Vincenzo Vela, Realismus en de Risorgimento

Het kanton Tessin is slechts een paar decennia ouder dan het koninkrijk Italië. Een van de beroemdste inwoners van het kanton heeft echter een belangrijke rol gespeeld in de eenwording van Italië. Hij heeft dit proces, de Risorgimento, letterlijk in beeld en onder de internationale publieke aandacht gebracht door zijn beeldhouwwerken en zijn beroemde artistieke stijl.

Het Congres van Wenen erkende in 1815 de Nieuwe Zwitserse Confederatie van 22 soevereine kantons., waaronder Tessin. Op hetzelfde congres gaven de grootmachten en overwinnaars van Napoleon (Pruissen, Oostenrijk, Verenigd Koninkrijk en Rusland) Oostenrijk de zeggenschap over Lombardije en erkenden het koninkrijk Sardinië-Piëmont met als hoofdstad Turijn. Het Franse Huis van Bourbon kreeg Sicilië.

In 1820 begon de opstand, de Risorgimento, die in 1861 leidde tot de eenwording en het koninkrijk Italië. In 1820 werd in Ligornetto, een klein dorp in het zuiden van Tessin, in de regio Mendrisiotto, ook Vincenzo Vela geboren.

Vincenzo was vanaf zijn jonge jaren betrokken bij de Risorgimento. Hij vertrok op jonge leeftijd naar Milaan. Hij studeerde daar aan de Accademia di Brera en de Scuola d’Ornato. In 1842 studeerde hij af als beeldhouwer. Hij woonde en werkte afwisselend in Turijn en Milaan. Hij verwierp het classisisme en introduceerde het verismo of realisme.

In Oostenrijkse Milaan en het Turijn van Sardinië-Piëmont verzette de elite zich tegen Oostenrijk. Het doel was een verenigd koninkrijk Italië onder leiding van het Huis van Savoie. Vela was politiek en sociaal geëngageerd en stelde ook zijn werk in dienst van de Risorgimento.

Hij vocht in de Sonderbund-oorlog in 1847 aan de kant van Guillaume-Henri Dufour, maar nam ook als vrijwilliger deel aan de onafhankelijkheidsoorlog van Lombardije tegen Oostenrijk in 1848. Oostenrijk kon deze opstand nog wel neerslaan. Zijn kolos Spartacus, gebeeldhouwd in marmer in 1850, was het resultaat. Het origineel staat tegenwoordig in Lugano, het gipsen origineel in het Museo Vincenzo Vela.

Spartacus, 1849, Origineel gipsmodel; Marmer beeld 1850, Raadhuis van Lugano

Zijn verismo werd al snel in Europa beschouwd als de belichaming van de Italiaanse nationale stijl. Om deze reden moest hij in 1852 uit Milaan naar Turijn vluchten. Turijn was in die tijd het liberale politieke en artistieke centrum van het vrije Italië.

Zijn roem verspreidde zich tot ver buiten de grenzen van Italië en Zwitserland, en zijn beeldhouwwerk Italien dankt Frankreich uit 1863 leverde hem de titel Chevalier de la Légion d’honneur op. Zijn beeld Die letzten Augenblicke Napoleons 1. op de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1867 was een sensatie. Keizer Napoleon III, de neef van de geportretteerde. verwierf het origineel (tegenwoordig in Versailles) en Vela werd bevorderd tot Officier de la Légion d’honneur door.

De stervende Napoleon, origineel gispmodel, 1866. Marmer beeld, 1867, Versailles.

Na zijn activiteiten in het buitenland keerde hij in 1867 terug naar zijn geboortedorp Ligornetto, waar hij een villa liet bouwen die diende als woning, atelier en privé-museum, dat hij in 1880 ook voor het publiek opende. In 1889 maakte Vela er in opdracht van de stad Como zijn laatste werk, het standbeeld ter ere van generaal Giuseppe Garibaldi (1807-1882).

Het ‘Pantheon van de Risorgimento’ in de achthoekige Hal of atrium en Giuseppe Garibaldi (1807-1882), Origineel gipsmodel, 1888; Bronzen standbeeld in Como, 1889, Piazza della Vittoria.

Vela overleed in 1891 en in de villa is sinds 1898 het Museo Vinzeno Vela gevestigd. Het museum toont de woonkamer van de villa, een galerij met schilderijen en voorwerpen van de families, werken van Vincenzo, van zijn zoon de schilder, tekenaar en aquarellist Spartaco Vela (1854-1895), van de beeldhouwer Lorenzo Vela (1812-1897), Vincenzo Vela’s acht jaar oudere broer, en de schilderijengalerij uit de privé-collecties van Vincenzo, Spartaco en Lorenzo.

Deze collectie omvat 300 werken uit de periode 1850-1890 en wordt beschouwd als de belangrijkste verzameling schilderijen van Lombardische en Piëmontese kunst uit de 19e eeuw in een Zwitsers museum.

Museo Vincenzo Vela en het landschapspark

Tegenwoordig heeft dit monumentale 19e eeuwse beeldhouwwerk geen goede reputatie en, afgezien van Auguste Rodin (1840-1917) en Antonio Canova (1757-1822) , zijn ze vaak een sta in de weg in moderne steden of staan ze in depots van musea.

De (in huidige ogen veelal pompeuze, kitscherige en pathetische) monumenten zijn echter te vatten in hun politieke functie en in hun oorspronkelijke stedelijke context.

Ze geven een veelzijdig inzicht in een tijdperk, dat de historische voorwaarde is voor de huidige democratieën in Europa. Deze beelden horen ook bij het vroegmodernisme en realisme in de schilderkunst van de jaren 1850-1880.

(Quelle und weitere Informationen: Museo Vincenzo Vela; M.-J. Wasmer, Museo Vincenzo Vela in Ligornetto, Gesellschaft für Schweizerische Kunstgeschichte, Bern, 2020).

Duitse en Franse Orte van de Zwitserse Confederatie

De Zwitserse Confederatie heeft zijn wortels in de late Middeleeuwen, in de periode van de 13e tot de 15e eeuw. In 1513 trad Appenzell toe als dertiende kanton.

De Confederatie bestuurde de gebieden die zij veroverde of aankocht. Soms kwam dit bestuur ook in handen van de een of meerdere kantons. Zij bestuurden steden, graafschappen, valleien of andere kleine en grotere gebieden op het grondgebied van het huidige Zwitserland en enkele daarbuiten (Bormio, Chiavenna en Veltlina in het huidige Italië).

Met uitzondering van Fribourg/Freiburg bestond de Confederatie destijds uit Duitstalige kantons. Het bestuur van deze gebieden werd Gemeine Herrschaft genoemd wanneer verschillende kantons het gebied hadden veroverd en het met voogden bestuurden. De meeste kantons waren betrokken bij dit type bestuur, soms waren er zeven, acht of twaalf kantons, soms slechts één, twee of drie, maar zelden alle dertien.

Onderworpen gebieden

De kantons Aargau (1415), Thurgau (1460), Tessin (1500-1517) en Vaud (1536) werden tot 1798 als onderworpen gebieden (Untertanengebiete) bestuurd. De Helvetische Republiek (1798-1803) en de nieuwe Confederatie (opgericht door Mediationakte van Napoleon in 1803) maakten een einde aan deze situatie. In 1815 werden deze kantons ook erkend in de nieuwe Confederatie (1815-1848), die toen uit 22 kantons bestond (met de nieuwe kantons Neuchâtel, Genève en Wallis).

Militaire bescherming

Andere gebieden stonden onder (militaire) bescherming (Schirmherrschaft) van kantons of de Confederatie. Zij waren in principe soeverein, maar deze soevereiniteit werd beperkt door de militaire afhankelijkheid.

Het kasteel van Neuchâtel 

Bondgenoten

Een andere categorie bestond uit bondgenoten of “Zugewandte Orte”. De meeste van deze gebieden waren soevereine territoria. Bondgenoten waren bijvoorbeeld de stad Biel/Bienne, de Freistaat der Drei Bünde (het latere Graubünden),de  Stad St. Gallen, de Republiek der Zeven Zenden in Wallis, het Vorstendom Neuchâtel, de Republiek Genève, diverse steden, graafschappen en andere wereldlijke en kerkelijke gebieden, bijvoorbeeld het prinsbisdom Basel en de prinsabdij St. Gallen.

Zij zijn later als kantons of als deel van een kanton tot de Confederatie toegetreden. De belangrijkste voorbeelden zijn de kantons Graubünden en St. Gallen (1803) en Neuchâtel, Genève en Wallis (1815).

Straatsburg

Andere gebieden hadden in de late middeleeuwen of rond 1500 ook een bondgenootschap of werden als zodanig aangeduid, zoals Straatsburg, het bisdom Konstanz, de hertog van Württemberg, het graafschap Montbéliard, de stad Besançon of het graafschap Arona. Deze hadden echter geen formele verdragen met de kantons of de Confederatie en waren formeel geen ‘zugewandter Ort’, eerder gelegenheidsbondgenoten.

In de meeste gevallen werden deze bondgenootschappen niet gesloten met de Confederatie en alle 13 kantons, maar met verschillende kantons afzonderlijk. Ook de (militaire, politieke en economische) rechten en plichten verschilden per bondgenootschap. Na de reformatie werd deze situatie aanzienlijk gecompliceerder.

Rottweil. Foto: Wikipedia/Christoph Probst

De meeste bondgenoten hadden geen politiek beslissings- of aanwezigheidsrecht bij de Tagsatzung ( de Vergadering met afgevaardigden van de kantons). De enige twee bondgenoten die een verdrag hadden met alle 13 kantons en dus met de Confederatie, en deelnamen aan de Tagsatzung zijn in 1815 géén lid geworden van de nieuwe  Confederatie: Rottweil (bondgenoot sinds 1519) en Mulhouse (bondgenoot sinds 1515). Dit artikel gaat over Mulhouse.

Mulhouse

Stadhuis Mulhouse met de wapens van de 13 kantons van de Confederatie

Basel had al in 1506 een verbond met Mulhouse gesloten, zoals ook blijkt uit de ramen in het stadhuis. Op 19 januari 1515 sloot de stad een “eeuwigdurend” verbond met alle 13 kantons. Alle soevereine kantons moesten dit verdrag afzonderlijk ondertekenen. Op 1 juli 1515 was het zover.

Mulhouse was met haar deelname aan de Tagsatzung de facto lid van de Confederatie, wat ook de wens was van de stad. De Elzas was toen nog geen Frans grondgebied. De regio viel onder de Habsburgers en de stad had een autonome status (Reichsumittelbarkeit). De taal was Duits (Hochrheinalemannisch dialect).

De historische context

In 1515, tot de Slag bij Marignano (13 en 14 september 1515), was de Confederatie de militaire grootmacht in Midden-Europa, zoals de Habsburgers (1315-1499) en de hertog van Bourgondië (1474-1476) hadden ervaren. Mulhouse wilde ook militaire bescherming van de Confederatie.

Daarnaast was de lucratieve noord-zuid handel met Bazel als belangrijke handelsstad van belang. Bovendien had Bazel een  universiteit (1460) en was de stad het Europese centrum van humanisme, uitgeverijen en drukkerijen. Tussen Mulhouse en Bazel bestonden al eeuwenlang goede persoonlijke en culturele betrekkingen op het hoogste niveau.

Mulhouse had echter ook een Habsburgse factie die een bondgenootschap met de Confederatie afwees. De stad maakte immers nog steeds deel uit van het Heilige Roomse Rijk van de Habsburgse keizers en was lid van de Dekapolis (het verdedigingsverbond van tien steden in de Elzas).

Maar na de nederlaag van de Habsburgers tegen de Confederatie in de Zwabische Oorlog (Schwabenkrieg) en de Vrede van Bazel in 1499, streefde een meerderheid van de elite naar annexatie en bij voorkeur lidmaatschap van de Confederatie.

Raadszaal van het Stadhuis van Mulhouse eind 18e eeuw met de wapenschilden van de 13 kantons van de Confederatie. Collectie: Historisch Museum Mulhouse

1587-1798

Vanaf 1587 onderhield de gereformeerde stad Mulhouse vooral contacten met de gereformeerde kantons, met name Bazel, en ontving geen uitnodigingen meer voor de Tagsatzung. De stad verloor haar goede betrekkingen met de katholieke kantons, maar bleef formeel verbonden met alle 13 kantons en de Confederatie tot 1798.

Lodewijk XIV veroverde de Elzas en negen van de tien steden van de Dekapolis in de 17e eeuw, met uitzondering van Mulhouse. De stad bleef onafhankelijk, formeel onderdeel van het Heilige Roomse Rijk van de (Habsburgse) Keizers en een ‘zugewandter Ort’ van de Confederatie.

De Franse Revolutie en de inval van Frankrijk in de Confederatie in 1798 maakten een definitief einde aan de aspiraties van Mulhouse. Vanaf 1798 maakt de stad deel uit van Frankrijk.

(Bron en verdere informatie: Historisches Lexicon der Schweiz, A. Würgler, Zugewandte Orte, 26.02.2014; Prof. Dr. O. Kammerer, Prof. Dr. O. Richard, Dr. C. Sieber-Lehmann, Alliance de Mulhouse avec la Confédération Suisse 1515-1798, Mulhouse, 2015; le musée historique de Mulhouse).

Stadhuis Muhlhouse met wapenschilden van de kantons van de Confederatie

De Grondwet van de Kantons

De Grondwet van de kantons is een onmisbaar onderdeel van het Zwitserse constitutionele recht. De kantons zijn, evenals de burgers, de hoekstenen van het Zwitserse staatsbestel.

Bijna alle grondwetten van de kantons zijn in de afgelopen 50 jaar (volledig) herzien, afgestoft, geharmoniseerd en hebben toch hun eigenheid behouden.

De Grondwetten vertonen een verrassende verscheidenheid. De trend naar gemeentelijke fusies onderwerpt de traditionele structuur van de kantons aan ingrijpende veranderingen. De constitutionele rechtspraak in sommige kantons kent daarom ook een verbazingwekkende dynamiek, soms mede vanwege de rechtspraak van het Bundesgericht in Lausanne.

Het Duitstatige boek biedt een totaal overzicht van alle relevante aspecten, de organisatie, rechtspraak, kerk, burgerlijk recht, overheidsaansprakelijkheid en grondrechten zijn van directe invloed op de autonomie van de kantons.

A. Auer, Staatsrecht der schweizerischen Kantone, Bern, 2016

Edward Gibbon en Lausanne

In dit Franstalige boek staan de verschillende fases van de beroemde Engelse historicus Edward Gibbon (1737-1794) in Lausanne centraal. Deze drie goed gedocumenteerde episodes  van de auteur van de ‘Decline and Fall of the Roman Empire’ vormen het hoofdthema van dit boek, dat een overzicht biedt van het onderzoek naar de achttiende eeuw in Lausanne.

Dit boek verenigt vijfendertig auteurs uit verschillende disciplines: ideeën- en godsdiensthistorici, literatuurwetenschappers, kunsthistorici en specialisten in materiële cultuur. De inhoud is gegroepeerd in zeven thematische delen.

De bijdragen sluiten aan bij de sporen die Gibbon heeft nagelaten en weerspiegelen zijn eclectische historiografische aanpak. Ze behandelen uiteenlopende thema’s als intellectuele vorming en protestantisme in de Verlichting, het sociale leven en het vermaak van de adel onder het Ancien Régime, de politieke debatten en revoluties van het einde van de eeuw, en literatuur en kunst.

Deze invalshoeken maken het mogelijk het Pays de Vaud te situeren op het kruispunt van de Europese Verlichting.

B. Kapossy, B. Lovis (Réd.), Edward Gibbon et Lausanne. Le Pays de Vaud à la rencontre des lumières européennes  Lausanne 2022

Plima d’aur/Pledpierla

De Romaanse schrijfwedstrijd Plima d’aur/Pledpierla (gouden pluim/tollende woord) die de Lia Rumantscha dit jaar lanceerde met de twee thema’s “superforzas” (superkrachten) en “7 minutas” (7 minuten), kende een record aantal deelnemers.

Er zijn meer dan 440 teksten ingediend. Met meer dan 200 teksten was er ook een record aantal deelnemers uit het Engadin.

Al meer dan 20 jaar organiseert de Lia Rumantscha de schrijfwedstrijd Plima d’aur/Pledpierla om kinderen en jongeren aan te moedigen in het Romaans te schrijven.

De virtuele prijsuitreiking vindt plaats op woensdag 31 mei 2023 van 10.15 tot 11.00 uur. Tijdens deze bijeenkomst worden de winnaars (1e t/m 3e plaats) bekendgemaakt en wordt per regio een winnende tekst voorgelezen

De Lia Rumantscha werkt al jaren samen met het organisatiecomité van de “Dis da litteratura” (dag van de literatuur) in Domat/Ems. De voorlezing van de winnende teksten van de Plima d’aur/Pledpierla is gepland op zondag 5 november.

De virtuele prijsuitreiking is toegankelijk voor het publiek, de link is beschikbaar op www.liarumantscha.ch.

Zwitserse episodes uit de twintigste eeuw

Deze Duitstalige bloemlezing bundelt vijftig Zwitserse episodes uit de twintigste eeuw, waarvan de meeste slechts voetnoten in de Zwitserse geschiedenis en al weer vergeten zijn. Ze interpreteert deze gebeurtenissen opnieuw met de kennis van nu. Het resultaat is niet alleen onderhoudend. De som van individuele gebeurtenissen zegt ook veel over een land.

Enkele voorbeelden zijn een Russische moordenaar in het Grand Hotel Jungfrau, verjaardagswensen van de regering aan Hitler, een nucleair ongeval in Lucens, de liefde van Picasso voor Bazel, kuddes koeien die door het leger worden vergiftigd of de wonderbaarlijke reis van een Zwitserse luchtvaartpionier naar het rijk van de Ethiopische “Koning der Koningen”. Wat ooit het publiek, de politiek en de media bezighield, is vandaag grotendeels vergeten.

(Marc Tribelhorn (red.), Die Schweiz als Ereignis, Zürich 2017)

Historische atlas van de regio Bazel

De stad, bisdom en kanton Bazel hebben altijd talrijke Duits-Frans-Zwitserse grenslijnen en -overgangen gekend. Begrensd door de Jura, het Zwarte Woud en de Vogezen heeft dit gebied uitzicht op de Bourgondische Poort en de Boven- en Hoogrijn.

De Duitstalige “Historischer Atlas der Region Basel” schetst in 64 kaarten met begeleidende teksten de geschiedenis van Bazel. De reis begint in de moderne tijd en gaat terug tot in de oudheid. Ook verwante onderwerpen zoals confessionele of taalgrenzen komen aan de orde.

(Christoph Merian Stichting (Uitgever.), A. Salvisberg (en anderen.), Historischer Atlas der Region Basel, Bazel, 2010).

Bellinzona, het fort en regio

Bellinzona is de hoofdstad van het kanton Tessin (Ticino). De stad en de omliggende valleien en regio’s (Biasca en de Rivièra, de Blenio-vallei en Leventina) hebben een gevarieerd bergachtig landschap met onderscheidende culturele kenmerken en talrijke historische en architectonische monumenten .

Het fort van Bellinzona(UNESCO World Heritage sinds 2 000) is Europa’s grootste en enige voorbeeld van een middeleeuwse structuur bestaande uit drie kastelen en een verdedigingsmuur die niet alleen de vallei, maar ook de stad en de stadsmuren af- en omsloot.

Foto van het UNESCO World Heritage Bill Board

De stad is in de loop der eeuwen rondom het fort gegroeid. De hertogen van Milaan bouwden het fort als verdediging tegen de binnenvallende Eidgenossen uit de noorden. Tevergeefs, de Orte Uri, Unterwalden en Schwytz verwierven de stad in 1500 na de nederlaag van de Hertog van Milaan tegen de Franse Koning. De stad had toen geen beschermheer meer. Vanaf 1500 zijn Bellinzona,  Biasca, de Rivièra, de Blenio-vallei en Leventina Untertanengebiete, tot 1798 en de vorming van het kanton Tessin in 1803. Het fort bereikte zijn maximale omvang in de 15e eeuw.

Het grootste kasteel, het Castel Grande, is gebouwd in de 13e en 14e eeuw. De Zwarte Toren (Torre Nera) is voltooid in 1310. Het duurde een eeuw (1250-1350) om de Witte Toren (Torre Bianca) te bouwen.

De muur, murata, is gebouwd in de 15e eeuw en omsloot de vallei en de stad volledig en blokkeerde de weg van en naar de bergpassen, waaronder de Gotthardpas. Het kasteel herbergt tegenwoordig het Museum voor Geschiedenis en Kunst.

Het kasteel van Montebello is gebouwd in de 14e en 15e eeuw. Het kasteel is tegenwoordig het archeologische museum en er worden kunsttentoonstellingen in georganiseerd.

Het kasteel Sasso Corbaro is gebouwd in 1479 en torent 230 meter boven de stad uit. Twee decennia later, in 1500, verwierven de Orte Uri, Schwytz en Unterwalden de stad en de kastelen.

Maquette van de drie kastelen. Bureau voor Toerisme van Bellinzona

Maar de stad heeft meer te bieden dan het fort: parken, kerken, kapellen en kloosters, stadspaleizen, monumenten en de langste brug van het land (Il Ponte Tibetano) over de rivier de Ticino.

De Spazio publico (de openbare ruimte) uit de 11e en 12e eeuw is het oudste plein van de stad. De belangrijkste wegen van en naar de St. Gotthard-, Lukmanier- en San Bernardino-pas kwamen hier samen.

Het stadhuis is in 1921-1929 in neorenaissancestijl herbouwd ter vervanging van het oude stadhuis uit de 14e eeuw. De 26 kunstwerken op de binnenplaats vertellen de geschiedenis van Bellinzona vanaf de 15e eeuw.

(Bron en verdere informatie: www.bellinzona.ch)

Gebouw van regering en parlement van het kanton

De Renaissance in Tessin

De kerk Santa Maria degli Angioli in Lugano is gebouwd tussen 1499 en 1515 als kloosterkerk van het kloostercomplex van de orde van Franciskanen, dat in 1525 gereed was. De Passie of Crocifissione van Bernardino Luini (1480-1532) is een meesterwerk van de Zwitsers-Italiaanse Renaissance.

Bernardino Luini (1480-1532)

De Santa Maria degli Angioli

Lugano

Hij voltooide het fresco in 1529. Luini schilderde ook het laatste avondmaal in het refectorium van het klooster. Dit fresco bevindt zich tegenwoordig ook in de kerk. Luini schilderde rond 1504 ook de passie in de Santa Maria delle Grazie in Bellinzona. Deze fresco’s zijn de best bewaarde Renaissance kunstschatten van Zwitserland.

De Confederatie had veertien jaar daarvoor, 1515, haar grote nederlaag bij Marignano geleden tegen de Franse koning François I (1494-1547). Nog maar enkele jaren daarvoor leken de Eidgenossen onoverwinnelijk in hun strijd tegen Habsburg, de Hertogen van Bourgondië en Savoie, destijds de machtigste vorsten  van Europa. In 1513 kwam de Confederatie in het bezit van Lugano.

De Confederatie bleef wel in het bezit van Tessin en enkele gebieden in Lombardije, onder andere Chiavenna, Bormio en Veltlina (tot 1797). De Italiaanse/Lombardische contacten beïnvloedden de  cultuur aan de andere kant van de Alpen in hoge mate.

Het klooster is in 1848 opgeheven en is grotendeels opgegaan in andere gebouwen. Enkele tekeningen uit de achttiende en negentiende eeuw, beschikbaar als documentatie in de kerk, geven een indruk van de indrukwekkende omvang van het klooster.

Het klooster in de negentiende eeuw.

Afbeeldingen: Santa Maria degli Angioli 

De natuurlijke Schoonheid van Tessin

Tessin is sinds 1815 (of 1803) een kanton van de Zwitserse Confederatie en vanouds een toevluchtsoord voor vluchtelingen, schrijvers, schilders, beeldhouwers en andere kunstenaars.

Tot ver in de twintigste eeuw was het echter ook een economisch arm gebied. Terwijl talrijke intellectuelen en vluchtelingen zich vestigden in Tessin, verlieten vele jongeren het kanton op zoek naar werk.

Wat het betekende in deze tijd als kleine boer of arbeider in Tessin te leven, heeft de schrijver Plinio  Martini (1923-1979) verwoord in zijn boek: Il fondo del sacco (1970) (Nicht Anfang und nicht Ende):  “In de herfst (van 1923) waren er kastanjes. Die aten we drie maanden lang, als ontbijt, middagmaal en avondmaal”.

Tegenwoordig is de regio een welvarend immigratiekanton. Niet alleen Zwitsers uit andere kantons, maar ook andere nationaliteiten vestigen zich in Tessin. Bovendien steken dagelijks tienduizenden Italianen de grens over voor werk.

Ascona

Wat is de aantrekkingskracht van dit kanton? In de negentiende en twintigste eeuw tot 1945 was het vooral een idyllische woonplaats met een Zuid-Europese sfeer en mild klimaat,  goede (trein) verbindingen in een veilig, neutraal en democratisch land.

Mendrisio, teatro dell’architettura

Na 1945 maakten de toeristische, industriële- en dienstverlenende sectoren een sterke groei door. De vestiging van een universiteit (Lugano), filmfestival (Locarno), architectuurcentrum (Mendrisio), Swissminiatur (Melide), het openen van natuurparken, talrijke musea, historische gebouwen en andere culturele instellingen gaven het kanton allure en grandeur.

Brissagio

De vier regio’s Bellinzona/Leventina, Ascona-Locarno/Valli, Luganese en Mendrisiotto hadden al hun buitengewone natuurlijke schoonheid en bijzonderheden. Het Pioratal in het noorden van de Leventina, het Bleniotal in Bellinzona, het eiland Brissagio in de Lago Maggiore of het Maggiatal in Ascona-Locarno of het UNESCO-wereldnatuurerfgoed San Giorgio in Mendrisiotto zijn maar enkele voorbeelden.  Dit geldt ook voor de Luganese met Lugano en het meerarmige meer van Lugano.  De Monte Bré, Gandria, Morcote, de bergrug Denti della Vecchia (de tanden van de oude vrouw) of de San Salvatore zijn bekende trekpleisters.

De Denti della Vecchia

De San Salvatore

Daarnaast zijn er talrijke minder bekende plaatsen in het kanton met zijn ruim 4 000 kilometer aangelegde en goed onderhouden wandelpaden. Valleien, bergen, watervallen, woeste beekjes en rivieren, dorpen en stadjes, kapellen, kerken, kastelen en schitterende vergezichten wisselen elkaar af.

Origlio

Een van deze minder bekend plaatsen is de gemeente Origlio, 10 kilometer van Lugano. Het dorp heeft zelfs een eigen natuurgebied met het meer van Origlio als middelpunt. Dit meer is 13 000 jaar geleden ontstaan door het smeltende water van de gletsjers uit de laatste ijstijd.

Het eeuwenoude dorp is een idyllische groene oase omgeven door de rauwe bergen van Tessin. Het dorp ligt ook vlakbij het oudste Kapucijnerklooster van Zwitserland en het meer van Lugano.

(Bron en verdere informatie: www.ticino.ch)