 9e en 12e eeuw gebouwd door Duitse koningen en later keizers van het Heilige Roomse Rijk, de opvolgers van de Karolingers.

Deze feiten zijn in zoverre van belang dat het nog eens de gemeenschappelijke cultuurruimte van deze regio aan de Rijn onderstreept. De bisdommen Chur en Konstanz hadden veel (politieke) invloed en bezittingen in deze regio.

Tot 1803 maakte Klein-Basel, het deel van Bazel aan de rechteroever van de Rijn, ook deel uit van het bisdom Konstanz. De bisdommen Chur en Konstanz vielen sinds 843 onder hetzelfde aartsbisdom Mainz. Het is pas sinds Napoleon dat deze culturele ruimte door landsgrenzen is gescheiden.

Het klooster Rheinau was tot 1455 een onafhankelijke abdij. In dat jaar nam de Confederatie van acht kantons (de Eidgenossenschaft) de ‘Schirmherrschaft’, het feitelijke toezicht (en militaire bescherming) over.

In 1529 zijn het klooster en de kerk tijdens de reformatie geplunderd, maar drie jaar daarna weer in katholieke glorie hersteld, wat op zich opmerkelijk is in deze protestante omgeving. Het klooster beleefde zelfs een bloeitijd.

De huidige kloosterkerk is in 1710 ingewijd. Ze is een van de mooiste barokkerken in Zwitserland. De kerk is ontworpen in de stijl van Voralberg (Oostenrijk): een zeven traveeën tellende zaal met pilaster, het transept en het koor zijn licht verhoogd en door een traliewerk gescheiden van het schip voor de leken.

Bij binnenkomst in de kerk zijn de prachtige zijaltaren en het hoofdaltaar, de driebeukige sacristie en het notenhouten koorgestoelte aan het einde van de kerk indrukwekkend.

In 1798 viel Napoleon de Confederatie van dan dertien kantons binnen. Hij stichtte eerst de Helvetische Republiek (1798-1803) en vervolgens de Confederatie van negentien kantons (1803-1813).

Rheinau en zijn klooster werden 1803 toegewezen aan Kanton Zürich. In 1862 sloot het kanton echter het klooster. De kloostergebouwen werden omgebouwd tot een psychiatrische kliniek. De kloosterkerk werd een parochiekerk. De kliniek is na 1945 gesloten en de gebouwen van het klooster stonden lange tijd leeg. Alleen het Huis van Stilte (Haus der Stille) van een kleine groep nonnen houdt tot op de dag van vandaag stand.

In 2007 is de Stiftung Musikinsel Rheinau opgericht (Stichting Muziekeiland Rheinau).  Na een grondige renovatie en betaling van huur aan het kanton biedt het Musikinsel Rheinau aan jonge musici uit de hele wereld oefen- en studieruimte. Het project is zelfs zo succesvol dat de stichting ook andere leegstaande gebouwen erbij wil betrekken en de kosten van de renovatie op zich wil nemen.

Deze gebouwen zijn echter ook voorbestemd voor een ander project: een museum. Dit museum heeft tot doel de historie van de Kelten, het klooster en de kliniek te presenteren. Het museum is een project van de Verein (Vereniging) Inselmuseum Rheinau.

Het kanton heeft ingestemd met deze bestemming en financierde de haalbaarheidsstudie voor dit project in 2014. Het resultaat was positief en een project en financieringsplan zijn ingediend ter realisering van het museum.

De Duitse kant van de Rijn

De Rijn trekt zich niets aan van grenzen.

Habsburg, Aargau, burchten, Fricktal, Hellikon, natuur en Geoffrey Boltwood

In 1415 veroverde de Eidgenossenschaft van acht kantons (Bern, Zürich, Luzern, Zug, Uri, Unterwalden, Schwyz, Glarus) Aargau, het stamland van de Habsburgers. Het dorp Habsburg en het kasteel bij Brugg herinneren hier aan.

Heel Aargau? Nee, Het Fricktal bleef bezit van Habsburg en wel tot 1798 ( de Helvetische Republiek).  Dit is ook de reden dat het Fricktal katholiek bleef tijdens de Reformatie. In 1803 wordt het Fricktal deel van het nieuwe kanton Aargau van de nieuwe Confederatie (1803-1813) van negentien kantons.

Tussen de 6e en 8e eeuw stichtte de Aleman Hello een nederzetting met de naam Hellinghofen. In de loop der tijd veranderde deze plaatsnaam in Hellikon (Kanton Aargau). Een document vermeldt de plaatsnaam ‘Hellickonn’ voor het eerst in 1209. Als onderdeel van het Oostenrijkse Fricktal werd Hellikon in 1803 bij het nieuw opgerichte kanton Aargau gevoegd. Er zijn drie rooms-katholieke kapellen in het dorp, hoewel de Kulturkampf (tussen liberale en conservatieve katholieken) van 1873 ook Hellikon met volle kracht trof en een kerkscheuring de bevolking verdeelde. In 1898 gaf de Grote Raad uiteindelijke toestemming voor de oprichting van een christelijke katholieke parochie.

Het katholieke karakter begeleidt de wandelaar op zijn tocht naar en door het Jurapark Aargau. Kruizen, kapelletjes en zelfs religieus geïnspireerde wandelwegen zijn alom tegenwoordig. Een voorbeeld is de Martinsweg Wittnau.

Op een lengte van enkele kilometers bevinden zich de kerk St. Martin, de Lourdes Grot, de Besinnungsweg, de kapel Buschberg, de Martinsbronnen en nog een klein kapelletje. De Kelten waren overigens door deze omgeving al religieus geïnspireerd en diverse grafheuvels zijn als zodanig geïdentificeerd.

De kapel Buschberg vlakbij Wittnau is ontstaan naar aanleiding van een wonder in 1668. Het mirakelboek van het Benedictijnenklooster Mariastein meldt dat de benen van molenaar Benedikt Martin door een molensteen werden verpletterd.

Kruis, kapel en molensteen uit de zeventiende eeuw

Het wonder geschiedde, hij stond op en vervolgde zijn weg. Uit dankbaarheid plaatste hij een metershoog kruis op de Buschberg en het werd een bedevaartsoord. In 1868 was de toeloop zo groot, dat een kapelletje werd gebouwd en in 2003 zelfs de 6.5 kilometer lange Martinsweg is ontstaan.

De inspiratie ging zelfs zo ver dat de Engelsman Geoffrey Boltwood op 21 november 1994 op deze locatie een nieuw aardenergiecentrum opende op basis van klanken uit de aarde.

Hij had in Engeland al een soortgelijk centrum geopend en volgens hem ligt de kapel op een energielijn (de Ley-Linie) die romaanse, gotische en pelgrimsoorden met elkaar verbindt, onder andere Einsiedeln in kanton Schwyz met Glastonbury in Engeland.

Plattegrond burcht Alt Thierstein

Wat hier ook van zij, de regio heeft ook een andere minder vredelievende kant. De ruïnes van de burchten oud Thierstein (Alt Thierstein), nieuw Thierstein (Neu Thierstein), Oud Homberg (Alt Homberg), Pfeffingen en Farnsburg vertellen deze historie. De Graven van Thierstein waren tot hun uitsterven in 1519 belangrijke regionale heersers in het Heilige Roomse Rijk.

De Münster in Bazel, Katharina, Markgravin von Baden, geboren gravin von Thierstein

De Münster in Bazel, laatste rustplaats van Rudolf III van Thierstein

Deze religieuze en historische feiten belemmeren het kanton echter niet in zijn moderne, culturele, industriële en maatschappelijke ontwikkeling.

Een vliegveld hoort daar ook bij. En ook in dit opzicht is deze regio helemaal  bij de tijd. Bovendien gebeurt het niet vaak dat wandelaars op hun route een vliegveld tegenkomen, en nog wel een met een restaurant!

De relatief goede harmonie met de natuur en andere bewoners in de omgeving blijkt, zoals op zoveel plaatsen in het land, uit tevreden grazende koeien, die zich door deze menselijke ingrepen niet van de wijs laten brengen.

Vliegschool en vlieggroep Fricktal (LSZI Fricktal-Schupfart), vee en vliegveld Schupfart in het Fricktal als een natuurlijk ensemble

De rookpluimen van de kernenergiecentrale Gösgen (Kraftwerk Gösgen), de vele centra van muziek, kunst en wetenschap, multinationals (onder andere ABB) en de Rijn als moderne transport- en handelsweg kenmerken deze regio en het Fricktal in het bijzonder.

Kraftwerk Gösgen

De Rijn

Steengroeve met Jura Kalksteen

Jurapark Aargau

Zoals vrijwel overal in Zwitserland gaat dit in redelijke harmonie met natuurbehoud en agrarische bedrijvigheid.

Het mooie Jurapark, het natuurreservaat Tiersteinberg, en zijn ‘Dschungelpfad’, de vele wandelpaden over bergen, door dichte bossen, weides en valleien met hun vele beekjes, de prachtige bloesem van de kersenbomen in het voorjaar en de silhouetten van deze Hoogstambomen in het najaar en de vele goed onderhouden rust- en pauzeerplaatsen markeren ook dit gebied.

De Fricktaler Chriesiwäg

In het verleden ontstonden steenachtige habitats door natuurlijke gebeurtenissen zoals overstromingen, aardverschuivingen en rotsverschuivingen. Maar stenen werden ook weggehaald uit velden en weiden in het cultuurlandschap en op hopen gegooid of opgestapeld om droge stenen muren te vormen. Omdat deze steenhopen het gebruik van machines bemoeilijken, worden ze steeds zeldzamer. Het maken van nieuwe steenhopen is een poging om ze te behouden. Ze worden gebruikt door insecten, reptielen, vlinders en vele andere dieren en bieden zonnebaden, beschutting, voedsel, netwerkelementen en habitat (na verloop van tijd groeien er algen, korstmossen en mossen op de stenen, zie ook: Naturschutzverein Hellikon).

Dschungelpfad

Er is bovendien in de nabijheid altijd wel ergens een horecagelegenheid in een mooi en goed onderhouden dorp of langs de weg en de Postauto is ook beschikbaar voor het lokale vervoer.

Rotenfluh, Kanton Basel-Landschaft. Rotenfluh is een van de 46 gemeenten die in 1832 het nieuwe kanton Basel-Landschaft stichtten.

De historisch en cultureel bewuste Zwitsers: Hermes, god van de postbezorging, bij het postkantoor met wapen en zwart-witte kleuren van Bazel ! 

Bron en verdere informatie: Aargau toerisme

De Zwitserse Alpen Club (Schweizer Alpen Club, SAC/Club Alpin Suisse, CAS) organiseert regelmatig wandeltochten in deze omgeving en elders in het land.

Hoewel de naam anders doet vermoeden, organiseert de SAC niet alleen skitochten, bergbeklimmingen en andere sporten in het hooggebergte en de Alpen, maar ook (wandel) activiteiten in andere regio’s.

Kasteel Rötteln en Markgräflerland als symbool van eeuwenoude relaties tussen beide Rijnoevers

Tegenwoordig hoort Rötteln bij Lörrach, een stad in Baden-Württemberg, een paar kilometer van Bazel aan de andere, linker oever van de Rijn. Het voormalige dorp Rötteln, niet te verwarren met het gehucht Röttelnweiler een paar honderd meter verderop, was tot 1503 een van de belangrijkste administratieve en politieke centra in deze regio.

De markgraven van Baden, die hun naam gaven aan de regio Markgräflerland, en hun voorgangers, de Heren van Rötteln, woonden eeuwenlang (ca. 1100-1503) op kasteel Rötteln.

Rötteln

Van daaruit regeerden ze niet alleen over het Wiesental en andere regio’s in Baden, maar ook lange tijd over het graafschap Neuchâtel, de bezittingen van het Bazelse klooster St. Alban op de rechteroever van de Rijn en delen van de Elzas, Franche-Comté en het hertogdom Bourgondië.

De zuidelijke toegangspoort van de burcht

Kasteel Rötteln tegenwoordig

Daarnaast speelden de markgraven en hun voorgangers een rol in de Europese machtsstructuur met het hertogdom Bourgondië, Frankrijk, Habsburg en het Heilige Roomse Rijk, verschillende bisdommen (waaronder Konstanz, Bazel, Mainz, Straatsburg, Besançon), machtige abdijen (waaronder St. Blasien, St. Gallen, St. Alban en Säckingen), kantons van de Confederatie (met name  met Bazel, Bern en Solothurn), de graven van Rheinfelden, de hertogen van Zähringen en andere heersers.

De betrekkingen met de stad en het bisdom Basel waren zeer nauw. Basel was op dat moment echter nog geen lid van de Zwitserse Confederatie. Pas na de Zwabische Oorlog en de Vrede van Bazel (1499) sloot de stad zich in 1501 aan.

Kasteel Rötteln werd verwoest door Franse troepen tijdens de zogenaamde Hollandse Oorlog (1672-1678). De ruïnes staan echter nog steeds majestueus op een heuvel met uitzicht op de Elzas, de Wiesental vallei (Wiesental), het Markgräflerland en Bazel.

Het kasteel in de Topographia Alsatiae

Collectie: Burgmuseum Rötteln

De grandeur en het prestige van kasteel Rötteln blijken ook uit de beschrijving in het derde deel (Topographia Alsatiae) van Matthäus Merians Topographia Germaniae (1644).

Het kasteel verschijnt als een van de ‘vornehmbsten Oerther’. De andere twee delen van de Topographia Germaniae zijn de TopographiaHelvetiae en de Topographia Sueviae.

Om de geschiedenis van het kasteel, de familie Rötteln en hun erfgenamen, de markgraven von Hachberg-Sausenberg, te begrijpen, is het noodzakelijk om niet alleen de Rijn over te steken, maar ook verder te kijken dan de huidige grenzen van Frankrijk, Zwitserland en Duitsland.

Markgräflerland omstreeks 1556. Afbeelding: Wikipedia

De Freiherren van Rötteln

Een villa genaamd Raudinleim (leim voor klei en Rau voor rood) wordt genoemd in een van de oudste documenten van de abdij van St. Gallen in 751. De familie Rötteln komt voor het eerst voor in een tekst (1083) van de bisschop van Basel, Burkhard von Fenis (1040-1107). De bisschop benoemde Theodericus uit deze familie tot beschermheer (Schirmvogt) van de bezittingen van het klooster Sint-Alban op de rechteroever van de Rijn. Het klooster zelf lag op de linkerrijnoever.

In de loop der eeuwen verwierf deze familie steeds meer bezittingen in het Wiesental en bouwde een aantal andere kastelen, onder andere in Minseln, Schopfheim, Brombach, Wies, Lörrach (toen een dorp) en Nordschwaben. Een zijtak, de familie Rotenberg, bouwde kastelen in Hammerstein, Rotenberg, Steinen en Hasel in deze regio.

Wapen van Rötteln, noordelijke wand van de Basler Münster (kathedraal) 

Links daarvan het Neuenburger wapen

Zoals reeds vermeld waren de contacten met het bisdom en de stad Basel bijzonder intensief. De heren van Rötteln behoorden tot de “inner circle” van de stad en het bisdom. Ze namen niet alleen deel aan de prestigieuze toernooien op de Münster, maar leverden ook drie bisschoppen (Walter, Liutold II en Liutold III).

Basler Münster, Katharina,  Markgräfin von Baden

De dynastie stierf echter uit in 1316 en het tijdperk van de markgraven von Hachberg-Sausenberg begon. Deze familie stierf opnieuw uit in 1503, maar maakte van Rötteln lang het administratieve en politieke centrum van het markgraafschap Baden.

Collectie: Dreiländermuseum Lörrach

De afscheiding van het noordelijke deel van de Markgraafschap Baden en de voltooiing van het Markgräflerland vond plaats in 1444 na de verwerving van Badenweiler.

De familie von Hachberg-Sausenberg en haar zijtak, de Hochbergs, verwierven niet alleen het graafschap Neuchâtel, maar ook gebieden in Franche-Comté en het hertogdom Bourgondië. Niet in de laatste plaats vanwege de nauwe contacten met de hertogen van Bourgondië werd het oude middeleeuwse kasteel rond 1470 verbouwd in de toonaangevende Bourgondische stijl.

Hoofdpoort tot de Oberburg met het wapen van de Familie von Hachberg-Sausenberg

De “Marquis de Rothelin” was ook actief in de diplomatieke dienst van de hertogen van Bourgondië en rond 1470 als gouverneur van Luxemburg, daarvoor als bisschop van Konstanz en beschermheer van het Concilie van Bazel (1431-1439) en lange tijd als bemiddelaar tussen Habsburg en de Confederatie en tussen Bourgondië en Frankrijk.

De Romaanse kerk in Rötteln werd in 1403 herbouwd in gotische stijl en was de laatste rustplaats van deze dynastie. In die tijd had het complex meer het karakter van een klooster met een school en woonhuizen en gebouwen. De geestelijken voerden er onder andere administratieve taken uit voor de markgraaf.

1503-1678

Na 1503 verhuisden de erfgenamen en nieuwe markgraven van Baden hun residenties naar het noorden, naar Baden-Baden, Rastatt en uiteindelijk Karlsruhe. Kasteel Rötteln bleef echter tot 1678 het bestuurlijke centrum (Oberamt) van het Markgräflerland van de Markgraafschap Baden. De verwoesting van het kasteel in 1678 betekende echter het einde van het kasteel, zowel fysiek als als administratieve zetel.

Het tijdperk van Lörrach begon. Deze plaats was al belangrijk in de tijd van de Heren van Rötteln. Hoewel de ligging van Lörrach gunstig was, kwam de economische ontwikkeling niet van de grond door de nabijheid van Bazel. De plaats had weliswaar al in 1403 marktrechten gekregen, maar het bleef een economische en politieke dwerg. De markgraven op kasteel Rötteln duldden geen politieke concurrentie.

De verwoesting van kasteel Rötteln leidde echter tot een opwaardering van Lörrach. In 1678 kreeg de stad stadsrechten en werd het het administratieve centrum van het Oberamt Markgräflerland.

Conclusie

De geschiedenis van Kasteel Rötteln is de geschiedenis van deze regio in de Elzas, Baden en Basel. Veel aspecten kunnen niet worden behandeld in dit korte artikel, waaronder de relaties met andere dynastieën (bijv. Reich von Reichenstein, Münch, Rotberg), dorpen en steden (waaronder Inzlingen, Schopfheim, Hausen, Kandern, Rottweil), abdijen, bisdommen en steden.

Kandern

Deze ruïne, die wordt onderhouden door de Röttelnbund e.V. Haagen, is echter het symbool van eeuwenlange economische, politieke, religieuze en sociale banden en verbindingen aan beide oevers van de Rijn.

(Bron en verdere informatie: R. Wagner, U. Brachthäuser, M. Volk (red.), Burg Rötteln. Herrschaft zwischen Basel und Frankreich, Neulingen, 2020; Markgräfler Museum in Müllheim)

Impressies van de ruïne en de omgeving

Wijnbouw in de Kaiserstuhl in het Markgräflerland

Het Markgräfler Museum in Müllheim

Diemtigen, houten Toskaanse zuilen, huizen, landbouw en natuurpark

De meeste dorpen in Zwitserland tonen wel een of meerdere historische, culturele, architectonische of natuurlijke bezienswaardigheden. Diemtig (kanton Bern) heeft ze alle vier.

De naam Diemtig is afgeleid  van ‘Thenno’, ‘ Thietmar’of ‘Diemo’, een Alemannische naam. Een document uit 1257 vermeldt het dorp als eigendom van de bisschop van Sitten, die het kasteel (castrum) van Diemtigen in dat jaar overdroeg aan de graaf van Kyburg. Bern verwierf de regio en het dorp in 1439.

Oey en de rivier Chirel

De aan het Simmental grenzende gemeente Diemtigen bestaat tegenwoordig uit de dorpen Oey (bestuurlijk zentrum), Diemtigen, Bächlen, Horben, Riedern, Entschwil, Zwischenflüh en Schwenden.

Het dorp is de naamgever van het Diemtigtal, een prachtig natuurpark met uitzicht op de Alpen, ten minste als ze zich niet, net als de Griekse Goden, verbergen achter een sluier van nevel. Het al grenst aan het Simmental.

Deze Griekse invloed blijkt onder ander uit de Dorische zuilen van een woonhuis, wellicht de enige houten zuilen ter wereld. In ieder geval toont ook dit huis het eeuwenoude vakwerk met hout.

Het is dan ook met reden dat de Wakkerpreis van de Schweizer Heimatschutz in 1986 aan dit dorp is toegekend. De monumentale houten huizen en boerderijen zijn het resultaat van eeuwenoude Simmentaler bouwcultuur, houtverwerking, vakmanschap en zorg voor het erfgoed.

De Niklaus-kapel

De Niklaus-kapel heeft Romaanse fundamenten van rond het jaar 1000. In 1314 komt de kerk in documenten voor. Rond 1490 is de kerk in de gotische stijl gerenoveerd, waarna in 1527 de reformatie plaats vond. De laatste (barokke) renovatie vond in de 17e eeuw plaats. Het fresco in Art Nouveau stamt uit de jaren 1915-1917 van de kunstenaar  Paul Zehnder (1884-1973).

Nationaal Park, landbouw en bosbeheer

De gemeente Diemtigen ligt midden in het natuurpark en heeft voor zijn omvang van 130 km2 met 100 voor landbouw- en veehouderrij gebruikte alpen een van het meest intensieve agrarische grondgebruik van het land.  Het bosreservaat van 600 hectare komt in dit weidenlandschap ook bijzondere betekenis toe.

Zoals op veel plaatsen in het deels dichtbevolkte Zwitserland gaan natuurbeheer, zorg en respect voor flora en fauna, toerisme en economische exploitatie ook in het Diemtigtal hand in hand.

De Zwitserse Alpen Club

De Zwitserse Alpen Club (Schweizer Alpen Club, SAC/Club Alpin Suisse, CAS) organiseert regelmatig wandeltochten in deze omgeving (en elders) in het land.

Hoewel de naam anders doet vermoeden, organiseert de SAC niet alleen skitochten, bergbeklimmingen en andere sporten in het hooggebergte en de Alpen, maar ook (wandel) activiteiten in andere regio’s.

(Bron en verdere informatie: Gemeinde Diemtigen)

Impressies van het mistige Diemigtal

 

Bubendorf, Afghanistan, 1803-1833, kasteel Wildenstein en zijn eiken

Wie aan Bubendorf (Kanton Basel-Landschaft) denkt, legt niet direct een verband met Afghanistan of een kuuroord. Toch herbergt dit dorp met ruim 4 000 inwoners de grootste Europese verzameling van Afghaanse literatuur, wetenschappelijke publicaties, documentatie, foto’s, video’s en ander visueel materiaal in de Biblioteca Afghanica.

Bubendorf was in de Romeinse tijd een nederzetting. Tweeduizend jaar geleden kenden de Romeinen Afghanistan ook al en wie weet is het geen toeval dat ze op deze plek in het Frenkental een tempel, Jupiter heiligdom en villa bouwden.

Eeuwen daarna bewoonden Alemannen dit gebied, getuige de graven uit de zevende eeuw. Daarna ontbreekt tot 1152 informatie. In dat jaar wordt de nederzetting vermeld als Bouenonowe.

De prinsbisschop van Bazel verwerft het gebied in de 11e eeuw. De Eptinger, in dienst van de bisschop van Bazel, bouwden aan het einde van de dertiende eeuw slot Wildenstein en cultiveerden het gebied voor landbouw en veeteelt. De stad Bazel verkreeg het dorp in 1400.

Het dorp was vanaf 1640 al bekend vanwege haar kuuroord Bad Bubendorf. Ook het nabijgelegen kasteel Wildenstein is dan een prestigieus oord met opeenvolgende eigenaren, onder andere leden van de familie Planta en de Basler familie Vischer (1792-1994).

In Bad Bubensdorf, een gehucht en kuuroord vlakbij Bubendorf, vonden in 1830 de eerste bijeenkomsten plaats, die in 1833 leidden tot de onafhankelijkheid van Basel-Landschaft, hoewel het dorp Bubendorf juist tot het laatst trouw bleef aan Bazel. De afsplitsing van Bazel volgde in 1833 met de kantonen Basel-Stadt en Basel-Landschaft als resultaat.

Deze politieke verandering is een ding. Het landschap heeft al eeuwen vrijwel dezelfde samenstelling en contouren. Eeuwenoude eiken, weides en landbouwgrond liggen er grotendeels nog net zo bij als in de late middeleeuwen.

Het is een van de laatste gebieden in Zwitserland met een middeleeuws cultuurlandschap. Ook het aanzien van het kasteel, zijn tuinen, bronnen en boerderijen zijn een portret van vele eeuwen cultuurgeschiedenis. Ook zijn het landelijke karakter en de dorpen zijn nog grotendeels authentiek.

Het volume van de bekende waterval is echter wel veranderd. Nog niet zo lang geleden was de waterval in de kloof een echte waterval. Tegenwoordig is het een kleine stroom. Ook de beek Frenke heeft betere tijden gekend. Het wapen van Bubendorf is niet voor niets de zaag van een houtmolen, die eeuwenlang op het water van de beek is aangestuurd.

De Zwitserse Alpen Club

De Zwitserse Alpen Club (Schweizer Alpen Club, SAC/Club Alpin Suisse, CAS) organiseert regelmatig wandeltochten in deze omgeving (en elders) in het land.

Hoewel de naam anders doet vermoeden, organiseert de SAC niet alleen skitochten, bergbeklimmingen en andere sporten in het hooggebergte en de Alpen, maar ook (wandel) activiteiten in andere regio’s.

(Bron en verdere informatie: Gemeinde Bubendorf)

Bad Bubendorf

Andere indrukken