De grensstenen van Zwitserland

Zwitserland is niet alleen het land van bergen, kaas, chocolade en koebellen, maar ook het land van grensstenen. Duizenden grensstenen, en veelal ook nog slagbomen en andere grensafbakeningen, markeren het land.

De geschiedenis met haar (kleine) kantons, ‘Untertanengebiete’ (door de (overwegend) Duitstalige Confederatie bezette en bestuurde gebieden, tegenwoordig kantons), ‘Zugewandte Orte’ (geallieerde gebieden) en grenscorrecties met omringende landen is er dan ook naar.

Chevenez (Kanton Jura)

Het Heimatmuseum van Reinach (Kanton Basel-Landschaft) toont bijvoorbeeld een aantal grensstenen van het kanton Bazel en het gebied van het toenmalige prinsbisdom Bazel (999-1815). In 1831 werd de situatie nog ingewikkelder toen Basel-Landschaft zich afscheidde van kanton Bazel (Basel-Stadt).

Afbeelding: Dreiländermuseum Lörrach

Bij de gemeente Bettingen (Kanton Basel-Stadt) markeren tientallen grensstenen langs een zandpad door het bos bij de berg Chrischona de oude grens tussen het Groothertogdom Baden (formeel tot 1918). Aan de ene kant het gele vlak met rode dwarsstreep van Baden, aan de andere kant de zwarte bisschopsstaf van Bazel.

Bij de Saalhöhe (Kanton Aargau) bij het Fricktal staan grenspalen van het oude Habsburg (tot 1803), Bern (tot 1798) en Basel-Landschaft (vanaf 1831).

Chevenez

De wandelroute bij Chevenez (kanton Jura) toont honderden grensstenen met de beer van Bern (tot 1979) en de initialen RF (République Française). De keurig genummerde stenen nummeren reiken tot 523.

Ieder kanton heeft zo zijn eigen grenspalen gekregen, verplaatst of verloren in de loop van eeuwen. De buitengrenzen van het land zijn daarentegen verbazingwekkend stabiel sinds 1515, afgezien van het verlies van Italiaanse gebieden in de Valtellina (Veltin). Napoleon voegde deze door kantons bezette Untertanengebiete toe aan de nieuwe Republiek Cisalpina.

Heimatmuseum Reinach

Mariastein (kanton Solothurn)

Tweehonderd jaar Chocolade

Zwitserland is het land van bergen, kaas en horloges, maar ook van  chocola, hoewel er geen chocoladeboon groeit.

De bruine boon werd pas in de zestiende eeuw in Europa geïntroduceerd, aanvankelijk als basis voor luxe warme chocolademelk voor de betere kringen, pas vanaf de negentiende eeuw voor de gewone burger.

Chocola, afgeleid van het woord Xocolati  dat de Azteken al 1 500 v. Chr. gebruikten als  pepmiddel, deed in Zwitserland in de achttiende eeuw haar intrede.

Bovendien trokken Zwitserse confiseurs uit Tessin en Franstalig Zwitserland in deze periode naar de toenmalige centra van cacaoproductie: Parijs, Milaan, Venetië en Nice, zoals de taartenbakkers (en hoteliers) uit Graubünden dat in de negentiende eeuw met  veel succes zouden  doen.

Ook in  Zwitserland wordt chocolade door de fabrieksmatige bewerking in de negentiende eeuw voor het volk een gewild product.

François-Louis Cailler (1796-1852). Foto: Wikipedia

François-Louis Cailler (1796-1852) opende in 1819 de oudste nog bestaande chocoladefabrikant van Zwitserland in Corsier-sur-Vevey, in 1826 gevolgd door Philippe Suchard (1797-1884) in Neuchâtel en in 1836 door David Sprüngli (1776-1862) in Zürich.

In 1875 introduceerde Cailler de melkchocolade. Rudolf Lindt (1855-1909) vond in 1879 een andere toepassing, die chocolade tegenwoordig zo populair maakt en Zwitserse chocolade van uitzonderlijke kwaliteit: het letterlijk smelten op de tong.

De geschiedenis van chocolade is ook een Zwitsers succesverhaal: innovatie, export, uitvindersgeluk, traditie én emigratie.

De firma Cailler opende in  2010 het museum waar deze 200-jarige historie op een smakelijke wijze wordt getoond.

(Verdere informatie: www.cailler.ch/en/maison-cailler).

Annecy, Savoie, Genève en L’Escalade

De Graven van Genève zijn evenals hun buren, de Graven van Savoie, voortgekomen uit het koninkrijk Bourgondië (888-1032).

De Graven beheersten rond 1350 het gebied van de Faucigny, Genevois en de stad Annecy, een deel van de Chablais langs het meer van Genève en Gex in Frankrijk.

Kasteel Annecy

Genève was het bestuurlijke centrum, Annecy was ook een belangrijke residentie vanwege haar kasteel en locatie aan (handels)wegen en het meer. In tegenstelling tot Savoie had Genève echter een directe concurrent binnen de stadsmuren: de bisschop. Het bisdom Genève viel onder het aartsbisdom Vienne.

De vier Calvinistische reformatoren Calvijn. Farel, Beze en Knox, mur des Réformateurs

Tot aan de reformatie rond 1530 was er een machtsstrijd tussen de bisschop (met steun van Savoie) en de Graven en later het stedelijke bestuur. De komst van Calvijn in 1536 maakte een einde aan alle bisschoppelijke pretenties in Genève. De stad werd zelfs de hoofdstad van het Calvinisme. Het Museum van de Reformatie (Musée de la Réformation) geeft een goed beeld van deze historie in regionaal en Europees verband.

Savoie verkreeg in 1401 Annecy en andere gebieden ten zuiden van het meer van Genève. De hertog viel zelfs met steun van de gevluchte bisschop op 11 en 12 december 1602 de stad aan. Het eindigde met een nederlaag voor Savoie. Jaarlijks herdenkt Genève deze aanval, L’Escalade, vernoemd naar de houten ladders waarmee Savoie tevergeefs de stadsmuren bestormde.

De Escalade is wat in Nederland het ontzet van Leiden (3 oktober 1574 ) en Alkmaar (8 oktober 1573) betekent.

 

Annecy maakte vanaf 1401 deel uit van het hertogdom van Savoie. Het kasteel was een bestuurlijk centrum met een defensieve functie. Vanaf 1713 tot 1860 was Annecy een stad binnen het koninkrijk Piëmont-Sardinië, met een onderbreking tijdens de Franse tijd (1792-1813).

Savoie was van 1792-1813 een Frans departement. Een van de besluiten van het Congres van Wenen in 1814-15 was het herstel van het  koninkrijk Piëmont-Sardinië

Dit koninkrijk hield in 1860 op te bestaan door de vestiging van het koninkrijk Italië, inclusief Piëmont en Sardinië. Savoie (en Annecy) koos in 1861 in een referendum voor opname in het Franse keizerrijk van Napoleon III en maakt sindsdien deel uit van Frankrijk.

Het kanton Genève, lid van de Zwitserse Confederatie sinds 1815, was het middeleeuwse verleden en het bezit van de Genevois (en Annecy), Faucigny en een deel van Chablais echter niet vergeten. Het kanton overwoog aanvankelijk zelfs gewapend ingrijpen vanwege deze gebieden. Door tegenstand van de andere kantons is het daar niet van gekomen.

Het kasteel van Annecy had in deze eeuwen een wisselende bestemming. Tegenwoordig huisvest het een historisch museum en een tentoonstelling over het leven en het water in het meer van Annecy

(Bron en verdere informatie: Musèe-Château d’Annecy).

Land van musea

De eerste musea zijn ontstaan in het Italië van de Renaissance, in de vijftiende eeuw. De antieke oudheid, het politieke en constitutionele model van Rome en Griekenland en de (her) ontdekking van Griekse en Romeinse auteurs leiden tot een grote verzamelwoede bij de elite.

Antieke voorwerpen (munten, standbeelden, dagelijkse voorwerpen, inscripties en tal van andere objecten) lagen letterlijk voor het  oprapen. De huizen en tuinen waren de toonzalen. Het waren echter privé collecties.

Paus Sixtus IV (1414-1484) zag er echter in 1471 een goed propagandamiddel in om de relatie tussen het antieke Rome en het Christelijke Rome met de Paus als leider onder de aandacht te brengen.

Paus Sixtus IV (1414-1484). Foto: Wikipedia

Hij had zeker niet de bedoeling een museum te stichten, het concept was onbekend. Dit was echter wel het resultaat. Het publiek bezichtigde  in groten getale de voorwerpen  in het Capitool. Het Capitool is daarmee feitelijk het eerste museum.

De twee eeuwen daarna zouden in Europa in het teken  staan van (godsdienst- en burger) oorlogen. Men had andere zaken aan zijn hoofd dan musea.

Dit verandert vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw met de Verlichting en vooral na de Napoleontische oorlogen en de opkomst van de natiestaat. Musea waren na 1815 de uithangborden van (nieuwe) naties en nationalisme, ook in Zwitserland,

De stad Bazel organiseerde echter al honderdvijftig jaar daarvoor een openbare kunstverzameling, het Amerbach-Kabinett in het Haus zur Mücke in 1671. Het doel was niet, zoals destijds in het Capitool, van politieke aard, maar om alle inwoners te laten genieten van kunst.

Het was het eerste ‘museum’ ten noorden van de Alpen, al bestond deze naam nog niet. De collectie bestond uit schilderijen, tekeningen en grafische werken. De collectie werd steeds verder uitgebreid. Het kunstmuseum (Kunstmuseum Basel) en het oudheidkundig museum (Antikenmuseum Basel und Sammlung Ludwig) kwamen hier in 1936 uit voort.

Het natuurhistorische museum (Musée d’Histoire Naturelle) in Genève opende al in 1820 zijn deuren. Museum Rath in Genève was er in 1826 ook vroeg bij. Tegenwoordig heeft Zwitserland de hoogste museumdichtheid per inwoner.

Museum der Kulturen Bazel (1893). Foto: TES. 

De collectie bestaat is veel ouder en was eerst ondergebracht in het Museum van de Stad Bazel (Museum der Stadt Basel) in 1849. Het is daarmee een van de oudste etnografische collecties van Europa.

De musea zijn van een hoge kwaliteit, waarbij vooral de (financiële) deelname van particulieren en het bedrijfsleven opvalt. Ook in de kunst is Zwitserland in de ware zin van het woord een Eidgenossenschaft.

Haus zur Mücke

Viertalig Zwitserland en identiteit

Van oorsprong is de Zwitserse Confederatie een Duitstalige creatie. Van 1291 tot 1798 vormden dertien (van oorsprong) Duitstalige kantons een confederale staat, de Eidgenossenschaft. Alleen Freiburg/Fribourg was tweetalig.

Meertalig Zwitserland is een gevolg van de politiek van de Franse bezetter in 1798. De hegemonie van het Duits werd doorbroken en de Helvetische Republiek (1798-1803) erkende de gelijkheid van de Italiaanse, Franse en Duitse taal.

Die Saane/la Sarine ou le/oder der Röstigraben, Foto/Photo: TES.

Wetten en decreten werden gepubliceerd in het Duits, Italiaans en Frans en er werden zelfs tolken ingehuurd voor parlementaire debatten. Zwitserland werd officieel meertalig en was daarmee de eerste drietalige eenheidsstaat in Europa.

Meertalig Zwitserland is in 1848 in de Grondwet verankerd en is een wezenlijk onderdeel van de nationale identiteit en essentieel voor de samenhang en solidariteit van de taalgemeenschappen.

Het idee van een viertalig Zwitserland kwam onder de aandacht na eisen van Romaanstalige activisten in Graubünden in de tweede helft van de 19e eeuw. Dit leidde in 1919 tot de oprichting van Lia Rumantscha.

Het Romaans werd op 20 februari 1938 een officiële taal na goedkeuring per referendum (92% van alle burgers en alle kantons stemden voor). Dit was ook een boodschap aan de Italiaanse en Duitse dictator: in Zwitserland geen steun voor een Anschluss, Heim ins Reich of irredentismo.

Bron van zorg is tegenwoordig het ontbreken van talenkennis, zodat communicatie tussen Zwitsers soms in het Engels moet verlopen, nog afgezien van de vele Duitstalige dialecten.

(Bron: J. Ribeaud, La Suisse plurilingue se délingue. Plaidoyer pour les quatres langues suisses,, Neuchâtel 2010).

De verborgen crypte van de Merians

Een van de meest bijzondere werken voor de stad Bazel op Art Basel 2022 is tevens het minst bekende, zelfs voor geboren en getogen Basler*innen. Bovendien staat het object sinds de afloop van het evenement op 19 juni weer, letterlijk, achter slot en grendel.

Even voorbij de Tinguely bronnen en links van het theater verspert een groot ijzeren hek ter grootte van een kazernepoort de ingang tot een tunnel. De tunnel leidt tot onder het koor van de Elisabethenkirche. Deze kerk is tegenwoordig een (multi) cultureel centrum, maar had bij de ingebruikneming in 1864 nog een religieus-protestantse functie.

De koopman Christoph Merian (1800-1858) was de mede-financier van de kerk. Deze Basler is tegenwoordig vooral nog bekend vanwege de Christoph-Merian-Stiftung (zie onder projecten) die een vermogen beheert van 1.7 miljard Zwitserse franken. Het is de nalatenschap van hem en zijn vrouw Margaretha Merian-Burckhardt (1806-1886).

De tunnel leidt naar de crypte en laatste rustplaats van beiden. De crypte is een kapelletje met altaar. Het echtpaar rust daarnaast in twee zwarte marmeren sarcofagen. De tunnel met toegang tot de crypte is na 1975 door een verbouwing in de vergetelheid geraakt en afgesloten door het hek.

Ter gelegenheid van Art Basel 2022 heeft de kunstenaar Tobias Rehbergen (1966) voor de crypte sculpturen gemaakt die ingevroren rookzuilen voorstellen als indicatie van vergankelijkheid.

Zwitserse democratie

Het Duitstalige boek beschrijft puntsgewijs de ontwikkeling en de bijzonderheden van de Zwitserse democratie. Daartoe behoren onder andere het federalisme, concordantie (Konkordanz) als instrument van belangenafweging en sociale integratie, de invloed van referenda, de rol van politieke partijen, maatschappelijke organisaties en verenigingen in het federale besluitvormingsproces en beleid, alsmede het functioneren van regering en parlement.

Bovendien situeert het boek het Zwitserse politieke systeem in een internationale vergelijking: democratie, globalisering en internationalisering, en het Zwitserse model als inspiratiebron.

W. Lindner/Sean Mueller, Schweizerische Demokratie. Institutionen, Prozesse, Perspektiven, vierde druk, Bern 2017

Het eeuwenoude Zwitserse Wirtschaftswunder en John Bowring

Een kleine vraag over een klein land in de onherbergzame Alpen zonder directe toegang tot de zee,  geen koloniën, geen natuurlijke hulpbronnen of grondstoffen (afgezien van water, graniet, hout en steen), voor een groot deel onbewoonbaar, ontoegankelijk en onvruchtbaar gebied en tot 1848 met een middeleeuws, chaotisch staatbestel van vrijwel volledig soevereine kantons, die omringd waren door machtige op expansie gerichte monarchieën.

Hoe kan een land onder dergelijke omstandigheden uitgroeien tot een van de welvarendste ter wereld ?

Zeer lezenswaardig en zelfs in bepaalde opzichten actueel is het (Engelstalige) rapport over de economie van Zwitserland in 1835 van de Engelse parlementariër John Bowring (1792-1872).

John King ( 1788-1847), Sir John Bowring, 1826. National Portrait Gallery Londen.

Welvaart

De grote welvaartsgroei in de tweede helft van de twintigste eeuw wordt vaak in verband gebracht met het bankgeheim en rekeningen van minder bonafide klanten, de (Joodse) tegoeden, de goudvoorraden uit geplunderde landen of de handel met Duitsland in de Tweede Wereldoorlog.

De rol van Zwitserse handelaars en ondernemers tijdens de slavernij en het kolonialisme staat sinds kort in het middelpunt van de belangstelling (inclusief het gevaar van anachronistische standpunten en het negeren van de wrede heerschappij van lokale tirannen en slavenhandelaars).

Deze factoren hebben een rol gespeeld, pecunia non olet. De huidige welvaart wordt hier echter maar ten dele of niet door verklaard. De sociale welvaartsstaat komt niet uit de lucht vallen en is ook geen direct gevolg van bovengenoemde factoren, hoe moreel laakbaar deze, met de huidige kennis, wetten  en moraal, ook kunnen zijn.

Fleurier (kanton Neuchâtel), Horlogerie Parmigiani

Het eeuwenoude economische succes

De basis van het Zwitserse economische succes gaat een paar eeuwen terug. Het decentrale staatssysteem met kleine politieke eenheden door en voor burgers en zonder aristocratische dynastieën ontstond in de laat dertiende tot begin zestiende eeuw in de dertien (Duitstalige, alleen Fribourg is ook Freiburg) kantons en hun geallieerde gebieden (Zugewandte Orte), onder andere het huidige Graubünden, Genève, (Boven) Wallis, St. Gallen en Neuchâtel.

De unieke Landsgemeinde ontstond in acht kantons in de dertiende en veertiende eeuw. Ze zijn de voorlopers van wat tegenwoordig directe democratie wordt genoemd. In de andere kantons waren de gilden en de regenten-kooplieden aan de macht, zoals bijvoorbeeld ook het geval was in de Republiek van de Verenigde Nederlanden.

Trogen, centrum. Kanton Appenzell Ausserrhoden. Foto: TES

De Orte, die vanaf de zestiende eeuw kantons worden genoemd, waren gericht op handel, productie, industrie en na 1515 (Marignano) het voorkomen of niet deelnemen aan geldverkwistende buitenlandse conflicten en expedities, de Zwitserse neutraliteit.

De Zwitserse soldaat was echter niet weg te denken van de Europese slagvelden. Hij was een gewild exportproduct, waaraan de lokale elites in de kantons goed verdienden. Bovendien was het een goede afvoerput voor mannen onder de armoedegrens en potentiële oproerkraaiers.

Collectie: Landesmuseum Zürich

Deze decentrale structuren bevorderden de ondernemingslust, handel, innovatie, rechtszekerheid en conflictbeheersing en -beslechting.  De kantons waren feitelijk na 1499 (Vrede van Bazel) en volkenrechtelijk na 1648 (Vrede van Westfalen) soevereine republieken zonder buitenlands, keizerlijk, koninklijk of rechterlijk gezag boven zich.

Deze (relatief) democratische structuren zonder buitenlandse inmenging betekende een voordeel ten tijde van de godsdienstoorlogen in de zestiende en zeventiende eeuw. Afgezien van enkele relatief kleine oorlogen (de Kappelerkriege van 1529 en 1531 en de Villmergerkriege van 1656 en 1712) waren er geen grote (religieuze) conflicten, afgezien van de Bündner Wirren (1618-1638) en de boerenopstand van 1653.

De kantons hielden stemmingen over de godsdienst. De Appenzeller splitsten zich vreedzaam in 1597, Glarus erkende de twee geloven en zelfs het delen van de kerken (Simultaneum), sommige kantons werden hervormd, andere bleven het oude geloof trouw. Freiburg (katholiek) en Bern (protestant) waren bondgenoten in hun buitenlands beleid en deelden in de buit op de hertog van Savoie in 1536 (verovering Waadt).

Het leidde wel tot (persoonlijke) conflicten en bondgenootschappen met landen met het juiste geloof. De menselijke en materiële schade in Zwitserland was echter beperkt en dit was uiteraard goed voor de handel, productie en industrie.

Suchard, de eerste chocolade multinational

Specialisatie, handel en niches

Bovendien specialiseerden de steden en kantons zich al in een vroeg stadium. Vee en melkproducten in het ene kanton, horlogerie of textiel in andere en globale en Europese handel in  zijde, katoen, wol, linnen, koffie, thee, specerijen in grote stedelijke centra.

De centra van handel, industrie en export bloeiden al in de zestiende tot de achttiende eeuw, twee eeuwen voor de industriële revolutie. St. Gallen, Glarus, Zürich, de Appenzeller, Bazel en andere gebieden hadden een dominerende positie in de textielindustrie.

Het Verlagsystem lag hieraan  ten grondslag. De ondernemer verschafte de grondstoffen en de eenvoudige productiefaciliteiten voor thuisarbeid. De lonen en investeringen waren laag, de productie was voornamelijk handenarbeid door (huis) vrouwen en kinderen.

Solothurn, Attisholz complex, Solothurn

Protestanten

Zwitserland heeft, evenals de Republiek van de Verenigde Nederlanden, veel voordeel gehad van de komt van tienduizenden Hugenoten en andere protestante vluchtelingen in de zestiende en zeventiende eeuw. Zij namen hun kennis, ervaring en handelsmentaliteit mee. De horloge- en textielindustrie hebben er van geprofiteerd.

1800-1900

De pioniers van de horloge industrie veroverden in korte tijd Europa met wereldwijde netwerken. De bancaire sector groeide hard. Niet Engeland, maar Zwitserland was de toonaangevende textielproducent in de achttiende eeuw.

Dit veranderde vanaf 1780  door (Engelse) uitvindingen in de industriële revolutie en de Napoleontische oorlogen. Naderhand waren de kantons in de nieuwe Confederatie van 1815 te verdeeld om bijvoorbeeld kanton overschrijdende spoorwegen aan te leggen. Dit veranderde door de nieuwe Grondwet en Confederatie van 1848 en de nieuwe bevoegdheden voor de centrale overheid (der Bund, la Fédération).

Glarus, textielindustrie

In 1875 had het land relatief de meeste spoorwegen en stations van Europa, het toerisme boomde, de ingenieurs leverden meesterwerken af in de tunnelbouw, viaducten, bruggen, spoorwegen, de waterwegen, de eerste waterkrachtcentrales, watermanagement (de ‘Deltawerken’ van de Juragewässerkorrektion 1868-1891 bijvoorbeeld), bergpassen en later autowegen, machinebouw, elektronica, ja zelfs scheepsbouw.

Een scheepsbouwer Escher Wyss uit Zürich was lange tijd de grootste Europese producent van stoomschepen. De schepen werden elders in elkaar gezet of de scheepsbouwer vestigde zich met werven in het buitenland.

Rond 1900 was Zwitserland een toonaangevende toeristische-, financiële, industriële- en handelsnatie en land met goed (beroeps) onderwijs en uitstekende universiteiten en onderzoekscentra.

Multinationals zoals Hoffmann La Roche, Nestlé, ABB en de chemie-, verzekerings- en bankreuzen en multinationals in diverse andere sectoren werden in deze tijd opgericht. De beau monde van Europa en de wereld ontmoette elkaar in  de Zwitserse Grand Hotels en kuuroorden.

Bazel, Roche Torens. Foto: TES

Het nadeel wordt een voordeel

De Alpen, vroeger een nadeel, waren nu een voordeel. De goede infrastructuur, in 2016 nog eens bevestigd door de nieuwe Gotthardtunnel, bouwmateriaal in overvloed (graniet en vele soorten steen), creatief en innovatief gebruik van water (en hout) en het toerisme kenmerken het (transit) land. De bewust klein gehouden boerenbedrijven (met subsidies), leiden tot hoogwaardige vlees- en melkproducten en goed natuurbehoud.

Het gebrek aan grondstoffen inspireerde tot creativiteit en innovaties. Grondstoffen, zoals wol, katoen, linnen of ertsen werden en worden ingevoerd en in hoogwaardige producten weer uitgevoerd (machines, horloges, schrijfwaren, elektronica bijvoorbeeld). Het gebrek aan grondstoffen werd een voordeel. De ondernemers en handelaren moesten het vooral hebben van innovatie en hoogwaardige ‘niche’ producten, die vervolgens marktleiders werden.

De vork (la fourchette) van Nestlé, Alimentarium.

Zwitserland kende geen oorlog, revoluties of kostbare koloniale of andere buitenlandse expedities in de negentiende en twintigste. Het politieke systeem was stabiel en economisch liberaal én sociaal. De laatste gewapende conflicten waren de Basler Wirren van 1831-1833  en de Sonderbundskrieg van 1847, een korte burgeroorlog. Religieuze en economische motieven en vooral de opzet van de toekomstige staat (decentrale confederatie of meer macht voor de federatie) lagen hier aan ten grondslag.

Water werd al vanaf 1880-1890 een belangrijke natuurlijke hulpbron voor het opwekken van elektriciteit en gebruik in de chemische industrie.

Waterkrachtcentrale Whylen-Augst (1912)

De energieonderneming Primeo Energie faciliteert en financiert bijvoorbeeld Primeo Energie Kosmos, een Erlebnis- en wetenschappelijk centrum voor klimaat en energie.

Conclusie

De stabiele sociale en economische ontwikkeling, het politieke systeem, het goede onderwijs, de arbeidsmoraal en innovatie zijn de basis van het economische succes.

Dit blijkt vooral uit het sterke midden- en kleinbedrijf, het uitstekende beroepsonderwijs voor vakken en ambachten en ’s werelds beste ingenieursopleidingen en onderzoeksinstituten. De kracht van het midden- en kleinbedrijf hangt op haar beurt weer samen met de juridische structuren, rechtszekerheid, koopmansgeest en de betrokkenheid en respect van de burgers voor elkaar, woonomgeving, de gemeente, het kanton en het federale systeem.

Decentralisatie is het toverwoord, een bottom-up samenleving, economie en politiek. Dit komt ook tot uiting in het zogenaamde Milizsysteem in het leger, de politiek en de civil society.  In welk land zitten ‘captains of industrie’ als miliz in de volksvertegenwoordiging? Dat kan ook alleen maar als er vertrouwen in het systeem en in elkaar is.

In Zwitserland wonen geen betere of slechtere mensen, handelaren, ondernemers en industriëlen. Het is de combinatie van een aantal factoren die aan het succes en zijn eeuwenoude continuïteit ten grondslag liggen. Het bankgeheim, zwart of fout geld en foute handel in tijden van oorlogen zijn in ieder geval niet de basis van het succes van het eeuwenoude Zwitserse model.

Het Zwitserse systeem lijkt onverenigbaar met de ondemocratische maar (absurd) bureaucratische Europese Unie van 27 (totaal) verschillende geschiedenissen, mentaliteiten en economische, fiscale, juridische, politieke, monetaire en culturele systemen, gecentraliseerd en geleid volgens het (absurde) principe van ‘one size fits all’.

(Bron: Markus Somm, Warum die Schweiz reich geworden ist. Bern, 2022; Joseph Jung, Das Laboratorium des Fortschritts. Die Schweiz im 19. Jahrhundert, Zürich, 2019).

De Vrijheid van Zwitserland

De geschiedenis van de Vrijheid van Zwitserland van Edward Gibbon (1737-1794) is tweehonderd jaar na de originele Franse publicatie in 1815, in een Duitse versie onder de titel Die Freiheit der Schweizer verschenen.

Gibbon wordt beschouwd als de vader van de moderne geschiedschrijving en is nog steeds een van de belangrijkste Engelse historici. Zijn belangrijkste werk is The History of the Decline and Fall of the Roman Empire.

Gibbon heeft echter zijn intellectuele capaciteiten in Lausanne ontwikkeld. Hij was daar vijf jaar van 1751 tot 1756. Hij was geïnteresseerd en gefascineerd door Zwitserland en een confederatie met een, ook toen al, afwijkende regeringsvorm, zonder monarchie of aristocratie en in een aantal kantons directe democratie.

Hij schreef in het Frans en zijn eerste publicatie heette Journal de mon voyage dans quelques endroits de la Suisse. Maar de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) maakte een einde aan het verblijf van Gibbon in Lausanne.

Na het einde van deze oorlog ging hij op reis naar Italië. Hij reisde via en Lausanne, waar hij bijna een jaar verbleef.  Daarna reisde hij met de Engelsman Willem Guise (1737-1783) naar Rome.

Daar besloot hij De geschiedenis van de ondergang en de val van het Romeinse Rijk te schrijven. Het laatste deel van dit zesdelige verhaal is in 1788 gepubliceerd.

Maar in 1765, terug in Engeland, was de Geschiedenis van de Vrijheid van Zwitserland nog steeds in zijn gedachten en hij zette het inderdaad op papier.

Het werd echter pas in 1815, twee decennia na zijn dood, in het Frans gepubliceerd onder de titel Introduction à l’histoire Générale de la République des Suisses en pas tweehonderd jaar later in het Duits.

(Edward Gibbon, Die Freiheit der Schweizer, 2015, Zürich).

De Alemannische Taal

Het Alemannische Taalgebruik verwijst naar (Germaanse) dialecten in het zuiden van het Duitstalige gebied. Het gebied rond de Bodensee (meer van Konstanz) heeft taalkundig nooit een eenheid gevormd, afgezien van het huidige Duits en in de Romeinse tijd het Latijn.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

Schwäbisch (ten noorden van Tuttingen en Immenstadt in Baden-Württemberg);

Oberrheinalemannisch (Elzas, zuidelijk Baden-Württemberg en regio Bazel):

Bodenseealemannisch (de Duitse en Oostenrijkse Bodensee regio);

Hochalemannisch (een deel van de kantons Bern en  Graubünden en de kantons Schaffhausen, Thurgau, Glarus, Aargau, St. Gallen, Appenzell Innerrhoden en Appenzell Ausserrhoden, Zürich, Zug)

en 

Höchstalemannisch (de kantons Schwyz, Uri, Obwalden, Nidwalden,Wallis, Luzern en delen van Bern en Graubünden).

De Alemannen stuitten vanaf hun emigratie vanaf de vijfde tot de achtste eeuw op een Gallo-Romaanstalige bevolking aan de Zwitserse kant van de Bodensee. De Alemannen behielden, in tegenstelling tot de van oorsprong Duitstalige Bourgondiërs (443-543 en 888-1032)  in West-Zwitserland, hun Germaanse taal en dit leidde tot een (langzame) germanisering in dit deel van Zwitserland.

De Franken (534-888) in West-Zwitserland hebben geen Germaanse talen gesproken, maar Gallo-Romaans, waaruit zich het huidige Frans heeft  ontwikkeld.

De huidige taalgrens tussen de van oorsprong Alemannische en Franse taal lag rond het jaar duizend al in grote lijnen vast.

(Bron: U. Leuzinger (Red.), Römer,  Alamannen, Christen, Thurgau, 2013).