Kasteel en dorp Burg im Leimental

Het kasteel is in 1250 gebouwd en na 1600 verbouwd tot slot Burg. In 1168  verkocht keizer Frederik I of Barbarossa (1122-1190) van het Heilige Roomse Rijk de heerlijkheid en Dinghof Biederthal aan het Huis Habsburg.

Het grootste deel van de heerlijkheid in 1269 verkocht aan de prins-bisschop van Bazel. Een derde van het grondgebied (de huidige gemeente Biederthal in Frankrijk) bleef echter bezit van het Huis Habsburg.

Aan de voet van het kasteel ontstond het huidige dorp Burg (kanton Basel-Landschaft). In 1520 verwierf de stad Bazel het gebied, maar na onderhandelingen kwam het weer terug in handen van de prins-bisschop.

Tijdens de Dertigjarige Oorlog is  het kasteel geplunderd. Het kasteel is 1810 verkocht aan particulieren. Van 1793 tot 1813 (departement Mont Terrible (1793-1800) en Haut-Rhin (1800-1813) was het dorp Burg Frans gebied. van 1815 tot 1993 hoorde het bij kanton Bern en sinds 1994 is het dorp onderdeel van kanton Basel-Landschaft.

Het Leimental

Kasteel Burg en het dorp Burg hebben door de jaren heen diverse keren van  eigenaren, nationaliteiten en kantons gewisseld. De nabijheid van de Remelpas en Kasteel Landskron gaven het kasteel en het dorp een belangrijke strategische betekenis.

De enige constante factor is het aantal inwoners: 187 in 1722, 255 in 1831, 248 in 1850, 163 in 1900, 215 in 1950 en 272 tegenwoordig. De beroemdste inwoner is de LSD-ontdekker Albert Hofmann (1906-2008).

Het nabijgelegen klooster Mariastein en zijn 250.000 pelgrims per jaar zetten Burg en dorp ook in de schijnwerpers.

Nu zijn slot en gemeente Burg vooral begeerde woon- en toeristische trekpleisters midden in de mooie Jura en op een steenworp afstand van de Elzas en de kantons Solothurn en Bazel.

(Bron en verdere informatie: Gemeinde Burg) 

De ViaBerna

De ViaBerna is een wandelweg in het kanton Bern. De route voert in 20 etappes van de abdij Bellelay in de Berner Jura door het kanton Bern naar de Sustenpas.

De weg van de Berner Jura door het Mittelland naar het Berner Oberland. Op het 300 km lange lange wandelpad worden Jurahoogten en -weiden bewandeld, heidevelden, uiterwaarden, valleien en kloven doorkruist.

Abdij Bellelay. Foto: TES

Thuner See. Foto: TES

De Aare. Foto: TES

De Sustenpas. Foto: TES

Adembenemende panorama’s wachten op de hooggelegen paden, de bergreuzen van de Berner Alpen zijn bij helder weer goed te zien en bijna dichtbij genoeg om aan te raken. De rijkdom aan flora en fauna is een ware lust voor het oog, in alle jaargetijden op hun eigen wijze.

(Bron en verdere informatie: www.viaberna.ch)

 

Swiss Smilestones

Een van de laatste Zwitserse attracties ligt dicht bij een van de oudste natuurwonderen van Zwitserland: de Rijnwaterval (Rheinfall).

Europa’s grootste waterval is 17 000-14 000 jaar geleden ontstaan het smeltwater van gletsjers. Dit fenomeen is nu ook te bewonderen in de grootste overdekte miniatuurwereld van Zwitserland.

Het bergachtige Berner Oberland en het oostelijke deel van het land zijn onder andere te zien. Interlaken, Lauterbrunnen, de Aare en de Aareschlucht, Grindelwald, de Jungfrau-regio, de Kleine Scheidegg, de Matterhorn, het Appenzellerland, het Säntis-gebergte en nog veel meer bestemmingen zijn te bewonderen, niet als dode miniaturen, maar ingebed in en tussen bewegend trein- en autoverkeer, helikopters, steden, dorpen, bossen, meren, rivieren, koeien en mensen.

Swiss Smilestones, de naam van deze miniatuurwereld, is inderdaad met een glimlach en talrijke (en humoristische) details gemaakt. De Rijnwatervallen liggen slechts een paar honderd meter verderop. Men kan de gelijkenis van de miniatuur met de echte wereld zelf aanschouwen.

(Bron en verdere informatie: Swiss Smilestones, Neuhausen).

Hendrick Jan van Oyen in het Parc de l’Indépendance in Morges

Het Parc de l’Indépendance (Park van de onafhankelijkheid) in Morges (kanton Vaud) dankt zijn naam aan de onafhankelijkheid die Vaud (le Pays de Vaud) op 24 januari 1798 verkreeg, na de lange overheersing van Bern (sinds 1536).

Op de Place de la Palud in Lausanne riepen burgers op deze datum de République lémanique uit. Deze republiek verdween enkele weken later na een interventie van Napoleon, die de Helvetische Republiek (1798-1803) oprichtte.

Deze republiek maakte van 1803 tot 1813 plaats voor de Confederatie van 19 kantons ( de 13 kantons van 1513-1798 en de nieuwe kantons St. Gallen, Aargau, Thurgau, Graubünden, Tessin en Vaud).

In 1815 was Vaud een van de 22 soevereine kantons (de 19 van 1803 plus Genève, Neuchâtel (tot 1857 tevens formeel een prinsdom van de Koning van Pruisen) en Valais) van de nieuwe Confederatie na Napoleon.

In 1872 werd in het park een eerste tuinbouwtentoonstelling gehouden en in 1885 werd het park ingericht als Engelse tuin.

In 1898 werd het park officieel het Parc de l’ Indépendance. Sinds 1971 organiseert het park jaarlijks een tentoonstelling onder de titel Festival des Tulipes (Tulpenfestival).

Sommige monumenten herinneren aan de geschiedenis van de eerste onafhankelijkheid van Vaud in 1798 en ook aan de nagedachtenis van Hendrick Jan van Oyen (Tiel, 1771 – Morges, 1850), een Nederlandse Graaf die generaal was in het leger van Napoleon. Hij werd in 1825 Zwitsers staatsburger en burger van Morges.

(Bron en verdere informatie: Le  Parc de  l’Indépendance, Morges)

Goms, drie passen, gletsjers en Zenden

De drie Alpenpassen van Goms (kanton Wallis) zijn eeuwenoude verbindingswegen tussen het noorden en zuiden van het land. De Furkapas verbindt kanton Wallis met kanton Uri. Het dorp Gletsch en zijn hotel Glacier, het beroemde (leegstaande) hotel Belvédère, de Astin Martin DB5 van James Bond (Sean Connery) in 1964 en de Rhônegletsjer en zijn Eisgrotte zijn het decor.

Oberwald, het eerste dorp na Gletsch in Goms (gemeente Obergoms) en decor van het Bundeslager met 30 000 Pfadi’s en hun houten stad en tentenkampen in 2022

De Grimselpas (2 164 m.) verbindt kanton Wallis met kanton Bern en wordt bereikt via het Haslital. Drie grote stuwmeren liggen in de nabijheid van de pas: Grimselsee, Räterichsbodensee en de Oberaarsee.

De Grimselpas

De Nufenenpas (2 478 m) is de verbinding tussen kanton Wallis en kanton Tessin.

De regio was al in de oudheid bewoond en na de Romeinen was de Keltische bevolking geromaniseerd met francoprovençaals als voertaal. Goms is afgeleid van het Keltische woord kumbas, wat in Duits Talmulden of vlak dal betekent.

Dit veranderde in de 8e en 9e eeuw met de immigratie van Alemannen vanuit het Haslital. Binnen enkele generaties was Duits de voertaal. Vervolgens zijn deze Duitsprekende bewoners in de 12e – 14e eeuw geëmigreerd. Ze staan bekend als ‘Walser’.

De historie van Goms (Conches in het Frans) toont vanaf de 13e eeuw dezelfde ontwikkeling naar zelfstandigheid en soevereiniteit als in andere delen van Zwitserland.

De bisschop van Sitten (Sion in het Frans) bestuurde aanvankelijk het gebied als wereldlijke heerser. Voogden (Vögte of Viztumen) oefenden in zijn naam de rechtspraak en voerden het bestuur.  De Meier beheerden de landgoederen.

Deze plaatsvervangers werden steeds machtiger en zelfstandiger. Naast tal van anders dorpen waren waren Ernen en Münster de belangrijkste plaatsen met een eigen parochiekerk. In de 15e eeuw was Goms een zelfstandige politieke en militaire eenheid met zelfstandige rechtspraak, een van de zeven Zenden.

De Zenden Goms bestond uit diverse zelfstandige gemeenten (communitas) en vele kleine gehuchten. Hun vertegenwoordigers namen in de Walliser Landrat van de zeven Zenden de besluiten. De burgers van de gemeenten kozen hun bestuurders en rechters. De Zeven Zenden van Wallis en de soevereine Republiek Wallis (met Unterwallis vanaf 1476 als Untertanengebiet) bestonden tot 1798 en de Franse tijd.

Goms leverde tot 1734 12 bisschoppen voor het bisdom Sitten en 17 van de 87 afgevaardigden van de Walliser Landrat. Het was dus een belangrijke Zenden. Ook in de Europese politiek speelde het een rol van betekenis.

Bisschop Walter Supersaxo uit Ernen veroverde 1476 Unterwallis op de hertog van Savoy. Bisschop Matthäus Schiner uit Ernen bracht het zelfs tot kardinaal. Het Schinerhaus in Ernen staat er nog steeds.

De stadspaleizen van Obergesteln, het enige ‘stenen dorp’ van Goms, herbouw na de brand van 1867

De 17e en 18e eeuw waren de bloeitijd van Goms. De handel over de drie passen, het leveren van huurlingen aan Europese machthebbers en lokale landbouw en nijverheid brachten welvaart. Tussen 1650 en 1798 werden in het kleine dal meer dan 70 kapellen en kerken in de (laat) barokke stijl gebouwd!

Na de Franse inval en het einde van de politieke zelfstandigheid braken moeilijke economische tijden aan. Door de bouw van de wegen over de Simplonpas (1805), de Gotthard (1836) en de Gotthard spoorwegtunnel (1882) verloren de drie passen hun economische betekenis.

Maar nog was Goms niet verloren, mede dankzij steun en logistieke planning van de nieuwe federale overheid. De Furka-autoweg naar Oberwald is 1861 in gebruik genomen, de weg naar Andermatt (kanton Uri) in 1867. De dienst met de diligence en postkoets Brig-Chur en later de Postauto functioneerde vanaf 1871 en in 1894 was de nieuwe weg over de Grimselpas gereed. De Furka spoorweg is sinds 1915 in gebruik.

De 20e eeuw bracht een verdere ontsluiting van het gebied, met name door militaire verdedigingswerken en luchthavens, de bouw van stuwmeren, de aanleg van de Nufenenweg (1969), de verbrede Grimselweg (1975) en de Furkabasistunnel (1982). Maar of de Grimseltunnel er komt? De plannen en de discussie zijn er in ieder geval!

Het toerisme werd na 1945 bovendien steeds belangrijker. Goms heeft dan ook nogal wat te bieden aan natuur (diverse 3000+pieken, gletsjers, diverse winter-en zomersportmogelijkeden), prachtige dorpen, cultuur, historie en uiteraard de Rhône (in het Duits Rotten benaamd)  en de talloze beekjes en watervallen die haar voeden.

Goms bestaat tegenwoordig uit twee gemeenten: Obergoms met de plaatsen Oberwald, Obergesteln en Ulrichen en Goms met de dorpen Münster, Geschinen, Reckingen, Blitzingen, Gluringen, Grafschaft (Selkingen, Biel, Ritzingen), Blitzingen en Niederwald.

(Bron en verdere informatie: Gemeinde Obergoms; Gemeinde Goms; www.goms.ch).

Impressies van Goms

 

 

Niederwald, Carlton en de Ritz

Het dorp Niederwald in Obergoms (kanton Wallis) zal niet bij velen bekend zijn. Toch is dit dorp van nog geen 100 inwoners de geboorteplaats van de oprichter van een van ’s werelds meest gerenommeerde hotels, de Ritz en Carlton.

Cäsar Ritz (1850-1918), the king of hoteliers and the hotelier of kings (Prince Edward of Wales) werkte vanaf 1865 als kelner in Brig en daarna in Parijs in de hotels Hôtel de la Fidélité, Voisin en Splendide.

Hij was in Parijs tijdens de Wereldtentoonstelling van 1867 en leerde daar de beau monde van monarchie, aristocratie, politiek, kunst en diplomatie kennen.

Hij was in 1872 al Maître d’Hôtel van Splendide. In deze periode ontmoette hij ook de Prins van Wales, de latere Koning Edward VII (1841-1910), die een belangrijke rol in zijn carrière zou spelen.

In 1873 vertrok hij naar Wenen vanwege de Wereldtentoonstelling en werkte in het restaurant Les Trois Frères Provençaux. Hij werkte vervolgens in Europa’s meest gerenommeerde hotels en restaurants, onder andere het Grand Hotel in Nice, Hotel Rigi Kulm bij en Hotel National in Luzern, Grand Hotel Locarno en het Grand Hotel in Monte Carlo.

Cäsar Ritz  en Marie-Louise Beck, 1888. Bron: Wikipedia/ Schweizer Pioniere der Hotellerie; Schweizerische Verkehrszentrale, 1976

In de periode 1880-1890 kocht hij het Restaurant de la Conversation en Hotel Minerva in Baden-Baden en het Hôtel de Provence in Cannes. Daarnaast hervormde hij Hotel Savoy in Londen tot het paradepaardje voor de beau monde. In Rome reorganiseerde hij in 1891 het Grand Hotel. Hij  introduceerde onder andere het bad in iedere kamer en nieuwe verlichting. Hij veroverde ook Rome.

Vanwege het succes werd de Ritz Development Company opgericht. Het hoogtepunt was de opening van het Carlton in Londen en Hotel Ritz Paris in 1898. Daarnaast beheerde hij nog tien andere hotels. Vanwege een ziekte leidde zijn vrouw Marie-Louise Beck (1867-1961) vanaf 1902 de keten van hotels.

Cäsar Ritz stierf op 26 oktober 1918, in de nadagen van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) en was tot 1961 in Parijs begraven. In dat jaar is hij samen met zijn overlezen zoon René Ritz in Niederwald herbegraven.

(Bron en verdere informatie: Museum Station Ritz)

Foto: Station Ritz, Niederwald

Delémont, Bisdom Bazel, Kanton Bern en Kanton Jura

Het gebied rond Delémont of Delsberg in het Duits (kanton Jura) was eeuwen voor de Romeinse verovering (13-15 voor Christus) bewoond door de Kelten. Na het vertrek van de Romeinen in de 5e eeuw was de vallei van Delémont in de 7e eeuw eigendom van de hertogen van de Elzas en vanaf de 12e eeuw hoorde het bij de heerlijkheid Pfirt (Ferrette in het Frans). Het Prinsbisdom Bazel verwierf het gebied in 1271.

Delémont stond in 736/737 bekend als in figo Delemonte, in 1131 als Telsperg en in het Frans als Delémont. Bisschop Peter Reich von Reichenstein verleende Delémont in 1289 stadsrechten.

Het Franstalige Delémont was de zomerresidentie van de Duitstalige prins-bisschoppen van Bazel en het administratieve centrum van de vallei en de proosdij van Moutier-Grandval tot 1792.

In Vorbourg is de Saint-Imier kapel in 1586 herbouwd. De kapel is gewijd aan de Heilige Maagd en is de kapel van het lager gelegen kasteel van Telsberg.

Collectie: Musée jurassien d’art et d’histoire

Van 1793 tot 1813 was Delémont deel van het Franse departement Mont Terrible (tot 1800) en vervolgens van het departement Haut-Rhin (tot 1813). Bij het Congres van Wenen is Jura in 1815 bij Bern gevoegd. In 1815 was de stad de hoofdstad van het Oberamt en vanaf 1831 van een district (Bezirk) in het kanton Bern.

Sinds 1979 is Delémont de hoofdstad en zetel van het parlement en de regering van het kanton Jura. Delémont wordt gekenmerkt door zijn monumentale fonteinen in de late renaissancestijl en zijn middeleeuwse torens. De belangrijkste openbare gebouwen zijn in de 18e eeuw tot stand gekomen.

 (Quelle und weitere Informationen: Ville de Delémont)

L’ancien hôpital en standbeeld Heinrich II, stichter van de kathedraal van Bazel

Het lange proces van politieke integratie in Zwitserland

Als kritische vriend van Zwitserland onderzocht Karl Wolfgang Deutsch (1912-1992) de uitdagingen van de 20e en 21e eeuw voor Zwitserland.

In het grootste deel van een tekst uit 1976 behandelt Deutsch het “speciale geval Zwitserland”, de zogenaamde – tegenwoordig bekritiseerde – “Sonderfall der Schweiz”.

De fundamentele vraag die moet worden gesteld is waarom het integratieproces in Zwitserland met succes heeft plaatsgevonden en waarom er zo’n proces is tussen inwoners die zo sterk aan hun talen en de regionale en andere bijzonderheden vasthielden.

Het proces heeft zich over een lange periode voltrokken met een minimale gemeenschappelijke overheid, geen gemeenschappelijke politie, zonder gemeenschappelijke rechtbanken en met een minimum aan instellingen en bindende en afdwingbare wetten. De Zwitserse Confederatie had tot 1848 geen effectieve federale autoriteit.

De belangrijkste argumenten zijn de geografie, de speciale aard van de boeren en overige de bevolking, de passen en verkeerswegen, geldeconomie, het wapenbezit, de erfenis van de communale beweging en de Landsgemeinde, de feitelijke afwezigheid van ‘buitenlandse’ landsheren vanaf de veertiende eeuw, de formele zelfstandigheid zonder ‘vreemde’ rechters, vanaf 1648,  techniek van het federalisme, een politieke cultuur van compromis, vasthoudendheid en moed, handel en innovatie en de vorming van kapitaal als voorwaarde voor de industriële revolutie en de afname van sociale tegenstellingen.

Karl Deutsch wijst op het belang van het concurrentievermogen van belangrijke industrieën. Een land dat niet kan veranderen zonder zijn essentiële identiteit te verliezen, kan in de toekomst instabiliteit riskeren en zelfs zijn bestaan verliezen. De oplossing voor het probleem ligt volgens Karl Deutsch in het aanpassen van veranderingen met behoud van essentiële delen van de identiteit.

De tekst in kwestie is een gepubliceerd transcript van de lezing die Deutsch in 1976 in het Duits gaf in Bern. De eigenlijke tekst is niet formeel gepubliceerd. De tekst is een weergave van de politicoloog Daniel Frey, die hem in 1976 in Zwitserland publiceerde.

(Bron en verdere informatie: Zwitserland als paradigmatisch geval van politieke integratie, Bern, 1976; Wolf Lindner, Federalisme. Het geval Zwitserland, 2014)

Pavillon Le Corbusier

Het Pavillon Le Corbusier aan het meer van Zürich wordt beschouwd als een architectonisch juweel.

Het idee voor het gebouw werd in 1961 geïnitieerd door de galeriehoudster Heidi Weber (1928), die, na de plotselinge dood van Le Corbusier (1887-1966), toezicht hield op de voltooiing en opening op 15 juli 1967.

Heide Weber schreef bij deze gelegenheid: “Dieses Haus ist ein Werk von Le Corbusier. Ich habe es zu seinen  Ehren erstellen lassen um von hier aus seine Ideen zu verbreiten und in seinem Sinne in der Öffentlichkeit zu wirken“.

Heidi was niet alleen onder de indruk van zijn architectuur, maar ook van zijn vele andere creaties, meubels, schilderijen en zelfs wandtapijten en zij bracht deze creaties onder de aandacht van het publiek en sloot zelfs een exclusief contract met de meubelfabrikant Cassina voor de verkoop van de meubels van Le Corbusier.

Heidi moedigde Le Corbusier ook aan om zijn eigen museum te ontwikkelen, zijn eigen paviljoen, om zijn ideeën en prestaties tot uitdrukking te brengen en te verklaren.

Zij organiseerde de bouwvergunning en de locatie aan de oever van het meer. Vlak voor zijn dood voltooide Le Corbusier in 1965 het plan en in juli 1967 opende het  zijn deuren.

Het is het laatste gebouw ontworpen door de architect en zijn enige gebouw van staal en glas.

Na een uitgebreide renovatie straalt het gebouw tegenwoordig en in het park aan het meer weer in pracht en praal en nodigt de bezoekers uit om een unieke “architectonische promenade” door de verschillende verdiepingen te nemen. Het paviljoen wordt als museum beheerd door het Museum für Gestaltung Zürich.

(Bron en verdere informatie: Pavillon Le Corbusier).

Maquettes en foto’s van gebouwen van Le Corbusier

De Rijnkloof, Ruinaulta en de Welt Wasser Bibliothek

De Rijn ontspringt in de Alpen in het St. Gotthard-massief. De Vorderrhein (Voor-Rijn) ontspringt vlakbij de Oberalppas en komt bij Reichenau-Tamins, ongeveer tien kilometer voor Chur, samen met de Hinterrhein (Achter-Rijn) om vanaf Chur de ongeveer 1220 kilometer lange reis naar Nederland te beginnen.

Schloss Reichenau en de Welt Wasser Bibliothek

De Vorderrhein en de Hinterrhein komen samen bij Reichenau-Tamins, op weg naar Chur, Bazel en Lobith

De Rijn is op veel plaatsen imposant en iedere plek vanaf de bronnen heeft weer haar eigen charme, de rijnvlakte bij St. Gallen, de waterval bij Schaffhausen tot de dichterlijke rivier door het Nederlandse landschap. De Rijnkloof tussen Ilanz en Reichenau is echter van onovertroffen schoonheid en natuurlijke veelzijdigheid.

De kloof (Rheinschlucht of Ruinaulta in de Romaanse taal) van ongeveer 14 kilometer lengte tussen Ilanz, de eerste stad aan de Rijn, en Reichenau bij Chur, herbergt steile wanden tot 400 meter, vele watervallen, beekjes, bossen, weiden en een rijke flora en fauna.

De oorsprong van de Rijnkloof gaat terug tot de grote aardverschuiving van Filmserstein, die ongeveer 9500 jaar geleden plaatsvond. Sinds 1977 is de Rijnkloof opgenomen in de Federale Inventaris van Landschappen en Natuurmonumenten van Nationaal Belang (BLN).

Flims en de Flimserstein

De aardverschuiving bedekte een groot gebied tussen Ilanz en Reichenau. Er ontstond een meer en het water van de Vorderrhein baande zich geleidelijk een weg door de massa van steen en aarde. De 400 meter diepe en 14 kilometer lange kloof werd gevormd.

Talrijke kleine schiereilanden, Islas, ontstonden. Ze werden soms gebruikt als weide- en landbouwgrond en in de middeleeuwen ontstonden nederzettingen in de kloof. De Islas hebben ook namen, bijvoorbeeld Isletta, Disla-Prau Grond, Isla Sura, Isla Sut, Islas da Bargaus, Isla da Corvs, Islas da Zir, Zir Grond, Zir Pign of Isla Davon.

De wegen voor personen en goederenverkeer liepen aanvankelijk niet door de kloof, maar langs de randen op de hoger gelegen delen. Ze verbonden Reichenau-Tamins, Trin, Sagogn, Versam, Schluein, Ilanz, Castrisch, Flims en Laax met Chur. In de loop der tijd is de kloof echter op verschillende plaatsen toegankelijk gemaakt door wegen en bruggen.

Ilanz

Met de industrialisatie en modernisering in de 19e eeuw groeide ook de behoefte aan aansluiting op de spoorlijn. De spoorlijn Reichenau-Ilanz is geopend in 1903 en verbindt diverse dorpen, onder andere Versam-Safien, Sagogn, Valendas en Castrisch  tot het verderop gelegen Disentis-Mustér. In verband met de aanleg van de spoorlijn en het toenemende autoverkeer zijn nadien nieuwe wegen en bruggen gebouwd.

Tegenwoordig is de Rijnkloof met zijn prachtige landschap en flora een beschermd natuurgebied en toeristisch project met de naam “Monument Ruinaulta”.

(Bron en verdere informatie: M. Bundi, La Ruinaulta. Ein kulturthistorisch Handbuch, Chur 2020)

De uitkijkinstallatie ‘Il Spir’ 

 

Versam (Safiental)

Reichenau