Regio Basiliensis sinds 1963

In 2023 viert de vereniging Regio Basiliensis haar 60-jarig bestaan. De vereniging Regio Basiliensis is  in 1963 in Bazel opgericht door vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en  wetenschap. Haar doel was het plannen en bevorderen van de economische, politieke en culturele ontwikkeling van de Bovenrijnregio en het opheffen van grensbarrières.

Haar doel is van Zwitserse kant een impuls te geven aan de ontwikkeling van een samenhangend Europees grensgebied aan de Bovenrijn.

Sinds haar oprichting heeft zij een beslissende rol gespeeld in de regionale samenwerking in de Bovenrijnregio. Zij heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan trinationale samenwerking.

De Regio Basiliensis is ook het kenniscentrum voor de bevordering van grensoverschrijdende contacten. Zij staat daarmee ten dienste van politiek, overheid, economie, wetenschap, organisaties en burgers.

(Bron en verdere informatie: Regio Basiliensis)

Landesmuseum Zürich 125 jaar

Het Nationaal Museum Zürich viert in 2023 zijn 125-jarig bestaan. Het museum blikt terug op zijn bewogen verleden en werpt tegelijkertijd een blik in de toekomst. Hoogtepunt van de festiviteiten is het jubileumweekend op 10 en 11 juni met een speciaal programma voor het publiek.

Dit jubileumweekend biedt een gevarieerd programma met tentoonstellingen, workshops en speciale rondleidingen. In de tentoonstellingen zijn er korte “tijdreizen” naar het verleden.

Een blik in de toekomst wordt geboden door de interventie “1898-2023-2148”, die exclusief tijdens het jubileumweekend te zien is. Vier schoolklassen uit de vier taalgebieden presenteren voorwerpen uit hun dagelijks leven die over 125 jaar in het museum te zien zouden kunnen zijn.

De zaterdagavond wordt afgesloten met een concert van de Zwitserse musicus Marius Bear op de binnenplaats van het museum. Het Nationaal Museum wijdt de zondag aan gezinnen.

(Bron en verdere informatie: Landesmuseum Zürich)

Johann Peter Hebel. Zijn kalenderverhalen in strips en Illustraties

Op 10 mei 2010 was het 250 jaar geleden dat Johann Peter Hebel (1760-1826) werd geboren. Dit was aanleiding om zijn Kalendergeschichten vanuit het perspectief van het heden onder de aandacht te brengen.

De medewerkers aan deze bundel hebben zich bewust niet beperkt tot de boekuitgave van het Schatzkastlein (1811), maar hun blik uitgebreid tot alle kalenderverhalen vanaf 1808 tot 1820.

Zij hebben uit deze overvloed een keuze gemaakt en het bijbehorende verhaal als strip of illustratie in beeld gebracht. De verschillende creatieve benaderingen en visuele werelden worden bijeengehouden door de structuur van een kalender met twaalf maanden, door een grafische bewerking en door de kalenderverhalen in de oorspronkelijke en hedendaagse tekst met illustraties en strips.

Het resultaat is een spannende en levendige dialoog tussen heden en verleden, beeld en tekst, een kleurrijk boeket van verhalen, beelden en beeldtalen dat getuigt van Johann Peter Hebel’s uitstraling. De kalenderman en Alemannische dichter Johann Peter Hebel is nog steeds actueel en raakt ons nog steeds!

(Realisatie: Chantal Duocommun, uitgave: Schwabe AG, Johann Peter Hebel. Kalendergeschichten in Comics & Illustrationen, Bazel 2010)

Huis van de Kantons

De opening van het Huis van de Kantons (Haus der Kantone) in 2008 was een mijlpaal in de samenwerking tussen de 26 kantons. Als gezamenlijke koepel van 13 regerings- en directieledenconferenties en 16 geassocieerde organisaties van de kantons is een kennis- en overlegcentrum gecreëerd.

Het concentreert kennis en zorgt voor een centrale vergader- en communicatie-infrastructuur. Dit vereenvoudigt ook de samenwerking tussen de kantons en het nationale niveau (regering, ministeries en parlement).

Het bevordert de (concrete) samenwerking, dialoog, communicatie en informatie-uitwisseling tussen de kantons onderling en met de federale instellingen.

Conferenties van kantonsregeringen

De regeringen van de 26 kantons coördineren door vierjaarlijkse Conferenties van kantonsregeringen (Konferenz der Kantonsregierungen, KdK) hun (soms uiteenlopende) belangen op federaal niveau.

Het KdK houdt zich vooral bezig met de vernieuwing en verdere ontwikkeling van het federalisme, de taakverdeling tussen de Confederatie en de kantons, de besluitvorming, de uitvoering van de federale taken door de kantons en de (vroege) communicatie over het buitenlands en Europees beleid.

Conferenties van directeuren

De directeursconferenties (Direktorenkonferenzen) hebben betrekking op de verschillende vakgebieden van de kantonale overheden (financiën, onderwijs en cultuur, documentatie, onderwijs, gezondheid, justitie en politie, sociaal beleid, bossen, natuur, landschap en klimaat, bouw, planning en milieu, openbaar vervoer, economie, energie en landbouw).

Subsidiariteit

In 1848 werden slechts minimale bevoegdheden aan de Confederatie toegekend. Dit principe komt met name tot uitdrukking in artikel 3 van Grondwet: Subsidiariteit vereist dat alle overheidstaken die niet expliciet aan de Confederatie zijn toegewezen, onder de bevoegdheid van de kantons vallen, die ze (weer) gedeeltelijk aan de gemeenten (kunnen) delegeren.

In de meeste gevallen zijn de kantons ook verantwoordelijk voor de uitvoering van het federale beleid- en wetgeving. Alleen op het gebied van internationale (Europese) betrekkingen, defensie en financiën en belastingen heeft de Confederatie nog alle of de meeste bevoegdheden.

Maar juist dan kunnen de Raad van State (de Ständerat, de parlementaire vertegenwoordiging van de kantons op federaal niveau) en het kantonale referendum (Kantonsreferendum) de federale beslissingen beïnvloeden.

Bestaansrecht

Op veel andere gebieden is de situatie diffuus, maar de taakverdeling tussen de Confederatie en de kantons (en gemeenten) is sinds 1848 veranderd en er zijn aanzienlijke bevoegdheden aan de Confederatie overgedragen.

De reorganisatie van de financiële vereffening en de taakverdeling (Neugestaltung des Finanzausgleichs und der Aufgabenteilung zwischen Bund und Kantonen, NFA) tussen de Confederatie en de kantons is daarom in 2008 van kracht geworden.

De kantons zijn sinds 1848 echter ook in veel opzichten veranderd, zowel economisch, religieus, sociaal als wat betreft bevolkingsdichtheid of stads-/plattelandsontwikkeling.

Het Huis van Kantons vindt zijn bestaansrecht in deze ontwikkelingen. Bron en nadere informatie: Haus der Kantone/Maison des Cantons; A. Vatter, Das politische System der Schweiz, Baden-Baden, 2016).

De Munot van Schaffhausen

Al in de 14e eeuw stond op de kam van de Emmersberg in Schaffhausen een vesting. Oude afbeeldingen tonen een machtige toren, Annot (ohne Not/zonder noodzaak) genoemd, met een verdedigingsplatform ervoor, de Zwingolf.

Beide werden afgebroken na 1564, toen de huidige Munot werd gebouwd. De twee flankmuren, die het Annot al in de ringmuur van de stad integreerden en met het Munot werden hergebruikt, zijn bewaard gebleven.

De zogenaamde Römerturm (Romeinse toren) op de helling naar de Rijn behoorde ook tot de oudere Annot. Zijn torenhoge slanke vorm is typisch voor middeleeuwse wachttorens.

In de 19e eeuw had de Munot zijn nut voor de verdediging van de stad verloren.  Sinds 1836 zorgt de Munotverein, samen met de stad, voor het onderhoud, de exploitatie en de instandhouding.

Morcote, de parel van Ceresio

Het meer van Lugano (Lago di Lugano) in het kanton Tessin (Ticino) is genoemd naar de stad Lugano, die de dichtstbevolkte stad is, maar niet de hoofdstad van het kanton.

Lago di Lugano wordt ook Ceresio genoemd. Deze naam komt voor in verband met het dorp Morcote, dat de “perla del Ceresio” wordt genoemd en een van de mooiste dorpen van Zwitserland is.

Aan dit meer liggen ook het openluchtmuseum Swissminiatur en de Italiaanse enclave Campione d’Italia.

De eerste vermelding van het dorp dateert uit 926. De naam is afgeleid van morae caput, wat de top of het einde van de rots betekent. De hertogen van Milaan verleenden het dorp markt- en andere rechten en stelden het vrij van tolheffing.

De Eidgenossen veroverden Morcote in 1517 en bestuurden het tot 1798 als een ‘Untertanengebiet’ en de oprichting van de Helvetische Republiek (1798-1803). Sinds 1803 maakt Morcote deel uit van het nieuwe kanton Tessin.

Santa Maria del Sasso. De Verovering van Lugano

Tot de bouw van de dam bij Melide in 1847 was Morcote een belangrijke haven en handelscentrum voor goederen die over het meer van en naar Lombardije. De vele patriciërshuizen, de promenade, het kasteel op de Monte Arbostora en vele monumenten herinneren aan deze hoogtijdagen.

De kerk van Santa Maria del Sasso is in verschillende fasen gebouwd. De romaanse, renaissance- en barokstijl wijst op de lange bouwtijd van drie eeuwen tot de achttiende eeuw.  De kerk was een uitbreiding van het romaanse oratorium van Sant’Antonio Abate uit 1300.

Maria del Sasso

Sant’Antonio Abate

De eerste uitbreiding van de kerk vond plaats in de jaren 1470. De zijkapel San Carlo is gebouwd in 1581. Daarna volgde het Santissimo Sacramento in 1591, de apsis, twee sacristieën en het hoofdaltaar in 1750-1758.

De fresco’s uit de 15e en 16e eeuw zijn hoogtepunten van de Lombardische stijl. Alvorens deze kunstwerken te bewonderen, moeten echter 404 treden worden beklommen.

De kerktoren is al van verre te zien en is een van de typische torens van Tessin met verschillende stijlen en kenmerken. Als u genoeg hebt van steen, kunst en religieuze voorwerpen, kunt u een korte omweg maken naar het exotische Scherrer Park met zijn adembenemende uitzicht op het Luganomeer en het berglandschap of langs de promenade van het meer wandelen.

(Bron en verdere informatie: Morcote, la perla del Ceresio)

Johann P. Hebel en Credit Suisse

“Het talent om te forceren lag niet in Hebels aard; hij bezat een gevoel voor proportie, een gevoel voor wat nodig en mogelijk is en wat niet” (Robert Minder, Hebel, der erasmische Geist oder nützliche Anleitung zu seiner Lektüre, (Leipzig, 1959. (Das Talent zu forcieren, lag Hebel nicht, er besass den Sinn für Proportionen, Augenmass, Instinkt für das, was nötig und möglich ist und was nicht).

Johann Peter Hebel. Von der Wiege bis zur Grabe. Hebelhaus Hausen

Johann Peter Hebel

Johann Peter Hebel (1760-1826), geboren in Bazel, staat, kort gezegd, voor een aantal kenmerken van de (hedendaagse) Zwitserse samenleving, politiek en omgangsvormen. Tot zijn kenmerken behoorden menselijkheid, bescheidenheid, compromisbereidheid, geen pathos en loze retoriek. Hij plande geen megalomane literaire projecten.

Hoewel deze eigenschappen goede voorwaarden zijn voor een relatief aangename, respectvolle en goed functionerende samenleving, zijn ze een nogal slechte voedingsbodem voor dichters en prozaschrijvers.

Detail van een tekening van Emanuel Büchel (1705-1775), 1770, Totentanz 2, Geboortehuis in Bazel. Collectie: privaatbezit 

Hebels Geboortehuis tegenwoordig

Johann Peter Hebel. Dreyland Dichterweg

Credit Suisse

Het debacle van Credit Suisse zou door Hebel waarschijnlijk treffend zijn beschreven in een “Kalendergeschichte” (zie hieronder), misschien met een moraliserende vergelijking met “Marignano 1515”. In Marignano ontmoette de tot dan toe onverslaanbare Zwitserse Confederatie haar “Waterloo”. De dapperheid, overmoed en hellebaarden van de kantons van de Confederatie  waren niet opgewassen tegen artillerie en moderne oorlogsvoering: “Hoogmoed komt voor den val”.

Afkomst

Hebel was echter geen Zwitser of Duitser. In 1760 bestonden Zwitserland en Duitsland nog niet, maar de Zwitserse Confederatie met dertien soevereine kantons en het markgraafschap Baden in het huidige Duitsland wel.

In Zwitserland was het staatsburgerschap gebonden aan een plaats (Ort), een stad en een kanton, maar niet aan de Confederatie. Hebels ouders waren bovendien immigranten uit Simmern uit de Kurpfalz (zijn vader) en Hausen (zijn moeder) in het voormalige markgraafschap Baden, dat tegenwoordig deel uitmaakt van de deelstaat Baden-Württemberg.

Hebelhaus en- Museum, Hausen

Ondanks zijn afkomst is Hebel een van de meest bewonderde en bekende dichters en prozaschrijvers in het Duitse taalgebied, reeds bewonderd door zijn tijdgenoten, waaronder Johann Georg Jacobi, Jean Paul, Jeremias Gotthelf, Johann Wolfgang von Goethe, en – veel later – ook door Hugo von Hofmannsthal, Rainer Maria Rilke, Martin Heidegger, Heinrich Böll, Bertolt Brecht en Botho Strauß.

Ötlingen, St. Gallus Kerk

Na de dood van zijn vader Johann Jakob Hebel in 1761 woonden Hebel en zijn moeder ’s winters in Hausen en ’s zomers in Basel. De jonge Hebel ging in de winter naar de Latijnse school in Schopfheim, een dorp bij Hausen, en in de zomer naar de stadsschool bij de Sint-Peterskerk (waar hij ook gedoopt is) en het gymnasium aan de Münsterplatz in Bazel.

Een stadsjongen in de zomer en een plattelandsjongen in de winter, in het Wiesental of Oberland, het gebied tussen de Feldberg, de bron van de Wiese, en Bazel, waar de Wiese bij Kleinhüningen in de Rijn uitmondt. Dit was zijn Heimat.

Gustav Gebhardt (1821-1896), Schopfheim, de Marktgraben met De Latijnse school, 1885. Collectie: Archiv Schopfheim

De Wiese, Bazel en het Wiesental

De Wiese en het Wiesental

Hebel was niet voorbestemd voor het schrijverschap, maar voor een Luthers pastoraat. Na de dood van zijn moeder in 1763 ging hij naar Karlsruhe voor een opleiding tot luthers predikant. Karlsruhe was in die tijd de residentie van de markgraaf van Baden. Hij werd echter geen dominee, maar leraar aan het gymnasium, universitair hoofddocent theologie en Hebreeuws en diaken aan de hofkerk in Karlsruhe.

Hij vergat hij echter zijn jeugd in het Wiesental en Bazel niet. Vanaf 1799 bracht hij zijn vrije tijd door in het Oberland. Hij wandelde graag en veel in het Wiesental en raakte steeds meer geïnteresseerd in en betrokken bij het Alemannisch.

Hausen

Lörrach, Burg Rötteln

Jetzt goht’s wieder witers und alliwil aben und abe!

Siehsch dört vorne ’s Röttler Schloss – verfalleni Mure?

In vertäfelte Stube mit goldene Liiste verbendlet

hen sust Fürste gwohnt und schöni fürstligi Fraue,

Heren und Heregsind, und d’Freud isch z’Röttle deheim gsi”.

(Johann Peter Hebel, uit ‘Die Wiese’ (1801)

Alemannische gedichten

Uit deze periode dateren ook zijn eerste Alemannische gedichten (1800 en 1801), die na hun eerste publicatie in 1803 veel opzien baarden bij de literaire grootheden en geleerden. Hoe kon een “boerendialect” zulke mooie gedichten voortbrengen?  Na deze publicatie en de herdrukken was zijn roem gevestigd in het Hoogduitse taalgebied en ver daarbuiten.

De Alemannische taal, Bazel en het Wiesental waren Hebels inspiratiebronnen. De natuur, de landelijke omgeving en de stad Bazel vormen het decor voor zijn gedichten. Hebel vertaalde het Alemannisch, een dialect, volgens de strikte regels van de poëzie.

Hebel kende de (klassieke) poëzie en paste deze toe in zijn Alemannische gedichten, een unicum. De meeste schrijvers, politici en geleerden hadden nog nooit geschreven (of gesproken) Alemannisch gezien (of gehoord).

Hebel wist ook dat het Alemannisch slechts bij weinigen bekend was. Hoewel hij zijn gedichten in het Alemannisch schreef, waren zijn titels in het Hoogduits en voegde hij maar liefst 30 pagina’s met woordverklaringen bij zijn gedichten.

Zijn Alemannische gedichten waren al snel tot ver buiten de Duitstalige wereld bekend. Een Russische vertaling verscheen al in 1818 en werd al snel gevolgd door Nederlandse, Japanse en Franse vertalingen.

De Duitse schrijver Rainer Maria Rilke (die overigens ook in Zwitserland zijn “thuis” vond en begraven ligt in Raron, kanton Wallis) verwoordde het in de 20e eeuw als volgt:

“Het is niet dat deze man poëzie in dialect heeft geschreven, maar dat het dialect in hem poëtisch is geworden, dat is het doorslaggevende”. (Nicht daß dieser Mann im Dialekt gedichtet hat, sondern daß der Dialekt in ihm poetisch geworden ist, das ist das Entscheidende).

De Kalendergeschichten

Zijn kalenderverhalen in “Der Rheinländische Hausfreund oder neuer Kalender” en de in 1811 verschenen bundel “Schatzkästlein des rheinischen Hausfreundes” met de beste verhalen uit de “Rheinländische Hausfreund” droegen in belangrijke mate bij aan zijn bekendheid.

De kalender was in deze periode een medium met een hoge oplage (tot 50.000 exemplaren per jaar in het markgraafschap Baden) met praktische informatie (maanden, dagen, markten, feestdagen, maanstanden, zonsopgang, zaai- en oogstdagen en andere informatie) aangevuld met korte, meestal vermakelijk gedramatiseerde en spannende verhalen uit het dagelijks leven. Hebel nam de redactie van deze kalender over in 1808.

Hij schreef in het Hoogduits. Hij putte inspiratie uit verschillende schriftelijke en mondelinge bronnen. Hij ontwikkelde een stijl voor het korte verhaal die toen en tegenwoordig nog steeds wordt nagevolgd.

Zijn verhalen geven een psychologisch beeld van de mens en zijn dagelijks leven. Ze werpen filosofische vragen op en vertellen over de sociale en politieke omstandigheden van zijn tijd.

Hebel combineerde zijn informatie uit verschillende bronnen met zijn schrijftalent en betrok vaak andere culturen en steden (onder andere Londen, Amsterdam, Parijs, Wenen, St, Petersburg, Amerika, Rusland, Turkije) zonder er ooit geweest te zijn.

Het Oberland was echter altijd het uitgangspunt.  Als leraar, opvoeder en theoloog ontbrak het hem ook zelden aan pedagogische of leerzame elementen in zijn verhalen, zonder de moraliserende boodschap te veel te benadrukken.

Het fundamentele verschil tussen de Alemannische gedichten en de Hoogduitse kalenderverhalen was de eigen verbeelding van de gedichten en de vele verschillende bronnen van de verhalen.

Bijbelse verhalen

Niet verrassend gebruikte hij zijn kwaliteiten ook om de Bijbel toegankelijk te maken voor kinderen en schoolkinderen. In 1814 publiceerde hij zijn “Biblische Geschichten”, een kinderbijbel, zoals we tegenwoordig zouden zeggen. Hij schreef dit werk ook in het Hoogduits, en het is nog steeds actueel.

Internationaal

De Kalenderverhalen en Bijbelse Verhalen, geschreven in het Hoogduits, verschenen in de negentiende eeuw in het Spaans, Deens, Lets, Ests, Hongaars, Engels, Pools, Servisch, Kroatisch, Sloveens, IJslands, Japans, Romansh en tal van andere talen.

Carrière

Hebel had altijd een ander beroep naast zijn schrijverschap. Tijdens de Napoleontische tijd werd Baden in 1806 tot groothertogdom verheven. In 1819 benoemde groothertog Ludwig I (1763-1830) Hebel tot prelaat van de protestantse regionale kerk van Baden, het hoogste kerkelijke ambt in het groothertogdom met lidmaatschap van de eerste kamer van de Landtag en van de protestantse kerkelijke synode. Deze indrukwekkende carrière remde hem in het aantal publicaties, maar niet in de kwaliteit van zijn geschriften.

Hebels Graf in Schwetzingen. Foto: Hebelhaus Hausen

Literaire erfenis

Hebel overleed op 22 september 1826 in Schwetzingen en is daar begraven. Hij was tijdens zijn leven en ook na zijn dood een inspiratiebron voor vele schrijvers.  Het Wiesental en Bazel brengen op vele manieren hulde aan de schrijver van de menselijke maat. Er is de Hebelprijs voor literatuur, de Hebelplaquette, de Hebelfontein, Hebelwandelpaden, Hebelcafés, de jaarlijkse Hebeldag en de Hebelmähli op 10 mei, maar ook het Hebelhaus in Hausen, Hebelverenigingen, een Hebelpaviljoen, de Hebelstichting Basel, Hebelstraten, Hebelpleinen, standbeelden en bustes, (wetenschappelijke) publicaties en hommages in tal van andere uitingen.

Hebeldag, Hausen, 10 mei 2023 

Het grootste geschenk aan zijn geboortestad Bazel is het stadslied: “Z’ Basel an mim Rhi” met de Hoogduitse titel “Erinnerung an Basel”:

Z’Basel an mim Rhy,

Jo, dert möcht i sy!

Weiht nit d’Luft so mild und lau

Und der Himmel isch so blau

An mym liebe, an mym liebe Rhy.

Dit was tevens zijn laatste alemanische gedicht, dat goed aansluit bij of zijn eerste alemanische gedicht en zijn schrijverschap in zekere zin zelfs afsluit. Dit eerste gedicht gaat namelijk over de bron van de Wiese bij de Feldberg en eindigt uiteindelijk in Bazel onder de titel “Die Wiese”:

Feldbergs liebligi Tochter, o Wiese, bis mer Gottwilche!….’s Gotthard’s grosse Bueb (der Rhein), ………doch wie ne Rotsher vo Basel stolz in sine Schritten und schön in sine Giberde.

(Bron: B. Trachsler, Johann Peter Hebel. Werkauswahl, Bazel 2010; Hebelhaus, Hausen)

Johann Peter Hebel Gesellschaft, Basel Tattoo Parade, 15 juli 2023

Bazel, St. Peterskerk en Hebelbuste

Lörrach, Hebelpark

Hebelbron, Hausen

Gevelschilderingen in Schaffhausen

Tijdens de Renaissance (1450-1600) was het beschilderen van façades na huizen wijdverbreid. Ook in Schaffhausen waren veel gevels van huizen versierd met fresco’s.

De fresco’s van het huis Zum Ritter behoren tot de belangrijkste renaissance gevelschilderingen ten noorden van de Alpen. De schilder Tobias Stimmer (1539-1584) maakte deze monumentale muurschildering in 1568-1570.

Haus Zum Ritter

Naast het schilderen van gevels maakte hij naam als portrettist, tekenaar en illustrator en behoort hij samen met Albrecht Dürer (1471-1528) en Hans Holbein de Jonge (1497-1543) tot de belangrijkste kunstenaars van de late Renaissance in het Duitse taalgebied.

Het werk is een samenhangend picturaal programma. Het verbeeldt de burgerlijke deugden van eer, patriottisme en zelfopoffering.

(Bron: Museum zu Allerheiligen, Schaffhausen)

August Brandes (1872-1948), reconstructie, 1907.
Collectie: Museum zu Allerheiligen.

Haus zum grossen Kafig.

Douaneunie met Liechtenstein

Op 29 maart 1923 ondertekenden Zwitserland en Liechtenstein een douaneverdrag, het Zollvertrag, dat op 1 januari 1924 in werking trad. Het verdrag verbond Liechtenstein met de Zwitserse economische ruimte en bevrijdde het uit zijn economische isolement.

De Liechtensteinse Commissie voor de onderhandelingen over het douaneverdrag in januari 1920. Staand vanaf links: Legationsrat Emil Beck, Landtagsabgeordneter Wilhelm Beck, Regierungsrat-Stellvertreter Emil Batliner. Zittend vanaf links: Voorzitter van de Landtag Fritz Walser en de Prins van Liechtenstein. Collectie: Liechtensteinisches Landesmuseum. Foto: E. Aeschbacher, Bern.

Met het sluiten van het douaneverdrag deed Liechtenstein afstand van een deel van zijn soevereiniteit. Liechtenstein nam Zwitserse wetten die verband hielden met het Douaneverdrag over.

De Zwitserse douanepost te Steg in het Vorstendom Liechtenstein (zomerpost). Houten paneel met de wapens van Zwitserland en Liechtenstein. De grenswachtpost in Steg is in 1972 opgeheven.

Het douaneverdrag van 1923 is het belangrijkste verdrag tussen Liechtenstein en Zwitserland. Collectie: Sammlung: Z 2, Liechtensteinisches LandesMuseum, Foto: Sven Beham

Het Liechtensteinse Nationale Museum in Vaduz en het Zwitserse Douane Museum in Gandria (Kanton Tessin) herdenken het 100-jarig bestaan vande douaneunie met een gezamenlijke tentoonstelling.

De tentoonstelling toont niet alleen de achtergrond en de geschiedenis van het douaneverdrag, maar illustreert ook veel  andere aspecten van de betrekkingen tussen Zwitserland en Liechtenstein.

Het Zwitserse onderzoekscentrum “Diplomatieke documenten van Zwitserland” (Dodis) biedt in de tentoonstelling toegang tot documenten uit het Zwitserse Federale Archief.

De tentoonstelling omvat ongeveer 90 voorwerpen en documenten uit de collectie van het Liechtensteinse Nationale Museum en bruikleengevers.

(Bron en verdere informatie: Liechtensteinisches Landesmuseum; Schweizerische Zollmuseum Gandria).

Liechtenstein. De laatste Duitstalige monarchie

Liechtenstein is de laatste Duitstalige monarchie die de 21e eeuw heeft gehaald. Tot Napoleon en de ontbinding van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie in 1806 waren er nog ongeveer 300 (zeer) kleine tot zeer grote Duitstalige vorstendommen.

Ook Zwitserland kende tot 1857 nog formeel een Duits vorstendom, het franstalige Prinsdom Neuchâtel, dat van 1707 tot 1857 (formeel) deel uitmaakte van het Koninkrijk Pruisen.

Liechtenstein kende vóór de 19e eeuw geen grondwet in de eigenlijke zin van het woord. Het gewoonterecht en afzonderlijke documenten, zoals de Dienstinstructie (Dienstinstruktion) van 1719, regelden echter het functioneren van de overheid en de rechten van de burgers). Dit kwam ook voort uit de nauwe verbondenheid met het keizerlijk recht van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie.

Korte Historie Liechtenstein

In de loop van de 15e eeuw ontstonden op het grondgebied van het huidige Liechtenstein twee Landschaften in Vaduz en in Schellenberg,  een soortgelijke ontwikkeling, zoals de Landsgemeinde in Zwitserland (zie Swiss Spectator onder staatsinrichting, demokratie en kantons).

Het hoogste orgaan was de Landschaftsversammlung, zeg maar de Landsgemeinde, zoals die ook in Zwitserland bestonden. De functionarissen voor rechtspraak en de overheid werden benoemd door deze Landschaft. De Landschaft was ook belast met militaire zaken.

Keizer Karl VI. (1685–1740) van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie verenigt in 1719 het graafschap Vaduz en de Heerlijkheid (Herrschaft) Schellenberg tot een Rijksvorstendom (Reichsfürstentum) met de naam Liechtenstein. Collectie: The Princely Collections, Vaduz–Vienna, Inv. Nr. UR 1719.01.23.1, Foto: © Liechtensteinisches LandesMuseum. The Princely Collections, Vaduz – Vienna.

Centraal daarbij stond de Reichsumittelbarkeit. Dit betekende een grote mate van autonomie in het Heilige Roomse Rijk met alleen de keizerlijke instanties als hogere macht. Liechtenstein bestond tot aan het einde van de zeventiende eeuw uit het graafschap Vaduz en de heerlijkheid Schellenberg, de twee gebieden van de Landschaften.

Ze waren wel onderworpen aan de keizerlijke (fiscale) wetgeving en de hoogste rechterlijke instanties in Wenen (de Hofrat) en Speyer en daarna Wetzlar (Reichskammergericht), maar waren voor het overige zelfstandig.

Dienstinstruktion 1719, Titelblad. Liechtenstein. Collectie: The Princely Collections, Vaduz–Vienna, Inv. Nr. UR 1719.01.23.1, Foto: © Liechtensteinisches LandesMuseum. The Princely Collections, Vaduz

Na de komst van het vorstenhuis Liechtenstein in de jaren 1699-1712 vaardigde de eerste vorst, prins Anton Florian van Liechtenstein (1656-1721), op 10 april 1719 een dienstinstructie (Dienstinstruktion) uit met een eerste aanzet van het functioneren van de staat en de rechten van de burgers. De Landschaften en hun rechten bleven intact.

In 1808, na het einde van het Heilige Roomse Rijk in 1806, kwam er echter een nieuwe dienstinstructie waarbij de Landschaften werden afgeschaft en de rol en inspraak van de burgers werden beperkt.

Landständische Verfassung 1818 § 1 bis § 4. Collectie: The Princely Collections, Vaduz. Foto: © Liechtensteinisches LandesMuseum. The Princely Collections, Vaduz

De reactionaire Grondwet van 1818

Toen Liechtenstein na de nederlaag van Napoleon en als gevolg van het Congres van Wenen (1814-1815) in 1815 toetrad tot de Duitse Bond, was het Vorstendom verplicht een grondwet in te voeren.

Prins Johann I van Liechtenstein (1760-1836) ondertekende de grondwet op 9 november 1818. De tekst bestond uit slechts 17 paragrafen. Er waren geen politieke rechten voor burgers of een parlementaire vertegenwoordiging. De Prins was de enige houder van staatsmacht.

Deze grondwet sloot niet aan bij de oude rechten van de Landschaften. Het was een reactionaire grondwet en weerspiegelde de almacht van de monarch.

De mislukte revolutie van 1848-1849

De Duitse Revolutie van 1848/1849 had ook gevolgen voor het Vorstendom Liechtenstein. In het Prinsdom was het ook onrustig met een soort van revolutie en de onderdanen eisten een moderne grondwet en meer rechten. Met de mislukking van de Duitse Revolutie en de daaropvolgende reactie mislukte echter ook het initiatief voor een nieuwe Grondwet.

Grondwet 1862

De nieuwe prins Johann II van Liechtenstein (1840-1929) deed in 1862 echter afstand van zijn absolutistische machtspositie. Deze grondwet kwam overeen met de grondwettelijke norm van die tijd in de Duitse Bond. De kern van de grondwet was nog steeds de staatsmacht van de Prins, maar nu aangevuld door een parlementaire Landtag. Deze grondwet voerde ook voor het eerst grondrechten voor de burgers in.

Silvia Abderhalden en Albert Mennel, Nationale feestdag 15  August 2021, «Architektur für eine Nacht», Kasteel Vaduz. Realisatie Peter Rezac, Concept Fabian Reuteler. Foto: The Princely Collections, Vaduz. Foto: Liechtensteinisches LandesMuseum, The Princely Collections, Vaduz

Grondwet 1921

Met de vorming van politieke partijen in Liechtenstein kwam de roep om een hervorming van het monarchale staatsbestel. Na de ineenstorting van de monarchie in Duitsland en Oostenrijk in 1918 was het absolutistische monarchale idee niet langer houdbaar.

Op 5 oktober 1921 werd de moderne grondwet ondertekend door prins Karl van Liechtenstein (1878-1955). In de grondwet wordt het Vorstendom Liechtenstein gedefinieerd als een constitutionele erfelijke monarchie op democratische en parlementaire grondslag. Onder andere werden in navolging van Zwitserland het referendum en het Volksinitiatief ingevoerd.

Ook werd nauwe economische en monetaire aansluiting bij Zwitserland gezocht. Liechtenstein stond hierbij overigens niet alleen. Het Oostenrijkse Voralberg wilde in 1919 zelfs toetreden tot de Zwitserse Confederatie. De protestante kantons vonden nog een (conservatief) katholiek kanton echter niet zo’n goed idee.

Det douaneunie (Zollvertrag) van 1923 ist het belangrijkste verdrag tussen Liechtenstein en Zwitserland. Bord met de wapens van beide landen. De grenspost Steg is in 1972 opgeheven. Collectie: Liechtensteinisches LandesMuseum. The Princely Collections, Vaduz. Z. 2, Foto: Sven Beham

De prins bleef weliswaar staatshoofd en verantwoordelijk voor de vertegenwoordiging van het land en buitenlands beleid met enkele andere (veto) rechten, maar benoeming van de leden van de regering en wetgeving was alleen mogelijk met toestemming van het parlement. Deze Grondwet is de basis van de rechtsstaat en parlementaire democratie van Liechtenstein en bestaat dit jaar honderd jaar.

Hiermee is de discussie echter niet afgelopen. Met name het vetorecht van de Prins en diens bevoegdheid het parlement te ontbinden en te regeren per decreet in urgente gevallen (Notrecht) en zijn competentie en actieve rol op het gebied van buitenlands beleid staan ter discussie.

Het huidige staatshoofd Hans Adam  II van Liechenstein (1945) en de burgers zijn sinds diens aantreden als staatshoofd in 1989 in permanente dialoog en/of conflict verwikkeld over deze bevoegdheden.

Het moderne Liechtenstein telt ongeveer 39 000 inwoners en bestaat uit elf gemeentes. Niet alleen de constitutionele historie en de laatste Duitstalige monarchie zijn overigens interessante weetjes, ook de historie van de Walser is in het Prinsdom prominent aanwezig.

(Bron en verdere informatie: Liechtensteinisches LandesMuseum).

Vaduz, Liechtensteinisches LandesMuseum