Het symfonieorkest van Mulhouse in Bazel

De regionale samenwerking tussen de Elzas, Baden-Württemberg en Noordwest-Zwitserland aan de Bovenrijn (Oberrhein/Haut-Rhin) groeit gestaag. De organisaties Regio Basiliensis en Art’Rhena zijn al welbekend.

Het Orchestre symphonique de Mulhouse reist nu naar Bazel voor twee concerten in het kader van de KG Sinfoniekonzerte en Volkssinfoniekonzerte, waarbij gastorkesten worden uitgenodigd om op te treden in het Stadtcasino Basel.

Het programma voor dit concert bestaat uit muziek van componisten uit Zwitserland, Frankrijk en Duitsland en bestrijkt verschillende periodes: de Duitse romantiek, het Franse impressionisme en het Zwitserse neoclassicisme.

Op het programma staan Johannes Brahms, Pianoconcert nr. 2, Arthur Honegger, Pastorale d’été en Claude Debussy, La mer.

Data: woensdag 31 januari, 19.30 uur en donderdag 1 februari, 19.30 uur in het Stadtcasino in Bazel.

(Bron en verdere informatie: www.tickets.sinfoniekonzerte.ch)

Het amfitheater, het (Keltische en Romeinse) verleden en heden van Martigny

Tijdens het bewind van keizer Claudius (41-54 n.C.) veranderde Martigny, de kleine  nederzetting Octodorus van de Keltische stam Veragres, in de Romeinse stad Forum Claudii Augusti, het latere Forum Claudii Vallensium.

Julius Caesar noemt de Keltische nederzetting in het derde boek van zijn de bello gallicum. De aanleiding was het verblijf van de Romeinse generaal Servius Galba in deze nederzetting met het doel de pas over de St. Bernhard te bewaken. De Keltische stam Veragres, gesteund door de Seduni, kwam 57 v. Chr. echter, tevergeefs, in opstand.

Deze opstand staat los van de grote emigratie van andere Keltische stammen en hun nederlaag tegen de Romeinen bij Bibracte in 58 v. Chr. De Romeinen veroveren 25 v. Chr. de vallei van Aosta van de Keltische stam Salassi en stichtten de colonia Augusta Praetoria, het huidige Aosta.

Vervolgens veroverden de Romeinen onder keizer Augustus het gebied van het huidige Wallis van de vier Keltische stammen Seduni, Veragres, Nantuati en Uberi.

Claudius had in 43 n. Chr. de Grote Sint-Bernardpas toegankelijk gemaakt voor troepentransport vanuit Italiaanse gebieden naar het noorden ter verovering van Britannia, het huidige Engeland.

Tegelijkertijd reorganiseerde hij het gebied van het huidige Wallis. Forum Claudii Vallensium werd de nieuwe hoofdstad en residentie van de gouverneur van Romeinse provincie Vallis Poenina en Alpes Graiae. Poenina is de Romeinse naam de Grote St. Bernard.

De Keltische stam van de Ceutrones bewoonde de provincie Alpes Graiae, grofweg het gebied van de Kleine Sint-Bernard, de  huidige Haute-Savoie, met Axima (Forum Claudii Centronum), het huidige Aime-en Tarentaise als hoofdstad. Daarna neemt de Romeinse geschiedenis van Martigny-la-Romaine haar loop.

De stad is gebouwd op basis van het Romeinse gridpatroon, gevormd door drie reeksen van vijf insulae, wijken voor arme inwoners. Deze woonblokken waren van elkaar gescheiden door brede lanen.

In het centrum bevonden zich het forum, de tempel, de basiliek, de openbare baden en andere openbare gebouwen.

Het amfitheater werd in het begin van de 2de eeuw gebouwd in de buurt van de steengroeve voor de bouw ervan. Het amfitheater is gebruikt tot het einde van de 4e eeuw. Het bood plaats aan 5 000 toeschouwers. De muren zijn sinds kort in hun oude glorie hersteld.

(Bron en verdere informatie: F. Wiblé, Martigny-la-Romaine, Fondation Pierre Gianadda, Martigny 2008; F. Wiblé e.a., Vallis Poenina, Sitten, 1998; Fondation Pierre Gianadda)

Zie ook: de Fondation Barry en de Médiathèque Valais

Reconstructie Forum, locatie en stadsplan Martigny. Collectie: Fondation Pierre Gianadda.

De Via Rome-Londen

De tempel Mithraeum, gewijd aan de Iraanse Godin Mithra

De Domus Minerva

Locatie van thermen (badhuizen)

Kopie van theatermasker uit Vaison-la-Romaine (Frankrijk)

Het Tepidarium

Een Insula

Impressies van het het Amfitheater

Impressies van Martigny

Het oude centrum

De Batiaz brug over de rivier de Drange

De kerk Saint-Michel

 

Napoleon en zijn generaals en hun gastverblijven bij de overtocht over de Grote St. Bernard

Napoleon op de Grote St. Bernard

Stadscentrum

Stadhuis

De oude  molen

De Manoir de la ville

Beinwil, molens, ijzer, Hohe Winde, haarmode, kammen en een fort

Het voormalige klooster Beinwil en het Benedictijnerklooster Mariastein (kanton Solothurn) zijn even onafscheidelijk met elkaar verbonden als de rivier Lüssel met de Jura-bergketen Passwang met als hoogste punt de Vogelberg (1204 m) in kanton Basel-Landschaft.

Uitzicht vanaf de top van de Vogelberg

De Lüssel  bij Joggehus en het begin van het Jubieumspad Hohe Winde SAC (Jubiläumsweg Hohe Winde)

Deel van het pad

De Lüssel  bij Erschwil

De Lüssel ontspringt op de Vogelberg in de gemeente Lauwil op een hoogte van 1080 meter en stroomt door het Bogental (kanton Basel-Landschaft), de Chessiloch en het dal van Beinwil (kanton Solothurn), langs de ruïne van de burcht Neu-Thierstein (eflde eeuw, kanton Basel-Landschaft)  en mondt bij Zwingen (kanton Basel-Landschaft) uit in de Birs.

Het Benedictijnenklooster Beinwil is in de elfde eeuw gesticht. Beinwil bezat veel landerijen en de gemeente is nog steeds een van de grootste in kanton Solothurn. Er is zelfs een Unterbeinwil en een Oberbeinwil! De Lüssel stroomt langs het voormalige klooster en een oude molen ‘de Säge’ (houtzagerij), een smidse (Hammerschniede) en steenfabriek (Ziegelhütte) stonden langs de rivier.

De Schmitte of Hammerschmiede in Joggehus

Een andere molen, een smidse ‘Die Schmitte of Hammerschmiede’, staat langs de Lüssel, en is sinds 1693 bekend en functioneert nog steeds. Deze molen staat in het gehucht Joggehus (kanton Solothurn). De smidse besloeg onder andere de paarden van de pachters van de boerderijen van het klooster. IJzer was er immers genoeg in de omgeving.

De smidse wordt tegenwoordig gerenoveerd. Maar de twee raderen functioneren nog steeds. Het grote rad drijft een hamer en een slijpsteen aan, het kleine rad bedient een blaasbalg.

De plaats Erschwil langs de Lüssel en de herberg Ertzwil herinneren hier nog aan. De smidse is in 1868 gekocht en sindsdien voortgezet door George Anki. Het bedrijf George Anki AG in Erschwil bestaat nog  steeds.

Restaurant Erzberg

De abt van Beinwil stichtte bovendien in 1708 een herberg in Joggenhut om de vele pelgrims onderdak te bieden. De herberg Zum Reh langs de Passwangweg is onlangs gerenoveerd.

Restaurant-Gasthaus Zum Reh in Joggehus in 2024, begin 20e eeuw en 19e eeuw. 

De natuur  is ook van een grote schoonheid. De SAC heeft om deze reden zelfs een pad naar de Hohe Winde (1206 m) de hoogste top van de omgeving tot SAC-jubileumspad vernoemd. Overigens is er ook een afslag naar de Kleine Winde.

De bergen, wandelpaden, bossen, weiden, beken en (Alpen)vergezichten van het jubileumspad  geven een indruk van het gevarieerde en indrukwekkende Jura-landschap.

De top van de Hohe Winde biedt uitzicht op de Passwang, het Schwarzbubenland, de Jura, de Alpen, het Lüsseldal en de kantons Jura, Solothurn, Bern en Basel-Landschaft.

De top van de Hohe Winde

De passwangweg (Passwangstrasse) van 20 kilometer loopt langs grotendeels langs de Lüssel. Deze weg en de Passwangpas (943  m) verbindt Laufen (kanton Basel-Landschaft) en het Balsthal (kanton Solohurn). De pas heeft ook altijd een strategische en militaire betekenis gehad.

De 200 meter lange Passwangtunnel (uit 1933) geeft een indruk van het machtige natuurlijke fort, waar vanaf 1939 en in de Koude Oorlog (gemotoriseerde) divisies, tanks en een grensbrigade waren gelegerd. Het hoofdkwartier was in het  nabijgelegen Mümliswil.

Mümliswil (kanton Solothurn) in het Guldental is niet zomaar een dorp. Het Britse koningshuis, de Duitse keizers en half Europa gebruikten kammen ‘made in Mümliswil’.

Mümliswil  en het Museum Haarundkamm

Het nog kleinere dorp  Ramiswil herbergt een van de best behouden molens (Mühle Ramiswil) van het land, gebouwd in 1596. Een andere bezienswaardigheid is de Heilig-Blut-Kapelle en haar bijzondere ontstaansgeschiedenis die reikt van Schellenberg (Liechtenstein) tot Dayton (Ohio) in Amerika!.

Ramiswil

De Heilig-Blut-Kapelle

Mühle Ramiswil

Het Guldental en zijn beek

De Zwitserse Alpen Club

De Zwitserse Alpen Club (Schweizer Alpen Club, SAC/Club Alpin Suisse, CAS) organiseert regelmatig wandeltochten in deze omgeving (en elders) in het land.

Hoewel de naam anders doet vermoeden, organiseert de SAC niet alleen skitochten, bergbeklimmingen en andere sporten in het hooggebergte en de Alpen, maar ook (wandel) activiteiten in andere regio’s.

Impressies van het landschap

Mariastein, het Mirakelbild en de Gnadenkapelle

De oorsprong van klooster Mariastein (kanton Solothurn) bij Metzerlen is een wonder in de veertiende of begin vijftiende eeuw. Een meisje viel van een hoge rotswand, maar haar moeder vond haar ongedeerd terug. Naar verluid had een vrouw in het wit, Maria, het kind opgevangen.

Ter ere hiervan is de rotskapel, de Gnadenkapelle, in de rotswand ontstaan als een bedevaartsoord. Tegenwoordig is het dat nog steeds, met maar liefst 250 000 bezoekers per jaar!

De onderaardse gang naar de Gnadenkapelle

De trap naar de Gnadenkapelle

De ingang van de Gnadenkapelle

De Gnadenkapelle met het Mariabeeld

De Gnadenkapelle.

Het zou niet bij dit ene wonder blijven. De kasteelheer Hans Thüring Reich von Reichenstein viel in 1541 van dezelfde rots. Hij overleefde ook, zij het met een gebroken kaak.

De Reichsteinischen- of Siebenschmerzenkapelle

De Reichsteinischen- of Siebenschmerzenkapelle is sindsdien het familieheiligdom. Deze kapel was al vermeld als de ‘Mariakapelle  im Stein’ in 1434 en stond boven op de rots, waar later ook het klooster zou worden gebouwd. De Gnadenkapelle bestond toen al als bedevaartsoord.

De Reichensteinischen- of Siebenschmerzenkapelle en Maria met de sieben Schmerzen, verbeeld door zeven zwaarden

De heraldiek van de familie Reich von Reichenstein in de kapel.

Het Mirakelschilderij

Het Mirakelschilderij (Mirakelbild) uit 1543 in deze kapel verbeeldt deze episode. De kasteelheer wordt na zijn val vervoerd naar de Flühmühle (de Flüh is de beek, waar de molen aan ligt). Na enkele dagen verzorging gaat de tocht verder naar zijn kasteel de Landskron, rechtsboven in het schilderij. De kasteelheer ligt op een brancard met zijn hoofd in verband.

Deze molen in het dorp Flüh bestaat nog steeds en is zelfs onlangs gerenoveerd met behoud van tal van authentieke voorwerpen en heeft de status van monument.

Het Mirakelbild (1543) in de Reichensteinischen- of Siebenschmerzenkapelle. Links de rots  met daarboven de Mariakapel en de grot van de Gnadenkapelle. De Flühmühle in het midden, rechtsboven het kasteel Landskron.  

De Flühmühle in 2022. 

Het klooster

In het midden van de 17e eeuw verplaatsten de Benedictijner monniken uit Beinwil (Kanton Solothurn) hun klooster naar de plaats boven op de rots, waar de Mariakapelle im Stein stond en waar de Gnadenkapelle diep in de rots zat. Wellicht waren de grote aantallen pelgrims de directe aanleiding vanwege de inkomsten en legaten.

Het klooster en de kloosterkerk Mariastein in Metzerlen zijn gebouwd tussen 1636 en 1655. De kerk van dit nieuwe benedictijnenklooster is op 31 oktober 1655 ingewijd.

Het kloostercomplex rond 1680. Afbeelding: informatiecentrum Mariastein

Het klooster, de kloosterkerk en de kloosterplaats

Het interieur van de kerk

De voorgevel en de kerktoren zijn tussen 1830 en 1834 in de classicistische stijl opgetrokken. Pas sinds 1900 en 1934 heeft het interieur van de kerk haar neo-barokke stijl. Het moderne ontwerp van het kloosterplein (1997) is van de Ludwig Stocker (1932). Op 5 juli 1926 verhief Paus Pius XI (1857-1939) de kloosterkerk tot basilica minor.

Een bewogen geschiedenis

Het klooster heeft een bewogen geschiedenis. In maart 1798 trok de Franse generaal Balthasar von Schauenberg (1748-1831) Mariastein binnen, verwoestte het klooster en verkocht de bezittingen. Het verwoeste klooster werd in 1802 teruggekocht door abt Hieronymus Brunner (1739-1804).

Het kanton Solothurn en de federale overheid wilden na 1831 profiteren van het economische succes van het welvarende klooster. Een speciale belasting verarmde het klooster vervolgens.

Het kanton Solothurn hief het klooster in 1874 op. De aanleiding was de zogenaamde ‘Kulturkampf’, de onenigheid tussen de katholieke kerk en de Zwitserse Confederatie. Het religieuze leven in de kerk en de bedevaart konden in het katholieke kanton wel worden voortgezet.

De meeste monniken trokken 1874 naar Delle (Frankrijk), maar moesten Frankrijk 1901 verlaten. De monniken verplaatsten toen het klooster eerst naar Dürrnberg bij Salzburg en in 1906 naar Bregenz (Oostenrijk) en Altdorf (kanton Uri). In 1941 dwong de Gestapo de Benedictijnen hun klooster in Bregenz te verlaten.

Afbeelding: informatiecentrum Mariastein

Het kanton Solothurn gaf in 1941 deze monniken toestemming als asielzoekers naar het klooster terug te keren. Na een referendum in kanton Solothurn kreeg de Benedictijner orde op 21 juni 1971 weer de volledige eigendom van het klooster.

(Bron: Pater Lukas Schenker, Mariastein, 2014, Einsiedeln, www.kloster-mariastein.ch)

De stad Solothurn was tot 1792 de residentie van de Franse ambassadeur bij de Eidgenossenschaft. Linksboven beeld (1680) van de Franse Koning (rex Ludovicus) Lodwijk XIV en de fleurs de lis in de kloosterkapel.

De kloostertuin

De Sacristie

 

De kloostergangen

De onlangs gerenoveerde bibliotheek

De stola uit klooster Beinwil, 12e eeuw.

De St. Anna-Kapelle en de kruisweg (der Kreuzweg)

De voormalige Pelgrimsherberg, tegenwoordig Klosterhotel Kreuz met de heilplanten- en kruidentuin. 

Honderden tegels met dankbetuigingen in tientallen talen in de (onderaardse) gangen van de Gnadenkapelle

Informatie in meer dan 30 talen, inclusief  Reto-Romaans 

Balsthal en zijn kastelen Alt- en Neu-Falkenstein

De eerste bewoners van Balsthal (Kanton Solothurn), de Kelten, leefden ongeveer 4000 jaar geleden op de Holzfluh. De snelste wegverbinding van Aventicum (Avenches) naar Augusta Raurica (Kaiseraugst) liep in de Romeinse tijd door Balsthal.

Na de kerstening van de Alemannen in de 5e en 6e eeuw stond Balsthal lange tijd onder de heerschappij van de prins-bisschoppen van Basel, die de kastelen Alt- en Neu-Falkenstein bouwden.

Neu-Falkenstein

Balsthal hoort sinds 1402 bij Solothurn. De Voogden en ambtenaren namen hun intrek in de twee kastelen. Omdat Balsthal de toegang was tot de pas over de Hauenstein, ontstonden er diverse grote herbergen en talrijke ambachtelijke bedrijven die ook nu nog het dorp kenmerken.

(Bron: www. balsthal.ch)

Indrukken

 

Mir rede au Elsassisch, Leymen en Hagenthal-le-Bas

Een Zwitserse cartoon symboliseert en relativeert de Röstigraben, het verschil tussen het Frans-en het Duitssprekende deel van het land. Aan de Duitse kant van de Saane bij Freiburg staat een bord met het opschrift: “Hier wird gearbeitet’, aan de Franse kant van de Sarine bij Fribourg staat het bord: : “Ici on parle français”. Aan beide kanten van de rivier staan echter identieke huizen, identiek geklede personen en eten ze Rösti, kortom, het zijn Zwitsers.

Het Elzassische dialect

Dit beeld komt op bij het bord van de gemeente Leymen in de Elzas, in het departement Haut-Rhin: ´Mir rede au Elsassisch´. Dit eeuwenoude Oberrheinalemannische dialect was de spreektaal in deze regio (de Sundgau) van de Bovenrijn (Oberrrhein). Door politieke ontwikkelingen na 1871 is het op de achtergrond geraakt, maar de laatste decennia wordt het weer gekoesterd.

De inwoners van het dorp Rodersdorf (kanton Solothurn) communiceerden eeuwenlang in dit dialect met de bewoners van de Franse dorpen Biederthal, Leymen, Hagental-Le-Bas en Hagental-Le-Haut in de Sundgau.

Cultuurpad

De weg tussen deze Franse en Zwitserse dorpen is dan ook een linguïstisch, historisch en cultureel grenspad (Grenz-Kultur-Weg/Sentier-Culturel-Frontalier). De burcht Landskron op de gekijknamige berg van 530 meter is overal zichtbaar en zelfs de Waggis van de Elzas zijn al generaties goed ingeburgerd in Bazel! (gelukkig bestond Woke toen nog niet. Een Waggi is een Elzassische karikatuur van een boer).

Hagenthal-Le-Haut, Waggis in lokaal restaurant.

In dit landschap van de Jura liggen ook de bronnen van de rivier Birsig en de Strängenbach. De Strängenbach komt uit in de Birsig en de Birsig stroomt door de Elzas en de kantons Solothurn en Basel-Landschaft en mondt uit in de Rijn bij Bazel in kanton Basel-Stadt.

De Strängenbach

De historie van deze dorpen is nauw verbonden met de dynastieën in de naburige Zwitserse kantons en de Habsburgers. De bisschop van Bazel, de graven van Thierstein en Ferrette, de dynastie van Eptingen en daarna Reich von Reichenstein (van de Landskron) waren de belangrijkste grootgrondbezitters.

Het gebied maakte tot 1648 deel uit van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie en zijn Habsburgse keizers. Frankrijk verwierf de Sundgau bij de vrede van Westfalen 1n 1648.

Hagenthal-Le-Haut

Joodse gemeenschap

De dorpen Hagenthal-le-Bas en Hagenthal-Le-Haut (Elzas) hadden in de achttiende eeuw ook een grote Joodse gemeenschap. De Joodse begraafplaats in Hagenthal-le-Bas is nog in een goede staat. De begraafplaats in Hagenthal-Le-Haut is vervallen en vrijwel verdwenen.

In 1784 telde Hagenthal-le-Bas 356 Joodse inwoners, Hagenthal-Le-Haut 271 inwoners, bijna de helft van de bewoners van deze dorpen. Na de Eerste Wereldoorlog (dus niet vanwege de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog) was deze gemeenschap verdwenen.

Alleen de synagoge in de rue de la Synagogue Hagenthal-le-Bas herinnert nog aan deze grote Joodse gemeenschap. De Joodse inwoners van Hagenthal-le-Haut hadden het dorp al voor de Eerste Wereldoorlog verlaten. De synagoge was al in 1903 afgebroken.

Joodse begraafplaats Hagenthal-le-Bas

De reden van de vlucht was de vervolging door de plaatselijke bevolking. In 1789, het jaar van de Franse Revolutie, vond de eerste pogrom plaats. De meeste joodse inwoners van Hagenthal-le-Bas en Hagenthal-le-Haut vluchtten naar Bazel. In 1848, weer een Frans revolutiejaar, vond een andere pogrom plaats in deze regio.

Leymen

Het dorp Leymen, een paar kilometer verderop, ligt aan de grens met kanton Solothurn. Een Frans-Duitse taalgrens scheidt tegenwoordig deze gebieden, waar tot 1918 het Alemannische dialect de gedeelde spreektaal was.

Niet alleen de beroemde burcht Landskron ligt in de gemeente Leymen. Het dorp herbergt ook twee kapellen. La chapelle (de kapel) des Âmes de purgatoire (Kapelle des Seelen des Fegefeuers) is gesticht in 1928 om pelgrims van en naar Mariastein een tussenstop te bieden.

Kapel Heiligenbrunnen

La chapelle de Heiligenbrunnen is veel ouder en is, volgens de legende, gesticht in de achtste eeuw door de Engelse of Ierse monnik Walburga. Zoals de naam al aangeeft, trof de monnik op deze plaats een waterbron aan, waarmee hij een man van zijn blindheid genas. Op 1 mei vindt jaarlijks een processie plaats voor de heilige Walburga. De huidige kapel stamt uit 1682.

Leymen

Rodersdorf

(Bron en verdere informatie: Office de Tourisme du Sundgau)

Die Kunstinstellingen van de Würth-Groep in Zwitserland

De geschiedenis van de Würth-Groep (Würth-Gruppe) begint in 1945 in Künzelsau, een klein stadje in Hohenlohe (Baden-Württemberg). In dat jaar richtte Adolf Würth (1909-1954) het bedrijf Adolf Würth GmbH & Co. KG op, dat zijn zoon Reinhold Würth (*1935) in 1954 overnam.

De internationalisering van de Würth Group ging daarna snel. Al in het begin van de jaren 1960 waren er meerdere bedrijven in andere Europese landen, onder andere in Zwitserland en Oostenrijk.

Gedurende vele decennia ontwikkelde de schroefgroothandel zich tot ’s werelds grootste onderneming voor montage- en bevestigingstechniek en Würth International. Het bedrijf heeft tegenwoordig vestigingen op vijf continenten.

De Schlossmühle was het eerste bedrijfsgebouw van Würth in 1945. Foto: Würth Archief

Een multinational met betrokkenheid voor maatschappij, kunst en cultuur

Het bijzondere aan dit bedrijf is  de betrokkenheid bij de maatschappij, kunst en cultuur, in de breedste zin van het woord, op het gebied van beeldende kunst, literatuur, sport, muziek en theater.

Prof. Dr. h.c. mult. Reinhold Würth. Foto: Würth Archief

Prof. Dr h.c. mult. Reinhold Würth, momenteel voorzitter van de Stiftungsaufsichtsrat van de Würth-Groep , en zijn vrouw Carmen Würth (*1937) richtten in 1987 de Stiftung Würth op. De stichting bevordert projecten op het gebied van kunst, cultuur, sociale zaken en onderwijs, onderwijs en onderzoek, integratie en sport.

Carmen Würth. Foto: Würth Archief

Tientallen jaren eerder hadden beiden al een grote belangstelling ten toon gespreid  voor sociale kwesties, kunst en cultuur. Ze begonnen kunst te verzamelen rond 1970. Vandaag de dag omvat de Würth Collectie ongeveer 20.000 kunstwerken uit meer dan 500 jaar kunstgeschiedenis, van de late middeleeuwen tot moderne en hedendaagse kunst – voornamelijk schilderijen en beeldhouwwerken.

De werken worden regelmatig gratis tentoongesteld in de 15 musea, kunstgalerieën en kunstkabinetten die het bedrijf in Europa heeft opgezet en beheerd. De Würth Collectie presenteert haar werken ook in bruikleen op tentoonstellingen in andere musea en instellingen.

Museum Würth 2 in Künzelsau. Foto: Würth Archief

De musea, fora en kunstgalerijen van de Würth Groep

Het Museum Würth in Künzelsau opende zijn deuren in 1991, gevolgd door de Kunsthalle Würth in 2001 en de Johanniterkirche met oude meesters in Schwäbisch Hall in 2008. Museum Würth 2 in Künzelsau is 2020 opgericht en is geïntegreerd in het cultuur- en congrescentrum “Carmen Würth Forum”.

De activiteiten van het museum reiken veel verder dan de regio van het oprichtende bedrijf. Sinds 1999 heeft de Würth Groep kunstfilialen in Denemarken, Frankrijk, Italië, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Spanje en Zwitserland.

Dit artikel richt zich in het bijzonder op de drie vestigingen in Zwitserland, in Rorschach (Kanton St. Gallen), Chur (Kanton Graubünden) en Arlesheim (Kanton Basel-Landschaft).

Het artikel is gebaseerd op een schriftelijk interview met mevrouw C. Sylvia Weber, hoofd van de afdeling Kunst en Cultuur van de Würth Groep, met een ondersteunende rol van Myriam Rüegsegger (hoofd van Forum Würth Arlesheim).

De relatie tussen Zwitserland, het land met de relatief hoogste museumdichtheid ter wereld en de multinational met de meeste musea in Europa, krijgt dus welverdiende aandacht.

Forum Würth Arlesheim. Foto: Würth Archief

Interview met C. Sylvia Weber, hoofd van de afdeling kunst en cultuur van de Würth Groep

  • In een klein land als Zwitserland zijn er drie Würth Fora (Foren of Kunstdependancen) in Arlesheim, Chur en Rorschach. Daarmee is Zwitserland koploper in Europa, afgezien van de musea en instellingen in Duitsland. Was er een bepaalde reden voor het openen van drie instellingen in Zwitserland? Is een forum altijd gekoppeld aan een bedrijfsgebouw of zijn er ook op zichzelf staande fora?

De achtergrond en het uitgangspunt voor het opzetten van een forum voor de kunst van de eigen collectie op verschillende Europese locaties waren de uitbreidingen van het bedrijf en het succesvolle concept in Duitsland.

Naar het voorbeeld van Museum Würth in Künzelsau bij het hoofdkantoor van het bedrijf in Baden-Württemberg, zijn tussen 1999 en 2013 tien kunstcentra geopend in Europa,  geïntegreerd in het hoofdgebouw van het bedrijf of op zichzelf staand, maar altijd in directe verbinding met het bedrijf. De kunsttentoonstellingen zijn zowel gericht op Würth-medewerkers als op het grote publiek. De toegang is overal gratis.

De oprichting van de Würth Fora in Chur, Arlesheim en Rorschach tussen 2002 en 2013 weerspiegelt dus de dynamiek en vitaliteit binnen het bedrijf.

Forum Würth Rorschach. Foto: TES

De Würth Collectie, die de ondernemer Reinhold Würth al ongeveer 60 jaar opbouwt en die vandaag de dag meer dan 20.000 werken telt en daarmee een van de belangrijkste privécollecties van dit moment is, is een steeds vruchtbaardere basis geworden voor het organiseren van tentoonstellingen buiten Duitsland.

  • Würth heeft een grote kunstcollectie. Hebben de kunstvestigingen in Zwitserland ook een permanente collectie of zijn er alleen tijdelijke tentoonstellingen?

De Zwitserse fora in Arlesheim en Chur hebben hun eigen collectie beeldhouwwerken, die buiten de bedrijfsgebouwen worden tentoongesteld. Hieronder bevinden zich belangrijke werken van Niki de Saint Phalle, Jean Tinguely, Bernhard Luginbühl en Not Vital. Daarnaast worden er wisselende tentoonstellingen georganiseerd op basis van de Würth Collectie, die centraal wordt beheerd in het hoofdkantoor van het bedrijf in Künzelsau.

Inzicht in de beeldentuin van Forum Würth Chur bij het bedrijfsgebouw van Würth International AG. Foto: Würth Archief

  • Wie bepaalt het thema, de inhoud en het concept van de tentoonstellingen? Is elk forum autonoom of heeft de Kunstadviesraad van Würth een beslissende of adviserende stem? Focus: beeldhouwkunst, schilderkunst, grafiek, natuur, etc.?

Het is Reinhold Würth die de collectie sinds de jaren 1970 parallel aan zijn succesvolle ondernemersactiviteiten heeft opgebouwd. De kunstadviesraad van de Würth Groep adviseert over de strategische richting van de collectie en de tentoonstellingsactiviteiten. De tentoonstellingen zelf worden georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van het management van de Würth Collectie samen met de respectievelijke curatoren.

  • Er zijn beeldenparken, rondleidingen en reizen (bijvoorbeeld naar de Würth musea in Duitsland), zijn er ook kunstcursussen/lessen?

Er is een uitgebreid educatief programma op alle kunstlocaties. Dit omvat rondleidingen, workshops, begeleidende evenementen voor docenten, lezingen, conferenties en andere activiteiten. Daarnaast is er de vereniging Freunde der Museen Würth e. V., die speciale aanbiedingen organiseert.

  • Is er sprake van harmonisatie of coördinatie tussen de verschillende Würth musea/vestigingen? Zijn er thematische zwaartepunten?

Het uitgangspunt voor alle tentoonstellingen bij Würth is de collectie zelf. Ze is met name gericht op schilder- en beeldhouwkunst; inhoudelijk is ze divers, wat te danken is aan de brede interesses van deze gepassioneerde verzamelaars. Uit deze rijkdom kunnen gemakkelijk zowel monografische als thematische accenten worden gelegd.

Onze tentoonstellingsgeschiedenis bevat voortdurend namen als Max Ernst, Christo en Jeanne-Claude, Horst Antes, Georg Baselitz, Anselm Kiefer, Fernando Botero en David Hockney, om er maar een paar te noemen.

Wat betreft beeldhouwkunst moeten Alfred Hrdlicka, Anthony Caro, Eduardo Chillida en Tony Cragg worden toegevoegd. Qua thema’s grijpen de presentaties herhaaldelijk terug op belangrijke sociale en culturele onderwerpen, zoals het mensbeeld of de plantenwereld.

Ons doel is om de Würth Collectie in wisselwerking met de andere instellingen  te tonen en tegelijkertijd een breed publiek bewust te maken van relevante thema’s en artistiek belangrijke bewegingen.

  • Zijn de tentoonstellingen (ook) reizende tentoonstellingen?

De concepten die op basis van de collectie worden ontwikkeld, zijn bedoeld om op meerdere locaties na elkaar te worden gepresenteerd – niet in de laatste plaats om redenen van duurzaamheid.

Carl Moll, Venetië, op de Riva Schiavoni – Uitzicht in de richting van de Giardino Pubblico, rond 1922, Würth Collectie, Inv. 1879. Tentoonstelling ”Wasser, Wolken, Wind ‒ Elementar- und Wetterphänomene in Werken der Sammlung Würth’, Forum Würth Rorschach, 2023-2025.

  • Wat is de relatie tussen de Würth Kunstcollectie en een tentoonstelling? Worden objecten uit deze collectie altijd of meestal getoond?

Alle tentoonstellingen zijn gebaseerd op het bezit en de inhoud van de Würth Collectie.

  • Heeft Arlesheim een bepaalde focus, Chur en Rorschach een andere? Is er een bepaalde coördinatie?

In principe worden alle programma’s op elkaar afgestemd. Dit wordt bereikt door een tentoonstellingscoördinator die zich intensief en centraal bezighoudt met de tentoonstellingsprojecten. De Zwitserse Fora organiseren ook herhaaldelijk tentoonstellingen in samenwerking met lokale partners.

Dit omvat bijvoorbeeld tentoonstellingen van kunst door mensen met een handicap – een belangrijke focus bij Würth. In Arlesheim gebeurde dit in samenwerking met de creatieve werkplaats van het Bürgerspital in Basel, en in Rorschach met het open kunstmuseum in St. Gallen, een instelling voor Zwitserse naïeve kunst en art brut. Er was de fototentoonstelling “HIDDEN – Hidden Places in Switzerland” en andere projecten met lokale thema’s en kunstenaars.

  • Zijn er verschillende doelgroepen/ervaringen in Arlesheim/Chur/Rorschach?

De locatie speelt zeker een rol in de bezoekersstructuur. Arlesheim trekt bijvoorbeeld bezoekers uit Baden-Württemberg en de Elzas, terwijl Rorschach en Chur bezoekers uit de Bodensee-regio en Italie trekken, inclusief Oostenrijk en Duitsland.

  • Welke ervaringen heeft u met de reacties van het publiek, andere musea en lokale gemeenschappen?

Forum Würth Arlesheim, Tentoonstelling ‘Christopher Lehmpfuhl, zwischen Pathos und Pastos‘

We werken samen met andere lokale culturele instellingen. Voor ons is barrièrevrije toegang tot kunst en cultuur een uitgesproken doel. Dit omvat zowel gratis toegang als de organisatie van ons aanbod, van tentoonstellingen tot evenementen.

Deze inzet is positief ontvangen en wordt benut door de lokale gemeenschappen. De Würth Collectie heeft sinds 1989 wereldwijd al 10,4 miljoen bezoekers mogen verwelkomen. Dankzij de gratis toegang zijn de “speeltuinen” van de Würth Collectie de meest democratische plaatsen ter wereld geworden, om Reinhold Würth te citeren.

  • Plannen voor de toekomst?

We werken er voortdurend aan om het publiek te inspireren, in Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Italië, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Spanje en Zwitserland.

De revitalisering en uitbreiding van de Kunsthalle Würth in Schwäbisch Hall door het internationaal gerenommeerde architectenbureau Henning Larsen München, die momenteel plaatsvindt, is in dit opzicht een belangrijke stap in de toekomst.

Hartelijk dank voor uw bijdrage

Sammlung Würth, Oude Meester in de Johanniterkirche in Schwäbisch Hall. Foto: Archief Würth

Creaton rumantsch. Romaanse taal buiten Graubünden

De organisaties Pro Svizra Rumantscha, PSR (Voor Romaans Zwitserland) en het Federale Departement voor Cultuur (Bundesamt fur Kultur), organiseren 20 januari aanstaande de  bijeenkomst ‘Creaton rumantsch’ in de Bäckeranlage in Zürich (Hohlstrasse 67).

Creaton rumantsch heeft tot doel te brainstormen, plannen en ideeën te formuleren  om de taal en cultuur van het Romaans buiten Graubünden te stimuleren en onder de aandacht te brengen.

De doelgroepen zijn Reto-Romanen in de ‘Diaspora’ (zij, die voor kortere of langere tijd in andere kantons of in het buitenland wonen) en andere belangstellenden.

Een aantal projecten komt voor een startkapitaal van 5 000 CHF in aanmerking.

De bijeenkomst begint om 10.00 en duurt tot 18.00. Ze begint met een ontvangst en een presentatie en analyse van de huidige situatie, gevolgd door discussie, brainstorming en reflectie in werkgroepen.

De lunch en de apéro worden aangeboden door de organisatie. De voertalen zijn Duits en Romaans, met Frans, Italiaans en Engels als eventuele begeleidende talen.

(Quelle und weitere Informationen: Pro Svizra Rumantscha)

Het klooster Beinwil en zijn dal

De eerste monniken kwamen rond 1100 uit Hirsau (Zwarte Woud, Baden-Württemberg). Op deze heuvel was eeuwen daarvoor een Keltisch heiligdom. Het klooster is in 1085 gebouwd.

De eerste abt heette Esso (overleden in 1133). Hirsau was een klooster dat hervormingen invoerde, de Consuetudines Hirsaugienses. De abdij Cluny was de inspiratie en ook Beinwil baseerde zich op deze hervormingen.

Beinwil is gesticht met financiële steun van lokale machthebbers. Een unieke archeologische vondst heeft de namen van een enkele stichters rond 1100 aan het licht gebracht.

Nomen est Omen

De vondst is een priesterstola (textiel) uit de twaalfde eeuw. Op deze stola staan onder anderen de namen van twee adellijke vrouwen en drie mannen als stichters: graaf Ulrich (Udalricus), diens echtgenote Cunixa, Humbert, Mahtilt en een andere Udalricus.

Paus Eugen III (1088-1153) en keizer Barbarossa (1122-1190) erkenden het klooster in 1114 en 1152.

Rond 1400 kende het klooster een bloeiperiode met een scriptorium, bibliotheek met ruim 200 boeken en manuscripten (waaronder de Beinwiler missaal), een botanische tuin, Romaanse basilica, kloosterschool, hospice voor reizigers over de Passwangpas, landerijen en tal van van waardevolle voorwerpen.

In de 15e eeuw raakt het klooster bekneld in de strijd tussen de stad Bazel en Solothurn en de graven van Thierstein. Het klooster is in 1648 ondergebracht in het klooster Mariastein.

1874 verlieten de laatste monniken het klooster ten gevolge van de ‘Kulturkampf’. Vanaf 1983 bood het klooster een onderkomen aan een oecumenische gemeente.

Sinds 2019 heeft het klooster weer zijn oude functie terug, maar nu voor orthodoxe monniken.

(Bron: P. Lukas Schenker, ‘Die Beinwiler Stola. Ein Zeugnis aus dem 12. Jahrhundert’. In Jahrbuch für Solothurnische Geschichte, Band 93, 2020).

Impressies van de omgeving

De visser, zijn habitat en ambacht en het meer van Neuchâtel

Kunstenaar, jager, huisvader, echtgenoot, filosoof, milieudeskundige, mens van en voor de natuur en visser, al deze typeringen zijn van toepassing op Denis Junod uit Auvernier (kanton Neuchâtel). Junod is nog een van de weinige beroepsvissers aan het Meer van Neuchâtel.

In een onlangs verschenen biografie is zijn levensverhaal opgetekend: “De fils en père. Denis Junod” (Van vader op zoon. Denis Junod). Het boek is meer dan een biografie. Het is ook het verhaal van het Meer van Neuchâtel, de flora, fauna en de natuur.

Hauterive, Laténium, 12 oktober 2020. Denis Junod (l), Françoise Jeanneret-Gris (r) 

Hij weet waar hij het over heeft als het gaat over de verandering en achteruitgang van het meer, de visstand, de flora en fauna.

“C’est comme si nous n’avions pas compris que l’humanité et tous les écosystèmes font partie du même arbre’. L’humanité appartient à ce système global, mais elle agit comme si elle lui était extérieure”.

Denis Junod (rechts) in zijn pêcherie in Auvernier aan de oevers van het meer van Neuchâtel.

Hij is geboren in 1953 in La Côte-aux-Fées in kanton Neuchâtel. Deze naam is afgeleid uit het franco-provençal faie of faye. Het meer was ver weg en niets wees op een bestaan als visser. Zijn kinderjaren bracht hij door in de bossen en weiden.

In deze tijd ontwikkelde hij wel zijn gevoel en beleving voor de natuur. Zijn eerste kennismaking met het Meer van Neuchâtel en de visserij was bij het plaatsje Saint-Aubin, waar zijn vader in de horloge industrie werkte. Zijn vader was een enthousiaste amateur-visser en natuurmens en hij inspireerde Denis om in en met de natuur te leven.

In deze tijd, rond 1960, zaten er nog veel forellen in het meer en was het zelfs de meest gevangen vis. Drie decennia later was de populatie sterk afgenomen.

De familie Junod verhuisde rond 1963 naar het plaatsje Serrières aan het meer. Op het gymnasium leerde hij poëzie, literatuur, filosofie en historie kennen en waarderen. Een gesprek met hem begint zomaar bij Karolingische of Romaanse kunst, de Habsburgers of Racine en eindigt met actuele politieke en culturele gebeurtenissen.

Ze zijn altijd zijn gids en leidraad in het dagelijkse leven en het interpreteren van de realiteit gebleven. Met deze bagage doorgrondt hij de (lokale) politiek en maatschappij en weet deze in de (historische) context te plaatsen.

Als kunstenaar heeft hij schilderijen gemaakt die hij zelf als Art brut typeert. De cultuur van de Maya en Inca inspireerden hem. Afbeeldingen van schilderijen uit 2004 in het boek zijn de getuigen.

Junod is eigenlijk een symbool van de uitstekende beroepsopleidingen in Zwitserland en het grote respect dat de bevolking heeft voor ambachtslieden, boeren en vissers. Dit is een van de pijlers van de sociale cohesie en het Miliz systeem.

Als jager kent hij de liefde voor dieren en zorg voor de natuur. Na zijn middelbare school wilde hij dan ook maar één ding: het meer op en visser worden.

Na een stage bij een visser in Saint-Aubin huurde hij in 1973 zijn vissershut in Auvernier en kreeg hij de vislicentie van het kanton. Hij zit er nog steeds. In het wapen van  Auvernier staan niet voor niets een vis en druiven. Auvernier was in deze tijd nog een vissersplaats en wijnbouwdorp en de vissers stonden in hoog (politiek) aanzien.

De visserij is nog steeds zijn passie, werk, ervaring en manier van leven. De natuur is zijn universum.

“J’ai une spiritualité sans Dieu. Ou bien: j’appellerais Dieu la grande matrice universelle qui régit le monde du vivant. Je ne crois pas au Salut que nous propose la religion. Quand je suis sur le lac, je sens cette force universelle qui nous enveloppe tous. Ma foi est là, au sein de cette nature féconde. Le lac est ma cathédrale”.

In zijn beroep heeft hij van alles meegemaakt, bekeuringen, rechtszaken en conflicten met de politie en overheid (“Un anarchiste respectueux”), slechte tijden en goede tijden, tragedies van verdronken vissers en het genieten van de prachtige zonsopgang – en ondergang van het bergpanorama van Les Trois Bernoises, les Dents du Midi en de Mont Blanc in het zuiden en in het noorden de Jura.

De huidige toestand van de natuur en het Meer van Neuchâtel baren hem uiteraard ook zorgen. De visstand, flora en fauna zijn onder andere door menselijk toedoen sterk achter uit gegaan, wat hij dagelijks merkt.

Hij is echter een optimist en heeft vertrouwen in het aanpassingsvermogen van de mens, als de natuur (wetten) maar wordt gerespecteerd. Terug naar de basis is zijn credo voor het behoud van de natuur:

“Dans nos sociétés occidentales hypertechnologiques, l’intelligence est liée à la réussite scolaire. Dans d’autres sociétés, l’intelligence est une question d’adaptation à un milieu donné. Le savoir-faire, le respect des aînés, l’utilisation d’outils spécialisés et l’agilité, c’est dans les sociétés indigènes premières qu’on les trouve. Leur intelligence est liée à la survie du groupe. Les livres ne sont pas les seules fournitures de l’intelligence. La nature m’en a appris bien bien plus. Toute est relatif“.

(Bron: Françoise Jeanneret-Gris, De fils en père. Denis Junod, Bière 2020. De citaten zijn afkomstig van Denis Junod en staan in dit boek).