Het afscheid van de Julierturm

Mozart, Bach, Rachmaninoff en vele andere (hedendaagse) componisten zijn er ten gehore gebracht door binnen- en buitenlandse musici en koren. Vele theater-, zang- en balletvoorstellingen hebben plaatsgevonden op 2 284 meter hoogte op de Julierpas.

Op initiatief van de Nova Fundaziun Origen is de Julierturm in 2017 voor theater, ballet en muziek gebouwd. Het project had aanvankelijk een duur van vijf jaar, maar is in verband met Corona met een jaar verlengd.

In september is het echter definitief voorbij en wordt de Julierturm weer net zo duurzaam afgebroken en verwerkt als hij destijds is gebouwd. Maar wat heeft het publiek kunnen genieten de afgelopen jaren!

In juli was zelfs een select gezelschap van het ballet van Opera Garnier uit Parijs op bezoek, wellicht haar eerste uitvoering op deze hoogte!

De intendant van de Nova Fundaziun Origen Giovanni Netzer (l) en de choreograaf en danser Sébastien Bertaud (r) van het ballet van Opera Garnier voorafgaand aan de voorstelling Anima Mundi (de ziel van de wereld) op 22 juli 2023

De Nova Fundaziun Origen kijkt echter alweer vooruit en hoopt in 2024 de ‘Weisse Turm’ in Mulegns (kanton Graubünden) voor kunstuitvoeringen open te stellen. Deze toren wordt met behulp van 3D techniek door ingenieurs van de ETH- Zürich gebouwd. De eerste contouren zijn al zichtbaar.

Mulegns, der Weisse Turm, maquette.

Mulegns, der Weisse Turm in aanbouw

Mulegns is het dorp waar Nova Fundaziun Origen twee andere projecten ontwikkelt: de verplaatsing van de Weisse Villa met acht meter om plaats te maken voor een bredere autoweg vond plaats in 2020 en de renovatie van het legendarische Post Hotel Löwe.

Het oude telegraafkantoor doet voorlopig dienst als informatiecentrum en tentoonstellingsruimte van textiel die in Riom in het atelier Pôss van Nova Fundaziun Origen wordt gemaakt. Riom is de thuisbasis van Nova Fundaziun Origen.

Julierturm farewell, adieu en grazcha fich, Weisse Turm bainvgnü en succes!

(Verdere informatie: Nova Fundaziun Origen, Riom)

Het toneel komt via een mechaniek vanaf de top van de toren op de begane grond

     

Susauna, Willem Jan Holsboer en de zilvervosfokkerij

Susauna (Oberengadin, kanton Graubünden) maakt deel uit van de gemeente S-chanf. S-chanf werd voor het eerst vermeld in 1139. Het bisdom Chur kocht soevereine rechten en land in het Oberengadin van de graven van Gamertingen.

Het gehucht Susauna ligt aan de ingang van het Val Susauna aan de beek Vallember. Tegenwoordig heeft Susauna ongeveer 20 inwoners en is het niet meer van groot economisch belang. Dat was vroeger wel anders.

De oude Säumerweg in het Susaunadal

Economie en de Scalettapas

Naast de Flüelepass was de Scalettapass tot in de 19e eeuw van groot economisch belang voor het goederenverkeer en de muilezelhandel (Säumerweg). Er liep een Säumerweg door het dal van Tirano (Veltlin, Italië) naar Gargellen (Vorarlberg, Oostenrijk) en de Bodensee regio (Duitsland).

Tegen het einde van de 19e eeuw werd de route over de Scaletta steeds minder gebruikt door de verbetering van andere wegverbindingen en de aanleg van spoorwegen.

Willem-Jan Holsboer (1834-1898), Heimatmuseum Davos. Foto: Wikipedia

Scaletta spoorweg

Aan het einde van de 19e eeuw werd er een spoorweg door de vallei gepland, de Scalettabahn. De Nederlandse ondernemer Willem Jan Holsboer (1834-1898) had al het initiatief genomen voor de spoorlijn Landquart-Davos (1888). In 1890 zou de Scaletta-spoorlijn worden geopend en door Bergell naar Chiavenna lopen.

Op 2 april 1890 diende Holsboer ook een concessieaanvraag in voor een spoorlijn van Cinuos-chel naar Martinsbruck, die als voortzetting van de Scaletta-lijn een verbinding met het Oostenrijkse netwerk moest garanderen.

De plannen gingen niet door en het Engadin werd toegankelijk door de Albula spoorweg (1903-1904). De route over de Scaletta-pas en het Val Susauna was al  eerder afgenomen door de aanleg van de Flüela-pas (1867).

De oude zilvervosfarm (Silberfuchsfarm) „Bernina en de huidige Veduta Susauna Pop-up

De Bernina Zilvervosfokkerij

De innovatiekracht van ondernemers uit Graubünden, en niet alleen van banketbakkers, hoteliers en andere toeristische exploitanten, was ook aanwezig in Susauna. Op 30 december 1928 kocht de “Bernina” zilvervosfokkerij de grond van het huis Chesa cotschna (rood huis) in het gehucht Susauna voor het fokken van zilvervossen. In december 1929 was het complex klaar.

Er waren 31 vossenverblijven en een vrije uitloop. Naast zilvervossen werden er ook Karakul schapen (dikstaartige schapen uit Bukhara) gefokt. In 1930 bestond de schaapskudde uit 24 ooien met lammeren en één volbloed Karakul ram.

Door een enorme daling van de prijs van zilvervossenbont moesten veel zilvervossenfokkerijen in Zwitserland hun deuren sluiten en werden ze geliquideerd. Dit was ook het geval met de zilvervossenboerderij in Susauna in 1934.

De Val Susauna is echter nog steeds een prachtige wandelgebied met de oude  Säumerweg, de hervormde kerk (1696) en de oude zilvervosfokkerij (de huidige Veduta Susauna Pop-up als oriëntatiepunten en een herinnering aan de ‘goede oude tijd’.

(Bron en verdere informatie: Gemeinde S-Chanf; Engadin Tourismus).

Lucelle en de Landskron, een Europese historie

Frankrijk en Zwitserland, de kantons Jura en Basel-Landschaft en het Departement Haut-Rhin komen samen in het dorpje (Grand-) Lucelle (Lützel). De Cistiziënzer abdij is rond 1123/1124 gesticht aan het riviertje La Lucelle (die Lützel).

Tegenwoordig vormt de rivier de grens tussen het Zwitserse kanton Jura en het Franse departement Haut-Rhin. In de 13e eeuw liep de grens nog tussen het prinsbisdom Basel en het graafschap Pfirt (Ferrette)

Habsburger nam in 1324  graafschap Pfirt over en Lucelle werd opgedeeld in twee delen: grotendeels Oostenrijks grondgebied, inclusief het klooster, en een klein deel grondgebied van de prins-bisschop van Bazel. Rond deze tijd was het Habsburgse klooster Lucelle na Murbach het rijkste en grootste klooster van de Elzas met ruim 200 monniken.

Een aardbeving beschadigde begin veertiende eeuw de Romaanse kloosterkerk. In 1346 is ze als hoge gotische basiliek herbouwd. In 1375 verwoestten de Gugler (huurlingen in de Honderdjarige Oorlog, 1337-1453) het klooster.

Het klooster wordt opnieuw verwoest in 1499, dit keer door de Eidgenossen in de Zwitserse of Zwabische oorlog na de Slag bij Dornach. In de Duitse Boerenoorlog van 1525 wordt het klooster opnieuw geplunderd, nu door boeren uit de Elzas.

Het klooster herstelt zich echter weer van deze gebeurtenissen en kan zijn grondgebied in 1526 zelfs verdubbelen met de verwerving van de heerlijkheid Löwenburg (tegenwoordig een ruïne) in de Jura. De machtige familie Münch, in dienst van de bisschop van Bazel, was lange tijd eigenaar van de Löwenburg.

Een ongedateerde tekening op een van de resterende twee kloostergebouwen

Bij deze burcht bouwde het klooster een complex met boerderijen, gebouwen voor verwerking en een kerk. De ligging van het klooster op Oostenrijks grondgebied is echter rampzalig tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). De monniken zoeken hun toevlucht in Löwenburg, dat onder bescherming staat van de Zwitserse Confederatie, of ze gaan naar abdijen in de Confederatie.

In 1638 wordt het klooster inderdaad geplunderd. In 1648 neemt Frankrijk de Elzasser Sundgau in bezit. Lucelle en het klooster komen daardoor op Frans grondgebied te liggen. Het klooster kent weer een grote bloeitijd vanwege de goede relaties van de abten met de Franse koningen, tot 1789.

François Ignace Tavanne (1728–1811),  het klooster rond 1776. Collectie: Musée jurassienne des Beaux Arts, Porrentruy.

In 1789 is de abdij door de revolutionaire regering tot nationaal bezit verklaard. In 1792 vestigden ambachtslieden en arbeiders zich in de kloostergebouwen. Ze zetten de voormalige kloosterfabrieken voort onder andere een steenbakkerij, glasblazerij, ijzergieterij en gieterij, leerlooierij.

De kloostervleugel en de kerk zijn in 1804 afgebroken. Het materiaal wordt gebruikt om een nieuwe fabriek met houtskoolhoogoven en gieterij (voor de wapenindustrie) te bouwen. Na 1860 gaat de industrie achteruit en de fabriek sluit in 1883. De fabrieksgebouwen worden later gesloopt.

Het eens zo machtige kloostercomplex is dan geheel verdwenen, op twee gebouwen langs de weg na. Beide gebouwen worden tegenwoordig gebruikt door de particuliere organisatie Centre Europeen de Rencontres Lucelle (CERL).

Conclusie

De machtigste Europese dynastieën en abdijen waren eens aanwezig in deze regio’s  van het huidige Zwitserland en Frankrijk. Het doet denken aan de historie en ruïne van de Landskron bij Leymen (Frankrijk), aan de grens met kanton Solothurn (Zwitserland).

Lac de Lucelle (Lützelsee, kanton Jura) werd eerst gebruikt als visvijver. Later is er een waterkrachtcentrale gebouwd voor molens, timmerwerkplaatsen, smederijen en gieterijen. Een beek voedt het meertje en stroomt er ook weer uit. Langs de oevers groeien essen, esdoorns, elzen en wilgen. Een prachtig beukenbos omsluit de vallei van Lucelle.

Kadastertekening van de Lützelsee/ lac de Lucelle, 1803. Staatsarchiv Basel-Stadt

(Bron en verdere informatie: Barocke Bauwerke im Süddeutschen und schweizerischen Raum) 

En de wonderschone natuur van de Jura

De Gletsjergarten in Luzern

De oude gletsjer in Luzern is in 1872 ontdekt en is sindsdien een van de grootste attracties van de stad met de gevolgen van de gletsjer (Gletschertöpfe) op locatie, een sprookjeachtig spiegellabyrinth, een museum, het beroemde Pfyffer relief, het Alpenpark, het Sandstein-Pavillion, de Arctis tentoonstelling en de nieuwe attractie van de rotswereld (Felzenwelt).

De historie van deze gletsjer begon 20 miljoen jaar geleden toen de locatie van het huidige Luzern aan een met palmen begroeid zeestrand lag. Ook toen was er sprake klimaatverandering en de gletsjer is het resultaat van de laatste ijstijd van 20 000-10 000 jaar geleden.

Na de opwarming van de aarde, met haar vele korte en langdurige schommelingen, is de gletsjer als het ware drooggevallen en biedt tegenwoordig een uniek geologisch inzicht in de invloeden van weer, wind, gesteenten en klimaatveranderingen.

De gletsjergaten

Dit model van een ‘gletsjermolen’ (Gletschermühle) met een draaiende molensteen uit 1896 om de vorming van de gletsjergaten (Gletschertöpfe) te verklaren is verouderd, maar het model werkt wel met water en gruis, zie het voorbeeld uit de ‘Felsenwelt’ hieronder!

(Verdere informatie: www.gletschergarten.ch).

Replica, gebouwd in 1896, van een hut van de Schweizer Alpen Club (SAC) met uitzicht (diorama) op de Gornier gletsjer boven Zermatt.

De expositie

De nieuwe Felsenwelt

Het ontstaan van de Gletsjergaten in de loop der tijd door rondkolkend water en gruis.

Het spiegelparadijs

De oprichters

De historie van het Frans in de Romandie

Het boek geeft een compleet overzicht van de taalkundige geschiedenis van de verschillende regio’s van het huidige Franstalige Zwitserland, van de Kelten en Romeinen, de Franken, Bourgondiërs en Hugenoten tot nu. Deze taalkundige geschiedenis is toegankelijk voor een breed lezerspubliek en is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek.

Het boek traceert de langzame vorming van taalgrenzen in West-Zwitserland, het Gallo-Romeins, het Franco-Provençaals (franco-provençal), de vele dialecten ( patois) en de introductie van het Frans vanaf de Middeleeuwen, eerst als schrijftaal van de elite en eeuwen later als voertaal van de bevolking.

Het boek laat zien dat het patois pas in de 19e eeuw verdween, op een paar kleine gebieden na. Dit in tegenstelling tot Duitstalig Zwitserland, waar dialecten de voertaal zijn en Hoogduits (Hochdeutsch) alleen wordt geschreven of gebruikt bij formele gelegenheden en beleefdheidshalve bij niet-Zwitserduits sprekend gehoor. De auteur legt uit waarom het Frans in deze regio een eenheidstaal is en het patois aan het begin van de 20e eeuw vrijwel verdwenen was.

Het boek presenteert een schat aan weinig bekende documenten en getuigenissen en geeft inzicht in de lange en rijke geschiedenis van dialecten in Franstalig Zwitserland.

Andres Kristol, Histoire linguistique de la Suisse romande, Neuchâtel, 2023

Het monumentale Tissot horloge in La Chaux-de-Fonds

De bergen van Neuchâtel (de Jura) worden beschouwd als de historische bakermat van de Zwitserse horlogerie. In deze afgelegen bergen begonnen boeren in de 17e eeuw tandwielen en mechanismen te maken om zich tijdens de lange, koude winter bezig te houden.

Deze onderdelen werden vervolgens verzameld en geassembleerd in werkplaatsen, bekend als comptoirs of ateliers voornamelijk in La Chaux-de-Fonds. En zo werd dit stadje, gelegen op 1.000 meter hoogte, een horlogecentrum van internationaal belang, dat tegenwoordig op de Werelderfgoedlijst van UNESCO staat.

Een horlogemetropool… maar zonder klokken in de openbare ruimte

En toch, in 2018, bij de opening van de 8e Biënnale van het horlogerfgoed – waarbij de vele fabrieken en ateliers in de regio hun deuren openden voor het publiek – sprak de president van de Confederatie Ignazio Cassis zijn verbazing uit: hoe komt het dat er zo weinig openbare klokken zijn in de straten van La Chaux-de-Fonds? En is het niet verbazingwekkend om een van de wereldhoofdsteden van de horlogerie binnen te komen zonder dat de tijd wordt weergegeven bij een van de ingangen van de stad?

Deze opmerking wekte de interesse van de CEO van Tissot, de horlogefabrikant die in 1853 is opgericht in Le Locle, waar het hoofdkantoor nog steeds is gevestigd. Hij besloot een tender uit te schrijven voor studenten van de Hogeschool voor Toegepaste Kunsten in La Chaux-de-Fonds: aangezien de stad bereikbaar is via drie hoofdwegen, werd de studenten gevraagd drie monumentale klokken te ontwerpen die het verleden, het heden en de toekomst voorstelden.

Een zakhorloge van 3 meter lang

Het was de creatie van Loïc Chatton, een antiek zakhorloge in perspectief waarbij de wijzerplaat, het uurwerk en de ring op afstand van elkaar zijn geïnstalleerd. Het staat nu trots op het stationsplein in La Chaux-de-Fonds. Het werk is 13 meter lang, het centrale deel is 3 meter hoog en sommige onderdelen wegen meer dan 800 kg.

Tissot is van plan om in totaal drie monumentale klokken te schenken aan La Chaux-de-Fonds. De volgende twee, bij de oostelijke en westelijke ingang van de stad, moeten het heden en de toekomst symboliseren. Er is echter nog geen datum bekend gemaakt voor hun voltooiing.

Lars Kophal, redacteur en journalist

Het mechaniek van een eenvoudig horloge rond 1980. Ebauches SA. Neues Historisches Museum Biel

Bourbaki Panorama Luzern

Tegen het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw ontwikkelden zich nieuwe media die de wereld zo realistisch mogelijk probeerden weer te geven.

Met alle mogelijke optische en moderne technische trucs kreeg het publiek de illusie er zelf bij te zijn. De Ierse schilder Robert Barker liet in 1787 in Londen een uitvinding patenteren, die kort daarna bekend werd als “Panorama”. Zijn uitvinding was een naturalistisch geschilderd rond beeld. Dit was zo groot dat het de toeschouwers omsingelde en hen in de voorstelling opnam.

 

Het Bourbaki Panorama in Luzern is de indrukwekkende culturele erfenis van deze tijdsgeest. Het Panorama van de schilder Edouard Castres (1838-1902) uit 1881 is een van de meest indrukwekkende visuele spektakels uit de mediageschiedenis.

Het panorama is 112 bij 10 meter groot en toont het verslagen Franse Leger van generaal Bourbaki op de gedenkwaardige grensoverschrijding nabij Les Verrières (kanton Neuchâtel) tijdens de Frans-Pruisische oorlog van 1870/71.

(Bron en verdere informatie:Bourbaki Panorama Luzern).

Morgarten en zijn betekenis

Op 15 november 1315 vond bij Morgarten (kanton Zug) een veldslag plaats tussen de eerste Eidgenossen (Uri, Schwyz en Unterwalden)  en hertog Leopold van Habsburg (1290-1326). Er is weinig bekend over de oorzaak en het verloop van de slag, alleen de winnaar (de drie Eidgenossen) en de verliezer (hertog Leopold) en de hinderlaag voor Leopold zijn bekend.

Feit is dat Schwyz in 1314 het Habsburgse klooster Einsiedeln had geplunderd en mogelijk was de reactie van Leopolod een strafactie. Een andere theorie is de troonstrijd tussen Ludwig van Beieren en Friedrich van habsburg (de broer van Leopold) als Duitse koning in het Heilige Roomse Rijk. Schwyz steunde Ludwig.

Morgarten en de  Ägerisee tegenwoordig

Desondanks ging Morgarten aan de Ägerisee de geschiedenis in als de eerste strijd van deze Zwitserse Orte voor meer vrijheid en autonomie (nog niet voor onafhankelijkheid en soevereiniteit, dat was nog niet aan de orde). Niemand voorzag of wilde toentertijd de Confederatie van dertien kantons in 1513, laat staan de Confoederatio Helvetica van 1848. Deze ontwikkeling is een ander verhaal.

De kerk van Sattel

Op het Morgartenpad (themapad) door de regio worden op verschillende plaatsen de gebeurtenissen van 1315 (speculatief) in herinnering en beeld gebracht. Het pad begint bij het Morgatenmonument aan het meer en leidt naar de parochiekerk in Sattel (kanton Schwyz).

Morgarten Monument (1908). Dit monument geeft de gevoeligheden tussen en identiteit van de kantons. Met monument staat op grondgebied van Zug, destijds de verliezer en Habsburgs gebied in 1315. Kanton Schwyz, de winnaar, nam om deze reden niet deel aan de inwijding op 2 augustus 1908. Federale motieven en de fraaie ligging aan de Ägerisee leidden tot de keuze voor kanton Zug.

Het informatiecentrum biedt inzichten en uitgebreide documentatie over deze geschiedenis en geeft uitleg over de betekenis door de eeuwen heen tot op de dag van vandaag (de discussie over een nieuwe nationale feestdag op 12 september of de relativering (ad absurdum) van de gebeurtenissen in 1291, 1309, 1315 en 1386, bijvoorbeeld).

De Morgartenbrief of de ‘Bund von Brunnen‘  van 9 december 1315 is een authentiek document (Bundesbriefmuseum in Schwyz)  in het Duits en voor het eerst met de term ‘Eidgenosse’. Het is een verbond tussen de “lantlüte von Ure, Szwits und Unterwalden“. woordelijk stemt deze brief vrijwel overeen met de brief uit 1291, alleen is daar geen authentiek document van bewaard en ontbreken andere gegevens.

Het was een verbond voor wederzijdse steun, het bewaren van vrede en conflictoplossing: een Landfriedensbündniss (onder andere over gebruik weidegronden, diefstal van vee en andere delicten) en geen onafhankelijkheidsverklaring.

Integendeel, de landsheer wordt erkend, tenzij deze de rechten van de Orte niet erkend in verband met de al in de dertiende eeuw verleende autonomie (Reichsunmittelbarkeit). Deze afspraken lwamen in deze periode op veel plaatsen in het Heilige Roomse Rijk voor. Alleen heeft de Zwitserse Eidgenossenschaft als enige de 18e eeuw en Napoleon gehaald. Dat is uniek.

Het Informatiecentrum Morgarten, links de Letziturm, rechts het informatiecentrum en het oudste Europese Houten huis (1176). De Letziturm was de grens tussen Schwyz en Zug, dat in 1315 nog bij Habsburg hoorde.

(Bron: B. Meier, Von Morgarten bis Marignano, Baden 2008; Informationszentrum Morgarten). 

De kapel en interieur

De drie eerste Eidgenossen, Wilhelm Tell en de Habsburger voogd Gessler met hoed in het Europapark (D).

Impressies van de omgeving

Arosa, Lenzerheide en Tschiertschen

De oude bisschopsstad Chur ligt dicht bij Reichenau, waar de Hinterrhein en de Vorderrhein verdergaan als de Alpenrhein in het Rheintal tot aan het meer van Konstanz (Bodensee). Chur is ook het verkeersknooppunt voor de richting Arosa, Lenzerheide, Disentis/Mustér en het mooiste dorp van Zwitserland en Liechtenstein: Tschiertschen.

Chur vanaf de weg naar Arosa

Arosa en het Schanfiggdal

De eerste schriftelijke aanduiding van Schanfigg is Scanavico in het jaar 765. De dorpen Lüen (1084), Castiel (1132), St. Peter (831), Pagig (1160) en Calfeisen (1156) zijn ook oude dorpen, waar tot de zestiende eeuw Romaans de voertaal was.

Vanuit Davos, een Walserdorp, immigreerden in de 13e en 14e eeuw Walser over de Strelapas naar het Schanliggdal. Ze stichtten onder andere Arosa en Langwies.

Door het uitsterven van lokale adellijke heersers (in 1338 de Freiherren von Vaz en in 1436 de graven van Toggenburg) ontwikkelden zich ook in dit onherbergzame gebied autonome Gerichtsgemeinden.

      

Dorpen in het Schanfiggdal

Arosa en de andere dorpen maakten  deel uit van de Gerichtsgemeinde Davos (ook een Walserdorp), de hoofdstad van de Zehngerichtenbund (1436). Langwies was zelf een Gerichtsgemeinde. St. Peter maakte deel uit van de Gerichtsgemeinde (Ausser)Schanfigg, maar was wel de locatie van de Landsgemeinde van het dal Schanfigg.

De Zehngerichtenbund sloot in 1450 een verdrag met de Gotteshausbund (1367) en in 1470 met de Graue of Obere Bund (1395). De Gerichtsgemeinden bleven echter autonoom (afgezien van de formele status van onderdeel van het Heilige Roomse Rijk tot 1648 en de Vrede van Westfalen) tot hun opheffing in 1798.

Afgezien van de reformatie vanaf 1530 en de verwoestingen in 1622 ten tijde van de Bünder Wirren (1619-1639) veranderde er politiek, sociaal en economisch weinig in het overwegend arme agrarische bestaan van de meeste inwoners.

Dan volgen de Franse bezetting in 1798, de  opheffing van de Freistaat der Drei Bünde, de oprichting van achtereenvolgens de Helvetische Republiek (1798-1803), de Confederatie (Mediationsakte) en oprichting kanton Graubünden (1803-1813), de nieuwe Confederatie in 1815 en tenslotte de Nieuwe Grondwet van 1848.

Arosa (met dan slechts 56 inwoners) wordt in 1851 een zelfstandige gemeente. Het toerisme veranderde Arosa echter in de daaropvolgende decennia. Het dorp ontwikkelde zich tot een bekend wintersport- en toeristenoord.

 

Arosa tegenwoordig

Het eerste hotel opende zijn deuren in 1877, in 1888 gevolgd door het eerste sanatorium. De verkeersweg Chur-Arosa kwam in 1890 gereed. Deze weg was echter pas vanaf 1925 toegankelijk voor auto’s, want het kanton verbood auto’s tot 1925.

Langwies viaduct

Sinds 1914 rijdt de trein tussen Chur en Arosa met een 264 lang en 62 hoog viaduct bij Langwies. De Rhätische Bahn exploiteert deze spoorweg met een stijging van 593 tot 1738 meter in nog geen uur!  Arosa had door deze ontwikkelingen ruim 3 300 inwoners in 1930, vijftig keer zoveel als een halve eeuw daarvoor!

De tocht van Chur nar Arosa door het Chanfiggdal, met de auto, trein, fiets, motor of te voet, is in alle jaargetijden de moete waard. De andere dorpen hebben weliswaar veel minder van het toerisme geprofiteerd, maar voor het behoud van de eveneens  eeuwenoude gebouwen is dat juist een zegen. Tegenwoordig zijn de dorpen in het dal ondergebracht in de gemeente Arosa.

Het Schanfiggdal

Chur vanaf de weg naar Lenzerheide

Lenzerheide, Malix en Churwalden

Lenzerheide kent een soortgelijke historie als Arosa. Een klein Walserdorp op de route naar Tiefencastel. Vanaf het midden van de negentiende eeuw veranderde ook hier het toerisme het leven en aanzien van het dorp.

Lenzerheide

Heidimeer bij Lenzerheide

De route naar Lenzerheide is in cultureel-historisch opzicht echter interessanter. De Walser vestigden zich ook hier in de 13e en 14e eeuw. Het oude klooster (9e eeuw) en het Abthaus (15e eeuw) in Churwalden, de ruïne van de burcht (rond 1150) van de Freiherren von Vaz in Malix of voorbij Lenzerheide de Val/Obervaz zijn enkele hoogtepunten.

Ruïne van de burcht bij Malix

Klooster Churwalden

Klooster en Abtshaus Churwalden. Johann Rudolf Rahn  (1841-1912), rechts het abtshuis, tekening rond 1900. Zentralbibliothek Zürich, Graphische Sammlung und Fotoarchiv

Tschiertschen, Pagguss en Praden

De weg naar Lenzerheide heeft echter nog een ander geheim. De afslag naar het dorp Tschiertschen is de weg naar ‘het mooiste dorp van Zwitserland’. Aan de Pagguss-schlucht staat in het dorp Pagguss bovendien de EHL Hotelfachschule.

EHL Hotelfachschule.

 

Pagguss-Schlucht

Tschiertschen is onder andere bekend vanwege de romaans-gotische kerk uit de veertiende eeuw.  Het dorp maakte deel uit van het bisdom Chur. Het naburige dorp Praden deelde lange tijd de kerk en begraafplaats met  Tschiertschen, maar politiek hoorde Praden bij de Gerichtsgemeinde Langwies en Tschiertschen bij de Gerichtsgemeinde Churwalden van de Zehngerichtenbund.

Tschiertschen

Daarmee eindigt de historie van Praden en Tschiertschen echter niet. De reformatie vond plaats in 1540, uiteraard na stemming onder burgers, de pastoor mocht bovendien tot zijn dood aanblijven, pas daarna werd een predikant benoemd! De twee dorpen vielen onder verschillende rechtbanken in Langwies en Churwalden, maar deelden de kerk en begraafplaats in Tschiertschen.

Door een pestepidemie in 1627 vluchtte een deel van de elite van Chur in 1629 naar het geïsoleerde Tschiertschen. De slachtoffers van de pest in Praden werden echter ook in Tschiertschen begraven. Dat wilden de vluchtelingen uit Chur verhinderen vanwege besmettingsgevaar.

Praden

Praden bouwde met geld van inwoners van Chur  rond 1630 een eigen kerk en kerkhof. Tschiertschen accepteerde dit om financiele redenen niet. Praden deelde immers niet meer in de kosten van de kerk in Tschiertschen. Zo ontstond een rechtsstrijd met rechtbanken Langwies en Churwalden, een hoogste instantie in Davos en een arbitragecommissie in Chur.

De juridische procedures duurden tot 1762. Dan besluit de rechter in een laatste oordeel dat ieder huishouden in Praden aan de pastorie in Tschiertschen jaarlijks een Füederli (een stuk brandhout) moet afleveren. Feit is in ieder geval dat beide kerken er nog steeds staan, een zelfs in het ‘mooiste dorp van Zwitserland’.

(Bron:Arosa und Lenzerheide; M. Domann, G. Jäger, Die Kirche von Tschiertschen, Tschiertschen, 2014)

Klooster Einsiedeln en Cavalli della Madonna

Abt Eberhard, proost van de kathedraal van Straatsburg, bouwde rond 948 de eerste kloosterkerk in Einsiedeln en wijdde de kerk aan de Moeder Gods Maria en St. Mauritius.

Daarvoor hadden kluizenaars op deze plek in de 9e eeuw een kapel gebouwd en gewijd aan St. Meinrad, een benedictijn uit het eiland Reichenau die rond 835 een kluizenaarshut stichtte en daar stierf. Meinard werd begraven op het eiland Reichenau, maar in Einsiedeln werd een kapel aan hem gewijd.

Na 948 schonken vele weldoeners, waaronder de Zwabische hertogen en de keizers Otto I (912-973), Otto II (955-983), Otto III (980-1002) en Heinrich II (973-1024) het klooster land en andere goederen.

De Marienbrunnen of Frauenbrunnen op het kloosterplein

In 1039 zijn de relikwieën van St. Meinard van het eiland Reichenau teruggebracht naar Einsiedeln. De oude kleine kapel is ingebouwd in de huidige kloosterkerk, zij het in een barokke setting en met een zwarte Madonna. Waarom is de Madonna zwart? Een vraag die nog steeds niet beantwoord is.

De Zwarte Madonna

In de 18e eeuw steeg het aantal pelgrims tot 150 000 per jaar en werd het complex steeds verder uitgebreid.

De kloostergebouwen (1704) en de kloosterkerk (1735) zijn in de achttiende eeuw in de barokke stijl verbouwd 

Het klooster heeft nog steeds een wereldwijde religieuze betekenis (ongeveer 200.000 pelgrims per jaar) en is van groot regionaal economisch belang.

(Die Stiftskirche Einsiedeln, Regensburg 2015; Kloster Einsiedeln).

PS: zie ook het Panorama Einsiedeln

Het Kloostercomplex

De Houtindustrie van het Klooster

De oudste nog bestaande stoeterij in Europa. De monniken fokken al paarden sinds de stichting van het klooster. Tussen 1500 en 1798 was er een levendige paardenhandel. De dieren werden vooral gebruikt voor reizen en voor het ontginnen van land. Italië was de belangrijkste afzetmarkt. In 1766 werden de stallen gebouwd die nu nog steeds in gebruik zijn. Tijdens de Franse invasie in 1798 werd het klooster geplunderd, de paardenfokkerij vernietigd en de paarden in beslag genomen. In 1866 kochten de monniken een hengst uit Engeland. Vandaag de dag zijn de succesvolle paardenrassen op hem terug te voeren. De huidige Einsiedeln Cavalli della Madonna zijn wereldberoemd.

Het prachtige kloosterplein is het resultaat van een bouwverbod uit 1419, dat voldoende afstand creëerde tussen het dorp en het klooster om te voorkomen dat een brand zich (weer) zou verspreiden en overslaan.

Het kerkhof en zijn omgeving

Het stadhuis (Rathaus) van Einsiedeln