Kasteel van Joux

Het woord Joux komt van het Latijnse Iuria dat “bergwoud” betekent en van het Keltische woord Jor voor “beboste hoogte”. Jura of Joux betekent dus oorspronkelijk een groot bosgebied.

Het kasteel van Joux is een emblematisch monument van de Franche-Comté (Frankrijk). Het kasteel ligt op 5 km van Pontarlier en op 15 km van de Zwitserse grens.

Foto: TES

Het kasteel ligt strategisch op  La Cluse de Pontarlier, een smalle kloof die het Jura-massief doorkruist. Deze militaire en commerciële route verbindt de wegen van Champagne, Vlaanderen en Haute-Saône met Italië en Zwitserland.

Vanaf het jaar duizend vestigde de familie Joux haar macht over dit gebied en  versterkte de rotsachtige uitloper met een eerste kasteel. In de loop der eeuwen is het verder verbouwd en uitgebreid.

In de 15e eeuw kocht de machtige hertog van Bourgondië, Philippe de Goede (1396-1467), het kasteel van de nakomelingen van de dynastie Joux. De Hertog breidde hierdoor zijn heerschappij over de grensgebieden van het Hertogdom Bourgondië uit. Hij kreeg hierdoor toegang tot de Cluse en daarmee een belangrijke verkeersader naar zijn rijke gewesten in Vlaanderen en Holland.

In de 16e eeuw kwam het bolwerk van Joux door vererving en opvolging in handen van de Spaanse kroon, die over een uitgestrekt gebied heerste: de Franche-Comté, Spanje, Vlaanderen, de Lage Landen en het koninkrijk Napels.

Het kasteel van Joux werd een belangrijke defensieve post aan de rand van en tegen het Franse Koninkrijk, de Eidgenossenschaft en het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie.

De Franse koning Lodewijk XIV (1638-1715) veroverde de Franche-Comté in 1678, in dezelfde periode als zijn (mislukte) invasie van de Republiek van de Verenigde Nederlanden in 1672.

Sébastien Le Prestre, Heer van Vauban (1633-1707), een militair ingenieur en bouwmeester, reorganiseerde en wijzigde de defensieve kastelen die op de Spaanse vijand waren veroverd. De verdediging van de oostgrens was gebaseerd op de citadellen van Belfort, Besançon, de forten van Salins en het kasteel van Joux. Aan het eind van de 19e eeuw, na de Franse nederlaag in 1871 en het verlies van Elzas-Lotharingen, werd deze oostgrens verder versterkt.

In de 18e en de 19e eeuw was het kasteel een gevangenis. Beroemde politieke gevangenen waren onder anderen Mirabeau (1749-1791)  en Toussaint L’ouverture (1743-1803). In tegenstelling tot de Bastille in Parijs, is het kasteel van Joux niet verwoest in de Franse Revolutie van 1789. Het kasteel lag in een uithoek en te ver weg.

Dit is ook de reden dat afgelegen religieuze gebouwen, veelal Romaanse kerkjes, ongeschonden deze revolutie hebben doorstaan.

Het kasteel is sinds 1954 een museum opengesteld voor het publiek.

Bron en nadere informatie: Accueil – Chateau de Joux

Dansseizoen op de Julierpas

Het dansseizoen van de Nova Fundaziun Origen (Riom, kanton Graubünden) op de Julierpas begint op 14 juli aanstaande. Luca-Andrea Tessarini zal de reeks nieuwe choreografieën van dit jaar aftrappen met zijn werk “Venom”.

Een week later zal de Franse choreograaf Sébastien Bertaud “Laniakea” in première brengen. De Rode Toren op de Julierpas verenigt twee grote tradities van de danswereld: de dansers van de Parijse Opera staan voor klassieke perfectie, de persoonlijkheden van het Nederlands Dans Theater voor hedendaagse avant-garde.

Samen met zijn dansers van het Nederlands Dans Theater verkent Tessarini de metaforische betekenis van gif, dat gedachten vertroebelt, zintuigen bedriegt, boosaardigheid zaait, vriendschappen vernietigt, oorlogen ontketent – en soms, in de juiste doses, ook kan helen.

Voorstellingen van 14 tot 17 juli 2022, aanvang 21.30 uur.

De Franse choreograaf Sébastien Bertaud en de solisten van de Opera van Parijs wijden zich aan de oneindigheid van het universum, de complexiteit van het zijn, de bedwelming van het onpeilbare en de kosmos als bron van  al wat leeft op aarde.

Voorstellingen van  21 tot en met 24 juli 2022, aanvang 21.30.

Bron en verdere informatie: www.origen.ch

Van Olladunum tot Olten

Olten (kanton Solothurn) ligt aan de Aare en is een van de acht steden, die in de twaalfde en dertiende eeuw zijn gesticht door de graven van Frohburg. Deze dynastie heerste van de 10e tot de 14e eeuw in deze regio. Zij behoorde tot de machtigste landeigenaren en vorsten in Noordwest-Zwitserland.

Hun heerschappij strekte zich uit tot in de huidige kantons Solothurn, Bern, Aargau, Luzern en Basel-Landschaft. Het oude stadskasteel van Zielemp was de zetel van de Frohburgse stadsbaljuws.

De naam Oltun is voor het eerst vermeld in 1201 en is terug te voeren op de (Keltische) naam Ollodunum of Olladunum. Vóór het begin van de jaartelling en de komst van de Romeinen (15 v. Chr.) was er al een versterkte plaats (een dunum) aan de rivier Olla (de huidige naam is Aare). Talrijke opgravingen wijzen op een grote nederzetting in de Romeinse tijd en een fort om deze rivierovergang te beschermen.

Toulouse, Der König von Olten. Foto: TES

De Oude Brug (de Alte Brücke)ligt op deze plaats. Ze is voor het eerst genoemd in 1275.  In de loop der eeuwen is ze verschillende keren afgebrand, beschadigd door overstromingen of ijsgang, of verwoest door oorlogsgeweld, de laatste keer tijdens de Franse invasie in 1798. De huidige brug dateert uit 1803.

Basel oefende de heerschappij uit tot 1532. In dat jaar verwierf Solothurn de rechten  en Olten is sindsdien deel van het kanton Solothurn. Olten groeide in de 16e eeuw uit tot een regionaal economisch centrum. De stad was vanaf 1786 de vergaderplaats van de Helvetische Gesellschaft. Zij was een vereniging van burgers die een ander bestuur en democratisering wilden introduceren.

Station Olten, c. 1900. Bron: Wikiwand

Olten werd in het midden van de negentiende eeuw het knooppunt van de belangrijkste Zwitserse spoorlijnen. Tegenwoordig is Olten nog steeds het drukste station van het land. Dit spoorwegknooppunt was ook de oorzaak van de grote economische en bevolkingsontwikkeling vanaf 1900.

(Bron: www.olten.ch).

Land van absint en in asfalt gekookte ham

Het Land van de Absint (le Pays de l’absinthe) verenigt de Val-de-Travers in het kanton Neuchâtel en de Franse regio Pontarlier. De groene fee, la fée verte, wordt ze ook wel genoemd, vanwege de kleur.

Deze alcoholische drank wordt gemaakt van artemisia (Artemisia absinthium is de Latijnse naam), anijs, venkel en, afhankelijk van de lokale bereiding, enkele andere kruiden.

Foto: Lars Kophal

Absint komt voor het eerst voor vanaf het midden van de achttiende eeuw in Couvet in de Val-de-Travers. Tot het midden van de negentiende eeuw blijft het een lokale drank. De dorpen Môtiers, Couvet en Fleurier zijn de belangrijkse productieplaaten.

De drank wordt zeer populair vanaf de negentiende eeuw, wanneer Europese en Amerikaanse intellectuelen en schrijvers het ontdekken. Lord Byron, James Joyce, Marcel Proust, Ernest Hemingway, Pablo Picasso en Edgar Allen Poe zijn maar enkele voorbeelden van de vele beroemde  absint-drinkers. Kortom, absint was en vogue, vooral in Parijs. De regio van Pontarlier begon om deze reden ook absint te produceren.

De drank heeft echter, zoals iedere alcoholische drank, een keerzijde: er zit alcohol in, en veel alcohol, 50% tot 90%. Bovendien komt door de samenstelling de chemische stof thujon vrij. Deze kan psychotische klachten en hallucinerende situaties veroorzaken, althans dat meenden de artsen, bestuurders en wetenschappers toen.

Maison de l’absinthe. Foto: TES

Hoewel absint gewoonlijk vermengd met water wordt gedronken, kreeg de drank steeds meer het image van schadelijk voor de gezondheid en de oorzaak van drankmisbruik.

De drank werd rond 1910 in vrijwel heel Europa en Amerika verboden. Daarna begon de legendarische smokkelperiode en de tijd van de illegaliteit, vergelijkbaar, zij het op veel kleinere en vredigere schaal, met de Amerikaanse drooglegging (The Prohibition, 1920-1933).

In Zwitserland was het verbod een gevolg van twee referenda in 1908. De Röstigraben speelde hierbij een rol. Franstalig Zwitserland (en de locatie van productie) wilde geen verbod, een grote meerderheid van Duitstalige burgers en kantons wilden juist wél een verbod.

Het Maison de l’Absinthe (Huis van Absint) in Môtiers beeldt deze episode in woord en beeld uit. Inmiddels is het verbod op absint al weer opgeheven (na een nieuw referendum en nader onderzoek naar de werking van schadelijke stoffen.

Foto: Maison de l’Absinthe.

De drank is niet schadelijk voor de volksgezondheid vanwege thunjol, wat uiteraard niets afdoet aan het hoge percentage alcohol.

De route van de absint (La Route de l’Absinthe) is een wandel- of fietsroute van 48 kilometer van Pontarlier in Frankrijk naar Noiraique in kanton Neuchâtel. De route voert dwars door de kloven, bossen, weides, beekjes en bergen van de Jura.

De aan absint gerelateerde dorpen en plaatsen worden aangedaan. Als specialiteit kan bovendien in asfalt gekookte ham met een glaasje absint worden gedronken in het asfaltmuseum (musée d’asphalte) in Travers !

(Bron: Le site Jura et les Trois Lacs (https://www.j3l.ch); Maison de l’Absinthe – Le lieu incontournable de l’absinthe (maison-absinthe.ch)

Mundaneam en Genève

Wat heeft Google te maken hebben met het stichten van een Wereldstad in Genève in de jaren 1930 ?

Het verhaal begint aan het einde van de negentiende eeuw in België. Paul Otlet (1868-1944) en Henri la Fontaine (1854-1943)  wilden een Wereldbibliotheek stichten voor alle boeken, geschriften, iconografie, kranten, tijdschriften en alle andere geschriften.

Deze bibliotheek kwam er in 1920 onder de naam Mundaneum. Het was uiteraard een gigantische operatie. Het Mundaneum werd ondergebracht in het Jubelpark in Brussel en nam honderd zalen voor vele kilometers papier in beslag.

De financiering en organisatie blijven hier buiten beschouwing. Belangrijk is dat deze bibliotheek nog steeds bestaat en is uitgegroeid tot een universeel bibliografisch centrum. De UNESCO erkende Mundaneum in 2013 als werelderfgoed. De huidige huisvesting is in Bergen (Mons), eveneens in België.

Het Mundaneum wordt met reden het internet van papier genoemd en een papieren voorloper van Google. Google erkent dit en steunt dit project financieel en heeft het opgenomen in haar culturele erfgoedlijst.

Interieur Mundaneaum in Mons. Photo: www.mundaneum.be

Mundaneum en Genève

De beeldhouwer, schilder en stedebouwkundige Hendrik C. Anderson (1872-1940) en de architect, stedebouwkundige en archeoloog Ernest Hébrard (1875-1933) ontwikkelden in 1913 een plan voor de bouw van een wereldstad.

Deze nieuwe stad moest het centrum zijn van internationale communicatie en geschillenbeslechting. Ze diende dus de vrede en de welvaart en alle volken en landen moesten er een vertegenwoordiging hebben.

De oprichters van het Mundaneum steunden dit plan. Als vestiging kwam het Driemerengebied (de meren van Neuchâtel (Neuenburgersee), Biel (Bienne) en Murten (Morat) in Zwitserland en Brussel in Belgie als serieuze opties naar voren.

Toen werd het 1 augustus 1914 en was het plan van de baan. De oprichting van de Volkenbond in 1920 met haar vestiging in Genève na de afloop van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) gaf echter nieuwe hoop.

Paul Otlet benaderde in 1927 de architect Le Corbusier (Charles-Édouard Jeanneret, 1887-1965) die toen al naam had gemaakt, om een ontwerp voor deze stad te maken. De plaats van vestiging was Genève. Toen kwam echter de beurscrisis van 1929 en de daaropvolgende economische en politieke crises en spanningen.

Twee reuzenstandbeelden aan de ingang van de wereldstad, ontwerp 1913. Bron: Schlossmuseum Nidau. Foto: TES.

De wereldstad kwam nooit verder dan een ontwerp op papier. De entree van de geplande wereldstad heeft de stilistische kernmerken van haar tijd. De volgens een strict gridpatroon symetrisch opgebouwde stad (zoals in La Chaux-de-Fonds en Le Locle in kanton Neuchâtel) had als letterlijk hoogtepunt een toren van 320 meter. Deze toren symboliseerde de menselijke vooruitgang.

Het werd echter een Toren van Babel door de beide wereldoorlogen en de Koude Oorlog. Na 1945 en het overlijden van de oprichters van het Mundaneum is het project voor de wereldstad niet meer aan de orde geweest.

(bron: www.mundaneum.org/ Schlossmuseum Nidau: www.schlossmuseumnidau.ch).

 

 

De grootste en mooiste Zwitserse (berg) meren

Zwitserland is een land van honderden grotere en kleinere meren, bergmeren en stuwmeren. De bergmeren zijn vaak van een adembenemende schoonheid, ingebed in  alpenweiden of steile berglandschappen, met een glinsterende groene, blauwe of zwarte kleur van het water, verscholen te midden van sparrenbossen of gelegen op bergflanken.

Lac Morat/Murtensee.

Het is niet mogelijk Zwitserse bergmeren te beoordelen op hun schoonheid. De website geeft echter een subjectieve lijst van de vijftig mooiste bergmeren met vermelding van hun ligging, kanton en hoogte. Er bestaan daarnaast nog honderden andere bergmeren die niet in deze lijst zijn opgenomen.

De site geeft ook een overzicht van de vijftig grootste meren. Onder de grootste meren qua oppervlakte zijn ook verrassingen. Voor de rangschikking zijn namelijk alleen de oppervlaktes van meren in aanmerking genomen die feitelijk in Zwitserland liggen.

Meer van Neuchâtel

Vierwoudstedenmeer

Meer van Genève

De site bevat ook een lijst van de grootste stuwmeren en water reservoirs. De lijst vermeldt niet alleen de oppervlakte, maar ook de hoogte boven zeeniveau, de maximale dieptes, het soort meer en de oeverkantons en -landen.

Het Hallwilermeer ligt in de kantons Aargau en Luzern, waarbij het Aargauer gedeelte groter is. Rond het meer liggen de gemeenten Beinwil am See, Birrwil, Boniswil, Fahrwangen, Meisterschwanden en Seengen met kasteel Hallwyl aan de kant van Aargau en Schwarzenbach, Mosen en Aesch aan de zuidkant van Luzern.

Het meer ligt op een hoogte van 449 meter boven de zeespiegel in het zogenaamde Seetal. De lengte van het Hallwilermeer bedraagt iets minder dan 8,5 kilometer, terwijl het meer maximaal anderhalve kilometer breed is. De belangrijkste toevoer naar het meer is de Aabach vanuit het Baldeggermeer, die het meer in het noorden bij Seengen ook weer verlaat.

(Bron: Alle Seen der Schweiz: schweizersee.ch).

Der Lungerersee

De Kerk van Wintersingen

In de hoge middeleeuwen was de parochiekerk van Wintersingen (kanton Basel-Landschaft) eigendom van de kanunniken van de St. Leonhard in Basel. Een archeologisch onderzoek heeft verschillende graven en stenen platen aan het licht gebracht die, samen met de laatste overblijfselen van funderingen, wijzen op de aanwezigheid van een eerste kerk rond 700 of aan het begin van de 8e eeuw.

Een pauselijke bul van 8 mei 1196 bevestigde het eigendomsrecht van het klooster Leonhard. De bisschop van Bazel slaagde er echter in het patronaat van Wintersingen in zijn handen te krijgen. Via diverse omwegen kwam de eigendom van Wintersingen en de kerk  bij de Duitse Orde van Beuggen.

Pas in 1821 werd de stad Bazel eigenaar. Dit duurde niet lang, want door het ontstaan van kanton Basel-Landschaft, een afsplitsing van Basel-Stadt, werd Wintersingen een zelfstandige gemeente.

De kerk bestaat uit een koor en een schip en een ossuarium (Beinhaus) op het terrein van de kerk. De kerk ging tijdens de Reformatie (1529) over tot het protestantisme.

Het grote uurwerk van de kerktoren uit 1552, het orgel, de grote en kleine klokken (15e eeuw), de oude Griekse epitafen, de koorstoelen (1676), de guéridon (1706), de communietafel en het doopvont (1642), de preekstoel (1676), het glas-in-lood (1639) en de vele schilderijen en versieringen zijn evenzoveel artefacten op de kerkheuvel van Wintersingen.

(Bron: Daniel Anderegg, Die Kirche Wintersingen, Wintersingen, 2015)

De keuze van Genève in 1815

Op 30 december 1813 maakte de Oostenrijkse generaal graaf Ferdinand Bubna von Littiz (1768-1825) een einde aan vijftien jaar Franse overheersing van Genève. De stad had de Franse revolutionaire troepen in 1798 nog enthousiast ontvangen.

Na de vijftien jaar Franse annexatie stond het Franstalige Genève op een belangrijk kruispunt in zijn tweeduizend jarig bestaan. Op 1 januari 1814 riepen de regenten van voor 1798 de onafhankelijke republiek Genève uit, maar er was geen weg terug.

Mede als gevolg van de voorkeur van de grootmachten op het Congres van Wenen (1814-1815) en ondanks het verzet van sommige katholieke kantons, trad Genève op 19 mei 1815 toe tot de Zwitserse Confederatie als het tweeëntwintigste kanton.

De overeenkomst werd in 1815 (Parijs) en 1816 (Turijn) door de grootmachten geratificeerd. Zwitserland kreeg zijn definitieve grenzen, neutraliteit en soevereiniteit.

Bovendien was Genève sinds de reformatie (1536) protestants, een erfgoed dat het ook met andere Zwitserse kantons deelde. Er was ook een gedeelde politieke en economische geschiedenis met andere Zwitserse gebieden, bijvoorbeeld ten tijde van het Bourgondische Koninkrijk in de Middeleeuwen (888-1032), eeuwen van gemeenschappelijke vijanden, bijvoorbeeld de Hertogen van Savoie en Bourgondië en al eeuwen gevestigde handelscontacten.

Genève is nooit Frans gebied geweest tot 1798 en was tot dit jaar altijd een onafhankelijk geweest, als graafschap en nadien als republiek. dit experiment mocht niet worden herhaald. Het was een goede keuze.

Genève ontsnapte aan twee wereldoorlogen, Franse centralisme en het kanton was ingebed in een federale, multiculturele, gedecentraliseerde en democratische welvaartsstaat.

Als deel van Frankrijk zou de stad een vergeten provinciestad zijn geweest, in de schaduw van Lyon. Als deel van het neutrale Zwitserland werd het een internationale hoofdstad met honderden internationale organisaties.

Slot Hallwyl

Aan het einde van de 12e eeuw bouwden de Heren van Hallwyl een stenen verdedigingscomplex aan de oever van de beek Aabach en het meer van Hallwil (Hallwilersee) in Aargau.

De familie maakte carrière in Habsburgse dienst. Rond 1350 breidde de eigenaar de torenburcht uit tot een waterburcht. Kasteel Hallwyl was het centrum van deze adellijke heerschappij tot 1798.

De familie Hallwyl verzette zich in 1415 tegen de inval van de kantons van de Zwitserse Confederatie. Het leger van Bern verwoeste het kasteel en bezette het grootste deel van de Aargau. Rudolf III von Hallwyl erkende de heerschappij van Bern en redde daarmee het familiebezit.

Bern kondigde in 1528 de reformatie af en ook de familie Hallwyl werd protestant. In de 16e en 17e eeuw vertakte de familie zich naar Thurgau, Württemberg, Oostenrijk en Bohemen, waar zij het geloof van hun de lokale heersers aannamen (cuius regio, cuius religio).

Burkhard III von Hallwyl verbouwde het waterslot in 1590 tot het huidige slot. In de Helvetische Republiek (1798-1803) verloor de familie haar privileges en belastinginkomsten.

De laatste eigenaar richtte in 1925 een stichting op met het doel het kasteel in stand te houden. Sindsdien is het niet meer bewoond geweest. In 1994 droeg deze stichting het kasteel over aan het kanton Aargau. Kasteel Hallwyl is sinds 2007 een museum.

(Bron en nadere informatie: www.museumaargau.ch/schloss-hallwyl).

De Romeinse stad Avenches

Kelten

Het verhaal van de migratie van enkele Keltische stammen (Helvetiërs en Rauraci) in 58 v.Chr. naar Oost-Frankrijk is bekend door het boek de bello gallico van Julius Caesar (100-44 v.Chr.).

Veel minder bekend buiten het huidige Zwitserland is de geschiedenis na hun nederlaag in dat jaar bij Bibracte en de terugkeer naar hun thuisland in Zwitserland.

Romeinen en Helveten

Twee kolonies werden gesticht door de Romeinen rond 44 v. Chr. (Colonia Iulia Equestris (Nyon) en Augusta Raurica (Augst). Deze stammen werden bondgenoten van de Romeinen (foederati). De Pax Romana stond op het punt te beginnen en duurde voort, met enkele gewelddadige onderbrekingen (met name in de jaren 68/69 n.Chr.) tot 260 n. Chr.

Aventicum

De stad Aventicum (het huidige Avenches) was in deze tijd de hoofdstad van de Helvetiërs met ongeveer 20.000 inwoners.

Zoals in iedere stad van betekenis in het Romeinse Rijk was de keizerlijke macht overal aanwezig. De keizer had de politieke, wetgevende, militaire, religieuze en juridische macht en was in feite alleenheerser.

Talloze in Avenches gevonden voorwerpen getuigen hiervan, bijvoorbeeld de gouden buste van keizer Marcus Aurelius die in 1939 is ontdekt. Alleen leden van de keizerlijke familie konden worden afgebeeld in goud.

Vele andere vondsten, zoals medaillons, ivoren voorwerpen, portretten, beelden, mozaïeken, symbolen van macht en religie en mythen getuigen van ceremonies van de keizercultus in Aventicum, de verering van de keizerlijke familie als (half) goddelijk.

Een van de centra van deze cultus was het theater. Theatervoorstellingen waren een essentieel onderdeel van het leven in de Romeinse samenleving en het theater was de plek om te zien en gezien te worden. Het was een publiek medium, een plaats van propaganda en zelfrepresentatie.

Het publiek zat volgens strikt gescheiden naar rang en hiërarchie, wat ook het geval was in het veel grotere amfitheater van Aventicum. De financiering van deze kostbare bouwwerken en spektakels werd voornamelijk verzorgd door de leden van de lokale elite (ordo decurionum).

De keizercultus was een belangrijk facet van elk spektakel, inclusief processies en offers. Het amfitheater van Aventicum (eerste helft tweede eeuw n. Chr.) werd populair nadat het Colosseum in Rome (rond 70 n.Chr.) het model was geworden van de Romeinse manier van leven.

De Romeinse samenleving was diep religieus en de belangrijkste tempel stond tegenover de centra van de macht, zoals de curia, het forum en de basilica.

Beelden en monumenten werden opgericht ter ere van de keizerlijke familie of lokale notabelen als teken van respect en uit dankbaarheid voor hun euergetisme (vrijgevigheid door de financiering van onder andere openbare gebouwen, spektakels, voedseldistributie).

Het kleine, maar mooie Romeinse museum in Avenches (musée romain), gevestigd in de middeleeuwse toren van het Romeinse amfitheater, biedt een goed overzicht van het leven in deze provinciale Romeinse stad.

Het theatercomplex, inclusief wat er nog over is van de Romeinse tempel (le Cigognier), het amfitheater, enkele begraafplaatsen en andere overblijfselen van het Romeinse Avenches kunnen ook worden bezocht.

(Bron en verdere informatie: www.aventicum.org).