Een nieuwe regering in Europa’s oudste democratie

Europa’s oudste democratie met algemeen kiesrecht (voor mannen) heeft op 13 december ’s werelds meest stabiele en in samenstelling oudste regering van zeven ministers gekozen. Bovendien is ook de benoemingsprocedure van deze zeven minister nog eens een geval apart.

De bevoegdheden, aantal (zeven) ministers, zittingsduur van de nationale regering (Bundesrat/Conseil fédéral) en de relatie met het parlement (Nationalrat/Conseil national en Ständerat/Conseil d’Etats) en kantons staan expliciet in de Grondwet vermeld.

Kiezen regering of minister

Beide kamers van dit parlement kiezen of bevestigen in een gemeenschappelijke zitting (Vereinigte Bundesversammlung/l’Assemblée fédérale unie) de volgende regeerperiode van iedere minister individueel, waarbij een absolute meerderheid vereist is bij meerdere kandidaten.

Iedere Zwitserse burger kan zich verkiesbaar stellen en is verkiesbaar voor dit ambt. Dit sluit aan bij het Milizsysteem, de directe democratie en de burger als politicus/soeverein, die altijd het laatste (verplicht en facultatief referendum) en soms zelfs het eerste woord (volksinitiatief) heeft.

In de praktijk nomineren de politieke partijen echter de kandidaten voor het ministerschap op basis van de zogenaamde toverformule (Zauberformel/formule magique). Sinds 1959 vormen de vier grootste partijen de regering op basis van een verdeling naar aantal behaalde stemmen bij nationale verkiezingen.

De verdeling is 2.2.2.1 om een zo’n breed mogelijke regering te vormen vanwege de  Zwitserse Konkordanzdemocratie van compromissen en overleg met politieke partijen en hun achterban voordat een beslissing wordt genomen.

Tegenwoordig hebben conservatieven (SVP) 2, liberalen (FDP) 2, sociaaldemocraten (SP) 2 en het centrum (Mitte) 1 zetel.  Het is een afspiegeling van de uitslagen van nationale verkiezingen, hoewel de opkomst van groene partijen tot een verandering kan leiden.

Een verandering in deze verhoudingen betekent een politieke aardbeving, wat dan ook zelden voorkomt. Nieuwe partijen of opkomst of neergang van bestaande partijen moeten zich gedurende langere tijd bestendigen voordat de politieke samenstelling van de regering wordt aangepast.

Kantons en gemeenten

De regeringen van de kantons en het bestuur van de gemeentes (altijd maximaal 5-7 personen) worden door het volk op basis van de absolute meerderheid per kandidaat gekozen.

De parlementen in de kantons en gemeenten komen echter, zoals de Nationalrat/Conseil national, tot stand in verkiezingen op basis van evenredige vertegenwoordiging.

Dit is ook een kracht van het systeem: de regering komt tot stand op basis van absolute meerderheid per kandidaat, parlementen op basis van evenredige vertegenwoordiging. Alleen de Ständerat/Conseil d’Etats wordt vanwege het federale principe op basis van de absolute meerderheid per kandidaat gekozen.

De eerste Bundesrat, gekozen op 16 november 1848. Foto: www.admin.ch

De zeven wijzen

In de volksmond wordt de regering ook wel ‘Les sept sages’ genoemd. Dit heeft alles te maken met de benoemingsprocedures en het Zwitserse systeem als zodanig. Een minister word je in Zwitserland niet zomaar, in tegenstelling tot Nederland.

Kwaliteit, integriteit en niveau van de regering zijn in het algemeen gewaarborgd al blijft de keuze voor ministers (politiek) mensenwerk en is niet iedere keuze voor ministers een succes .

Er is voorafgaand aan de nominatie door partijen een uitgebreid en decentraal selectieproces, waarbij diverse criteria een rol spelen. Uiteindelijk beslist het partijbestuur wie voor nominatie in aanmerking komen, meestal 1 tot maximaal drie personen.

Zij proberen vervolgens de absolute meerderheid in het parlement te krijgen. Deze procedure in het parlement is precies voorgeschreven met een aantal stemrondes tot een kandidaat de absolute meerderheid heeft van de 246 stemmen in het verenigde parlement.

De stemming voor een nieuwe regering in de verenigde zitting van het parlement. Foto: www.admin.ch

De zeven ministers (de regering) worden voor een periode van 4 jaar gekozen. Het parlement kan ze (of de regering) niet voortijdig het vertrouwen ontzeggen, de regering kan daarentegen het parlement niet voortijdig ontbinden. Ministers kunnen, uiteraard, wel vrijwillig opstappen of, wat zelden voorkomt, overlijden in deze periode. Het parlement benoemt dan een nieuwe minister van dezelfde partij volgens dezelfde procedure.

13 December 2023

Op 13 december heeft het parlement na de nieuwe verkiezingen  voor het nationale parlement van 22 oktober 2023 een regering gekozen respectievelijk herbevestigd.

Vanwege het aftreden van een minister van de sociaaldemocraten is een nieuwe minister van de sociaaldemocraten benoemd. De keuze viel op de kandidaat uit kanton Basel-stadt. De overige zes ministers zijn herbenoemd voor een periode van vier jaar, eveneens volgens de verdeling van de toverformule.

Rathaus Basel, 13 december 2023

Het kanton Basel-Stadt (tot 1833 kanton Basel) heeft sinds 1848, afgezien van twee ministers, geen vertegenwoordigers in de federale regering gehad, ondanks haar grote economische en strategisch belang.

De prominente politieke rol van het kanton speelde zich af in 1648 bij de Vrede van Westfalen en in het Directorium van de Helvetische Republiek (1798-1803).  Johann Wettstein (1594-1666) speelde een belangrijke rol in de (formele) erkenning van de Zwitserse Confederatie (Eidgenossenschaft van 13 kantons) als soeverein land in de Vrede van Westfalen in 1648 (voor Nederland de Vrede van Münster)

Peter Ochs (1752-1821) was lid van het naar Frans voorbeeld gestichte Directorium ten tijde van de Helvetische Republiek (1798-1803).

Peter Ochs (1752-1821), 1799. onbekende kunstenaar. Lid van het Directorium van de Helvetische Republiek (1798-1803), in zekere zin een voorloper van de huidige regering. Foto: Wikipedia

Hoewel de partijen kandidaten nomineren, is het parlement vrij in zijn keuze. Het komt voor dat ‘outsiders’(die niet door de partij naar voren zijn geschoven) de meeste stemmen halen in plaats van de ‘partijsoldaten’. Ook een kandidaat van een groene partij probeerde op 13 december, tevergeefs, de meeste stemmen te halen. De huidige verdeling van de Toverformule is (nog) intact.

Het aantal behaalde stemmen bij herbevestiging is wel een soort rapportcijfer. Hoe meer stemmen, des te tevredener het parlement over het functioneren is.

Na de bevestiging van de nieuwe regering, die dus grotendeels de oude regering is,  vindt de verdeling van de ministerposten naar een van de zeven departementen plaats. Dit is een zaak van de zeven leden  van de regering.

Het parlement heeft overigens op 13 december ook de jaarlijkse roterende ‘president’ gekozen en een nieuwe Bundeskanzler, zeg maar de secretaris-generaal of de kabinetschef van de regering, niet te verwarren met het Duitse begrip.

Conclusie

Deze vereenvoudigde  weergave van de keuze en benoeming van een nieuwe regering gaat niet in op de ‘politieke spelletjes’ tussen en in politieke partijen die ook in Zwitserland een belangrijke rol spelen.

De grondwettelijke fundamenten (aantal van 7 ministers en ministeries/departementen, Collegialiteitspincipe (Kollegialitäts- en Departementalprinzip) het ongeschreven parlementaire recht (Zauberformel en Konkordanzprinzip) en de federale inrichting van het land zijn echter, vooralsnog, waarborgen voor goed bestuur en geschikte ministers, transparantie en steun van de burgers.

Het andere belangrijke principe, de collegialiteit, is met de heterogene regering (onder andere wat betreft taal, kanton, ideologie) van dit heterogene land niet altijd vanzelfsprekend en staat soms onder spanning. De directe democratie en het streven naar compromis en overleg zijn echter een goede uitlaatklep om maatschappelijke discussies en politieke onenigheid in de regering een plaats te geven.

Vanwege het principe van collegialiteit spreken ministers naar buiten met één stem. Dit neemt onenigheid echter niet weg. Het komt dan ook regelmatig voor dat een partij of achterban van een minister een referendum organiseert tegen een besluit of wet van de regering en de eigen minister. Ook kan een volksinitiatief indruisen tegen beleid van de regering en de eigen minister. Deze hebben dan echter weer de mogelijkheid met een alternatief initiatief te komen.

De polarisering houdt geen halt bij de Zwitserse grens, maar de fundamenten van het systeem zijn, vooralsnog, een waarborg voor communicatie en betrokkenheid met burgers en bedrijfsleven, stabiliteit en goed bestuur.

Het systeem kent echter ook zijn zwakke kanten. Het duurt lang voordat nieuwe partijen, zoals groene partijen, een plaats in de regering krijgen. Bovendien is het aantal van 7 ministeries gebaseerd op de situatie in 1848. De discussies over hervorming spitsen zich dan ook toe op uitbreiding van het aantal ministers en departementen.

Het principe en de uitgangspunten van het functioneren van de regering en de benoeming van ministers staan echter niet ter discussie. De opstellers van de unieke Grondwet van 1848 zijn dan ook de echte ‘sages’.

De Helvetische Republiek (1798-1803). Het Directorium was een van de inspiratiebronnen voor de regering in de Grondwet van 1848.

Ze baseerden zich onder andere op de bestuurspraktijk in de kantons van voor 1798 en in de Regeneratie (1830), het Directorium (1795-1799) van de Franse Revolutie en in de Helvetische Republiek (1798-1803).

Het typeert Zwitserland. Een innovatief en open land, dat echter het oude met het nieuwe combineert zonder waardevol erfgoed bij het grofvuil te zetten. Megalomane ambities en politieke verbeelding hebben, vooralsnog, geen plaats in de Zwitserse (directe) democratie en het staatsbestel.

“Karl Deutsch points to a specific pressure on the competitiveness of key industries. A country that cannot change without losing its essential identity may be in danger of future instability and even lose its existence. The solution to the problem, according to Karl Deutsch, lies in accommodating change while maintaining essential parts of the identity” Bern 1976).

(Bron: A. Vattel, der Bundesrat, Zürich. 2020; G. Malinverni, M. Hottelier, M. Hertig Randall, A. Flückiger, Droit constitutionnel suisse, Volume I, L’Etat, Bern 2021).

Het kasteel van Neuchâtel

In een akte van 1011 wordt Neuchâtel (nieuw kasteel, novum castellum) beschreven als een koninklijke residentie (van Rudolph III (970-1032), de laatste koning van Bourgondië).

Het eerste kasteel uit de 11e eeuw stond op een gemakkelijk verdedigbare rots, op een met kliffen omzoomde oever. Toen daaromheen in de 12e eeuw steeds meer huizen werden gebouwd, werd de westelijke poort verhoogd met graniet.

De Bourgondische aula werd nieuw ingericht en uitgebreid tot een residentie met weelderig versierde gevels, die tegenwoordig een van de mooiste monumenten van het Zwitsers Romaans erfgoed is.

In de jaren 1190 is het complex uitgebreid met het stift (la Collégiale).

De toren uit de 12e en 13e eeuw, in de 14e eeuw gedecoreerd met merlons, bereikte een hoogte van dertig meter. Een wal met twee torens verdubbelde de droge gracht in een later stadium. In de eeuwen daarna is het kasteel steeds verder uitgebouwd.

Het kasteel huisvest tegenwoordig het bestuur  van het kanton.

(Bron: Bujard e.a., Histoire du canton de Neuchâtel. Aux origines médiévale d’un territoire. Tome I, Neuchâtel, 2002).

Het Collégiale bevindt zich naast het kasteel

Unrueh en Unruhe in Saint-Imier en Zwitserland

Zwitserland staat niet bekend als land van revolutionaire veranderingen. Toch loopt dit land vaak voorop bij wetenschappelijke, industriële, democratische, ethische of maatschappelijke ontwikkelingen.

Een van deze aspecten is de vorming van de eerste democratische (mannelijke) federatie met drie officieel erkende landstalen in 1848. Daarnaast was het land een gewild oord voor asielzoekers en vluchtelingen van allerlei slag, anarchisten, revolutionairen en andere bannelingen uit Europa’s monarchieën. Franse, Italiaanse, Russische, Poolse, Duitse en Oostenrijkse vluchtelingen leefden in alle uithoeken van het land.

L’École d’horlogerie de Saint-Imier en 1909. Editions Louis Burgy. Foto: Musée de Saint-Imier CW-0533

Het ongenoegen van de monarchen was groot. Na de Franse Revolutie en de daaropvolgende oorlogen wilden ze na 1815 vooral geen experimenten meer. De Heilige Alliantie was de garantie. Dit verbond tussen Rusland, Oostenrijk (Habsburg) en Pruisen werd op 26 september 1815 in Pruisen gesloten.

De industrialisatie in deze eeuw schiep nieuwe sociale verhoudingen en de opkomst van de arbeidersklasse- en beweging, een nieuwe burgerij, de eerste politieke partijen en anarchistische en revolutionaire bewegingen.

Een van de best georganiseerde arbeidersbewegingen ontstond in de horlogeindustrie in kanton Neuchâtel en het huidige kanton Jura, tot 1979 kanton Bern.

Saint-Imier, fabrieksgebouw Longines, 1867. Collectie: Musée Longines

Affiche Longines 1905. Collectie: Musée Longines

Saint-Imier, huidige gebouw Longines

La Chaux-de-Fonds en Le Locle zetten in  kanton Neuchâtel de toon. In het toenmalige kanton Bern was Saint-Imier een belangrijk industriestadje in de horlogeriesector.

La Chaux-de-Fonds, een stad van en voor de horlogerie met een vergelijkbare stadsplanning met Saint-Imier en Le Locle en andere ‘horlogeriesteden’.

La Chaux-de-Fonds, Musée international d’horlogerie de Gnomon (de tijd)

De film Unrueh van de regisseur Cyril Schäublin (*1984) geeft een ingetogen en indringend beeld van de snelle veranderingen in de organisatie van kapitaal, arbeid en technologie en de anarchistische beweging door de ogen van een arbeidster in St. Imier in het laatste deel van de negentiende eeuw. Haar taak was het plaatsen van het centrale mechanisme van een horloge. Dit onderdeel heette ‘Unrueh’.

Saint-Imier

Anarchisten en revolutionairen uit heel Europa wachtten in Zwitserland hun kans af. De Russische revolutionair Vladimir Lenin (1870-1924) en de  Italiaanse anarchist Luigi Lucheni (1873-1910) zijn de bekendste of beruchtste voorbeelden.

Genève, boulevard van het meer van Genève

In Saint-Imier en in de film Unrueh speelt de minder bekende Russische carthograaf en anarchist Pyotr Kropotkin (1842-1921) de hoofdrol. Hij was een van de velen die sociale ‘Unruhe’ gebruikten voor eigen politieke doeleinden. Ze hadden echter buiten de waard gerekend. De industriëlen in de horlogesector bleken socialer betrokken te zijn dan goed is voor een revolutie.

Foto van Nadar, Pyotr Kropotkin (1842-1921), 1900. Bron: Wikipedia

(Bron: Musée de Longines, Saint-Imier) 

Collectie: Musée de Longines

Saint-Imier, huidige gebouw  van Longines

De toren Saint-Martin of la Reine Berthe

 

D e stiftskerk

De kathedraal van Bazel

De kathedraal van Bazel (das Münster) is ruim duizend jaar oud. In 1019 is de kathedraal na een grondige renovatie van haar vroeg middeleeuwse voorganger ingewijd in het bijzijn en door financiering van de Keizer van het Heilige Roomse Rijk Heinrich II (973-1024) en zijn vrouw Kunigunde (975-1040).

Henrich II (973-1024) en Kunigunde (975-1040), Originele beelden, Museum Kleines Klingental

De kopieën 

Affiche: Stadtgeschichte Basel

St. Martin, Het originele beeld, Museum Kleines Klingental

De kopie

De Romaanse kerk, beter bekend onder de naam Münster, groeide tot de reformatie in 1529 uit tot een geweldig complex met kapellen, bisschoppelijk paleis en vele stadspaleizen voor de domheren op de Münsterplatz en de Rittergasse.

De Münster, rond 1250. Collectie: Museum Kleines Klingental

Het Origineel. Museum Kleines Klingental

De Galluspoort, elfde eeuw.

De Münster, rond 1500. Collectie: Museum Kleines Klingental

De grote aardbeving van  18 oktober 1356 verwoestte de kathedraal vrijwel volledig. Alleen de Romaanse Galluspoort bleef behouden. Het herstel duurde tot de voltooiing van de laatste toren in 1500.

Hans Heinrich Glaser (1585-1673) , 1642, das Münster. Collectie: Dreiländer Museum Lörrach

Het Museum Kleines Klingental,  het historisch museum van Bazel in de Barfüsserkerk en de kathedraal bieden een goed gedocumenteerd (archeologisch) overzicht van de (bouw) historie en de vele (religieuze) kunstwerken.

De Münsterplatz

De Augustinergasse

De Rittergasse

Veel vooraanstaande burgers van Bazel en Europese beroemdheden vonden hun laatste rustplaats in de kathedraal, onder anderen Jacobus Bernoulli (1655-1705)

Grafsteen van de katholieke Erasmus (1466-1536)

De ook in de kathedraal begraven hervormer Johannes Oekolampad (1481-1531)

En de laatste rustplaats van enkele bisschoppen, ridders en een gravin

De crypte

Haus zur Mücke, het eerste seculiere publieke museum (1671) in Europa, voorloper van het Kunstmuseum Basel en het Antikenmuseum Basel 

Bazel rond 1615, met de Mittlere Brücke uit 1296 en rechts daarvan de kathedraal. Matthäus Merian ((1593-1650). Staatsarchiv des Kantons Basel-Stadt, Bildersammlung 1,291. Foto: TES

Kerstmis 2022

De Gletsjertuin Cavaglia

Tijdens de laatste ijstijd, ongeveer 11.000 jaar geleden, vormde de Palü-gletsjer van de Pruvallei Vent de Cavaglia-vlakte (Piana di Cavaglia) in Valposchiavo (Italiaans sprekend deel van het kanton Graubünden).

Het smelten van de gletsjer ging gepaard met erosie door de kracht van het smeltwater en de meegevoerde rotsen, zandmassa’s en andere voorwerpen. Hierdoor ontstonden grote gletsjergaten (Marmitte dei Giganti) en rotsformaties in de Cavagliasch-kloof (Forra del Cavagliasch), zie ook de Gletschergarten in Luzern.

De Vereniging Gletsjertuin Cavaglia  (Verein Gletschergarten Cavaglia/ Associazione Giardino dei Ghiacciai Cavaglia, GGC), opgericht in 1998, heeft dit natuurwonder toegankelijk gemaakt voor het publiek.

Vanaf juli 2021 leidt een nieuw wandelpad over ruisende watervallen en langs rotspartijen door de kloof. Het pad is gemaakt van plaatselijke natuursteen. Het gebied is goed bereikbaar vanaf het station Cavaglia (1693 m) van de Rhätische Bahn (RhB).

(Bron en verdere informatie: Verein Gletschergarten Cavaglia/Associazione Giardino dei Ghiacciai di Cavaglia (GGC).

De Jan Michalskiprijs voor Literatuur 2023

De Jan Michalskiprijs voor Literatuur 2023 is op woensdag 29 november toegekend aan Karina Sainz Borgo voor haar boek El Tercer País (2021), vertaald uit het Spaans (Venezuela) in het Frans onder de titel Le Tiers Pays.

De jury prees “een krachtig universum dat op briljante wijze verschillende literaire tradities combineert, zoals Griekse tragedie, magisch realisme en de Amerikaanse western, om een compromisloze maar humane blik te werpen op de drama’s van migratie”.

De Jan Michalski-prijs  (le Prix Jan Michalski) wordt sinds 2010 jaarlijks uitgereikt door de Jan Michalski-stichting (Fondation Jan Michalski, Montricher, kanton Vaud) voor schrijven en literatuur om een werk uit de wereldliteratuur te eren.

De originaliteit ligt in het multiculturele aspect: de prijs wordt toegekend door een jury van meertalige persoonlijkheden en beloont werken van alle literaire genres, fictie of non-fictie, ongeacht de taal waarin ze zijn geschreven.

De winnaar ontvangt een prijs van CHF 50.000 en een speciaal voor hem of haar gekozen of besteld kunstwerk.

(Bron en verdere informatie: Fondation Jan Michalski)

De Cisterciënzer en het St. Urban klooster

In de Middeleeuwen zijn in Zwitserland 28 cisterciënzer kloosters gesticht, acht voor mannen en 20 voor vrouwen. Tegenwoordig bestaan één mannenklooster (Hauterive, kanton Fribourg) en zes vrouwenkloosters (Frauenthal, kanton Zug; La Maigrauge en La Fillle-Dieu, kanton Fribourg; Magdenau en Wurmsbach, kanton St. Gallen, en Eschenbach, kanton Luzern).

Andere kloosters zijn opgeheven tijdens de Reformatie (16e eeuw) of tijdens (1798-1813) en na de Franse bezetting in de nieuwe Confederatie in de 19e eeuw. Het eens zo machtige klooster St. Urban in het kanton Luzern is in 1848 opgeheven.

De directe aanleiding was de nederlaag van het katholieke kanton Luzern in de Sonderbundskrieg van 1847, politieke onrust in het kanton tegen de conservatieve regering en vijandigheid tegen de kloosters (vooral de jezuïeten).

Meer dan zes eeuwen eerder stichtte het cisterciënzerklooster van Lützel (Lucelle, Elzas) in 1194 het klooster van St Urban. De naam is afgeleid van een kleine kapel die ook aan Maria was gewijd: “Monasterium Beatae Mariae de Sancto Urbano“. De baronnen van Langenstein zorgden voor geld en land.

In de 13e en 14e eeuw verwierf het klooster steeds meer landgoederen buiten het kerngebied (de dorpen Langenthal, Roggwil, Wynau en Pfaffnau). Deze gebieden lagen in de huidige kantons Thurgau, Bern, Schaffhausen en Aargau. De abdij was een kleine soevereine staat met een eigen jurisdictie en rechtbank.

In deze tijd stonden de cisterciënzers al bekend om de productie van bakstenen, dakpannen en reliëfstenen. Landbouw was ook een belangrijke bron van inkomsten. Het kloostercomplex werd verder uitgebreid met onder andere een bibliotheek en scriptorium.

Het klooster bleef echter niet gespaard van regionale onrust. In 1375 plunderden huurlingen (de Gugler) het klooster en werd het een twistappel tussen Solothurn, Bern en Luzern. Luzern verwierf het graafschap Willisau in 1407 en de controle over het klooster in 1420.

Het klooster overleefde de Reformatie en de twisten tussen Bern (protestants) en Luzern (katholiek) ongeschonden. De 17e en 18e eeuw waren zelfs een bloeiperiode, zoals de barokke kloosterkerk en gebouwen ons nog steeds herinneren.

De kloosterkerk, gebouwd in 1711-1717, is een combinatie van barokke en cisterciënzer architectuur. Het hoogaltaar bevat beelden van de vier evangelisten, paus Urbanus en Sint Bernardus van Clairvaux. Het koorgestoelte is kort na 1700 gemaakt, het orgel in 1716-1721.

Het klooster had echter nauwe financiële en persoonlijke banden met de (aristocratische) elite van Luzern. Alle abten kwamen uit deze kringen. Dit werd de ondergang van het klooster na de Sonderbundskrieg van 1847.

Na de opheffing deed het klooster meer dan een eeuw (1873-1980) dienst als psychiatrische kliniek en verpleeghuis voor geestelijk gehandicapten. De talrijke kunstschatten, waaronder (middeleeuwse) geïllustreerde manuscripten, zijn bewaard gebleven en ondergebracht in het staatsarchief van Luzern, de centrale bibliotheek van Luzern en het historisch museum van Luzern.

Sinds 1980 renoveert het kanton Luzern het complex en geeft het een nieuwe bestemming. De kloosterkerk is nu een parochiekerk. Het klooster en de barokke gebouwen worden omringd door een ruim park, wandelpaden, waterlopen en bossen.

Het klooster en de barokke gebouwen zijn omgeven door een park, wandelpaden en  sculptuur.

(Bron en verdere informatie: A. Meyer, Das ehemalige Zisterzienserkloster St. Urban, Bern, GSK, 1994; www.st-urban.ch).

Donatyre en Romaanse kunst in Zwitserland

Het gebied van het huidige Zwitserland was van de 11e tot de 13e eeuw, ruwweg de periode van de Romaanse kunst, geen politieke eenheid.

Diverse dynastieën (onder andere Habsburg, Kyburg, Zähringen, Savoie, Swaben), kleine lokale heersers, de Duitse keizer en machtige abten en bisschoppen (Genève, Sion, Lausanne, Chur, Bazel (en Konstanz) maakten de dienst uit.

Deze gebieden lagen aan de rand van de grote centra van Romaanse kunst. Lombardije was de inspiratiebron voor Romaanse stijl in Graubünden, Zürich, Tessin en Oost-Zwitserland, Schaffhausen, Bazel en Noord-Zwitserland oriënteerden zich vooral op Zuid-Duitsland, Lausanne, Sion en Genève richten zich in het bijzonder op Bourgondië, de abdij van Cluny in het bijzonder, en de Auvergne. Romaanse kunst kende een grote regionale verscheidenheid, naast enkele algemene kernmerken.

Wat Zwitserland zo bijzonder en interessant maakt voor Romaanse kunst is de regionale stijlen, die op een relatief klein gebied te zien zijn.

Ook de moeilijk toegankelijke berggebieden in Graubünden zijn een zegen geweest voor het bewaren van (pre) Romaanse kunst, bijvoorbeeld in Müstair, Zillis en Mistail.

In grotere steden zijn de meeste van oorsprong Romaanse bouwwerken vervangen of aangepast naar de latere stijlen, met name Gotiek en Barok, hoewel Romaanse details nooit helemaal verdwenen zijn, zoals in Sion, Zürich, Bazel of Schaffhausen.

In kleinere steden, bijvoorbeeld St. Ursanne, Payerne, Romanmôtier of Donatyre, zijn de kerken veel minder aangepast aan nieuwe stijlen, met name omdat ze niet interessant genoeg waren voor de machthebbers of geldschieters.

Enkele seculiere Romaanse gebouwen bestaan ook nog, zonder uitzondering kastelen, bijvoorbeeld in Maienfeld.

Kerkelijke gebouwen met de meest intacte Romaanse kernmerken zijn vooral in het ontoegankelijke Graubünden te zien. Romaanse kunst is in Zwitserland in ieder geval alle regio’s aanwezig.

(Bron: H.-R. Meier, Romanische Schweiz, Würzburg 1996).

Romaanse kerken aan het meer van Thun

Dies academicus Universiteit Bazel en kunstmatige intelligentie

De Dies academicus van de universiteit Bazel vond op 24 november 2023 plaats in de oudste parochiekerk van Bazel, de Martinskirche (11e eeuw). Een toepasselijke locatie voor de oudste universiteit van het land.

Martinskirche

Erasmus (1469-1536) heeft het net niet meer meegemaakt, maar in 1538 is ten behoeve van beurzen voor (internationale) studenten de Erasmus Stichting (Erasmusstiftung) opgericht, ruim vier eeuwen voor het Erasmusprogramma van de Europese Unie! Ook toen al was Zwitserland een innovatief land. Het kapitaal bestond uit de nalatenschap van Erasmus.

De eerste beheerder van het fonds was zijn vriend Bonifacius Amerbach (1495-1562). De Universiteit, het stadsbestuur en burgers van Bazel richtten na 1532 ook fondsen op voor het verlenen van beurzen.

Van de 5 600 Studenten, die zich tussen 1532 en 1600 inschreven, kwamen de meesten uit de Zwitserse Confederatie, Duitsland en Oostenrijkse gebieden en 500 uit Frankrijk, 250 uit de Nederlanden, 150 uit het Koninkrijk Polen en Litouwen, 100 uit England, 70 uit Italië en 60 uit Scandinavië.

Rechts het oude universiteitsgebouw (tot 1939) aan de Rheinsprung, links daarvan de botanische tuin (tot 1692). 

1460-1532

1532 was een belangrijk jaar voor de universiteit, feitelijk was sprake van een nieuw begin. De Universiteit is gesticht op initiatief van het stadsbestuur in 1460, na schriftelijke toestemming van Paus Pius II (1405-1464) in een bul op 12 november 1459.

Het was dus een initiatief van burgers en niet van een landsheer, wat uitzonderlijk was in die tijd. De universiteit heeft dan ook altijd een innige band met de burgers van de stad onderhouden. Dit kwam en komt onder andere tot uitdrukking in diverse organisaties van burgers en ruimhartige donaties.

Op 4 april 1460 opende de universiteit met een feestelijke mis en het Te Deum laudamus in de Münster (de kathedraal) haar deuren met de vier faculteiten theologie, recht, medicijnen en de Artes liberales.

Het Concilie van Bazel (1431-1438/1449) en de goede contacten met Paus Pius II ( die als secretaris van een kardinaal onder zijn naam Enea Silvio Piccolomini het Concilie had bijgewoond), de drukkerijen en uitgeverijen, de centrale ligging, en de humanistische geest schepten de voorwaarden voor de universiteit in deze stad met 10 000 inwoners.

Centrum Bazel rond 1450. Maquette Historisches Museum Basel

Het Concilie had een eigen universiteit, de Konzilsuniversität (1432-1440). Daar studeerden en onderwezen belangrijke wetenschappers van de meest prestigieuze universiteiten. De kerk en wetenschap, onderzoek en universiteiten waren toen nog nauw met elkaar verbonden. Na het Concilie werd de Konzilsuniversität voorgezet als Kurienuniversität (1440-1448). De basis voor een permante universiteit was gelegd.

Het was bovendien een periode van het oprichten van veel nieuwe universiteiten in het Duitstalige gebied, onder andere in Greifswald (1456), Freiburg (1457), Ingolstadt (1472), Trier (1473), Mainz (1477), Tübingen (1477),  Wittenberg (1502) en  Frankfurt a/d Oder (1506). De landsheer en de keizer van het Heilige Roomse Rijk en niet de burgers waren echter de drijvende kracht.

De Universiteit ontwikkelde zich voorspoedig als kleinere universiteit aan de Bovenrijn met prestigieuze leerstoelen en professoren. De aansluiting bij de Eidgenossenschaft betekende echter een verlies van studenten uit de Habsburgse landen (die veelal kozen voor Freiburg im Breisgau).

De tweede breuk kwam met de Reformatie. Na rumoerige jaren en polarisatie van voor- en tegenstanders kozen de stad en de universiteit 1529 voor de Reformatie. Veel professoren en studenten verlieten samen met het Domkapittel en de bisschop de stad en de universiteit werd gesloten. De meeste studenten en professoren gingen naar het katholieke Freiburg (evenals Erasmus tot diens terugkeer naar Bazel in 1535).

De protestante universiteit ging met nieuwe statuten en nieuwe financiering 1532 weer van start. Een belangrijke introductie was de invoering van beurzen voor studenten, nu de kerk als financier was weggevallen. De Erasmusstichting, ondersteuning door de stad en initiatieven van burgers vervulden deze functie.

Johann Jakob Neustück (1799/1800–1867), 1843, blik vanaf de Rheinsprung door de Augustinergasse met rechts het  Augustinerklooster naar de Münsterplatz. Foto: Wikipedia

Ook het “Collegium alumnorum» ondersteunde studenten financieel. De twee locaties waren het ‘Oberes Kollegium’ in het voormalige Augustinerklooster (op de plaats van het gebouw van het Natuurhistorische museum) en het «Unteres Kollegium» op het oude universiteitsgebouw ‘Schalerhof’ op de Rheinsprung.

Johann Jakob Neustück (1799/1800-1867), 1844, Augustinerkloosterhof en het “Oberes Kollegium” 1844. Foto: Wikipedia

Door de scheiding universiteit en kerk kwam er ook veel meer aandacht voor de medische wetenschap, civiel-, staats- en volkenrecht en de artes liberales.

Mede dankzij de aanwezigheid van uitgevers en drukkers, een liberale, humanistische omgeving en centrale ligging trok de universiteit steeds meer buitenlandse studenten en professoren aan.

1532-1945

De botanische tuin kwam 1588 tot stand aan de Rheinsprung. In 1692 verhuisde de botanische tuin naar de Petersgraben naar het opgeheven Dominikaner klooster en in 1898 naar de huidige locatie bij de Spalentor aan de Petersplatz, vlakbij het nieuwe hoofdgebouw (Kollegienhaus) uit 1939.

 

Het Kollegienhaus, de Petersplatz en de Spalenberg

De universiteit kocht in 1661 het Amerbachkabinett en creëerde daarmee de voorwaarden voor het eerste openbare Europese museum in het Haus zur Mücke in 1671. De universiteitsbibliotheek was daar al ondergebracht.

Haus zur Mücke

De collecties werden in die tijd verzameld door welgestelde burgers en professoren van de universiteit. Bonfacius en diens zoon Basilius (1533-1591) Amerbach waren de grootste verzamelaars van antieke kunst, hedendaagse beeldende kunst, flora en fauna en volkenkundige voorwerpen).

Uit dit initiatief zijn in de 19e en 20e eeuw verschillende musea voortgekomen, onder andere het Museum der Kulturen, Naturhistorisches Museum, Kunstmuseum Basel, Antikenmuseum Basel und Sammlung Ludwig, Historisches Museum Basel, Pharmaziemuseum en Anatomisches Museum.

De universiteit heeft sindsdien nog diverse dieptepunten meegemaakt, in studentenaantallen, politieke situatie (1798-1813, de Franse overheersing) en de scheiding van Kanton Basel-Stadt en Basel-Landschaft in 1833. Tegenwoordig hebben de twee kantons een (financiële) modus vivendi en samenwerking gevonden. Economische crises en (wereld) oorlogen hadden ook hun weerslag.

Na 1945

De zeven faculteiten psychologie, economische wetenschappen, natuurwetenschappen, geesteswetenschappen, medisch wetenschap, recht en theologie hebben tellen tegenwoordig ongeveer 13 000 studenten.

Rector Prof. Dr. Dr. h.c. mult. Andrea Schenker-Wicki bij het uitspreken van de rede ‘Intelligenzen’.

De rector-magnificus stelde op de Dies academicus van Zwitserlands oudste universiteit de nieuwste globale uitdaging in de wetenschap centraal onder de titel ´Intelligenzen: kunstmatige intelligentie (KI) ´.

De universiteit engageert zich met een zogenaamd KI-Initiatief (KI-Initiatieve) met als doel KI voor de maatschappij op een verantwoorde manier in te zetten en te ontwikkelen (responsible intelligent society) en alle burgers in dit proces te betrekken (no one left behind).

Erasmus ging op een genuanceerde, humanistische en tolerante wijze om met de uitdagingen van zijn tijd. Hij zou trots zijn op het door hem zo gekoesterde Bazel en wat toch ook enigszins zijn Alma mater is. Hij kijkt wellicht welwillend toe vanuit zijn laatste rustplaats in de Münster.

(Bron: Universität Basel; G. Kreis, 550 Years of the University of Basel, Christoph Merian Verlag, Basel 2010).

Post scriptum:

ETH Zürich en EPFL lanceerden op 4 december het initiatief “Swiss AI” met als doel Zwitserland te positioneren als wereldwijd toonaangevende locatie voor de ontwikkeling en het gebruik van transparante en betrouwbare kunstmatige intelligentie. De nieuwe “Alps” supercomputer op CSCS biedt hiervoor de infrastructuur.

Impressies van de Dies academicus

De Iberische cultuur in Bazel

Kelten, Etrusken en Germanen staan al geruime tijd in het middelpunt van de publieke en wetenschappelijke belangstelling. Over de Iberiërs is buiten Spanje echter tot nu toe weinig bekend. Ten onrechte, want ook dit volk was tot de Romeinse overheersing in 206 v. Chr. een belangrijke culturele- en economische regionale macht.

Evenals Kelten of Germanen een duiding is voor een veelheid aan stammen, is dit ook het geval bij de Iberiërs. De antieke auteurs noemden onder andere de Cessetani, Ilercavones, Sedetani, Edetani, Ilergetes, Bastetani en Contestani. Het gebied strekte zich uit vanaf de Pyreneeën, het oosten tot het zuiden van Spanje langs de Middellandse Zee.

Afbeelding: Antikenmuseum Basel und Sammlung Ludwig

De Iberiërs waren afkomstig uit Noord-Afrika en zijn na 1 000 v. Chr. de Straat van Gibraltar overgestoken. Zij ontwikkelden een hoogontwikkelde cultuur met relatief veel steden en nederzettingen met stenen huizen, goden, religieuze kunst en rituelen, munten, textiel, schrift, sculptuur, (ivoren) sieraden, akkerbouw, veeteelt, internationale handel en scheepvaart.

Het gebied was rijk aan mineralen, zilver, goud en ijzer. Dit was ook de reden van de belangstelling van andere volken in de mediterrane landen, eerste de Feniciërs, daarna de Grieken, Puniërs en uiteindelijk de Romeinen. Het hoogtepunt van hun cultuur duurde van de zesde tot de eerste eeuw v. Chr.

Afbeelding: Antikenmuseum Basel und Sammlung Ludwig

Een aantal steden en nederzettingen is archeologisch onderzocht en gedocumenteerd, onder andere Ullastret (Ullastret), Puig Castellar (Santa Coloma de Gramanet), Burriac (Cabrera de Mar) en Masies de Sant Miquel (Banyeres del Penédes) in het noorden, Sagunt (Sagunt), Punta del Llops (Olocau) en Castellet de Bernabé (Llíria) in het midden en Baza (Baza), La Picola (Santa Pola) en Puente Tablas (Jaén) in het zuiden. Diverse kleinere en grotere nederzettingen zijn gelokaliseerd, maar nog niet archeologisch onderzocht.

Overzicht tentoonstelling ‘Iberer’, © Ruedi Habegger, Antikenmuseum Basel und Sammlung Ludwig

De steden kenmerken zich door de aanwezigheid van stadsmuren en andere vestingwerken, economische centra voor de opslag van goederen, graan, wijn, olijven en andere levensmiddelen, ambachtsplaatsen, tempels en andere heiligdommen, begraafplaatsen met monumentale Necropolen voor de elite.

Deze verstedelijkte gebieden waren de economische en machtscentra van de lokale vorsten en stammen. Daarnaast waren er ook veel agrarische nederzettingen en gebouwen. Evenals de Germanen en de Kelten was het een hiërarchische cultuur met een vorst en edelen/krijgers aan de top van de piramide.

Sinds de negentiende eeuw zijn talloze archeologische vondsten gedaan, die in diverse (met name Spaanse) musea te zien zijn en in vele  (met name Spaanse) publicaties zijn gedocumenteerd. Niet alleen de Iberische cultuur, maatschappij en kunst fascineren, maar ook de vroege betrekkingen met andere Middellandse Zee regio’s.

Stele von Palermo (Teruel), 2e/1e eeuw v. Chr. Kalksteen. Museu d´Arqueologia de Catalunya

De Feniciërs (grofweg bewoners van het huidige Libanon) vestigden zich al vanaf de negende eeuw v. Chr. in deze regio. Cádiz, La Rebanadilla, Cerro del Villar, Toscanos en Huelva zijn enkele voorbeelden. De Grieken volgden in de eeuwen daarna, onder andere met de stichting van de stad Empúries (Empórion).

Deze vestigingen waren in de eerste plaats handelsplaatsen (factorijen) voor de opslag van en handel over de Middellandse Zee in onder andere ivoor,  textiel en keramiek uit het oosten en grondstoffen, met name ijzer en hout en agrarische producten en levensmiddelen uit Iberië.

De Iberische cultuur nam echter al snel kenmerken van de Griekse en Fenicische cultuur over, zoals de tentoonstelling aan de hand van diverse voorwerpen laat zien. Ivoor, glas, technologische vernieuwingen en onder andere het Fenicische alfabet deden door deze contacten hun intrede bij de Iberische stammen.

Hoewel de Straat van Gibraltar in deze periode werd gezien als het einde van de wereld, was juist deze regio tot de zesde eeuw het middelpunt van de Middellandse Zee handel, tussen oost en west. Dan verschijnt in de zesde eeuw echter een nieuwe grootmacht op het toneel: Carthago en de Punische cultuur.

Carthago is in 814 v. Chr. gesticht door Feniciërs als belangrijke handelspost aan de Middellandse Zee. De stad wordt een machtige stadsstaat en in de zesde eeuw speelt ze een dominante rol in de ook door Feniciërs gestichte steden aan de andere kant van de Straat van Gibraltar.

Als de hoofdstad van de Feniciërs, Tyros, in het huidige Libanon 573 v. Chr. door de Babylonische Koning Nebudkadnessar  wordt veroverd, grijpt Carthago zijn kans. Carthago domineert dan niet alleen de eilanden Corsica en Sardinië, maar ook Iberische gebieden.

Afbeelding: Antikenmuseum Basel und Sammlung Ludwig

De eeuwen daarna komt er echter nog een andere grootmacht bij: Rome. Rome en Carthago betwistten elkaar de macht in de Middellandse Zee en ook in Spanje. Drie Punische oorlogen resulteren hieruit: 237-219, 218-206 (en de veldtocht van Hannibal) en de laatste 149-146 v. Chr.

De Romeinen wonnen uiteindelijk en bezetten vanaf 206 v. Chr. het gebied van de Iberische stammen. De snelle romanisering maakt vervolgens een einde aan de Iberische cultuur. Pas in 19. V. Chr. veroverde keizer Augustus overigens de andere gebieden van Spanje (en Portugal), maar dat is een ander verhaal.

Afbeelding: Antikenmuseum Basel und Sammlung Ludwig

Munten,  schrift en de taal

De Iberische taal  onderscheidde zich van de andere talen op het Iberisch Schiereiland. De andere hoofdtalen waren de Keltisch-Iberische taal, de Lusitanische taal (Portugal), de Turdetanische taal  en de Vascoaquitanische taal (het huidige Baskenland en gebieden in Zuidwest-Frankrijk). De Iberische taal kent drie varianten al naar gelang de regio: het noordoosten, het zuidoosten en de Grieks-Iberische variant bij Alicante. De geschreven Iberische taal verdween al in de 1e eeuw v. Chr. door de Romanisering.

Steles met inscripties, 2e v. Chr. Museu d´Arqueologia de Catalunya

De belangrijkste informatie over het Iberische schrift is afkomstig van ongeveer 2 500 inscripties. Hoewel ze nog steeds niet ontcijferd is, is bevestigd dat het alfabet van de Feniciërs ook hier de basis is. Ook lijken er overeenkomsten met het Baskisch te zijn. Na de Romeinse tijd (5e eeuw n. Chr.) was de Iberische taal ook als gesproken taal geheel verdwenen, een parallel met het Keltisch.

De hoge ontwikkeling van de regio blijkt niet alleen uit de vervaardiging van gebruiks-, kunst- en religieuze voorwerpen, maar ook uit het muntstelsel. De munt speelde een belangrijke rol in het handelsverkeer in de regio van de Middellandse Zee. Uit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt heeft is deze bron van groot belang vanwege de afbeeldingen en inschriften en de goede houdbaarheid.

Conclusie

De tentoonstelling ´Iberer´ in vijf talen (Duits, Frans, Catalaans en Castiliaans) is een ware oogopener met vele objecten, die voor het eerst Spanje verlaten. Voor het eerst? De zilveren schat van Tivissa uit de nederzetting Castellet de Banyoles verbleef ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) in Genève.

Een deel van de schat van Tivissa, 250-195 v. Chr. Museu d´Arqueologia de Catalunya

Deze in noordelijke landen vrijwel vergeten cultuur van de Iberiërs en hun betrekkingen met de oudste beschavingen van het Middellandse Zeegebied is een geslaagd vervolg op voorgaande exposities en past bovendien naadloos in de vaste collectie van het museum.

(Bron en verdere informatie: Antikenmuseum Basel und Sammlung Ludwig; Museu d´Arqueologia de Catalunya).

Statuette einer Adorantin, Bronze, 4. – 2. Jahrhundert v. Chr., aus dem Heiligtum von Cueva de la Lobera, Castellar (Jaén). © Museu d’Arqueologia de Catalunya 

Impressies tentoonstelling ‘Iberer’.

Foto: © Ruedi Habegger, Antikenmuseum Basel und Sammlung Ludwig