Het Leeuwenmonument in Luzern

Het Leeuwenmonument (Löwendenkmal) is ingehuldigd op 10 augustus 1821, 29 jaar na de aanval op de Zwitserse Garde in het Tuilerieën Paleis in Parijs (10 augustus 1792). Carl Pfyffer von Altishofen (1771-1840) was een van de weinige overlevenden als officier van de Zwitserse Garde van koning Lodewijk XVI (1754-1793).

Op 10 augustus 1792 was hij in Zwitserland, anders had hij het lot van de ongeveer 700 gesneuvelde collega’s gedeeld, de meeste stierven op die dag, de overlevenden werden op 3 september geëxecuteerd.

Hij was de initiatiefnemer van het monument. Tijdens de Franse bezetting van Zwitserland (1798-1813)  was het politiek onmogelijk. Pas in 1815, en gesteund door de conservatieve stemming tijdens de restauratie, kon hij zijn plan om zijn collega’s te herdenken realiseren.

Carl Pfyffer haalde meer dan 20.000 Zwitserse frank op dankzij donaties uit binnen- en buitenland, onder andere van leden van buitenlandse koningshuizen zoals de Russische tsaar, de koning van Pruisen en de Franse koninklijke familie.

De opdracht voor het monument ging naar de destijds bekende Deense beeldhouwer Bertel Thorvaldsen (1770-1844). De leeuw werd direct uit de stenen muur in de oude steengroeve gehouwen, die Pfyffer al sinds 1805 voor dit doel had gehuurd.

Het beeldhouwen van de leeuw ging niet zonder slag of stoot. De beeldhouwer Urs Pankraz Eggenschwiler (1766-1821) wilde de leeuw direct in de muur van de voormalige zandsteengroeve hakken, maar overleefde het door een val niet.

Na zijn ongeluk voltooide Lukas Ahorn (1789-1856) uit Konstanz de leeuw. Boven het monument staat de inscriptie Helvetiorum Fidei ac Virtuti (Over de trouw en de moed van de Zwitsers).

De stervende leeuw is doorboord met een gebroken speer. Zijn been rust op een schild met de Fleur-de-Lis van de Franse koninklijke familie. Een ander schild draagt het wapen van Zwitserland. De inscriptie onder de leeuw bevat de namen van de officieren en het aantal slachtoffers en overlevenden.

De inhuldiging op 10 augustus 1821 was een feest van, voor en door het ancien régime. De ambassadeurs of vertegenwoordigers van de koninklijke en aristocratische huizen van half Europa waren aanwezig.

Voor de liberale en progressieve kringen die gelijke rechten voor alle burgers eisten, was het een reactionaire demonstratie en een steun voor de conservatieve heersende klasse van Luzern. 200 jaar later is het monument een trekpleister voor toeristen uit alle sociale lagen, politieke stromingen en landen.

(Bron: B. Schumacher, Kleine Geschichte der Stadt Luzern, Baden, 2015; www.loewendenkmal21.ch).

 

De kruisiging in het Einsiedler panorama

In de 19e eeuw was er wereldwijd een grote belangstelling om nationale thema’s, vooral veldslagen, natuur of steden, als panorama’s te schilderen. Panorama’s waren kolossale ronde schilderijen tot 15 meter hoog en tot 120 meter in omtrek. Ze waren in een speciaal, rond gebouw ondergebracht.

In de 19e eeuw hadden veel steden minstens één panoramagebouw waarin nieuwe panoramafoto’s werden getoond op een roterende basis. In deze periode ontstond het idee om de historische gebeurtenis van de kruisiging van Christus in een panorama uit te beelden.

In de jaren 1890 hadden de kunstenaars Karl Hubert Frosch (1846-1931) en Joseph Krieger (1848-1914) zich gespecialiseerd in panorama’s met religieuze thema’s. In 1892 tekenden ze een contract voor de productie van een panorama Kruisiging in Einsiedeln.

Een tentenkamp met olijfbomen

Het 10 meter hoge en 100 meter lange reusachtige cirkelvormige schilderij werd in zes maanden tijd in München geschilderd. Frosch en Krieger waren verantwoordelijk voor de architectonische en landschappelijke delen van het schilderij. Voor het figuratieve deel schakelden ze de Amerikaanse kunstenaar William Robinson Leigh (1865-1955) in.

Op 1 juli 1893 werd het Panorama Kruisiging van Christus feestelijk geopend in Einsiedeln in een speciaal daarvoor gebouwd gebouw. Aan het eerste leven van het Panorama in Einsiedeln kwam op 17 maart 1960 een einde toen brand het gebouw en het schilderij verwoestte.

Het tweede leven van het Panorama begon in hetzelfde jaar, toen werd besloten om een nieuw gebouw te bouwen en het beeld opnieuw vorm te geven aan de hand van bestaande kleurenfoto’s. Eerst werd er een nieuw panoramagebouw gebouwd. De oude houten constructie werd vervangen door een gebouw van staal en beton.

Jezus aan het kruis op de Golgatha

Het graf van Jezus

De Weense kunstenaars Prof. Hans Wulz (1909-1985) en Prof. Josef Fastl (1929-2008) waren de kunstenaars. Het nieuwe schilderij moest een eigentijdse artistieke opvatting tonen en geen kopie of reproductie van het oude schilderij zijn.

Het werd binnen een half jaar geschilderd, op dezelfde grootte en volgens de compositie en onderwerpen van het origineel, maar in een vrijere schilderstijl. De heropening vond plaats op 14 april 1962. In meer dan honderd jaar hebben bijna 5 miljoen pelgrims en toeristen het panorama bezocht.

Het panorama is een passie op het doek. De Passion van Bach is de muzikale begeleiding van deze indrukwekkende weergave.

(Bron en verdere informatie: Panorama Einsiedeln)]

Het paleis van Herodus met de drie torens Mariamne, Phasael en Hippikus

Rolle, De la Harpe en de tsaar

De stad Rolle (kanton Vaud) besloot na het overlijden van Fréderic-César de la Harpe (1754-1838) het nieuwste eiland in het meer van Genève zijn naam te geven. Rolle is een havenstad aan het meer van Genève . In 1835 is een dijk gebouwd om de boten in de haven tegen de wind te beschermen.

Eeuwenlang vond het meeste vervoer in deze regio over het meer plaats. De boten vervoerden stenen van de steengroeve Meillerie (Haute-Savoie) aan de Franse kant van het meer en wijn, vee, kaas en hout uit het Zwitserse deel.

Men legde in 1837 een eiland voor de dijk aan om nog meer luwte aan de schepen te geven. Grote rotsblokken uit Meillerie en tonnen puin bedekten voorgoed de palen en andere resten van paalbouwwoningen van de Keltische bewoners uit de eeuwen voor Christus.

Vaud viel in 1754 nog onder de heerschappij van Bern, een zogenaamd Untertanengebiet (Territoire sujet). Fréderic-César de la Harpe vertrok in 1782 naar Sint-Petersburg naar het hof van keizerin Catharina II (1729-1796). De keizerin vertrouwde hem de opvoeding toe van haar kleinzonen, de toekomstige tsaar Alexander I (1777-1825), en Constantijn (1779-1831). In 1795 keerde hij terug naar Zwitserland.

Jacques-Augustin-Catherine Pajou (1766-1828), Portret van Fréderic-César de la Harpe, 1803. Musée historique Lausanne. 

In 1798 pleitte hij bij het Franse Directorium voor een zelfstandige status van Vaud. In 1798 benoemd Napoleon hem tot de belangrijkste bestuurder van de kortstondige Helvetische Republiek (1798-1803). Napoleon stichtte deze republiek na de bezetting van de Confederatie van dertien kantons in 1798.

Het verzet van de oude dertien kantons was echter te groot en in 1803 verving Napoleon deze republiek door een nieuwe Confederatie van negentien kantons, met het nieuwe kanton Vaud.

In 1815, na de nederlaag van Napoleon, bleef Vaud in de nieuwe Confederatie een kanton, dankzij de tussenkomst van tsaar Alexander I en La Harpe, net als Aargau, Thurgau en Ticino.

De la Harpe genoot in Europa groot aanzien en respect. Dit bleek ook in 1844, toen de belangrijkste monarchen van Europa de obelisk ter nagedachtenis aan deze staatsman op het eiland  bezochten.

Genève heeft zijn Pictet de Rochemont (1755-1824), Vaud heeft zijn Fréderic-César de la Harpe.

(Bron en verdere informatie: www.rolle.ch)

Genève, Pictet de Rochemont

Maienfeld, Heididorp en Walser

Je rijdt er zo snel voorbij, al die mooie dorpen, stadjes en natuur in Zwitserland. Sommige hebben dan nog een toeristische trekpleister, zoals bijvoorbeeld Maienfeld (kanton Graubünden) dat aan de voet van het Heididorp ligt.

Heidi, wie kent haar niet? De schrijfster Johanna Spyri (1827-1901) heeft haar en haar dorp in 1881 gecreëerd. Wie kent echter Maienfeld ? In de Romeinse tijd was het al een plaats van betekenis met de naam Magia en als zodanig vermeld op de Peutinger kaart.

Het stadje was daarna eeuwenlang de standplaats van de belangrijkste geslachten van de regio en leverancier van bisschoppen voor het bisdom Chur. Dit bisdom was een van de eerste en belangrijkste ten noorden van de Alpen en strekte zich uit tot in de Vinschau (Zuidtirol in Italië), Vorarlberg (Oostenrijk) tot aan het meer van Konstanz (Bodensee).

Door de loop van de historie was Maienfeld van 1510-1798 (Franse inval en de Helvetische Republiek, 1798-1803) een Untertanengebiet van de Drei Bünde en de Freistaat van de Drei Bünde (vanaf 1524). Sinds 1803 is het een gemeente in kanton Graubünden. Op de afbeelding de benoeming van de laatste voogd in 1797.

Maienfeld kreeg al in de 11e of 12 eeuw stadsrechten van de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Dit wijst ook op de belangrijke politieke en economische rol. Het eerste kasteel is in de 10e eeuw gebouwd door de graven van Bregenz. Andere eigenaren waren achtereenvolgens de graven van Tübingen, de Freiherren van Vaz, de Freiherren van Aspermont (zij bouwden in de 13e eeuw het huidige kasteel) en de graven van Toggenburg. De Freiherren van Brandis verwierven het kasteel in 1438 en sindsdien draagt het de naam kasteel Brandis. Het kasteel is tegenwoordig in privaateigendom er wordt geëxploiteerd als restaurant.

Kasteel Brandis met klooster- en stadsmuren

De Bruder Klausen kapel in het protestante Maienfelden

De beroemde maar als persoon onbekende “Waltensburger Meister’ heeft in het kasteel een van zijn gotische muurschilderingen aangebracht. In het fraaie middeleeuwse centrum verdienen het stadhuis, de Amanduskerk (11e eeuw), de Luzikerk (1457) en diverse kloostergebouwen bijzondere aandacht. Maienfeld had zelf geen klooster, maar het klooster Churwalden (Hinterrhein) had enkele gebouwen en een kloosterhof in de stad.

De Klostertorkel

De ‘Klostertorkel’ herinnert aan deze tijd. Een Torkel is een locatie, waar de druiven werden geperst en de wijn werd opgeslagen door monniken. De reformatie in de jaren 1529  betekende echter het einde van hun aanwezigheid. De wijnbouw is nadien door burgers voortgezet. Tot deze tijd was Reto-Romaans de spreektaal en heette de plaats nog Maiavilla. Daarna volgde de germanisering.

De wijngaarden bevinden zich niet alleen buiten, maar ook in het stadje, waar ook schapen zich tegoed doen aan de grazige weides. Zoals in veel Zwitserse dorpen en stadjes heeft zich in Maienfeld een eigen industrie ontwikkeld. De houtindustrie is hiervan een voorbeeld met een creatieve speelse ingang als toegangspoort.

Heididorp

Het Heididorp ligt op loopafstand en is alleen al vanwege de (korte) wandeling de moeite waard. Het geeft inzicht in het boerenleven in de negentiende eeuw. Een bijzonderheid is de Walser-afkomst en invloed, zoals ook op het stadhuis (Rathaus) is te lezen. Graubünden was immers een belangrijke bestemming voor immigrerende Walser in de late middeleeuwen. Davos, de hoofdstad van de Zehngerichtenbund, was bijvoorbeeld een stad van Walser!

(Bron en verdere informatie: Gemeente Maienfeld)

Johanna Spyri (1827-1901) in het Johanna Spyri Haus in Maienfeld

Het Heididorp

Heidihaus

Rathausstal

Rathaus

Impressies van het Rijndal bij Maienfeld

Klooster Pfäfers nabij Bad Ragaz (kanton St. Gallen)

Bad Ragaz, Badhuis en Grand Hotel

De geschiedenis van het dorfbad (badhuis) is nauw verbonden met het gebruik van de thermale bron in de Taminakloof en het succesverhaal van Bad Ragaz (Kanton St. Gallen) na 1850.

Dit verhaal begon in 1840, toen Bernhard Simon (1816-1900) het domein “Hof Ragaz” overnam van het kanton St. Gallen. Hij bouwde binnen de kortste tijd eersteklas kuuroorden.

Bernhard Simon

Het kanton besloot een badhuis te bouwen. Het in 1866 en 1867 gebouwde badhuis was in de eerste plaats bedoeld voor de hygiëne. In die tijd hadden maar weinig mensen een badkamer en warm water.

De kuuroorden en Grand Hotel waren verplicht de het badhuis te exploiteren en te onderhouden. Deze taakverdeling heeft tot 1945 gefunctioneerd.

Vanaf 2003 stond het badhuis leeg. Het kanton heeft het monument echter aan een volledige renovatie en restauratie onderworpen. Het badhuis van Bad Ragaz is het laatste in zijn soort in Zwitserland en fungeert nu als spa en wellness centrum.

(Bron en nadere informatie: Gemeente Bad Ragaz)

     

Kasteel Freudenberg

Klooster Muri

Graaf Radebot van Habsburg en zijn vrouw Ita van Lotharingen stichtten het benedictijnenklooster in 1027 in wat tegenwoordig de gemeente Muri is (Kanton Aargau). Bisschop Rumold wijdde de kerk van St. Martin in op 11 oktober 1064.

Het vrouwenklooster verhuisde in 1140 naar Hermetschwil. De Acta Murensia (1150-1180) vormen de oudste kloostergeschiedenis  en zijn een belangrijke historische bron voor regionale politieke ontwikkelingen en de opkomst van Habsburg.

In de 12e eeuw bouwden de Habsburgers kasteel Havichsburg in het huidige Habsburg. Keizer Leopold I (1640-1705) van het Heilige Roomse Rijk verleende de abt in 1701 de waardigheid van keizerlijk vorst en verhief het klooster tot vorstenabdij.

Gedurende acht eeuwen ontwikkelde de abdij zich tot een van de rijkste abdijen van Zwitserland tot aan de barokperiode. De Romaanse crypte, het gotische hoogkoor en het barokke centrale gebouw getuigen hiervan.

Het stucwerk, de fresco’s en de interieurdecoratie van de latere rococostijl ontvouwen een weelderige pracht. De glas-in-loodramen in de kloostergang met hun kleurenpracht worden beschouwd als het hoogtepunt van de renaissance-in-loodschilderkunst.

De romaanse en gotische drieschepige basiliek werd aan het einde van de 17e eeuw herbouwd. Het resultaat was de barokke achthoek, de grootste gewijde centrale ruimte in Zwitserland. De vijf orgels en de akoestiek van de kerk zijn muzikale wonderen uit de 18e eeuw.

In 1841 besloot het kanton Aargau het klooster op te heffen. De monniken en de abt verhuisden naar Gries bij Bolzano en Sarnen (Obwalden). Het klooster van Muri leeft daar nog steeds voort.

Het kloostermuseum toont deze (cultuur) geschiedenis.

(Bron en verdere informatie: Kloster Muri)

Siehe auch: die Via Habsburg

St. Niclà aan de Inn

De  Romaanse kerk in St. Niclà (Kanton Graubünden) uit de twaalfde eeuw is gewijd aan de heilige Nicolaas, patroonheilige van zeelieden en kinderen.

De kerk staat vlakbij de brug over de Inn (En genoemd in het Reto-Romaans, Vallader dialect) op de oude middeleeuwse weg naar Nauders. De Romaanse toren, het rechthoekige schip en de halfronde apsis zijn nog in goede (gerenoveerde) staat.

Na de aanleg van een nieuwe weg op de andere( linker) oever  van de Inn in de zestiende eeuw verloor de kerk (en de brug) haar functie en belang.

Aan de west façade van de toren is een fresco van St. Christoforus te zien met het wapen van de families à Porta en Von Marsch. Christoforus was onder andere de beschermheilige van bruggenbouwers  en heeft het kindje Jezus over de rivier gedragen, in  dit geval de Inn.

Deze fresco’s zijn rond 1500 gemaakt. De famliie Von Marsch was eigenaar van de kastelen  in Tarasp en Ramosch, à Porta  was een andere machtige familie uit de regio.

In 1718 heeft de kerk een nieuw gewelf gekregen. De kerk verloor echter snel  daarna  haar functie door de bouw van de nieuwe kerk in het nabijgelegen Strada (in 1750). De kerk is nadien als opslagplaats gebruikt en er is zelfs een boerderij tegenaan gebouwd.

In Donatyre (kanton Vaud) staat ook een Romaanse kerk uit deze periode tussen de boerderijen met een fraaie replica van het fresco van de Romaanse kerk St. Etienne in Montcherand (Kanton Vaud).

Wellicht is deze seculiere bouw en gebruik de redding geweest van de Romaanse kerk in St. Niclà.

(Bron en verdere informatie: www.san-nicla.ch).

St. Niclà en Strada op de achtergrond

Fürstenau en Slot Ortenstein

Fürstenau (in het Reto-Romaans Farschno) ligt in de Domleschg aan de Hinterrhein in Kanton Graubünden. Het middeleeuwse stadje met ruim 300 inwoners (maar slechts tien huishoudens binnen de stadsmuren)  wordt ook wel het kleinste stadje van Zwitserland of zelfs de wereld genoemd. In ieder geval presenteert het zich met deze titel.

De stad was eeuwenlang een residentie van de bisschop van Chur en lag aan de belangrijke handelsroute van de Alpenpassen (Julier, Septimer, Albula, Splügen).

De stad kreeg haar stadsrechten in 1354. Samen met Ortenstein vormde de Fürstenau tot 1851 (!) het gerechtshof Ortenstein. Deze historie is nog te herkennen in de architectuur en bouwwerken vanaf de middeleeuwen.

De evangelische kerk (1354)

De Domleschg staat bekend om zijn milde klimaat en duizenden fruitbomen. 120 appel- en 30 perensoorten gedijen uitstekend in de hoogstammige bomen aan de vruchtbare oevers van de Hinterrhein. Domleschg fruit was (en is nog steeds) erg gewild. De Russische tsaar zou, bijvoorbeeld, de voorkeur hebben gegeven aan appels uit Domleschg. 

Schauenstein tegenwoordig een hotel 

De naam Fürstenau duidt al op de nauwe band met de middeleeuwse prins-bisschop (Fürstbischof) van Chur. De naam Fürstenau kan alleen zijn ontstaan nadat de bisschop van prins van het Heilige Roomse Rijk was geworden. Een bisschop met de titel van prins wordt voor het eerst vermeld in 1170: prins-bisschop Egino von Ehrenfels.

In 1257 wordt de naam Fürstenau voor het eerst genoemd in verband met een bisschoppelijke oorkonde. In de Middeleeuwen steeg de bisschop van Chur op tot wereldlijk heerser.

De bouw van kastelen hield direct verband met deze ontwikkeling. Fürstenau was het centrum van het eigendom van de bisschop in Domleschg en op de Heinzenberg, grenzend aan de machtssfeer van de Freiherren Von Vaz en hun burchten Alt-Sins, tegenwoordig een ruïne, en Ortenstein. De bisschop verbleef vaak om deze redenen vaak in Fürstenau.

De oprichting van de Vrijstaat van de Drie Bonden (Freistaat der Drei Bünde) in 1524 en de Artikelen van Illanz van 1524 en 1526 beknotten de politieke macht van de bisschop. De confessionele en landsheerlijke verhoudingen werden gereorganiseerd, maar het bezit en bestaan van het bisdom werd uiteindelijk niet aangetast, wat zijn lange aanwezigheid in Fürstenau tot 1877 verklaart.

Er staan twee kastelen in Fürstenau (Schauenstein of Oberes Schloss) en het Unteres Schloss, verder een bisschoppelijk paleis (het Meierhaus), een handelsgebouw (het Stoffelhaus met profane gotische fresco’s uit de veertiende eeuw), de kerk uit 1354 en enkele andere imposante gebouwen, die de plaats het urbane aanzien geven.

(Bron en verdere informatie: Kathrin Gurtner. Fürstenau. Stadt in Kleinformat. Gesellschaft für Schweizerische Kunstgeschichte, Bern2001;  www.fuerstenau.ch)

De Freiherren von Vaz bouwden het Slot Ortenstein in de 13e eeuw. Het slot is tegenwoordig in privaat eigendom.

Romaans in en buiten Graubünden

Van 24 tot 28 juli vindt in Scuol (kanton Graubünden) weer de cursus Vallader plaats, een van de vijf hoofddialecten van de (Reto)-Romaanse taal. De organisator, de Lia Rumantscha (in samenwerking met de Uniun dals Grischs), verwelkomt opnieuw bijna 150 deelnemers uit de drie andere taalgebieden van Zwitserland en zelfs uit het buitenland.

Aita Zanetti, de Capo (burgemeester) van Scuol. Capo is afgeleid van het Latijnse woord Caput, dat hoofd betekent. Het is een indicatie van de Latijnse wortels, naast de Retische, Duitse, Italiaanse en Franse invloeden.

Het Romaans of Reto-Romaans (Romontsch of Rumantsch in Graubünden, Romanisch voor (de rest van) Duitstalig Zwitserland, le Romanche in Franstalig Zwitserland, il Romancio in het Italiaans) wordt alleen gesproken in Graubünden. De term Bünderromaans wordt om deze reden soms gebruikt. In 1938 is het Romaans in een referendum erkend als vierde taal van het land.

Tegenwoordig is Romaans de eerste taal van ongeveer 50.000-60.000 inwoners. Ze spreken daarnaast ook Duits en/of Italiaans, de andere twee officiële talen van het kanton, dat als enige drietalig is.

De eerste bijbel in Vallader, Scuol 1671. Museum d’Engiadina Bassa

Vijf hoofddialecten

De taal bestaat vijf hoofddialecten. Sursilvan wordt gesproken in het Vorderrheintal, Sutsilvan in het Hinterrhein gebied, Surmiran in het Albula-dal, Vaz/Obervaz en Val Ferrera, Putèr in het Oberengadin en Bergün en Vallader in het Unterengadin en (met verschillen) in het Münstertal. Daarnaast bestaan er verwante dialecten in Lombardije en Oostenrijk.

Verschillende organisaties, initiatieven en media zetten zich in om de Romaanse taal en cultuur te behouden en toegankelijk te maken voor niet-Romaanssprekenden.

De Romaanse diaspora

Ongeveer een derde van de Romaans-sprekenden woont buiten het Romaanse taalgebied, de ‘Romaanse diaspora‘. Het Federale Ministerie voor Cultuur heeft van de promotie van de Romaanse taal en cultuur buiten het Romaanse taalgebied een prioriteit gemaakt.

De Lia Rumantscha lanceerde eind 2021 het project ‘Rumantsch en la diaspora‘. Het doel van het project is om de basis te leggen voor een geïnstitutionaliseerde samenwerking met en voor Romaanse gemeenschappen en zo een duurzaam aanbod voor gezinnen, kinderen en jongeren te realiseren.

Tot nu toe zijn er vijf Romaanse organisaties opgericht. Deze bevinden zich in Basel, Bern, Luzern, St. Gallen / Appenzell en Winterthur. Sinds de herfst van 2022 organiseren ze diverse evenementen.

St. Müstair

Van 9 tot 13 oktober 2023 vindt in St. Müstair de jaarlijkse herfstcursus voor Vallader plaats.

(Bron en verdere informatie: www.liarumantscha.ch en de Uniun dals Grischs).

Graffiti in Ardez

Ardez

Sent

De Inn (L’En in het Romaans) en Hotel Belvédère in Scuol 

Ftan

Altstätten

Altstätten (Kanton St. Gallen) is een stad met een rijke geschiedenis. De middeleeuwse en barokke huizen en bijvoorbeeld de kapel Placidus getuigen hiervan.

In 853 is Altstätten voor het eerst in een oorkonde vermeld als “villa nominata altsteti” (villa genaamd oude plaats). In die tijd bezat het klooster van St. Gallen veel bezittingen in Altstätten.

In de 13e eeuw versterkte abt Berchtold von Falkenstein (abt van 1244-1272) Altstätten met een stadsmuur om het te beschermen tegen de graven van Montfort, die zich op de rechteroever van de Rijn hadden gevestigd. Vanaf 1298 was het officieel een stad. In 1444 kwam de naam “Altstätten” al voor.

Altstätten beleefde in de 18e eeuw een economische bloeiperiode met de textielhandel. De welvaart is nog te zien aan de barokke gebouwen en woonhuizen. Altstätten is ook het carnavalsbolwerk (Fasnacht) van het Rijndal van St.Gallen.

(Bron: www.altstaetten.ch).