Monumenten en het Schweizer Volksmusikzentrum

Zwitserland was neutraal in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Toch staan er in het hele land monumenten om in 1914-1918 gestorven militairen te herdenken. Ongeveer 3 000 militairen overleden in deze periode door de Spaanse griep of onnatuurlijke oorzaken.

De Spaanse griep maakte in 1918/1919 ongeveer 2 000 slachtoffers. Daarnaast waren er ongeveer 1 000 dodelijke ongevallen in het verkeer, met vliegtuigen , militaire oefeningen of andere incidenten.

Een van de bekendste monumenten staat op de berg Lueg, 887 m., (kanton Bern) in het Emmental, bij het dorp Affoltern i/E (im Emmental). Het werkwoord Luege betekent in Zwitserduits  ‘aanschouwen, aandachtig kijken’. Lueg betekent in dit verband ´uitzicht´ .

Nomen est omen, want het panorama is indrukwekkend, zelfs als bij mistig weer de Alpen niet goed te zien zijn. Twintig militairen van een cavalerieregiment uit Bern worden op deze plek herdacht.

Bovendien vochten duizenden Zwitsers voor een van beide partijen in het conflict, vanwege een dubbel paspoort of persoonlijke betrokkenheid. Enkele duizenden overleefden het niet.

Een monument bij de Col des Roches in Le Locle herdenkt ongeveer 2 000 Zwitsers die voor Frankrijk op het slagveld sneuvelden. Niemand herdenkt de verliezers. Voor de Duitse of Oostenrijkse keizer gesneuvelde Zwitsers bestaan geen monumenten.

Sommige andere monumenten, zoals in Clarens (kanton Vaud) of in het Kannenfeldpark in Bazel, herdenken in Zwitserland overleden geïnterneerde militairen. Duizenden militairen van beide partijen staken bewust of onbewust de Zwitserse grens over en bleven tot 1918 geïnterneerd. Soms overleden ze aan hun verwondingen en ook de Spaanse Griep maakte veel slachtoffers.

Grellingen

Van een andere categorie zijn de in 1914-1918 gemaakte kunstwerken of decoraties op locatie door Zwitserse militairen. De aanduidingen van kantons, steden en militaire eenheden en de in sculptuur afgebeelde officieren bij Grellingen (kanton Basel-Landschaft) zijn een bekend voorbeeld.

Het dorp Wynigen, 15 kilometer van Lueg, ligt op de grens van het Emmental en Oberaargau. Dit dorp heeft voor zijn bescheiden omvang veel monumentale woonhuizen, herbergen en boerderijen.

Zum Wilden Mann. Foto: Gemeinde Wyningen

De private spoorwegmaatschappij ´Schweizerische Centralbahn´ bouwde in 1857 de linie Herzogenbuchsee naar Bern (Wylerfeld) en stopte ook in Wyningen. In 1902 nam de SBB het bedrijf over.

Vanaf 1925 reed ook deze trein elektrisch. Zwitserland begon relatief laat met het aanleggen van het spoorwegnet (vanaf 1850) maar was in 1875 de koploper in Europa. Elektriciteit verving steenkool als na 1918 als energiebron voor de trein.

Wyningen 1925, met elektrische spoorweg

Het loont echter zeer de moeite om niet met de trein maar te voet of met de fiets de tocht naar Lueg te maken. Het landschap, de grote boerderijen en het uitzicht op de Alpen zijn de beloning. De dichter Jeremias Gotthelf, een pseudoniem van Albert Bitzius (1797-1854), verwoordde het als volgt:

Eng begrenzt ist sein Horizont von waldigen Hügeln, an deren Fuss sich unzählige Täler ziehen, von rauschenden Bächen bewässert, die in stillem Murmeln ihre Geschiebe wälzen, bis sie den Schoss der Emme finden.

De grootste nabijgelegen plaats is Burgdorf met zijn middeleeuwse kasteel en stadscentrum, bijzondere kerk en culturele instellingen.

Vanaf Lueg is het nog twee uur te voet. Na een pauze in het Landgasthof Lueg, het muzikale centrum van het Emmental, vliegen ook deze uren voorbij. Bovendien rijdt er een Postauto naar Burgdorf.

De natuur is er nog steeds, de tijdelijke Spaanse griep heeft plaatsgemaakt voor de tijdelijke Covid-19, zoals de aarde nog wel een miljard jaar doordraait, met, of wellicht beter voor de natuur, zonder mens.

De Zwitserse Alpen Club

De Zwitserse Alpen Club (Schweizer Alpen Club, SAC/Club Alpin Suisse, CAS) organiseert regelmatig wandeltochten in deze omgeving (en elders) in het land.

Hoewel de naam anders doet vermoeden, organiseert de SAC niet alleen skitochten, bergbeklimmingen en andere sporten in het hooggebergte en de Alpen, maar ook (wandel) activiteiten in andere regio’s.

(Meer informatie: www.sac-cas.ch).

Een weldadige democratie

De Grondwet van 1848 is nog steeds de basis van het moderne Zwitserland. De Grondwet, deels gebaseerd op het Amerikaanse model, legt de confederale status van het land, zijn kantons en communes vast en de rol die de burgers daarin spelen.  De laatste grote revisie van de Grondwet vond plaats in 1999.

Stabiliteit

De samenstelling, werkwijze en verkiezing van de regering zijn al een zekere veiligheidsklep om een clientèle systeem en achterkamertjespolitiek te voorkomen.

Er zijn slechts zeven ministers (vastgelegd in de Grondwet), het staatshoofd wordt jaarlijks door het parlement gekozen uit deze ministers voor een periode van maximaal een jaar en alle ministers zijn volstrekt gelijkwaardig (collegialiteitsprincipe). Een dominante premier of Eerste Minister bestaat feitelijk en constitutioneel niet. Alle (zeven) ministers zijn gelijkwaardig en spreken naar buiten toe met een stem (collegialiteitsprincipe).

Bovendien wordt de regering gekozen door het parlement in een verenigde zitting van beide kamers gekozen. De regering is samengesteld op basis van de Zauberformel van een vertegenwoordiging van de vier grootste partijen in een verdeelsleutel van 2:2:2:1.

Sinds 1959 is deze samenstelling van linkse en rechtse partijen (socialistische tot de burgerlijk-conservatieve)  vrijwel onveranderd, de zogenaamde Konkordanz.

Het referendum en het volksinitiatief

Het referendum en het volksinitiatief (Volksinitiative), ingevoerd in 1874 en 1891, zijn een extra waarborg om de burgers over de schouders van de politiek en het bestuur direct mee te laten kijken.

De politiek zal dus altijd eerst op zoek moeten naar een zo’n groot mogelijke consensus aan de basis.

Daarnaast is de burger de soeverein: Nee is Nee (zoals bijvoorbeeld in 1992 toen 50,3 % tegen EU-toetreding stemde) en Ja is Ja. De burgers en politiek zouden niet meer zonder willen en kunnen, omdat de burger de politicus is en omgekeerd in het Zwitserse militie-systeem (Milizsystem).

Een van de meest in het oog springende voorzieningen van de Grondwet is het referendum, dat bij de Grondwetswijziging van 1874 is ingevoerd, en bij aanvulling in 1891 het volksinitiatief.

Referenda

Zwitserland heeft het aangedurfd in 1874 een referendum in te voeren als blijk dat het zijn eigen burgers vertrouwt en respecteert.

Er zijn twee soorten referenda. Het optionele referendum en het verplichte referendum.

Een verplicht referendum is nauwkeurig in de Grondwet omschreven, onder andere bij wijzigingen van de Grondwet en internationale/Europese verdragen. De absolute meerderheid van landelijk uitgebrachte stemmen en de absolute meerderheid in de senaat, een ‘dubbel ja’ zijn een voorwaarde voor aanneming.

Een optioneel referendum vindt plaats wanneer 50 000 burgers hierom verzoeken binnen 100 dagen na publicatie van nieuwe wetgeving. De absolute meerderheid van landelijk uitgebrachte stemmen geldt.

Het referendum heeft de kracht van een veto. De grote kracht van een referendum is de politieke discussie die plaatsvindt, de betrokkenheid van de burgers en maatschappelijke organisaties die het oproept en uiteindelijk de consensus die wordt bereikt.

Dit systeem veronderstelt de aanwezigheid van kwaliteitsmedia en betrokkenheid bij de burgers. Beide voorwaarden zijn vervuld, mede omdat de burgers én politiek weten dat de burger altijd het laatste woord heeft en de ministers van de federale regering altijd direct door het parlement op individuele basis worden gekozen door politieke- en taalgrenzen heen.

Niet alle referenda zijn even zinvol en sommige zelfs kansloos, maar het geeft de burger altijd een stem.

Volksinitiatief

Daarnaast hebben de burgers de mogelijkheid zelf een aanpassing of wijziging van de Grondwet te verzoeken. Kiesgerechtigde burgers kunnen op basis van steun van 100 000 burgers een verzoek indienen een wijziging in de Grondwet aan te brengen.

Dit verzoek kan de grote lijnen bevatten of een gedetailleerd voorstel. Het komt voor dat er zelfs een tegenvoorstel van de regering komt, zodat de burgers tussen twee versies kunnen kiezen. Ook hier geldt dat de politiek gebonden is aan de uitkomst.

De absolute meerderheid van landelijk uitgebrachte stemmen en de absolute meerderheid in de senaat, een ‘dubbel ja’ zijn een voorwaarde voor aanneming.

Conclusie

Het referendum en het volksinitiatief zijn voor een volwassen en goed functionerende democratie een effectieve methode de burgers en de politiek met elkaar te verzoenen.

De burgers kunnen politici nooit falend beleid in de schoenen schuiven, omdat ze dan zelf gefaald hebben. De burgers zijn zelf de politici. Het land, de maatschappij, de burgers, economie, cohesie én de politiek varen er wel bij.

175 jaar Zwitserse Spoorwegen

Eindelijk was het dan zover. Op 9 augustus 1847, 175 jaar geleden, reed de eerste trein met reizigers over de spoorweg Zürich-Baden (kanton Aargau) naar het station in Baden. Deze spoorweg kreeg de naam Spanisch-Brötli Bahn, zo gaat het verhaal,  vanwege een patisserie in Baden die Spaanse broodjes snel en vers naar Zürich vervoerde.

Station Baden, 1890. Foto: Staatsarchiv Baden.

Station Olten, Kunstwerk van Paul Gugelmann (1929-2022) uit 2006 naar aanleiding van 150 jaar station Olten (1856), aangeboden door de stad Olten aan de SBB.

Olten station, de ‘Stunde Null-Stein’. In 1856 was de tijd het uitgangspunt voor het meten van de afstand. 1875 loste het metrieke stelsel (kilometer) de afstandsbepaling af. Vanaf Bazel, toentertijd hoofdzetel van de spoorwegen, was het 39,292 km tot Olten, vandaar ook de naam “Kilometer-Null-Stein”. Stunde Null-Stein is echter correct. Het kruis is het symbool van de centrale plaats van Olten in het spoorwegennet. De ‘O’ is de Stunde-Null.

Zwitserland was 1848 hekkensluiter in West-Europa. Het Verenigd Koninkrijk had al 10 000 kilometer spoorweg, Duitsland 6 000 kilometer, Zwitserland slechts 2 kilometer, van St. Louis tot Bazel, in 1844, als het sluitstuk van de verbinding Straatsburg- Bazel. De locomotief had ook nog eens de naam Napoleon.

Frans station  in Bazel, 1845. Bron:  Ein Jahrhundert Schweizer Bahnen 1847-1847. Jubiläumswerk des Eidgenössischen Post- und Eisenbahndepartementes in fünf Bänden. Bd. 1, Frauenfeld 1947. Foto: Wikipedia

SBB Bahnhof Bazel 2022

De verdeeldheid tussen de soevereine kantons, het ontbreken van steenkool voor de stoomlocomotieven, de afwezigheid van grote stedelijke agglomeraties en het bergachtige landschap belemmerden de aanleg.

Na 1850 ging het echter snel. De concessies waren per kanton aan spoorwegbedrijven verleend. De federale overheid had er geen enkele bemoeienis mee. In de meeste  kantons schoten spoorwegbedrijven als paddenstoelen uit de grond.

Oberalppas. Eindstation.

In 1864 had Zwitserland ongeveer 1 400 kilometer spoorweg. Ze verbonden Genève met de Bodensee, Bazel met Chur (kanton Graubünden) en Bern met Brig (kanton Valais). De Alpen waren echter nog een te grote hindernis. De spoorwegen hielden op bij Brig, Luzern, Chur en Thun. In 1856 is overigens de Credit Suisse opgericht ter financiering van deze ondernemingen.

Het (Engelse) toerisme in de bergregio’s leidde tot verdere stappen om de veelal onrendabele spoorwegen toch aan te leggen, te continueren of te exploiteren. Het Engelse reisbureau Thomas Cook was een van de pleitbezorgers.

Dit past ook in het plaatje van de ontwikkeling van het spoorwegennet. De kantons en spoorwegbedrijven en later de federale overheid deden een beroep op de ervaring en kennis van buitenlandse (met name Engelse, Duitse Oostenrijkse) ingenieurs.

De in 1855 opgerichte ETH in Zürich en later de EPFL in Lausanne bundelden bovendien de kennis, talenten en ervaring in eigen land. De wonderen  en resultaten van de Zwitserse bruggen-, viaducten- en tunnelbouwers zijn nog steeds in het hele land te zien.

Collectie Museum Zu Allerheiligen, Schaffhausen 

Poster Ecomuseum Simplon

De federale regering nam in 1872 een belangrijk besluit: de spoorwegen werden een nationale, federale competentie (na instemming van de kantons).

Dit was mede ingegeven door de achterstand op Frankrijk (de Mont-Cenis tunnel van 1871) en Oostenrijk (de Brennertunnel van 1864). De Gotthard-basistunnel was in 1882 het resultaat.

Daarna duurde het nog tot 1898 voordat de federale overheid de (veelal failliete en onrendabele ) spoorwegbedrijven in de kantons overnam.

De organisatie Schweizerische Bundesbahnen (SBB)/  Chemins de fer fédéraux suisses (CFF)/ Ferrovie federali svizzere (FFS)/Viafiers federalas svizras (VFS)  is vervolgens in 1902 opgericht.

Vervolgens ging het snel. In 1914 zijn alle delen van het land bereikbaar met de trein en heeft het land het dichtste spoorwegennet van Europa.

Drie regionale private initiatieven zijn in het bijzonder vermeldenswaard. Het initiatief voor het opzetten van de beroemde Rhätische Bahn is genomen door de Nederlander Willem-Jan Holsboer (1834-1898).

Bahnmuseum Albula, Bergün/Bravuogn

Het treinstation op 3 454 meter hoogte op de Jungfrau (4 158 meter) is een ander huzarenstukje. De initiatiefnemer Adolf Guyer-Zeller (1839-1899) begon met de bouw, zijn opvolgers voltooiden het project in 1912.

De Tandradbaan van Niklaus Riggenbach (1817-1899) uit 1871 was ook revolutionair. Op deze wijze was het mogelijk de steile helling van de Rigi (kanton Luzern) veilig op- en af te gaan.

Dampflok.7, 1873. Foto: Rigibahnen AG

Een ander opvallend feit is het vroege gebruik van (relatief milieuvriendelijke) elektriciteit. Zwitserland heeft geen olie, steenkool of gas. Dit maakte het land innovatief in de industriële Revolutie, vanuit huidig perspectief zelfs visionair.

Eind negentiende eeuw zijn de eerste waterkrachtcentrales voor de opwekking van elektriciteit in gebruik genomen, ook voor het treinvervoer. Stoomtreinen van steenkool verdwenen relatief snel uit beeld. Sinds 1967 rijden alle treinen op elektriciteit.

Zwitserland kende ook haar spoorwegbaronnen. In dit verband treden vooral Martin Escher (1788-1870) en Alfred Escher (1819-1882)  op de voorgrond.

Het volk en de kantons hebben echter altijd de doorslag gegeven in de vele referenda. De laatste twee grote projecten zijn de Gotthard-basistunnel in 2016 en de Ceneri-basistunnel in 2021, miljardenprojecten op tijd of zelfs te vroeg afgerond en zonder EU-bemoeienis.

Andere projecten kunnen door externe oorzaken vooralsnog niet gerealiseerd worden. De directe spoorwegverbinding Rotterdam/Hamburg naar Milaan/Genua en het milieuvriendelijke vervoer van vrachtverkeer op treinen (Transitabkommen uit 1992 en NEATproject uit 1994) zijn gestrand door vertraging/uitstel in andere (EU-)landen en blokkades van de EU.

Autotrein Lötschenbergbahn Kandersteg (kanton Bern)-Goppenstein (kanton Wallis)

De SBB en Zwitserland hebben echter alle reden om trots te zijn op het functioneren en de service in alle jaargetijden onder vrijwel alle omstandigheden, 0p grote hoogtes, over diepe dalen en door bergen, zelfs als de dienstregeling niet altijd meer loopt als een Zwitserse uurwerk op wielen!

(Bron en verdere informatie: Bahn Extra, 3/2022, 175 Jahre Eisenbahn in der Schweiz. Geramond,2022)

Welke spoorwegmaatschappij heeft een speeltuin voor kinderen aan boord?

Station Olten, Johann Jakob Speiser (1813-1856), oprichter van de Centralbahn.

Bursins en het netwerk van Cluny

De geschiedenis van het dorp Bursins (kanton Vaud) is nauw verbonden met het Koninkrijk van Bourgondië (888-1032) en de Abdij van Cluny. De goede bewaarde kerk en dorpskern vinden hun oorsprong in deze periode. De kerk vertoont een sterke gelijkenis vertoont met de kerk van Saint-Sulpice, een dorp bij Lausanne. Lausanne was in deze periode het bisdom van Bursins.

De eerste (Karolingische) kerk van Bursins dateert uit de 8e eeuw. De Romaanse reconstructie heeft in de 11e en 12e  eeuw plaatsgevonden.

Bursins is ook het middelpunt van een uniek document. De eerste officiële vermelding van het dorp is in een document uit 1011. Rudolph III, de laatste koning van Bourgondië, schonk het dorp aan het klooster van Romainmôtier.

Archives cantonales vaudoises

De akte is het oudste bewaard gebleven document, waarin de Bourgondische koning (966-1032) Rodulfi regis, Cluny en zijn abt Odilo (962-1049) Odilonem abbatem de romano monasterio en Bursins (Brucins) worden genoemd. Dit document van 1011 is overigens bekend uit latere transcripties. Het originele document is (nog) niet gevonden.

In 1276 verwierf Romainmôtier, op zijn beurt ondergeschikt aan de orde van Cluny, andere bezittingen in de regio. De prior bouwde in de dertiende eeuw het versterkte huis dat nog steeds achter de kerk staat. De Romaanse kerk is in de 13e, 14e en begin 16e eeuw verbouwd en uitgebreid. In 1536 veroverde het protestante Bern Vaud (Le Pays de Vaud) op de hertog van Savoie en de kerk werd een tempel.

De priorij van Saint-Martin is nog steeds een opmerkelijk architecturaal geheel. Gelegen op het hoogste punt van het dorp en omgeven door patriciërhuizen en het huis van de prior uit de dertiende eeuw, is het een indrukwekkend complex. Het driehonderd verderop gelegen middeleeuwse kasteel Le Rosey met zijn vier torens en het mooie bosrijke landschap van Vaud maken het plaatje compleet.

De Europese Federatie van locaties van Cluny geeft informatie over de plaatsen die hebben bijgedragen tot de buitengewone invloed van de abdij van Cluny (Zuid-Bourgondië) van de 10e tot de 18e eeuw.

De spirituele, artistieke, economische, politieke en sociale invloed van deze abdij was enorm groot, ook in Zwitserland. De Frans Revolutie heeft in en na 1789 letterlijk een einde gemaakt aan deze abdij en haar netwerk. In Cluny is slechte een klein deel van het enorme complex bewaard gebleven.

De abdij en de monniken van Cluny stonden aan de basis van het ontstaan van honderden steden en dorpen in Europa, onder andere in Zwitserland. De Europese Federatie is een belangrijke en interessante culturele route van de Raad van Europa. Bursins en twaalf andere Zwitserse plaatsen maken hier ook deel van uit.

Les chemins de Cluny en Suisse/Cluny Wanderwege in der Schweiz is een route van elf etappes die dertien plaatsen van Cluny in Zwitserland verbindt: in Bassins, Bursins, Mollens, Romainmôtier, Baulmes, Montcherand, Bevaix, Corcelles-Cormondrèche, Douanne (Twann), Ile Saint-Pierre (Insel St. Peter), Münchenwiler/Villars-les-Moines, Payerne, Rüeggisberg en Rougemont.

Ook aanbevelingswaardig: de Romaanse kerk in Donatyre, nabij Avenches !

Concertgebouworkest in Zwitserland

Het Concertgebouworkest van Amsterdam maakt van 13 tot en met 16 november een tournee door Zwitserland, met vier concerten in vier steden, diverse masterclasses en

een publieksoptreden met jong lokaal talent. Onder leiding van Daniel Harding speelt het orkest in Lugano, Bern, Zürich en Genève.

Op 13 november wordt Mahlers Negende symfonie gespeeld in Lugano. Op de volgende avonden speelt het orkest het Vioolconcert van Brahms met Leonidas Kavakos als solist, gevolgd door de Zesde Symfonie van Beethoven, Pastorale.

Op 15 november vindt een zeer bijzonder optreden plaats op het treinstation van Zürich. Acht musici van het orkest spelen samen met twaalf jonge talenten van Zwitserse conservatoria. Zij spelen de Holbergsuite van Edvard Grieg. Voorafgaand aan het optreden geven de orkestleden verschillende masterclasses, eerst online en later ook tijdens de treinreis van Bern naar Zürich.

Op tournee gaan naar Zwitserland is een decennialange traditie van het Concertgebouworkest. De eerste concerten die het orkest ooit in Zwitserland speelde, vonden plaats in mei 1927, een jaar na de oprichting van het kamerorkest in Bazel !

Sinds 1988 speelt het Het Concertgebouworkest ieder seizoen in Zwitserland. In de loop der jaren heeft het Orkest in dit land een trouwe aanhang opgebouwd en in 2007 is de Zwitserse Vriendenvereniging opgericht.

De Zwitserse Vrienden van het Concertgebouworkest zijn nauw betrokken bij de komende tournee. Ter gelegenheid van het vijftienjarig bestaan organiseren zij diverse evenementen rondom de concerten.

Vanaf de top van het besneeuwde Jungfraujoch brachten vier hoornblazers van het Concertgebouworkest  een groet aan het Zwitserse publiek. In volledige avondkleding, hun instrumenten glimmend in de zon. Een bijzonder en frisse manier om de veelzijdige tournee van het Concertgebouworkest door Zwitserland aan te kondigen.

Tweede bijzonderheid: het orkest wordt vervoerd door de jubilaris SBB (Schweizerische Bundesbahn), die (bijna) nog net zo stipt en betrouwbaar is als 175 geleden, in 1847. De Zwitserse Spoorwegen (en het land) zijn een uurwerk op wielen !

Bron en verdere informatie: Het Concertgebouw Orkest Amsterdam

Ave Caesar. De Galliërs aan de Rijn groeten u.

De tentoonstelling “Ave Caesar! Römer, Gallier und Germanen am Rhein” toont de betrekkingen tussen de beschavingen van het Middellandse Zeegebied en de stammen van de Kelten (of Galliërs) en Germanen aan de Rijn.

De gastheer Gaius Julius Caesar (100–44 v. Chr.) en opvolgers, legionairskamp bij Nijmegen, marmor, einde 1. Eeuw v. Chr. ©  Rijksmuseum van Oudheden, Leiden

De Kelten zijn een verzamelnaam voor vele onafhankelijke stammen die in Midden- en West-Europa leefden. Zij hadden een gemeenschappelijke cultuur met veel regionale verschillen, maar kenden geen Keltisch schrift en waren geen politieke eenheid. De Germanen is de verzamelnaam van de stammen aan de rechteroever van de Rijn.

De directe bronnen zijn de archeologie en Romeinse en Griekse auteurs. Toch bestaat er tegenwoordig een goed beeld van de Keltische samenleving. De termen Galliërs en Kelten worden synoniem gebruikt en zijn afkomstig van Griekse (Keltoi/Galatae) en Romeinse (Galli/Celtae) auteurs.

Deze tentoonstelling concentreert zich met name op de Kelten op de linker Rijnoever in de regio Bazel in de periode van 500 v. Chr. tot 260 n. Chr. Zij maakt deel uit van het project ““Der Rhein/le Rhin. 3 Länder-38 Ausstellungen/ 3 Pays – 38 expositions“.

Ingekleurde kaart met Rijnsteden op een kopie van de De Tabula Peutingeriana

De Rijn was toen al grens en slagveld, een communicatie- en handelsroute en plaats van uitwisseling van mensen en culturen. Tot de komst van de Romeinen waren er echter geen bruggen. De scheepvaart op de Rijn bestond weliswaar al, maar kwam pas tot grote bloei tijdens de Romeinse overheersing, van Bazel tot Nijmegen in Nederland.

Maquette Rijnpraam, schaal 1.22,5, c. 150 n. Chr. Origineel van Vleuten-De Meern. Leengebruik: D. Usher

De komst van de Romeinen veranderde de Keltische samenlevingen aan de Rijn ingrijpend. Na hun vertrek rond 400-410 n. Chr. resteerde de Gallo-Romeinse cultuur. De Alemannen en Franken vulden het vacuüm dat de Romeinen achterlieten, maar dat is een ander verhaal.

De Keltische Vorsten

Het eerste deel van de tentoonstelling “De Keltische Vorsten” (Keltischer Fürstensitz)  gaat over de Keltische samenleving rond 500 v. Chr. De Kelten onderhielden toen al nauwe contacten met de mediterrane (Griekse en Etruskische) wereld, eeuwen voor de komst van de Romeinen.

De Kelten importeerden wijn en luxegoederen en exporteerden vooral metalen, zout, bont en slaven. De Rhône en zijn zijrivieren Doubs en Saône waren toen belangrijke verbindingswegen. De handel bleef niet beperkt tot goederen, er was ook een levendige culturele uitwisseling.

Zegelring en schrijfgerei, 2e-vroeg 1e eeuw v. Chr., Basel-Gasfabriek. Archäologische Bodenforschung Basel-Stadt.

De kleinste archeologische vondsten hebben vaak de grootste betekenis. De ontdekking van Keltisch schrijfgerei en zegelring in Bazel om contracten te bevestigen bevestigt het gebruik van het Griekse schrift door kooplieden. Dit was al bekend van kooplieden uit Genava (Genève), bewoond door de Keltische stam van de Allobrogenen. Na 52 voor Christus en vooral na 15-13 voor Christus nam het Latijn deze functie steeds meer over.

 De Keltische nederzetting

Het tweede deel gaat over de Keltische nederzetting (Keltische Siedlung). Julius Caeser noemde deze versterkte nederzetting een “Oppidum” in zijn De Bello Gallico. In Bazel was deze gevestigd op de Münsterhügel (naast de Kathedraal).

De Murus Gallicus, Münsterhügel, drie meter onder de grond

Er bestonden honderden grotere en kleinere oppida, onder andere in Avenches of op de Mont Vully in Zwitserland,  Bibracte in Frankrijk of diverse plaatsen in Duitsland en Oostenrijk. De Keltische paalbouwwoningen, zo prachtig gereconstrueerd in Wauwil en in het Laténium in Hauterive, laten een andere Keltische geschiedenis zien.

Tussen 58 en 52 v.C. maakte Gaius Julius Caesar (100-44 v.C.) gebruik van de strijd tussen de Keltische stammen en breidde de Romeinse heerschappij uit tot aan de Rijn. Hij versloeg de stammen uit Zwitserland in 58 voor Christus bij Bibracte en veroverde heel Gallië in 52 v. Chr. De Romeinen stichtten rond 44 v. Chr. de steden Colonia Augusta Raurica (Augst) en Colonia Equestris Noiodunum (Nyon).

Rond 15-13 v. Chr. veroverden de Romeinen heel Zwitserland. De romanisering begint. De Romeinen vestigden talrijke militaire kampen op de linkeroever van de Rijn om de veroverde gebieden te beveiligen. Onder andere in Vindonissa (Windisch). Deze dienden als basis voor campagnes tegen de Germaanse stammen op de rechter Rijnoever.

Tienduizenden Romeinse officieren, soldaten, bestuurders, kooplieden en burgers verbleven langs de Rijn. Zij stimuleerden de plaatselijke economie en handel en breidden de infrastructuur langs de Rijn uit met bruggen, wegen. havens en opslagplaatsen. Een modern wegennet garandeerde de aanvoer van troepen en voorraden naar de grens.

 Het Romeinse legerkamp langs de Rijn

Het derde deel (Römisches Legionslager) laat zien hoe de legionairs leefden en hoe de campagnes tegen de Germanen op de rechteroever van de Rijn verliepen. Vanaf ongeveer 85 n. Chr. werden de veroverde gebieden Romeinse provincies. Aan de Bovenrijn bezetten de Romeinen dan ook grote (Germaanse) gebieden op de rechter Rijnoever.

Het Romeinse landgoed

De agrarische ontwikkeling en de romanisering buiten de steden is het volgende onderwerp. Meer dan 90% van de inwoners woonde buiten de stad. De elite bezat ook altijd landgoederen op het platteland. Dit waren grote villa’s met een deel bestemd voor de landbouw. Deze samenleving komt aan de orde in het vierde deel “Romeins landgoed” (Römischer Gutshof).

De Romeinse kolonie

Het laatste deel van de tentoonstelling (Römische Kolonie) laat zien hoe de Romeinse (stads) cultuur zich vestigde in de veroverde gebieden. Steden worden gebouwd en gesticht naar Romeins model, met stenen gebouwen, theaters, amfitheaters, badhuizen, tempels en andere openbare gebouwen, een efficiënte watervoorziening en wegennet.

De eerste met naam bekende inwoner van Bazel, de Romeinse soldaat Titus Torius, 20 v. Chr-20 n. Chr. Archäologische Bodenforschung Basel-Stadt.

Lucius Giltius Cossus, zoon van Celtillus. Priester voor de keizercult. Augusta Raurica, 50-150  n. Chr. Een van de eerste bekende inwoners van Augusta Raurica.

Augusta Raurica telde rond 200 n. Chr. bijvoorbeeld rond de 15 000 – 20 000 inwoners, duizend jaar later nog slechts enkele honderden ! Het illustreert de groei, bloei en welvaart langs de (Boven) Rijn in de Romeinse tijd. En Augusta Raurica was maar een van vele nieuwe steden in het Romeinse Rijk en langs de Rijn in het bijzonder.

De verstedelijking, de schriftelijke Latijnse cultuur, de handel, de Pax Romana en een uniforme munt in het Romeinse Rijk laten ook de economie en welvaart aan de Rijn bloeien.

Na 260 n. Chr

De economische en politieke situatie verslechtert echter door Germaanse invallen, inflatie, Romeinse burgeroorlogen en epidemieën vanaf het einde van de 2e eeuw na Christus. Het was in deze periode niet alleen kommer en kwel. Diverse generaties leefden nog in relatieve voorspoed en rust en verschillende keizers slaagden erin de vrede te handhaven en reorganisaties door te voeren. Rond 400-410 na Christus verlieten de laatste Romeinse legioenen echter voorgoed het gebied ten noorden van de Alpen.

Conclusie

De overzichtelijke, goed gedocumenteerde en gevisualiseerde tentoonstelling geeft aan de hand van de drietalige (Engels, Duits, Frans) audiopresentatie en de gedegen catalogus een goed beeld van deze tijd aan de Bovenrijn voor en tijdens de Romeinse overheersing.

Ter lering en vermaak is ook een kaartspel Vade Mecum beschikbaar. De inhoud heeft als zwaartepunt de regio Bazel, maar is toepasbaar op de Bovenrijnregio, zoals diverse andere musea, publicaties en onderzoeken in deze regio aantonen.

Bron en verdere informatie: Antikenmuseum Basel und Sammlung Ludwig

Korrektorin: Petra Ehrismann

Waarom de Zwitserse democratie werkt

Een van de meest opvallende kenmerken van het politieke systeem in Zwitserland is de afwezigheid van dominerende politici. Deze bijdrage geeft alleen de hoofdlijnen van het politieke systeem weer. De volgende bijdragen werken dit verder uit.

Politici

Dit blijkt onder andere uit het feit dat slechts weinig Zwitsers de naam van hun staatshoofd kennen. Dat is ook niet verwonderlijk, want deze wordt slechts voor een periode van één jaar benoemd uit de leden van de regering (Bundesrat) van zeven ministers (Bundesräte/Bundesrätinnen). Het staatshoofd is de primus/prima inter pares.

Een premier bestaat niet in Zwitserland. Alle zeven ministers zijn volstrekt gelijkwaardig en naar de buitenwereld wordt met een stem gesproken.

Regering

Een regering van zeven ministers, zoals vastgelegd in de Grondwet, is al uniek en onveranderd sinds 1848. De samenstelling is ook bijzonder. De vier grootste partijen verdelen de ministerposten. Nieuwkomers krijgen niet na een of twee grote overwinningen vanzelf een plaats in de regering, maar moeten zich eerst bewijzen in de nieuwe parlementaire zittingsperiode.

Directe democratie

Daarnaast biedt de directe democratie door het verplichte en facultatieve referendum en het volksinitiatief de inspraakmogelijkheid voor alle burgers, sociale partners, belangenverenigingen of andere maatschappelijke organisaties op federaal niveau. De kantons en de gemeenten kennen hun eigen directe democratie.

Het belang van de directe democratie is niet zozeer de dag van de stemming zelf. Veelal neemt maar een beperkt mensen van het electoraat deel.

De directe democratie beïnvloedt vooral het hele politieke proces, lange overleg procedures, compromissen, tegenwicht tegen de waan van de dag van politie en hun (patronage) netwerken en vooral legitimiteit.

Militiesysteem

Een ander aspect is het zogenaamde militiesysteem (Milizsystem). Leden van de parlementaire vertegenwoordigingen zijn in principe deeltijd politici.

Dit systeem garandeert een grote mate van stabiliteit, legitimiteit, continuïteit en vooral betrokkenheid van en tussen burgers en hun systeem, want de burgers zijn in feite de politici en hebben altijd het laatste woord.

Federale en decentrale staatsinrichting

De belangrijkste kenmerken van het politieke zijn verder het federalisme en de decentrale staatsinrichting. De kantons en gemeentes zijn in veel opzichten belangrijker dan de federale overheid.

Het politieke leven in de kantons is voor de burgers vaak belangrijker dan het federale niveau. Dit is een groot verschil met Nederland, waar verkiezingen voor de provinciale staten en provinciale politiek nauwelijks tot de verbeelding spreken.

De soeverein

Het volk is de soeverein en niet de politieke partijen, wiens ledenaantal bestaat uit 1% van de bevolking en dan nog eens eenzijdig samengesteld uit overwegend beroepspolitici en ambtenaren met een terugkeergarantie.

De 26 kantons en hun uiteenlopende talen, culturen, religies en veelal economische basis gedijen goed in dit systeem, dat is gegroeid in een eeuwenoud proces.

Conclusie

Dit neemt niet weg dat ook dit systeem zijn zwakke kanten heeft. Het werkt langzaam en is gecompliceerd en het is voor het buitenland moeilijk voorstelbaar dat de directe democratie afspraken en verdragen kan tegenhouden. In eigen land staat de rol van de Raad van Staten (Ständerat/Conseil d’Etats) ter discussie vanwege de het relatief grote stemgewicht van de kleine (Duitstalige) kantons.

Ook is het in een steeds complexere en internationale wereld de vraag of zeven ministeries de taak nog wel aankunnen. Uiteraard kennen de zeven departementen met name sinds 1945 een grote toename van taken, maar het creëren van een nieuw federaal ministerie vereist een grondwetswijziging en dus een referendum.

De nadelen leggen het echter ruimschoots af tegen de hierboven genoemde voordelen. Bij een referendum over het afschaffen van het referendum zou een overgrote meerderheid bij een zeer grote opkomst vóór het referendum stemmen en geen politicus, minister of politieke partij die dat kan of grondwettelijk mag negeren.

(Quelle und weitere Informationen: W. Lindner, S. Mueller, Schweizerische Demokratie. Institutionen, Prozesse, Perspektieven, 4. Aulage, Bern 2017)

De Tafeljura, Gelterkinden en het Chrindeltal

Het klimaat en de natuur veranderen al vanaf het eerste begin van de planeet aarde, ruim vier miljard jaar geleden. De Jura en de Alpen zijn hiervan vanuit geologisch oogpunt gezien relatief jonge getuigen. De oudste van deze twee heeft inmiddels zijn groeiproces voltooid. De Alpen nemen nog steeds in hoogte toe. De Gletsjergarten in Luzern biedt een indrukwekkend beeld van deze processen.

De natuur past zich ook permanent aan klimatologische omstandigheden aan, dit geldt voor flora en fauna, mensen, virussen, schimmels en bacteriën.

De mensheid

De mens neemt in dit proces echter een bijzondere plaats in. De mens is in staat de natuur en het klimaat op korte termijn te beïnvloeden en soms zelfs radicaal te veranderen. Over het klimaat wordt dagelijks bericht.

De explosieve groei van het aantal mensen, het plaveien van de aarde met steden, beton, cement, ijzer, steen, het veranderen van rivieren in kanalen, het omleggen van beekjes, het aanleggen van stuwmeren in valleien of het rooien van bosgebieden voor landbouw en veeteelt zijn van ingrijpende invloed.

Tafeljura-Plateau

Het Tafeljura-Plateau ligt ten oosten en zuidoosten van de stad Bazel in het kanton Basel-Landschaft. Het ligt in een Natuurgebied dat zich over 58 hectare uitstrekt over de Eselfluhholde, Chrindel, Stolten en Stierengraben.

Het woord plateau zegt overigens niets over het reliëf van het gebied. Deze regio is een doorsnede van het gebergte van de Jura. Bossen, weides, kloven, rotsen, beekjes en andere waterbronnen, ruïnes, burchten, dorpen en vergezichten bepalen het beeld.

Eeuwenlang was dit gebied in gebruik als landbouwgrond en voor veeteelt. Een van de menselijke ingrepen was het verleggen van beken en het aanleggen van dammen in dit waterrijke gebied, een auenlandschaft.

De Chöpfliweg in het Chrindeltal  ging dwars door dit deels drooggelegde landschap en was bedoeld voor karren en het vervoer van vee. De St. Georgequelle (de Jörkerbrunn) werd zelfs via een 5.3 kilometer lange leiding de drinkwatervoorziening van het nabijgelegen Sissach en dus onttrokken aan de natuur.

De Chöpfliweg

De Stierengraben dankt zijn naam ook aan deze periode. Stieren trokken de ploeg en de karren in de milde jaargetijden en verbleven als dank vanaf de herfst tot de lente in de open lucht in deze onherbergzame en vochtige omgeving. Aan het einde van de Stierengraben stort de ‘Rünenberger Giessen’, zich van 18 meter hoogte op het gesteente van de Jura. Het geeft een indruk van het rauwe leefgebied voor de stieren.

Oude gerenoveerde stal voor het vee 

Met huishoudelijke inrichting voor bezoekers

Oude drinkbakken voor het vee

Kortom, gedurende enkele eeuwen had de natuur een ander aanzien dan het oorspronkelijke waterlandschap. Dit voor flora en fauna zo belangrijke landschap met ongeveer 40% van plantensoorten in Zwitserland en een rijke schakering aan insecten, vlinders, vogels, amfibieën en kleine zoogdieren, was eeuwenlang een landbouwgebied. Tot overmaat van ecologische ramp rooide men de veelzijdige bomenvegetatie en verving deze door sparren.

Evolutie

Sinds 2011 heeft het waterlandschap echter weer haar vrije verloop en zijn de sparren vervangen door de authentieke bomenvegetatie. Op een gebied van 5 hectare in het Chrindeldal heeft de natuur zelfs de vrije verloop.

Het menselijke ingrijpen is op diverse plaatsen nog te zien, zoals de eeuwenoude en gerenoveerde veestal, de drinkbak voor het vee of de eeuwenoude Chöpfliweg. Ook de natuur gaat echter haar gang, inclusief een voor essen fatale schimmel, de Eschenwelke. De vrijgekomen ruimte is binnen de kortste tijd echter weer ingenomen door een grote variatie aan planten en struiken en ontkiemende andere bomen. De evolutie in een notendop.

Revolutie

Van evolutie naar revolutie is maar een letter verschil. En toch was dit de situatie in de jaren 1832/1833. Het dorp Gelterkinden afgeleid van het Alemannische Gelterkingen, koos in de opstand van Baselbiet tegen Basel-Stadt de kant van de stad. De stad Bazel had in 1461 de rechten op het dorp Gelterkinden van de Heren van Thierstein-Farnsburg verworven.

Het dorp verzocht zelfs om militaire steun van de stad tegen wat toen nog opstandelingen heette. Daarop bestormden en plunderden troepen van Baselbiet het dorp. Sindsdien maakt het dorp onderdeel uit van het kanton Basel-Landschaft.

Hereniging ?

De hang naar hereniging met kanton Basel-Stadt was er echter nog steeds. Dit kwam onder andere tot uiting in de mislukte  opstand tegen de kantonsregering in Liestal in 1840 (de Gemeindejoggeliputsch). Nog steeds zijn er initiatieven en zelfs (afgewezen) referenda voor een vereniging van beide kantons.

Liestal, Museum. BL. 1913, poster met oproep voor hereniging

Referendum 1936, poster tegen hereniging. Archief Basel-Stadt

Staatsarchiv Basel-Stadt

Dit veelzijdige natuurlandschap en deze historie treft de wandelaar aan op een deel van de Chirsiweg, de kersenweg, van Sommerau naar Gelterkinden. Kersenbomen staan al eeuwenlang in bloei in het voorjaar in het Oberbaselbiet en zijn nog steeds een belangrijke agrarische bedrijfstak. Deze regio heeft echter meer te bieden dan kersenteelt en toont vooral de veelzijdigheid van de Jura.

De kersenbomen van de Chirsiweg (Chirsi betekent kersen)

De Vereniging Nederland-Bazel organiseert jaarlijks wandelingen in de beide kantons Basel-Stadt en Basel-Landschaft, waarbij natuur, cultuur en historie en het sociale aspect centraal staan.

Het dorp Rünenberg

De Sta. Maria in Val Müstair

Zoals de naam van het dorp al aangeeft, was de kerk gewijd aan Maria, de Moeder Gods. De kerk komt in 1167 voor het eerst in een document voor, de Sta. Maria in Silvaplana. Sta. Maria wordt vervolgens de naam van het dorp. Volgens de legende stichtte Karel de Grote na diens veldtocht in 774/775 tegen de Longobarden en een sneeuwstorm op de Umbrailpas de kerk.

Van 1526-1837 (behalve 1620-1648): katholieken links, rechts protestanten.

De huidige kerk dateert uit het jaar 1492 en is een renovatie van de bouwmeester Andreas Bühler (1457-1512) uit het Oostenrijkse Kärnten.

Op basis van de religieuze vrijheid in de Freistaat der Drei Bünde (Ilanzer Artikel van 1526) nam het dorp de reformatie over en benoemde een dominee uit Sent (Unterengadin).

Müstair bleef echter katholiek. De katholieke minderheid in Sta. Maria kon de kerk nog gebruiken, en wel op de linker zitbanken ! Een compromis op zijn Zwitsers. Sta. Maria was bovendien al eeuwen een pelgrimsoord vanwege de Moeder Gods.

Uiteraard was er wel een spanningsveld tussen beide religies. Zo is bijvoorbeeld het verhaal bekend dat katholieken (links in de kerk) en protestanten (rechts in de kerk) tegen elkaar opzongen, de Fanfare (1958) van Bert Haantra in Sta. Maria !

Het ging goed tot 1620 en het begin van de Bündner Wirren (1619-1639). Het katholieke Habsburg bezette de vallei en verbood het nieuwe geloof. De protestanten bestormden vervolgens de kerk en gooiden de (Maria) beelden in de Rombach (Il Rom).

De Sta. Maria en Il Rom (de Rombach)

Stroomafwaarts, voor zover van hout, visten de katholieke inwoners van Zuid-Tirol deze uit de Etsch (Adige in het Italiaans) en brachten ze onder in kerken in Lichtenberg, Tschengls en Algund.

Met hulp van het (katholieke !) Franse leger kregen de protestanten in 1648 hun oude rechten terug. De katholieken mochten weer gebruik maken van de kerk zolang er katholieke inwoners waren. De laatste stierf in 1837. Het nieuwe Mariabeeld, gemaakt in 1621 in opdracht van de Habsburgers, werd vervolgens in een processie naar het klooster St. Johann gebracht. Volgens de overlevering huilde Maria bij deze gelegenheid.

De kerk heeft aan de buitenzijde van het koor nog een 8.22 hoge middeleeuwse afbeelding van Christoforus en bij het portaal een fresco uit 1513 van Jezus op de Olijfberg.

De kerk is ook bekend vanwege haar marmeren gedenkplaten uit de Weißwasserbruch uit Laas  (Zuid-Tirol), ook wel en met reden het marmerdorp genoemd.

De historie van de vallei, Graubünden en Zuid-Tirol is hier te lezen: Zuckerbäcker, Säumer, Podestà (voogd) van in 1512 door Graubünden veroverde Italiaanse gebieden (Veltlin, Bormio en Chiavenna), immigranten, dominees, de architect van Hotel Schweizerhof (bouwjaar 1903) Maini Swartz (1858-1937), kunstenaars en kooplieden.

De Schweizerhof en hieronder zijn architect

Kort historisch overzicht van directe democratie

Het Zwitserse model van directe democratie functioneert vaak als voorbeeld van het betrekken van burgers bij het nemen van (fundamentele) besluiten door de wetgever. De historische ontwikkeling en het functioneren in de specifieke context van dit land zijn echter veelal onbekend.

Ieder systeem heeft zijn voor- en nadelen, een ding staat echter vast, het democratische systeem is het minst slechte, of het nu gaat om presidentiële systemen in Frankrijk of Amerika, parlementaire systemen volgens evenredige vertegenwoordiging (Denemarken) of een districtenstelsel (Verenigd Koninkrijk), een federale constitutionele opzet, zoals Duitsland of een eenheidsstaat, zoals Nederland.

Functioneren

Het systeem in de Zwitserse Confederatie (Confoederatio Helvetica) neemt echter wel een bijzondere plaats in te midden van deze democratieën en alleen een goed inzicht in de historie en het ontstaan van de directe democratie op federaal niveau plaatst haar functioneren in het juiste perspectief.

Kantons en gemeenten hebben ook referenda, soms zelfs al lang voor de Grondwet en Confederatie van 1848.  

Deze federale directe democratie, hiermee wordt gedoeld op het middel van directe volksraadpleging van (Grond-) wet of internationale verdragen en een (dubbel) veto van de burgers (das Volk) en de Raad van Staten (Ständerat) betekent het einde van iedere wet of internationaal verdrag.

Over de voor- en nadelen van dit systeem wordt niet verder ingegaan, alleen de historische ontstaansgronden komen in het kort aan de orde.

Bottom up in een eeuwenoud proces

Dit heeft tot doel aan te tonen dat het een Bottom up gegroeid concept is, dat nauw samenhangt met de geografische ligging en natuurlijke omstandigheden, het multiculturele karakter van de bevolking, machtige dynastieën die de handelswegen en alpenpassen wilden beheersen en vooral een flinke dosis pragmatisme van de (boeren) gemeenschappen in de berggebieden in de middeleeuwen, die (juridische) problemen wilden oplossen, moeilijkheden (diefstal vee met name) wilden voorkomen en wegen moesten onderhouden.

De Nederlandse waterschappen hebben kennen deze historische ontwikkeling ook, alleen is Nederland steeds ondemocratischer geworden sinds toetreding tot de Europese Unie en de vorming van een nieuwe oligarchie van journalisten, ambtenaren, politici en hun (lucratieve) netwerken.

Historie

1 augustus 1291 heeft in dit perspectief nog steeds een magische klank en is zelfs de officiële verjaardag van het land. Drie Orte Schwytz, Uri en Unterwalden (de naam kantons zou pas eeuwen later worden gebruikt) sloten een verbond en bekrachtigden dit met een eed, vandaar de naam Eidgenossen.

Deze allianties en de eed kwamen overal in westelijk Europa voor. Wat deze zo bijzonder maakt is de continuïteit en gaandeweg steeds verdere uitbreiding met andere Orte, zoals Glarus en Appenzeller, en geleidelijk steden (Bern, Luzern, Bazel, Schaffhausen, Zürich, Freiburg, Solothurn en Zug) tot 1513.

De Orte en Landsgemeinde

In de eerste Orte, boeren- en handelsgemeenschappen, werden beslissingen al in de 13e eeuw genomen door bijeenkomsten van (mannelijke) burgers, die op hun beurt weer het bestuur kozen en recht spraken.

De landsheer (Habsburg bijvoorbeeld) had in feite weinig te zeggen, al bleven formeel de banden wel behouden. Het was een soort commune systeem, bedoeld om de eigen belangen zo goed mogelijk te behartigen.

De Landsgemeinde, bijvoorbeeld in het huidige kanton Graubünden, in feite zelfstandige gemeenten, kenden dit systeem ook al rond deze tijd, wellicht onder invloed van de Italiaanse stadsstaten, die door de opening van de Gotthardpas in 1230 goed bekend waren.

Het waren in lokale democratieën (voor mannelijke) burgers en de meeste stemmen golden, Een ideologisch concept ontbrak, het was vooral gericht op conflictoplossing- en beheersing en gemeenschappelijke belangen.

In deze gebieden waren grootgrondbezitters afwezig, de meeste boeren hadden  kleine bedrijven en de landsheer, Habsburg bijvoorbeeld,  heeft militair ingrijpen duur en een keer zelfs met zijn leven moeten bekopen in deze bergachtige gebieden.

Steden

In de stedelijke gemeenschappen ontwikkelden zich in de loop der eeuwen aristocratische oligarchieën en bestuursstructuren, waarin de elite (met name de gilden) wel op consensus en meerderheden was ingesteld, bijvoorbeeld bij de religieuze vragen rond 1530, maar de overige burgers geen directe invloed hadden.

Wel werd militair geweld als het even ging vermeden, ook omdat dit de kooplieden en handelaren veel geld kostte (en de meeste Zwitsers gingen bij voorkeur in buitenlandse militaire dienst, ook voor de elites een lucratieve handel).

De instelling van de Tagsatzung, de vergadering van de Orte (kantons) in 1417 betekende een instelling, die gericht was op consensus tussen de deelnemers. In 1417 was deze onder meer gericht op het gezamenlijk besturen van de op Habsburg veroverde Aargau.

Dit is in zeer grote lijnen het beeld tot de 18e eeuw, de periode van de Verlichting en de Amerikaanse en Franse Revoluties en de oprichting van talloze sociëteiten in de steden.

Negentiende eeuw

Binnen de steden wordt de roep om democratie ook steeds sterker. De Romantiek (en de media) versterkt het beeld van de democratische (middeleeuwse) Landsgemeinde en de soevereine communes in de bergbieden.

In alle stedelijke gebieden en kantons is democratie vóór en na de Franse tijd (1798-1813, met in 1803 het ontstaan de Zwitserse federatie van 19 kantons) het onderwerp bij uitstek en vooral de directe democratie, raadpleging van (mannelijke) burgers neemt daarbij een belangrijke plaats in.

Na 1815

De directe democratie krijgt steeds meer ideologische onderbouwing en ook in van oudsher oligarchische steden (onder andere Zürich, Freiburg, Bern, Solothurn) wordt de roep om directe volksraadplegingen steeds sterker, ook om de interne vrede in tijden van oproer (1830 en 1848) en industrialisatie te bewaren en vanwege de godsdienstconflicten tussen de kantons (Sonderbundskrieg 1847).

1848

Bij de Grondwet van 12 september 1848, de basis van het huidige Zwitserland, is wel het verplichte referendum opgenomen (obligatorisches Referendum), maar nog geen nationaal fakultatief referendum.

Dit instituut bestond echter al in meerdere kantons. Steeds meer kantons zouden dit voorbeeld na 1848 volgen, omdat het bleek te werken (Aargau, Solothurn, Graubünden, Thurgau, Zürich en in 1869 zelfs Bern).

De aanleg van spoorwegen, tegengestelde belangen tussen spoorwegbaronnen en landeigenaren en onrust in de snel groeiende steden bespoedigden dit proces.

1874-1891

Er zijn tot 1874 altijd tegenstanders geweest van het referendum met dezelfde argumenten als tegenwoordig: het volk heeft onvoldoende inzicht, het ondermijnt de parlementaire representatieve democratie, de elite weet wat goed is voor het land, ‘populisten’ (is dat niet iedere politicus ?) maken er misbruik et cetera.

Na eindeloze discussie in de Nationalrat (parlement) en Ständerat zijn in 1874 (fakultatives Referendum) en 1891 (Volksinitiatieve)  referenda en hun voorwaarden opgenomen en, uiteraard, na een referendum aangenomen.

Na deze eeuwenlange ontwikkeling en discussies zou het land niet meer zonder kunnen en willen om redenen die hier verder niet aan de orde komen, maar de belangrijkste voordelen zijn een tegenwicht aan clientèle vorming, opportunisme en waan van de dag van het (politieke) establishment en the proof of the pudding is in the eating. 

Democratie laat zich nooit relativeren, niet op lokaal, regionaal of landelijk niveau, maar ook niet binnen de EU. (Bron: O. Meuwly, Une histoire de la démocratie directe en Suisse, Neuchâtel, 2018).