Rougemont en Cluny

Rougemont (Kanton Vaud) is niet alleen gekwalificeerd als een van de mooiste dorpen van Zwitserland. Het is bovendien ook geregistreerd als een priorij van het duizendjarige netwerk van Cluny.

Het Romaanse klooster staat aan de rand van het dorp. Het is gebouwd rond 1080 en, ondanks latere renovaties, nog in een redelijk authentieke staat. Het

aangebouwde kasteel stamt uit 1555. Kanton Vaud bestond toen nog niet.

Tot 1555 hoorde Rougemont bij de Graven van Gruyère. De graaf ging echter failliet en Bern werd de rechtsopvolger. Het kasteel was de  huisvesting van de voogd. Bern was protestant en ook de kerk ging over tot het nieuwe geloof.

Het kasteel is tegenwoordig in privé bezit en niet toegankelijk voor het publiek. Een bezoek aan het interieur van de kerk maakt dit echter meer dan goed.

Bron en verdere informatie: www.rougemont.ch 

Art’Rhena

De regio’s Bazel, Baden en Elzas aan de Bovenrijn (Oberrhein/Haut-Rhin) delen niet alleen een gemeenschappelijke Alemannische taal, maar zijn al eeuwenlang cultureel, sociaal en economisch nauw met elkaar verbonden.

Op diverse gebieden bestaat al decennia concrete samenwerking, onder andere in de organisaties Regio Basiliensis en RegioTRiRhena. 

Sinds 2021 is er de Frans-Duitse culturele samenwerking Art’Rhena, op een eiland in de Rijn, île du Rhin, in Vogelgrun aan de Frans kant, tegenover de ‘Europastad’ Breisach aan de andere, Duitse oever van de Rijn.

Breisach. Foto: TES

Art’Rhena functioneert sinds oktober 2021. Op 19 september 2022 jongstleden was er een paneldiscussie met vertegenwoordigers uit de kunst- en cultuursector en gaven kunstenaars een korte uiteenzetting over hun werk op het gebied van beeldhouwen, schilderen, dichten en liederen componeren in de Alemannische taal, muzikaal cabaret en conceptuele kunst. Ook het Frans-Duitse orkest Chüt presenteerde zich.

Het evenement was georganiseerd door RegioTriRhena en de regio Eurodistrict Region Freiburg – en Centre et Sud Alsace.

In oktober gaat het nieuwe seizoen van Art’Rhena midden in de Rijn van start.

Verdere informatie: Art’Rhena (artrhena.eu)

De Mauritius kerk in Saanen

De eerste St. Mauritiuskerk in Saanen stamt waarschijnlijk uit de tijd van het eerste Bourgondische Koninkrijk (446-534). De kerk viel toen onder het bisdom Lausanne. Zeker is in ieder geval dat de Graaf van Gruyère de kerk in 1228 schonk aan de abdij van Cluny, dat wil zeggen aan de Clunianer kerk van Rougemont.

Vanwege een sterke bevolkingsgroei is de kerk in 1447 verbouwd. Daarna zijn er geen grote veranderingen meer geweest, aan de buitenkant althans.  Het Beinhaus en bijbehorende kapel zijn in 1511 voltooid.

Beinhaus met kapel

Vanwege de reformatie in 1555, na overname van het Saanenland door het protestante Bern, is het interieur van katholieke symboliek ontdaan en zijn de vijftiende eeuwse fresco’s overgekalkt.

Dat is achteraf een geluk, want daardoor zijn ze goed bewaard. Dit is overigens ook het geval met veel vroeg christelijke kerken  (eerste tot derde eeuw n. Chr. !) in Egypte en Syrië na de verovering door de Moslims in de zevende eeuw. Wat dat betreft zijn de afgelopen twintig jaar rampzaliger geweest dan de dertien eeuwen daarvoor.

De hoofdrol in de fresco’s is, hoe kan het ook anders, weggelegd voor de heilige Mauritius en zijn Thebaanse legioen. De andere onderdelen volgen verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament. De kwaliteit van de fresco’s is zeer goed.

Daarnaast was de kerk bekend vanwege haar grote klokken uit de vijftiende eeuw (de Festtagglocke, de Mittagsglocke, de Vesperglocke, de Feuerglocke en de Wasserglocke.

Helaas kwam daar door de grote brand op 11 juni 1940 een einde aan. De klokkentoren brandde met klokken en al af. De huidige toren en klokken zijn van na 1941, wat echter weinig afdoet aan de muzikale kwaliteit van het veelzijdige op bepaalde gebeurtenissen afgestemde klokken.

(Bron: F. Würsten, Führer durch die Mauritiuskirche in Saanen, Gstaad, 2006)

De pastorie uit 1772

De beau monde aan het dorpsplein van Gstaad

Gstaad maakt onderdeel uit van de gemeente Saanen (kanton Bern). De kraanvogel in het wapen van het dorp is een verwijzing naar de banden met de graven van Gruyère. De graven bestuurden vanaf de elfde eeuw een gebied vanaf de bron van de Sarine tot aan het meer van Gruyère.

In 1554 gaat de graaf failliet. Het graafschap wordt vervolgens opgedeeld tussen het protestante en Duitstalige Bern en het katholieke en overwegend Franstalige Fribourg. Bern krijgt Gstaad en Saanen (het Saanenland) en Pays-d’Enhaut, Fribourg verwerft het overige deel van het graafschap.

In 1803, tijdens de Franse tijd (Mediationsakte en de nieuwe confederatie (1803-1813) houdt Bern het Saanenland, maar het Pay d’Enhaut wordt deel van het nieuwe kanton Vaud.

De schoonheid van de natuur was in de achttiende eeuw al opgemerkt door de (Engelse) Grand Tour reizigers en Duitse dichters en schrijvers. Na de Napoleontische tijd verandert er aanvankelijk weinig aan het grotendeels boerenbestaan. Na 1860 neemt het toerisme snel toe en wordt binnen twee generaties de belangrijkste economische bezigheid.

Gstaad Palace

Le Grand Bellevue

De aanleg van spoorweg Montreux-Gstaad leidt tot steeds meer toeristen. Het is de periode van de Grand Hotels in Gstaad, onder andere het Gstaad Palace, Gstaad Bellevue en diverse kuuroorden. Na 1935 begint ook de bouw van liften, kabel- en gondelbanen. De belangrijkste bestemmingen zijn de Wispile, Wasserngrat en de Eggli.

Ondanks het mondaine imago heeft het dorp zijn authenticiteit behouden en het dorpsplein met kapel (De St.-Niklaus Kapelle uit 1402) doet niet vermoeden dat hier de beau monde in grote getale aanwezig is.

(Bron en verdere informatie: www.gstaad.ch)

De St.- Niklaus Kapelle

Vanaf de Wispile

SBB Bahnhof, Bazel

De handel en wandel van de Aletschgletsjer

De Aletsch-gletsjer en de drie bergtoppen Eiger, Mönch en Jungfrau, les Trois Bernoises, zijn het middelpunt van het UNESCO-Werelderfgoed ‘Swiss Alps Jungfrau-Aletsch’. De Engelse natuurkundige, wiskundige en gletsjer-onderzoeker John Tydall (1820-1893) schreef al in 1860:

The Aletsch glacier is the most impressive glacier of the Alps. We stood above it while the surrounding mountains generously fed the gigantic ice stream”.

De Aletschgletsjer

De Konkordiaplatz op deze gletsjer dankt zijn naam aan een andere Engelsman, J. F. Hardy. Het kruispunt van diverse gletsjers vergeleek hij met de Place de la Concorde in Parijs. De ijsdikte was hier rond 1937 nog 900 meter.

Deze en honderden andere gletsjers hebben het landschap in grote delen van Zwitserland in een proces van honderdduizenden jaren gevormd.

Zelfs de machtige Aletschgletsjer kent echter een begin en vooral periodes van af- en toename van dikte en lengte, die tegenwoordig nog ongeveer 22 kilometer bedraagt met een huidige teruggang van ongeveer 50 meter per jaar.

Miljoenen jaren geleden lag Zwitserland nog grotendeels onder water in een subtropisch klimaat. Daarna is het in een lang proces steeds kouder geworden. Het hoogtepunt was ongeveer 24 000 jaar geleden tijdens de laatste ijstijd.

Het einde, juli 2022

Onderzoek

De Aletsch-, Fiescher- en de Rhônegletsjers reikten tot Lyon in het zuiden en Solothurn in het noorden met een dikte van tot 1 700 tot 500 meter! De gemiddelde temperatuur was 14 graden lager dan tegenwoordig.

Modern onderzoek is in staat het historische verloop van gletsjers tot 24 000 jaar terug redelijk nauwkeurig in kaart te brengen. De eerste wetenschappelijke onderzoeken dateren uit het jaar 1841.

Alfred Escher von der Linth (1807-1872) publiceerde in dat jaar al over het afsmelten van de Aletschgletsjer. Dit proces gaat, zoals bekend, tegenwoordig steeds sneller, tot meer dan 50-70 meter per jaar. Sinds 1860 is de gletsjer ongeveer 4 kilometer kleiner geworden.

De Blausee, Kandertal

Het afsmelten van gletsjers is dus geen nieuw fenomeen. Talrijke meren zijn het resultaat van dit proces, van de Blausee (kanton Bern), Märjelensee (kanton Wallis) tot de meren van Neuchâtel, Morat (Murten) of Bienne (Biel). Het grote afsmelten begon rond 12 000 jaar geleden. In vijftig jaar tijd steeg de temperatuur met maar liefst 7 graden!

Het was echter een proces met koude- en warmteperiodes. Tussen 1300 en 1850 was bijvoorbeeld sprake van een kleine ijstijd, waarbij ook de Aletschgletsjer zijn maximale omvang bereikte.

Johannes Bemme (1775-1841), 10 Januari 1795, de Franse Generaal Jean-Charles Pichegru (1761-1804) steekt de bevroren Waal over. Prentenkabinet Rijksmuseum Amsterdam

Abraham Beerstraten  (1643-1666), de kleine ijstijd, 1660. Musée d d’art et d’histoire, Ville de Genève.

Schilderijen, prenten, documenten en literatuur uit deze periode getuigen van de koude. In Nederland vergemakkelijkte het bevriezen van de grote rivieren in het rampjaar 1672 en bij de inval van Napoleon in 1795 bijvoorbeeld de opmars van de aanvallers.

Tussen 800 en 1300 was het aanzienlijk warmer en had de Aletschgletsjer ongeveer zijn huidige omvang. In de Brons- en IJzertijd (1300-100 v. Chr.) was hij zelfs kleiner dan tegenwoordig.

Fieschengletsjer

De Fieschengletsjer is de kleine broer van de Aletschgletsjer. De Finsteraarhorn is het 4000+ middelpunt van deze gigant van bijna 15 kilometer. Deze gletsjer was in de zeventiende eeuw zo bedreigend voor de gehuchten Brucheren en Unnerbärg dat de hulp van boven en de Paus werd ingeroepen in het katholieke Wallis. Een jaarlijkse processie, veel geloftes (onder andere geen dans en geen rode schoenen voor vrouwen) en dagelijkse gebeden. Sinds 1860 verhoort de gletsjer deze gebeden kennelijk en trekt hij zich terug.

De processies en de geloftes zijn er nog steeds, maar tegenwoordig om de hulp van boven in te roepen om de gletsjer weer te laten groeien, in ieder geval het verval te stoppen !

John Tyndall

De hierboven vermelde John Tyndall verdient bijzondere aandacht. Hij was niet alleen een vermaard gletsjeronderzoeker en beklimmer van onder andere  de Jungfrau, Weisshorn, Dufourspitze, Finsteraarhorn en de Aletschhorn. Hij hield van Zwitserland, Wallis en Belalp in het bijzonder.

Vanaf 1861 tot aan zijn dood verblijf hij de zomermaanden in Hotel Belalp, gebouwd in 1857. De Anglicaanse kapel stamt uit 1884 . Tyndall bouwde in 1877 zelfs een Engelse landhuis, Alp Lüsgen, naast het hotel. De stad Naters verleende hem in 1887 het ereburgerschap. Een monument bij zijn landhuis gedenkt deze bouwer van de hoogste villa in Europa.

Engelsen

Het is niet het enige visitekaartje van de Engelsen. Aan de voet van de Eggishorn begon de Walliser Alexander Wellig met Engelse financiële steun met een eenvoudige herberg. In 1902 was het een complex met het Grand Hotel Jungfrau-Eggishorn (102 bedden), twee (Anglicaanse) kapellen, een postbureau, tennisclub en andere faciliteiten.

Das schreckliche Trümmergebilde”, in deze tijd het bekendste uitzichtspunt van de Alpen, was de grote trekpleister en bestemming van vele alpinisten met het Grand Hotel als uitgangspunt. Tot 1968 floreerde het hotel. De aanleg van een telecabine vanuit het dal betekende het einde van het Grand-Hotel, letterlijk, want in 1972 brandde het af.

Das schreckliche Trümmergebilde, zicht vanaf de Eggishorn. 

Sir Ernest Cassel (1852-1921) bouwde op  de Riederfurka in 1902 een mansion met 25 kamers. De villa, gelegen naast het in 1882 Grand Hotel Riederfurka, is tegenwoordig de locatie van het Naturschutzzentrum Aletschwald, maar was in de jaren 1920 tot aan de Eerste Wereldoorlog een soort voorloper van het Wereld Economisch Forum in Davos. Sir Winston Churchill (1874-1965) was een van de vele bezoekers  uit politiek, economie, cultuur en financiële wereld.

Conclusie

De Aletschgletsjer is het middelpunt van een UNESCO Werelderfgoed regio. De gletsjer heeft een eerbiedwaardige leeftijd en een historie met voor- en tegenspoed, dat wil zeggen, groei- en afname. Hij is ook een van de eerste wetenschappelijk onderzochte gletsjers en een bakermat van en voor het (Engelse) toerisme vanaf 1850 tot de Eerste Wereldoorlog.

Hij toont tevens dat huidige gletsjers, evenals bergen, meren, rivieren, flora en fauna, geen vanzelfsprekendheid zijn, maar uitkomsten van natuurlijke processen van vele miljoenen jaren. De mens of mensheid beïnvloedt tegenwoordig de natuur sneller en meer dan ooit tevoren. Uniek is het echter niet. De planeet aarde draait nog wel even door, zoals ze al vier miljard jaar doet.

Dit neemt niet weg dat de mens (zorg voor de natuur begint bij ieder individu) of mensheid respect moet hebben voor dit grootste en grootse werelderfgoed. Daar hoeft de UNESCO geen etiket op te plakken.

Bron en verdere informatie: Home – UNESCO World Heritage Swiss Alps Jungfrau-Aletsch (jungfraualetsch.ch)

De Matterhorn vanaf de Aletschgletsjer

125-jaar Zionistencongres in Bazel

Het ontstaan en de oprichting van de staat Israel in 1948 vindt haar directe oorzaak in de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). Het eerste concrete initiatief stamt echter uit de tweede helft van de negentiende eeuw en het eerste Zionistencongres in 1897 in Bazel.

Theodor Herzl (1860-1904), een Joodse burger uit de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije, schreef in 1896 zijn manifest Der Judenstaat. Versuch einer modernen Lösung der Judenfrage. Directe aanleiding was het eeuwenoude antisemitisme.

Van 26-29 augustus 1897 organiseerde hij in Bazel een congres om dit idee te bespreken. Deze stad was niet zijn eerste keus. Aanvankelijk was München de bestemming, maar uitgerekend de Joodse tegenstanders van een Joodse staat en hun vooraanstaande Rabbijnen staken daar een stokje voor.

Het (relatief) tolerante Bazel was het alternatief. Goed bereikbaar midden in Europa, met het moderne concertgebouw Casino als congresplaats en een goed onderkomen voor de notabelen in Grand Hotel Les Trois Rois.

Tijdens het congres zagen de inwoners van Bazel een bont gezelschap uit alle delen van Europa. Er waren ongeveer tweehonderd congresgangers (waaronder tweeëntwintig vrouwen).

Ondanks alle meningsverschillen en discussies was het evenement vanuit het gezichtspunt van Herzl een doorslaggevend succes: “in Basel habe ich den Judenstaat gegründet” en zijn balkonscène in Hotel Les Trois Rois is iconisch.

In 1898 en 1899 organiseerde hij weer twee congressen in Bazel met steeds meer deelnemers. In totaal vonden tien zionistische congressen in Bazel plaats, de laatste in 1946.

Concilie,  reformatie en hervormingen

Het Concilie van Bazel (1431-1449) domineerde lange tijd de toekomst van de katholieke kerk. De zionistische congressen in Bazel van 1897-1946 waren medebepalend voor het ontstaan van de staat Israël op 14 mei 1948. Deze bijeenkomsten voorzagen echter niet de dynamiek en de tragedies nadien.

Dat is ook de parallel met het Concilie van Bazel. De hervorming van de (katholieke) kerk was een concreet aandachtspunt in grote delen van Europa in de vijftiende eeuw en ook op dit Concilie. De Boheemse hervormer Jan Hus (1370-1415) moest het met de dood bekopen en alles bleef bij het oude.

Maarten Luther (1483-1546) was honderd jaar later succesvoller, mede door de boekdrukkunst, maar kon ook de tragedies van zijn schisma niet voorzien. De in Bazel woonachtig Erasmus vreesde er echter wel voor, er was om deze reden tegen een formele splitsing van de kerk, maar voor een hervorming van binnenuit.

Vierhonderd jaar later faalde ook een hervorming van het Communisme van binnenuit (Hongarije 1956, Praagse Lente 1968, Solidarnosc, 1981) wat leidde tot de val van het communisme in 1989 en de daaropvolgende tragedies op de Balkan en tegenwoordig in de Oekraïne en andere voormalige Sovjet-Republieken.

Herdenking

De herdenking van het eerste Zionistische congres op 29 augustus jongstleden in het bijzijn van de president van Israël vond plaats onder de meest strenge veiligheidsmaatregelen te water, te en onder land en in de lucht. Het contrast met 1897 kan niet groter zijn.

Bazel en de staat Israël zijn in ieder geval onlosmakelijk met elkaar verbonden. Anne Frank en haar familie konden dat in 1933 nog niet vermoeden toen Zwitserland de bakermat zou worden van het Anne Frank Fonds en de woonplaats van haar vader na 1945.

Ook Herzl kon de ontwikkelingen na zijn dood in 1904, de beide wereldoorlogen (1914-1918 (inclusief de Balfour-Verklaring) en 1939-1945) en het ontstaan van Israel in 1948 niet voorzien. Hoe zou hij nu op het balkon staan ?

De Romaanse Diaspora

In het kader van het project “Rumantsch en la diaspora“, Romaans in de Diaspora, van de Lia Rumantscha, zijn vijf Reto-Romaanse gemeenschappen in Duitstalig Zwitserland opgericht.

Doel van het project is een duurzaam aanbod van organisaties voor behoud van deze taal en cultuur voor de ‚Romaanse diaspora‘ in Zwitserland te garanderen.

Ongeveer een derde van de Reto-Romanen (de Romaanse diaspora) woont buiten het Reto-Romaanse taalgebied (Graubünden). Het Ministerie voor Cultuur (Bundesamt für Kultur) heeft de bevordering en behoud van de Romaanse taal en cultuur buiten het taalgebied tot prioriteit verklaard.

Op basis van deze situatie lanceerde de Lia Rumantscha eind 2021 het project “Rumantsch en la diaspora”. Doel van het project is de basis te leggen voor geïnstitutionaliseerde samenwerking en lokale Romaanse gemeenschappen in het land op te richten.

In de eerste fase nam de Lia Rumantscha het initiatief voor het opzetten van organisaties in Duitstalig Zwitserland. Deze stap vond plaats tussen januari 2022 en juni 2022. Het resultaat is de oprichting van vijf Romaanse gemeenschappen in Bazel, Bern, Luzern, St. Gallen/Appenzell en Winterthur.

Vanaf najaar 2022 zullen deze organisaties in samenwerking met de Lia Rumantscha evenementen organiseren. De eerste bijeenkomst vindt op 24 september plaats in Luzern.

Bron en verdere informatie: www.liarumantscha.ch

De pontificale Zwitserse Garde

Zwitserland en het Vaticaan vierden op 8 november 2021 in Bern het 100-jarig herstel van de diplomatieke betrekkingen, die bijna een halve eeuw (1873-1920) onderbroken zijn geweest. Vanwege Corona was er een jaar uitstel van de festiviteiten.

Een kleine toelichting: Vaticaanstad is de naam van natie, soevereine land of het wereldlijke gebied. Vaticaanstad ligt, zoals bekend. midden in Rome. Als soevereine staat bestaat het Vaticaan pas vanaf 11 februari 1929.

De Heilige Stoel is de functie van de Paus als geestelijk leider van de katholieke kerk. Feitelijk en wat betreft bestuur vallen Vaticaanstad en de Heilige Stoel grotendeels samen. Tot 1929 was er echter nog geen staatsrechtelijk verschil. De Paus (de Heilige Stoel) oefende de wereldlijke macht (Vaticaanstad) en de spirituele macht uit.

De Zwitserse Garde (Pontificia Cohors Helvetica), zie hieronder, is in dienst en wordt betaald door de Heilige Stoel en heeft formeel geen band met Vaticaanstad.

De Apostolische Nuntiatuur in Zwitserland werd in 1586 in Luzern geopend en is de oudste permanente vertegenwoordiging van de Heilige Stoel (vanaf 1929 dus de vertegenwoordiging in de staat Vaticaan)  ten noorden van de Alpen. De toenmalige Confederatie (Eidgenossenschaft) van dertien kantons bestond echter uit protestante en katholieke kantons. Luzern was een katholiek kanton.

Bern, Apostolische Nuntiatur. Foto: Nonciature – Conférence des évêques Suisses (eveques.ch)

In 1873 leidde de (religieuze) Kulturkampf tot het verbreken van de diplomatieke betrekkingen tussen Zwitserland en de Heilige Stoel. Ze werden pas in 1920 hervat.

Zwitserland en de Heilige Stoel onderhouden al  eeuwenlang betrekkingen. Een bijzondere en zichtbare band is de Zwitserse Garde. Deze is in 1506 door Paus Julius II (1443-1513) opgericht. De Paus verzocht de Tagsatzung van de Eidgenossenschaft in 1505 een contingent Zwitserse soldaten ter bescherming van het Vaticaan ter beschikking te stellen.

Raphael (1483-1525), Julius II, 1511. Foto: Wikipedia

Met financiële steun van  de bankier Jacob Fugger (1459-1525) uit Augsburg arriveerden op 6 januari 1506 honderdvijftig Zwitserse gardisten in het Vaticaan. Deze datum geldt als de dag van oprichting van de Zwitserse Garde. De Zwitserse Garde behoort daarmee tot ´s werelds oudste nog actieve militaire verbanden.

Andrea Aacchi, Jan Miel, Filippo Gagliardi, Schilderij van de moederkerk van de Jezuiten Il Gesù in Rome, ter gelegenheid van honderd jaar Jezuitenorde, 1640. Collectie Nazionali d’Arte Antica di Roma. Tentoonstelling ‘Barock. Zeitalter der Kontraste’. Nationalmuseum Zürich.

Detail: Zwitserse Gardisten

De bescherming was niet altijd mogelijk. Op 6 mei 1527 stierven 147 van de 189 gardisten bij de Sacco di Roma door de Habsburgse keizer Karel V (1500-1558) tijdens diens conflict met Paus Clemens VII (1478-1534). Sindsdien is deze dag de gedenkdag van de Garde. Pas in 1552 bereikte de Garde weer de volle sterkte van tweehonderd man.

Pratteln, Galerie Beyeler, tentoonstelling ´Schweizer Garde´, 2019. Foto: TES.

De grootste tragedie vond echter plaats op 10 augustus 1792 en de maanden daarna in Parijs. Op deze dag bestormden het volk en revolutionaire troepen de Tuilerieën, het verblijf van de Franse koning Lodewijk XVI (1754-1793). Ongeveer zevenhonderd gardisten overleefden het niet. Het Leeuwenmonument (Löwendenkmal) in Luzern herinnert hieraan.

De gardisten in het Vaticaan zijn de laatste huurlingen die grondwettelijk in Zwitserland zijn toegestaan. De Grondwet van 1848 verbood deze (lucratieve) eeuwenoude praktijk.

De Zwitserse regering der Bundesrat/Conseil fédéral)  bevestigde de toestemming op 15 februari 1929: ‘Die Päpstliche Garde kann nicht als ausländische, bewaffnete Einheit betrachtet werden, daher darf jeder in ihren Dienst treten’.

Kort daarvoor, op 11 februari 1929, hadden het Vaticaan en Italië het Lateranenverdrag gesloten. Dit verdrag erkende het Vaticaan als zelfstandige staat met controles aan de grenzen en militairen. De Zwitserse Garde vervulde deze functies in een overgangsperiode, tegenwoordig niet meer.

Overzicht van de commandanten van de Zwitserse Garde in het Gardemuseum in Naters. Foto: www.gardemuseum.ch

Pratteln, Galerie Beyeler, Tentoonstelling  Schweizer Garde, 2019. Foto: TES.

Het aantal gardisten is onlangs uitgebreid van honderd tot honderdvijfendertig mannen. De voorwaarden zijn echter ongewijzigd: man, vrijgezel, (belijdend) katholiek, man en Zwitsers staatsburger.

Het Gardemuseum in Naters (Kanton Valais) is gewijd aan verleden, heden en toekomst van de Zwitserse Garde in het Vaticaan (www.zentrumgarde.ch).

Renovatie van de kazerne van de Zwitserse Garde

Een aspect van de nabije toekomst is de bouw van nieuwe kazernes voor deze garde. Deze zijn sinds de negentiende eeuw niet gemoderniseerd. De Stichting voor de Renovatie van deze kazernes (La Fondation pour la Rénovation de la Caserne de la Garde Suisse Pontificale au Vatican/ Die Stiftung für die Renovation der Kaserne der Päpstlichen Schweizergarde im Vatikan) zet zich hiervoor in.

Galauniform van de Zwitserse Garde. Collectie Nationalmuseum Zürich

Galauniform Zwitserse Garde, c. 1820. Collectie: Rätisches Museum, Chur.

Uniform Zwitserse Garde, 20 augustus 2022 in Lugano. Foto: TES.

Palazzo Castelmur en de banketbakkers

Het Palazzo Castelmur in Coltura (gemeente Stampa) is gelegen in Bergell (Bergaglia) in het kanton Graubünden.

Vanaf de Romeinse tijd en tot in de 19e eeuw was Bergell een belangrijke verbindings- en doorgangsweg. Het kanton was eeuwenlang een onafhankelijke republiek, de Republik der Drei Bünde.

Ze werd pas in 1803 als kanton lid van de Zwitserse Confederatie. Van 1512 tot 1798 (jaar van de Franse invasie en stichting van de Helvetische Republiek 1798-1803) bestuurde deze Republiek gebieden die bij Italië horen: Bormio, de Valtellina en Chiavenna.

Bron: Gian Andrea Walther, David Wille, Palazzo Castelmur, Stampa 2015

De inrichting van het Palazzo in dit kleine dorp getuigt van een geslaagde emigratie en remigratie. De permanente tentoonstelling in het Palazzo toont de geschiedenis van de emigratie van banketbakkers uit deze regio en Graubünden.

George Kuhnt, Konditorei Barth & Cloetta, Breslau, c. 1854. Tentoonstelling ‘Die Bünder Auswanderungsgeschichte von Zuckerbäckern’. Foto: TES.

Het gebouw heeft verschillende stijlen, aangezien het bestaat uit twee gebouwen die ongeveer 130 jaar na elkaar zijn gebouwd. Het eerste gebouw is ontworpen in opdracht van Giovanni Redolfi (1658-1742) en dateert uit 1723.

De familie Redolfi was aan het eind van de 16e eeuw werkzaam als banketbakker in Venetië. In de 17e eeuw waren zij ook kooplieden en stonden zij aan het hoofd van het gilde van banketbakkers (scalateri). Dankzij de bloeiende handel heeft Giovanni Redolfi in 1723 het patriciërshuis in Coltura kunnen bouwen na zijn remigratie.

Giovanni de Castelmur (1800-1871) was de opdrachtgever van de uitbreiding in Lombardische/Venetiaanse stijl. De combinatie van oud en nieuw en de herinrichting van het gehele complex zijn het werk van verschillende Milanese specialisten en handwerkslieden uit Lombardije.

De binneninrichting is met meer luxe ingericht. De woonkamers van het voormalige Casa Redolfi zijn, met uitzondering van één kamer, voorzien van gelakte lambrisering en behang. In de nieuwe aanbouw kan men de eetkamer, de bibliotheek, de salon, de met rood en groen behangen slaapkamers en de vier kleine torenkamers bewonderen. De muren en plafonds van de meest representatieve vertrekken zijn versierd met muurschilderingen; de trompe l’oeil schilderingen zijn het meest opvallend.

Het grote patriciërshuis van Redolfi, met deze uitbreiding en de gevel met torentjes, moest een weelderiger karakter krijgen, in de stijl van een kasteel. De leden van de familie Castelmur, die al sinds de 12e eeuw bij naam wordt genoemd, vormden een van de invloedrijkste families in Bergell en Graubünden. Giovanni de Castelmur was van plan de familie in ere te herstellen.

Giovanni was opgegroeid in Marseille in een familie die, zoals vele andere Bündner families, zich toelegde op de banketbakkerij. Op dertigjarige leeftijd was hij al zeer vermogend en besloot hij terug te keren naar Bergell en het patriciërshuis uit te verbouwen met het aanzien van een kasteel.

Het huis werd een paleis of kasteel van geschilderde illusies, een façade in de gotische stijl van Lombardije en Venetië. Het dak was beschilderd met gotisch metselwerk. De Grote Zaal onthult rococofantasie uit 1853, in de beste traditie van de Oostenrijkse Habsburgse monarchie. Het gewelf heeft ramen met gekleurd glas.

Het paleis toont verder vele schilderijen, (zeer zeldzame) stadskaarten en grafische werken en een compleet 18e en 19e eeuws aristocratisch interieur.

Nossa Dona

De kerk Nossa Dona (Santa Maria) bestond al in de middeleeuwen. Na de reformatie rond 1530 raakte ze in vergetelheid en verviel ze bijna tot een ruïne. Dit geldt ook voor de middeleeuwse Donjon tevens tolstation. De familie De Castelmur verwierf en renoveerde beide in de negentiende eeuw. De kerk is sindsdien het mausoleum van de familie.

(Bron: Gian Andrea Walther, David Wille, Palazzo Castelmur, Stampa 2015)

Coltura, Palazzo Castelmur en Nossa Dona: Foto: TES

Chur, Rhätisches Museum. Foto: TES

De Albulapas door de eeuwen heen

De Albulapas in kanton Graubünden was vanaf de verovering door de Confederatie van de Italiaanse gebieden in de Veltina rond 1500 een belangrijke handelsweg en strategische pas. Kooplieden, Säumer genaamd, vervoerden met ezels, paarden en muildieren wijn vanuit Italië en zout, granen en rijst uit Tirol. Ze namen naar het zuiden vee, melkproducten, ertsen en metalen uit Bergün (Bravuogn in het Romaans) en Filisur mee.

In 1548 kwam er bovendien een postdienst, die ook personen in diligences, grote door zes of acht paarden getrokken koetsen, over de pas vervoerde. De Franse koning, sinds 1516 een bondgenoot van de Confederatie van dertien kantons en hun geallieerden, waaronder de Freistaat der drei Bünde, het huidige Graubünden, initieerde in dat jaar de postdienst naar de Republiek Venetië.

Hoewel ook de passen Splügen en Septimer in belang toenamen, bleef de Albulapas een belangrijke verkeersweg voor personen, post en goederen. In 1866 was de ruim vier meter brede verkeersweg tussen Bergün en Le Punt in het Oberengadin gereed. De reis van Chur naar St. Moritz duurde ‘nog maar’ veertien uur. Dit kwam het toerisme zeer ten goede.

 

Landwasserviaduct, Filisur. Foto: TES

De Albulabahn in 1903 verkorte de reisduur tot enkele uren. Vanwege het verbod van auto’s in het kanton duurde het tot 1925 voordat auto’s de pas konden gebruiken. De Albulabahn, het beroemde Landwasser viaduct bij Filisur en de bijna zes kilometer lange Albulatunnel zijn sinds 2008 geregistreerd als UNESCO-werelderfgoed van de Rätische Bahn. Tegenwoordig is de Albulapas geen belangrijke verkeersweg, maar voornamelijk een toeristische route en een pas voor lokale reizen.

De Albulapas maakte in de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) onder de naam de Sperre Albula deel uit van de verdedigingslinie, het Reduit, in de Alpen onder leiding van Generaal Henri Guisan (1874-1960). Iedere pas in het kanton was in deze periode een vesting van rotsen, bunkers en stenen obstakels.