Een Zwitsers verhaal in de Rofflakloof

Eeuwenlang hebben de Zwitsers bruggen op de meest onmogelijke plaatsen gebouwd, rivieren getemd en tunnels en spoorwegen aangelegd midden in de bergen.

Een van de meest opmerkelijke initiatieven is echter de bouw van een rotsgalerij onder de Rijn, de Hinterrhein, aan het begin van de 20e eeuw. Het doet enigszins denken aan de ijsgrot in de Rhônegletsjer bij de Furkapas, die ook door een lokale inwoner is gecreëerd!

Het museum in het Gasthaus

Maria (1869-1941)  en Christian Pitschen-Melchior (1862-1940). Collectie museum in het Gasthaus

Dit verhaal is ook een Zwitsers verhaal: emigratie of het zoeken naar werk in het buitenland (zoals talloze ondernemers, banketbakkers, huurlingen in buitenlandse legers of gouvernantes voor de kinderen van rijke families), heimwee, ondernemerschap en innovatie.

Aandenken voor Christian Pitschen-Melchior op zijn rots

En in het museum

De herberg in de Roffla-kloof (Rofflaschlucht) bestaat al vele generaties. Eeuwenlang was de weg die langs de herberg loopt de enige manier om de Alpen, de Splügenpas of de Sint-Bernardinopas over te steken naar Italië. De herberg was daarom een rust- en verblijfplaats voor mens en paard. Dit voorzag de familie van een solide inkomen.

Toen aan het einde van de 19e eeuw de Gotthardspoorweg en naderhand nieuwe verkeerswegen werden geopend, verminderde het verkeer zienderogen. Het jonge paar Christian en Maria Pitschen-Melchior had spoedig nog maar een minimaal inkomen. Ze besloot 1890 naar Amerika te emigreren. De ouders van Christian bleven en zorgden voor de weinige gasten en de kleine boerderij.

Eenmaal aangekomen in New York zochten en vonden Christian en Maria werk. Het gezin werd echter steeds groter en het was een armoedig bestaan. Christian werkte ook een tijd als dienaar voor een Engelsman.

Hij reisde met hem door Amerika, onder andere naar de Niagara watervallen. Hij realiseerde zich dat een waterval een toeristische bestemming was en dat er geld aan verdiend kon worden.

Na deze reis dacht hij vaak aan deze waterval, omdat hij wist dat er thuis in de Rofflakloof ook een waterval was, maar die kon hij alleen horen omdat er geen pad de kloof in liep.

Toen zijn ouders hem een brief schreven waarin stond dat ze de herberg niet meer konden beheren vanwege hun leeftijd, besloten de emigranten naar huis terug te keren.

Eenmaal thuis begonnen ze zich een weg te banen door de kloof, aanvankelijk alleen met handboren en hamers! Vanaf 1907 tot 1914 werkten ze in de winter (in de zomer op hun kleine boerderij) in de kloof en brachten in totaal 8000 explosieve ladingen tot ontploffing. Maar het vergde veel uithoudingsvermogen en kracht om de explosiegaten in de harde rots te hameren.

Ter illustratie: Uit het boek ‘M. Rettich, Die Geschichte vom Wasserfall, Glarus 2015’. Afgebeeld is echter een houtboor in plaats van een handboor, die ongeveer 1 meter lang is en met twee personen wordt bediend.

In 1914 kwam de doorbraak en de rotsgalerij onder de Hinterrhein waterval was een feit. In de daaropvolgende jaren kwamen steeds meer mensen naar de herberg en betaalden om de indrukwekkende Rofflakloof en zijn rotsgalerij onder de Rijn te bezoeken.

En dit is vandaag de dag nog steeds het geval. De toegangsprijs was 1 CHF in 1914 en is 5 CHF tegenwoordig. Het Gasthaus is daarmee ook gered, want vele bezoekers drinken of eten er na of voor een bezoek.

Sinds een paar jaar worden de wintermaanden ook gebruikt om nieuw textiel voor de herberg en voor de verkoop aan bezoekers te produceren. Na vele generaties is de familie nog steeds eigenaar van de herberg aan de Roffla-kloof, de rotsgalerij sinds 1914 en een textielweverij sinds een paar jaar.

Christian Pitschen-Melchior, zijn vrouw Maria, hun kinderen en de generaties die volgden verdienen het om genoemd te worden. Want waar anders in Zwitserland, Duitsland, Liechtenstein, Oostenrijk of Nederland was het mogelijk om al in 1914 onder de Rijn door te lopen?

(Bron en verdere informatie: Gasthaus Rofflaschucht)

De Romaanse taal en cultuur, Vallader in Scuol en FESTIVALET

De jaarlijkse cursus Vallader is op 21 juli in Scuol (kanton Graubünden) weer begonnen. De Lia Rumantscha  en de Uniun dals Grischs, de organisatoren  van deze cursus, verwelkomden dit jaar weer ruim 150 deelnemers.

De Romaanse taal en cultuur kan zich in Zwitserland en in het buitenland op een steeds grotere belangstelling verheugen. De jaarlijkse nationale Week van de Romaanse taal (Eivna (Emma) rumantscha) wijst hier ook op.

Ook op andere plaatsen in Graubünden worden cursussen Romaans (Puter, Surselvan, Surmeiran of Sutselvan) georganiseerd, niet alleen door de Lia Rumantscha, maar ook door andere organisaties.

De Lia Rumantscha assisteert ook bij het opzetten van lokale Romaanse organisaties in Zwitserland. Er bestaan thans vijf lokale Romaanse organisaties  in Bazel, Luzern, Bern, Winterthur en St. Gallen/Appenzell.

Dat de Romaanse taal ook buiten Graubünden leeft, is dit jaar gebleken bij het eerste Romaanse festival buiten het oorspronkelijke taalgebied.

FESTIVALET trok in mei honderden bezoekers met muziek, lezingen, poetry slam, documentaires en diverse uitstekende Romaanse koren. Wellicht wordt het Romaans nog eens het Esperanto van Zwitserland. Alleen moeten ze het wel eens worden over welke van de vijf idiomen of Rumantsch grischun!

De Lia Rumantscha (in samenwerking met de Uniun dals Grischs) organiseert van 6 tot 10 oktober 2025 ook een cursus Vallader in St. Mustair.

Indrukken van FESTIVALET

The participants of the Poetry Slam

 

Korte historie van de alpenhoorn

De alpenhoorn (Alphorn) hoort net als  kaas, chocola en fondue bij Zwitserland (en Oostenrijk  en Zuid-Duitsland). De plaats en periode van ontstaan zijn onbekend. Aangezien deze hoorns geen vingergaten, toetsen, ventielen of schuiven hebben, kan er alleen de natuurlijke toonladder op worden gespeeld.

Om in deze toonladder een muzikaal bruikbaar (interessant) bereik te kunnen blazen, moet de hoorn een minimale lengte hebben van ten minste 340-360 cm en een daarmee in verhouding staande maximale diameter.

Adelheid Risi, Alphorn, 2024. Collectie: Textilmuseum St. Gallen

Op zeer korte hoorns (bijvoorbeeld een jachthoorn) kunnen slechts een tot twee tonen van verschillende toonhoogte worden geblazen. De hoorn van Roelant uit het Roelantslied kent iedereen in Nederland.

Basel, 1 augustus 2023

Bij zeer lange hoorns, zoals de alpenhoorn, is er geen duidelijke scheiding meer tussen de toonhoogten. Wanneer men over een “alpenhoorn” spreekt, bedoelt men een lange, rechte houten hoorn die aan de onderkant gebogen is.

In sommige geschriften van vóór 1500 is al sprake van een “Alphorn” . De verslagen en verhalen zijn echter pas lang na gebeurtenissen geschreven en ook de namen lopen uiteen. Namen als bucina, tuba, litui, lituum alpinum, cornua alpinum en andere aanduidingen werden gebruikt. Het is niet zeker of hiermee ook de alpenhoorn is bedoeld.

De eerste schriftelijke vermelding staat in het jaarrekeningenboek van het voormalige klooster St. Urban (kanton Luzern) in 1527 ,  “Einem Walliser mit Alphorn“.

De oudste beschrijving is van Conrad Gessner (1516-1565) in zijn “De raris et ad-mirandis herbis” uit 1556. Hij schrijft dat de instrumenten bestaan bestaan uit twee kromme en uitgeholde stukken hout die met wilgenstangen stevig aan elkaar zijn en 330-340 cm lang zijn.

Het altaarstuk van de bergkapel van Rohrmoos bij Tiefenbach (Allgäu, Beieren) uit 1568 toont een “alpenhoornblazer” met een instrument waarvan de lengte ongeveer overeenkomt met die welke door Gessner wordt genoemd.

Latere vermeldingen in geschriften en afbeeldingen geven geen duidelijker beeld. Bovendien worden de termen alpenhoorn en de korte jacht- of herdershoorns door elkaar gebruikt.

Zwitserse alpenhoornspelers werden in de zeventiende eeuw ingelijfd als muzikanten in buitenlandse militaire dienst. In de winter trokken alpenherders de steden in om als straatmuzikanten op alpen- of jacht- en herdershoorns geld te verdienen. De korte hoorns waren beter geschikt op reis mee te nemen dan de lange alpenhoorns.

Alpenhoorns worden op verschillende manieren gemaakt. Vroeger werd de alpenhoorn ter plekke gesneden uit een dennenboom met de kromming aan het einde. Tegenwoordig worden ze in speciaal daarvoor bestemde werkplaatsen gemaakt. De nieuwste fabricageprocessen maken gebruik van computergestuurde machines.

In ieder geval zijn ze regelmatig te horen, in de stad, op de berg, in het dal en in het dorp.

(Bron: Hans-Jürg Sommer, Die Geschichte des Alphorns, www.alphornmusik.ch).

Sent, de hoogste Engadiner toren en het Alberto Giacometti Museum

Sent (Unterengadin, Kanton Graubünden) is voor het eerst vermeld in het jaar 930. De naam luidde toen “Sindes”, “Sinde”, “Sinnes” of “Sins”. Sent is de officiële naam sinds 1879.

In 1572 maakte de reformator en kroniekschrijver Durich Chiampell (1510-1582) melding van meer dan 300 huizen en ongeveer 1000 inwoners, het grootste dorp in het Engadin, en maar weinig minder inwoners dan tegenwoordig (ongeveer 1200).

Ook de reformatie liet haar sporen na, ongeveer 80% van de bevolking is gereformeerd. De dorpskerk (Baselgia) San Lurench (St. Lorenzo) is in 1496 voltooid. De neogotische toren verving in 1898 de romaanse toren uit 1250. De ruïnes van de kerk van San Peder (St. Petrus) zijn een laat-romaans bouwwerk uit 1173.

In 1499 en 1622 verwoestten de Oostenrijkers het dorp. In 1596 brandden 26 huizen af in de grote dorpsbrand. Na de Bündner Wirren (1618-1639) tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) maakte Sent een rustige ontwikkeling door (afgezien van branden in 1748, 1823, 1911 en 1921).

De huidige dorpskern en de vele mooie Engadiner huizen dateren uit de wederopbouw tussen 1622 en 1650. Alleen de wijk Sala/la Motta stamt uit de periode na 1921.

  

Alberto Giacometti Museum

Het Alberto Giacometti Museum in Pensiun Aldier Sent toont meer dan 200 grafische werken van de kunstenaar Alberto Giacometti (1901-1966). Het is waarschijnlijk de meest complexe permanente tentoonstelling in zijn soort, inclusief enkele zeer zeldzame stukken die als proefdruk en zonder oplage zijn gemaakt.

De collectie bevat ook een bijna complete en zeldzame verzameling kunstenaarsboeken waarbij Giacometti betrokken was. Zorgvuldig en uitvoerig ontworpen werken die weinig bekend zijn en in zeer kleine oplages werden uitgegeven.

Naast de litho’s en etsen bevat de tentoonstelling ook twee originele lithografische stenen van Alberto Giacometti en een model van een gipsen schaal met een heel eigen vormentaal. Zijn broer Diego Giacometti (1902-1985) is ook vertegenwoordigd met verschillende werken in brons en een wandtapijt.

De fotograaf, uitgever en kunstenaar Ernst Scheidegger (1923-2016) was een grote vriend van Alberto Giacometti en documenteerde hem en zijn werk in foto’s en films gedurende vele jaren. Deze fotocollectie is ook deels toegankelijk voor bezoekers.

Vallader

Het Romaans (Vallader) is de moedertaal, maar iedereen beheerst Duits. De gehuchten Sur, En, Crusch, Sinestra en Zuort horen ook bij Sent. In 2015 fuseerden Ardez, Ftan, Guarda, Scuol, Sent en Tarasp tot de gemeente Scuol, qua oppervlakte meteen de grootste gemeente van Zwitserland.

(Bron: www.sent.ch).

The ruïne van de San Peder Kerk

De Sculptuurtuin van Not Vital

Overige impressies

Het nieuwe internationale dansseizoen in Riom

Nova Fundaziun Origen start het internationale dansseizoen in Riom (kanton Graubünden en bijna het culturele hoofddorp van het kanton). Riom danst weer van 17 juli tot 10 augustus. Op 17 juli beginnen de danspremières in de Clavadeira.

Acht choreografen brengen hun persoonlijke, voor Origen gecreëerde werken op het podium:

  • StarLegenda Nova van Kristian Lever
  • Vandalismo van Luca-Andrea Tessarini
  • Three Sisters van Ilia Jivoy
  • Fiction van Nicola Wills
  • Lost Voices van Juliano Nunes
  • A House without Walls van Lucas Valente
  • Serum van Andrey Kaydanovskiy
  • Ad Astra van Sébastien Bertaud

De artistieke handschriften variëren van de klassieke elegantie van de solisten van de Parijse Opera tot de eruptieve kracht van de hedendaagse dansers van het Nederlands Dans Theater en de acrobatische perfectie van Chinese bewegingskunstenaars.

Alles draait dit jaar in Riom om sprookjes en legenden, dus die literaire thema’s die het romantische ballet hebben gevormd. De nieuwe choreografieën gaan in op de traditie van de klassieke dans, geven Romaanse sprookjes nieuwe gedaanten, onderzoeken archetypische patronen, laten Sneeuwwitjes glazen kist als capsule voor hersenspinsels verschijnen of vieren een vrolijke assemblage van literaire hoofdrolspelers.

(Bron en verdere informatie: Nova Fundaziun Origen)

De Simplonpas, Napoleon, de diligence en de postauto

De Romeinen, Säumer en Napoleon maakten er gebruik van: de Simplonpas. Bergpassen, handel, diplomatie en oorlog hebben Zwitserland, deze verkeersas van Europa, eeuwenlang in het centrum van de commerciële en strategische belangstelling doen staan.

De bergpassen

Een andere krijgsheer, Hannibal, stak 218 v. Chr. aan de andere kant van de Alpen met zijn leger en olifanten de Zwitserse Alpen over om zijn Romeinse vijand op hun grondgebied te verslaan. Dat lukte hem ondanks diverse overwinningen niet, maar zijn tocht is er niet minder legendarisch om.

Romeinse en Griekse geschiedschrijvers zijn het er echter niet over eens welke pas hij heeft genomen om de Alpen over te steken. De Col de Montgenèvre, de Mont-Cenis, de Kleine of de Grote Sint-Bernard komen vaak naar voren als de meest voor de hand liggende opties. Waarschijnlijk zullen we het nooit zeker weten.

Wel is het zeker dat keizer Claudius  (10 v. Chr.-54 n. Chr.) in 43 n. Chr. met zijn legioenen de Grote Sint-Bernard is overgestoken op weg naar Britannia, dat hij inderdaad in dat jaar veroverde.

Napoleon

Ook van een andere krijgsheer, Napoleon Bonaparte (1769-1821), is bekend dat hij de Zwitserse bergpassen gebruikte voor zijn militaire plannen. Na de verovering van de oude Confederatie van dertien kantons in 1798 en de stichting van de Helvetische Republiek (1798-1803), gaf hij in 1800 opdracht tot het aanleggen van een weg over de Simplonpas, “Pour faire passer les canons”, Napoleoni magno viam istam pone fecit, staat te lezen op een inschrift in het Gandertal.

Säumer rond 1890. Foto: Ecomuseum Simplon-Dorf

Schifffahrtmuseum Basel

Säumer in Simplon-Dorf. Reenactment. Foto: Ecomuseum Simplon-Dorf

De weg moest breed en stevig genoeg zijn om zijn kanonnen en honderdduizend manschappen, hun paarden en materiaal te vervoeren. Het was de kortste route tussen Parijs, Lombardije en Milaan, dat lange tijd bezit was van zijn Oostenrijkse vijand. op 9 oktober 1805 werd de weg van Brig naar Domodossola (63 km) in gebruik genomen, een prestatie van formaat en destijds een technisch hoogstandje.

Wallis was vanaf 1802-1810 overigens een ‘onafhankelijke’ republiek, dat wil zeggen onder toezicht van Napoleon. Van 1810-1813 was het departement Simplon in het Franse keizerrijk.

Eeuwen daarvoor was de pas in gebruik door handelaren ( de zogenaamde Säumer), pelgrims, diplomaten en andere personen en vanaf de zeventiende eeuw de diligence of de postkoets.

Kaspar Jodok von Stockalper (1609-1691), ‘le roi du Simplon’ , zoals de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV (1638-1715) hem noemde, reorganiseerde de handel tussen Milaan en Frankrijk en creëerde de eerste postkoetsverbinding over de  Simplon.

Het hospiz van Stockalper uit de zeventiende eeuw en het hospiz van de Augustijnen (gebouwd in opdracht van Napoleon) uit de negentiende eeuw herinneren aan de glorietijd van deze pas, die vanwege de relatieve geringe hoogte (2005 meter) soms zelfs in de winter nog begaanbaar was en tegenwoordig steeds meer is.

Stockalper Hospiz

Augustijner Hospiz

Napoleon heeft er niet lang (militair) plezier van gehad. Toeristen, Simplon-Dorp en (lokaal) vervoer, tot de aanleg van Gotthardtunnel in 1882 en de spoorwegtunnel in 1906, des te meer.

De postkoets en de postauto

De postkoetsverbinding Brig-Domodossola vervoerde op haar hoogtepunt tussen 1850-1906 honderdduizenden reizigers in diligences en Landauer-coupés, in 1876 alleen al 28 190 ! Dagelijks waren er in beide richtingen ten minste vier diligences en dagelijks werden meer dan 150 paarden ingezet.

Foto’s: Ecomuseum Simplon-Dorf

Deze aantallen tellen het vervoer te voet, met de slee of op eigen vervoer nog niet eens mee. Deze enorme toename kwam ook omdat de in 1848 gestichte nieuwe Confederatie de postkoets nationaliseerde. Daar is na het einde van het postkoetsentijdperk in 1906 met de aanleg van de spoorwegtunnel de beroemde gele Postauto uit voortgekomen. In 1919 reeds de eerste postauto over de Simplonpas.

Foto’s: Ecomuseum Simplon-Dorf

De Postauto anno 2022: Foto: TES

In 1905 maakten de eerste personenauto’s gebruik van de pas. In 1960 was het gebruik zo toegenomen dat de oude weg van Napoleon totaal is gemoderniseerd, helaas zonder wat over te laten van zijn meesterwerk.

Tegenwoordig is het symbool van de pas een enorme adelaar. Deze doet Romeins of Duits in de 1940er jaren aan, is echter opgericht door de elfde Zwitserse Grensbrigade  in 1944. Of het de Duitse of Italiaanse dictators in 1940-1945 heeft afgeschrikt is niet waarschijnlijk.

Het is wel een feit, dat ze tot Zwitsers geluk niet hebben geprobeerd de pas voor hun agressie te gebruiken. De Simplonpas maakte deel uit van de formidabele verdedigingslinie en Alpenvesting Reduit en iedere pas was in deze periode een vesting van graniet, steen en rots.

De pas leidt via de grensplaats Gondo naar Domodosolla in Italië en vandaar weer naar Kanton Tessin. Onderweg wachten op Italiaans grondgebied nog enkele verrassingen, zoals de enorme basiliek in het dorp Re en het berglandschap.

Bron en verdere informatie: Ecomuseum Simplon-Dorf

De basiliek is een bedevaartskerk met de fraaie naam Basilica della Beata Vergine Maria del Sangue di Re en doet nog het meest denken aan de St. Peter in Rome, Oudenbosch (provincie Brabant) in Nederland en zelfs enigszins aan de Hagia Sophia in Istanboel.

De Basel Tattoo 2025

Na het Eurovisie Songfestival en het Europees Jeugdkoorfestival is het nu de beurt aan de jaarlijkse Basel Tattoo. Van 11 tot 19 juli 2025 presenteert de Basel Tattoo opnieuw de internationale muziek- en showscene in de binnenplaats van de Kaserne (Kasernehof) in Basel.

Voor het eerst zal de show alle Schotse klassiekers in het programma verwerken, waaronder hits als “Amazing Grace”, “Highland Cathedral” en “Scotland the Brave”. De Flings and Things Highland Dancers zullen populaire Schotse volksliederen een visueel tintje geven, inclusief een Schotse act, en de show verrijken met innovatieve choreografie en dynamische, elegante dansnummers. Het Top Secret Drum Corps, de drumsterren van Basel, presenteren na drie jaar afwezigheid een nieuwe choreografie en hun fascinerende drumstokkunstjes.

Naast deze optredens kunnen bezoekers zich verheugen op de Bands of His Majesty’s Royal Marines, de Jordanian Armed Forces Band, het Royal Honor Guard Silent Drill Team en de Circassian Honor Guard, de Swiss Armed Forces Central Band, de United States Air Force Band, de Nederlandse Crescendo Bicycle Showband, de Band of the Police Academy of the State of Qatar, de Marsa Scouts Pipes & Drums uit Malta, de Pipes and Drums of the Royal Air Force, de Scotch College Pipe Band uit Australië, de Scots College Old Boys Pipes & Drums uit Australië, de Royal Guard of Oman Pipe Band, de Swiss Highlanders, het Basel Tattoo Chor en de Basel Tattoo Garde

De Crescendo Bicycle Showband uit Nederland combineert muziek met fietsen, en de Band of the Police Academy of the State of Qatar presenteert precieze marsmuziek met oriëntaalse klanken.

De Basel Tattoo 2025 benadrukt opnieuw het internationale karakter van het festival en bevestigt de ambitie om muzikale tradities van over de hele wereld in één arena te verenigen en culturele bruggen te slaan. De Tattoo-parade vindt plaats op zaterdag 12 juli.

(Bron en verdere informatie: Basel Tattoo)

Post Scriptum

Doe den tap toe

Overigens ligt het Oudnederlandse “doe den tap toe” aan de oorsprong van het Nederlandse woord “taptoe”, tattoo in het Duits en Engels. “Doe den tap toe” heeft een militaire context en betekent de bierkraan dichtdraaien.

Op het commando ‘Doe den tap toe’ werden, veelal ondersteund door een trommel- of trompetsignaal, de bierkranen gesloten. In de loop der tijd is “taptoe” een verzamelnaam geworden voor militaire muziekfestivals.

Heimweh (heimwee in het Nederlands) is daarentegen een Zwitsers woord. Misschien is ook het begrip Tattoo door  huurlingen in dienst van de Republiek in Zwitserland geïntroduceerd?

Het Zwitserse kaartpel Jass heeft overigens ook een Oud-Nederlandse oorsprong (Klaverjassen).

De imperiale kroon van de Val d’Anniviers, de Kleine Prins, Ella Maillart en Adeline Favre

De naam Wallis (Valais in het Frans) is met goede reden afgeleid van het Latijnse woord ‘Vallis’, vallei. Ten tijde van de Romeinse overheersing bewoonden vier Keltische stammen dit gebied: Nantuates, Verager, Seduner en Uberer.

De Rhône ontspringt in en stroomt door dit gebied en zij volgt de vallei tot de knik naar het noorden bij Martigny, als het ware een kopie van de Basler ‘knie’ en de loop van de Rijn richting noorden bij Bazel.

Val d’Anniviers

Niet alleen dankt het kanton zijn naam aan deze vallei, maar zijn er vele bekende en minder bekende valleien aan weerszijden van de Rhône. Zoals op meer plaatsen in Zwitserland, kent ook dit kanton zijn taalgrens of eigenlijk taalgrenzen, indien de Walsertaal, het patois of lokale dialecten worden meegeteld.

De Illsee

De Illhorn

De Illgraben en het Rhônedal

Vlakbij de Franstalige Val d’Anniviers ligt de Illsee (Duitstalige gemeente Leuk), een van deze taalgrenzen. De Illsee is een Stausee aan de voet van de Illhorn (2 717 m.) en is onder andere bereikbaar via het Franstalige Chandolin en zijn wilde botanische Alpentuin op ruim 2 200 m hoogte.

De botanische Alpentuin van Chandolin 

Chandolin herbergt echter ook het museum Espace Ella Maillart, een van de vele kosmopolitische Zwitserse persoonlijkheden.

Espace Ella Maillart

Ella Maillart  (1903-1997), geboren in Genève, was niet alleen zeilster op oceanen en de Middellandse zee, oprichter van de eerste vrouwelijke Zwitserse veldhockeyvereniging, olympisch deelneemster zeilen in 1924 (Parijs), fotografe, actrice, docente Frans, wereldreizigster (onder andere naar landen in Azië, Afrika en Amerika), maar op latere leeftijd ook een wereldberoemd schrijfster van reisverhalen. De UNESCO heeft haar reisverhalen en foto’s in 2025 opgenomen in  het register ‘Memory of the World’.

Chandolin is haar laatste woonplaats en het museum Espace Ella Maillart in de oude kapel (l’ancienne Chapelle) doet haar alle eer aan. Het dorp geeft echter ook de bijzondere fauna in het fauna museum (Musée de la Faune) en het observatorium (Observatoire de la Faune) een welverdiende plaats.

Musée de la Faune

Van Chandolin naar St. Luc is het slechts enkele kilometers en toch heeft St. Luc een andere historie. Niet alleen het oude molenpark wijst op een industrieel verleden op 1 655 m hoogte, ook het planetarium en het observatorium François-Xavier Bagnoud duiden op een ‘the sky is the limit’ nieuwsgierigheid.

Planetarium

Observatorium François-Xavier Bagnoud

St. Luc heeft haar industriële verleden al lang achter zich gelaten. Met de opkomst van het toerisme in de 19e en 20e eeuw dienden zich andere tijden aan. Twee Grand-Hotels, diverse andere hotels, vele nieuwe chalets, wintersport- en wandelmogelijkheden en de funiculaire zijn ingesteld op bezoekers uit de hele wereld.

Dit blijkt ook uit een lokale uitgave van Le Petit Prince van Antoine Saint- d’Exupéry (1900-1944)  met iedere pagina in een andere taal, Chinees, Frans, Duits, Spaans, Engels en diverse andere talen. De motivatie staat in het voorwoord: de belangstelling voor planeten en het heelal in dit kleine bergdorp sluit aan bij de ontdekkingsreis van de Kleine Prins.

 

Er is zelfs op grote hoogte op weg naar Hotel Weisshorn een planetenweg, inclusief een planetenpark (Tsigère de Planètes), die begint in het dorp. Hotel Weisshorn is een ander Grand-Hotel, dat nog steeds de sfeer van de Belle-Époque ademt.

De Weisshorn

Grand-Hôtel Weisshorn en zijn oprichter

Europa’s eerste alpine tuin

Grand-Hôtel du Cervin

Grand-Hôtel Bella-Tola

En toch heeft ook dit dorp zijn authentieke karakter en tradities behouden. De maison bourgeoisiale is niet alleen het gemeenschapscentrum van het dorp, maar tevens de plaats van de oude school en de traditie van het bakken van brood.

Maison bourgeoisiale en de oude school van St. Luc

Beneden in de Val d’Anniviers ligt het dorp Vissoie met zijn middeleeuwse kasteel en centrum. Vissoie heeft niet voor niets een kasteel. De plaats ligt immers strategisch aan de rivier Navisence, die leidt naar Sierre en de Rhône in het noorden en naar Zinal in het zuiden.

 

Vissoie

Zinal

Zinal is het laatste dorp in het dal met de Plats de Lée, zijn bijzondere runderen (de Hérens of Ehringer en hun koeiengevechten), de kopermijn en op grote hoogte de Alpage de Cottier, een kruidentuin en een op kruidenproducten gespecialiseerd bedrijf.

Alpage de Cottier

En de kruidenexpert Sandra Huber

De Val d’Anniviers heeft nog een andere bijzonderheid. Grimentz, gelegen op de weg naar het Moiry stuwmeer en de Moiry Glacier, is een van de mooiste dorpen van Zwitserland en als zodanig opgenomen in het register van de Schönsten Schweizer Dörfer/les plus des beaux villages de Suisse.

 

Grimentz

De Moiry Glacier en lac de Moiry zijn tevens het einde van het dal.

Glacier de Moiry 

Lac de Moiry, de stuwdam en waterkrachtcentrale Gougra

Conclusie

Het interessante aan de dalen van Wallis is echter, dat er altijd weer aan ander dal volgt, in dit geval het Franstalige Val d’Hérens en Val d’Hérémence aan de ene kant, met hun diverse culturele, historische en natuurlijke bijzonderheden, het Duitstalige Turtmanntal, Mattertal en Saastal aan de andere kant. Er is echter maar één dal met de Couronne impériale en dat is de Val d’Anniviers.

Indrukken van Val d’Anniviers

Impressies van St. Luc

In een van de stenen huizen woonde Adeline Favre-Salamin (1908-1983), de beroemdste vroedvrouw van Zwitserland

Na de verwoestende branden van 1845 en 1848 in steen gebouwde huizen en kerk

Impressies van Zinal

Dona nobis pacem in de St. Barthélémy kapel van Zinal

Plats de la Lée

Anoniem schilderij

De Ehringer of Hérens koeien zijn beroemd vanwege hun (milde) gevechten om de hiërarchie, waarbij de winnaar de koningin (hier in beeld) wordt. De nummers op de vacht geven voor de mensen de classering aan in geval van gevechten.

Impressies van Chandolin

 

SAC/CAS-cabane Illhorn

Impressies van St. Jean

De molens van St. Luc en het Zwitserse Wirtschafswunder

De industriële revolutie, handelsnetwerken, textielindustrie, (financiële) dienstverlening, horlogerie, machinebouw, voedingsmiddelensector, uitgeef- en drukkerijbedrijven en andere bedrijfstakken kenmerken Zwitserland al eeuwenlang.

Zelfs in tegenwoordig kleine dorpen was er soms een klein industriepark. Een voorbeeld is St. Luc (kanton Wallis). St. Luc ligt op een hoogte van 1 655 meter in de Val d’Anniviers, het dal van de ‘Couronne Impériale’, de vijf 4000+ bergen (Bishorn, Weisshorn, Zinalrothorn, Ober Gabelhorn et Dent-Blanche), en zelfs met zicht op de Matterhorn.

Het dorp heeft tegenwoordig nog maar 300 vaste inwoners, maar was aan het begin van de 19e eeuw groter dan het nabijgelegen Sierre (Siders)!

Het dorp had toen maar liefst 7 molens in gebruik. Twee molens zijn in de loop der tijd verdwenen, maar de resterende vijf molens zijn na een renovatie als openluchtmuseum op bepaalde tijden weer in gebruik en te bezichtigen.

De meeste inwoners van St. Luc hadden een weide of stukje landbouwgrond en een kleine woning in Sierre. Daar verbouwden ze rogge, tarwe, gerst, mais en aardappelen. Na de oogst vervoerden ze de opbrengst met ezels en muildieren naar de molen voor mais (moulin à mais), twee molens voor rogge en tarwe (moulins à seigle et froment) en een molen voor gerst en een notenpers (foulon à orge et presse-noix) in St. Luc.

Bovendien was er nog een textielmolen (foulon à drap) voor het maken en verven van kledingstukken. De molenaar (meunier) woonde in het maison du meunier.

Maison du meunier

Het maisone Bourgeoisiale (gemeentehuis) van het dorp toont nog steeds de ambachtelijke wijze van broodbakken, inclusief een jaarlijks feest. Alle inwoners waren destijds betrokken bij de bereiding van voedsel in dit rauwe berggebied.

Een Bourgeoisie laat zich nog het best vergelijken met een Waterschap in Nederland. Een aantal taken, zoals het beheer van weiden en landbouwgrond, water en bijvoorbeeld het broodbakken waren gemeenschappelijk uitgevoerde taken.

La maison bourgeoisiale de St. Luc

De term Bourgeoisie heeft in deze context dan ook geen betrekking op een sociale laag, al hadden vooral de beter gesitueerden ongetwijfeld een belangrijke invloed.

Windmolens zijn in Zwitserland vrijwel onbekend. De molens worden daarentegen aangedreven door waterkracht. De wildbruisende Torrent des Moulins zorgde in St. Luc door een even ingenieus als eenvoudig systeem van kanalen, zeg maar een soort Suonen (Bisses in het Frans), voor de watervoorziening om het rad van de molen in beweging te brengen.

De Torrent des Moulins

Dit systeem heeft in Zwitserland in alle kantons eeuwenlang gefunctioneerd. In de twintigste eeuw heeft elektriciteit deze functie echter overgenomen. Op de jaarlijkse nationale Zwitserse molendag en op veel andere plaatsen (steden en dorpen) is dit nationale erfgoed nog steeds te bezichtigen.

(Bron en verdere informatie: Commune d’Anniviers)

Maison du meunier

   

Afbeelding: la maison bourgeoisiale

Barryland heropend op 26 Juni jongstleden

Wat zagen ze er trots, geknipt en geschoren uit na hun manicure, gepoetste tanden en geborstelde haren op 26 juni in hun nieuwe huis Barryland in Martigny (kanton Wallis)!

Het was dan ook hun feestje vanwege de opening van het nieuwe complex Barryland. De Bernadiner staan bekend om hun empathische en vriendelijke karakter en ze hadden dan ook veel gasten uitgenodigd.

 De naam Barry verwijst overigens naar de beroemdste Bernadiner, Barry I. Barry I leefde van 1800 tot 1812 bij de Kapucijner monniken op de Grote Sint-Bernhard. Hij redde meer dan 40 mensen in kou, sneeuw en mist op de Grote Sint-Bernhard.

Dit verhaal, een mengeling van historische feiten, legendes en mythes, vormt nog steeds het beeld van de Sint-Bernard als trouwe, moedige en filantropische metgezel en redder in nood. Generaties lang hebben deze honden reizigers geholpen, vooral degenen die op grote hoogte (ver) dwaalden in kou, sneeuw en mist.

Barryland

Barryland heeft de vorm van een afdruk van een Bernadiner hondenpoot en heeft een omvang van 2 400 m² in een park van 22 000 m².

In vijf verschillende thematisch ingerichte ruimtes kunnen bezoekers, jong en oud, de geschiedenis en mythes rond de Sint-Bernards verkennen aan de hand van interactieve tentoonstellingen en hun unieke karaktereigenschappen ontdekken.

  

Bezoekers hebben ook de mogelijkheid om de honden te observeren en getuige te zijn van hun dagelijkse verzorging.

Barryland vervangt het voormalige museum, dat gevestigd was in het nabijgelegen  arsenaal, dat nu dienst doet als café-restaurant en gebouw voor staf.

Fondation Barry

Sinds januari 2005 is de Fondation Barry verantwoordelijk voor het fokken, opvoeden en verzorgen van de wereldberoemde Sint Bernards. Deze taken zijn daarvoor 300 jaar uitgevoerd door de Orde van de Kanunniken op de Grote Sint-Bernardpas (Congrégation des chanoines de l’Hospice du Grand-St-Bernard).

Napoleon op de Grote Sint-Bernardpas, mei 1800

Overigens verblijven de meeste van de ongeveer 30 Bernadiner van juni tot oktober nog steeds op de Grote Sint-Bernardpas. Het museum op deze pas gaat niet alleen in  op deze eeuwenoude traditie, maar ook op de historie van de Kanunniken, hun hospice en de betekenis van Grote Sint-Bernardpas vanaf de Romeinse tijd.

Le Musée de l’Hospice du Grand-Saint-Bernard

De Fondation Barry zet zich in om een fokkerijtraditie voort te zetten die meer dan 300 jaar teruggaat. De kern van haar werk is deze honden een gezond, soorteigen en evenwichtig leven te bieden.

De honden worden tegenwoordig niet meer ingezet om mensen in nood op de Grote Sint-Bernardpas of elders te redden, maar als mensen- en kindervriend voor, bijvoorbeeld, mensen op leeftijd en kinderen.

Tegelijkertijd wil de stichting de relatie tussen mens en dier bevorderen door het publiek in staat te stellen deze legendarische dieren te ontmoeten. Het Barryland themapark is daarom een plaats van ontmoeting en uitwisseling tussen de Sint-Bernards en kinderen, jongeren en volwassenen.

(Bron en verdere informatie: Fondation Barry)

Impressies van Barryland

 

Impressies van de openingsceremonie 

 

Van links naar rechts: Mélanie Glassey-Roth (Directrice de la Fondation Barry), Damian Constantin (Président de Valais/Wallis Promotion), Alain Dubois (Chef du Service de la culture du Valais), David Martinetti (Vice-Président de Martigny), Patricia Constantin (Présidente du Grand Conseil du canton du Valais), Jean-Maurice Tornay (Président du conseil de la Fondation Barry)

Afbeelding: Fondation Barry