De Simplonpas, Gondo en het Ecomuseum Simplon

Het Ecomuseum Simplon legt zich toe op het transitverkeer over de pas, zijn geschiedenis en de natuurlijke omgeving van de Simplon en het dal.

Het museum combineert het landschap met de culturele historie, vandaar de toevoeging ‘Eco’. Het museum is verspreid over een aantal gebouwen met permanente en tijdelijke tentoonstellingen.

Het is vooral een openluchtmuseum met de middeleeuwse saumweg en de zeventiende eeuwse Stockalperweg van ongeveer 35 kilometer als belangrijkste route. Saum is een ander woord voor muilezel. Het vervoer vond tot de komst van de postkoets voornamelijk plaats met dit pakdier. De handelaren worden om deze reden Säumer genoemd.

De Stockalperweg is een goed begaanbaar wandelpad en loopt van Brig via Gabi en Furgu, door het Zwischenbergdal en de Gondoschlucht (Gondo-kloof) naar Gondo.

Siders/Sierre

Der Alte Gasthof  (Oude Herberg) in Simplon-Dorp is het eigenlijke centrum van het museum. Het internationale transitverkeer en de gevolgen daarvan voor de regionale geschiedenis (Brig, Simplon-Dorf en andere dorpen), de cultuurhistorische voorwerpen uit deze regio (de Perren-collectie) en de geschiedenis van de goudmijn van Gondo-Zwischbergen staan in het middelpunt.

Die Alte Kaserne (Oude Kazerne) is een Napoleontisch gebouw bij de ingang van de Gondo-kloof. Het toont de verkeerswegen van de Simplon: het oude saumpad (12e en 13e eeuw), de Stockalperweg (17e eeuw), de Napoleontische weg (1805), de spoorlijn met de bouw van de Simplontunnel (1906) en de rijksweg (1957).

Fort Gondo is een fort uit 1798-1813. Aan het begin van de 20e eeuw en tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog breidde het leger de 19e-eeuwse verdedigingswerken uit tot een barrièrefort.

Das Goldabbaumuseum  (goudmijnmuseum) in de Stockalperturm in Gondo toont de gouddelversstad Gondo. Kaspar Jodok von Stockalper (1609-1691), “le roi du Simplon” zoals hij aan het hof van Lodewijk XIV werd genoemd, ontgon hier al goud in de zeventiende eeuw. Tot aan het begin van de 20e eeuw probeerden verschillende ondernemingen het kostbare metaal te delven in diverse mijnen, zonder al te veel succes.

(Bron en verdere informatie: Ecomuseum Simplon; www.simplon.ch; ViaStoria Kulturwege Schweiz

 

Jau sun Biosfera in het Münstertal

De inwoners van het Münstertal (Val Mustair) in Graubünden hebben zich in 2020 in een referendum in grote meerderheid uitgesproken voor de Charta 2021-30.

Dit document legt de doelen van het natuurpark Biosfera Val Müstair voor de komende tien jaar vast. De volgende stap ligt op kantonaal en federaal niveau. Zo gaat dat in Zwitserland, bottum-up in contact met alle betrokken organisaties vanaf het begin van de besluitvorming en niet achteraf.

De duurzame ontwikkeling, toerisme, landbouw regionale ontwikkeling en natuurbehoud zijn geen tegengestelde doelen, maar vullen elkaar juist aan.

Ruim duizend jaar voordat Val Müstair in 2011 het predicaat natuurpark van nationaal belang kreeg, was het al een regio van internationaal belang. Het klooster St. Johann (Claustra Son Jon) in Müstair, gesticht door Karel de Grote in 774 na diens veldtocht tegen de Langobarden herinnert er nog aan.

Muglin Mall

Hotel Crusch Alba

Ritterhaus Chasa de Chapol

De vele musea, de eeuwenoude Bündner dorpjes, de plaats Sta. Maria met eeuwenoude hotels, onder andere het Ritterhaus Chasa de Chapo, Crusch Alba en de Muglin Mall zijn als het ware met het schitterende landschap en de natuur vergroeid.

De Biosfera leeft echter niet in het verleden, maar kijkt vooruit. De uitslag van deze stemming bevestigt dit beleid.

Een win-win situatie voor alle betrokkenen, onder anderen de landbouw, die reeds voor 80% gecertificeerde biologische landbouwproducten produceert, en het toerisme dat dit waardeert.

Jau sun Biosfera, ik ben Biosfera is de stemming (verdere informatie: (www.biosfera.ch).

De geheimen van het Wägital

Een herfstwandeling langs de oevers van de Wägitalersee biedt alles wat het Alpenlandschap te bieden heeft: bergen, bossen, weides, een meer, beekjes, een dorp, boerderijen, koeien, schapen en op deze dag (5 oktober)zelfs mooi weer. Zwitserland uit de brochure van het toeristenbureau.

Het dorp is echter niet het dorp en het meer is niet het meer uit 1924. In oktober 1847, dit jaar 175 jaar geleden, was het bovendien niet  idyllisch in het Wägital en zijn twee dorpen Innerthal en vorderthal.

Het kanton mobiliseerde weerbare mannen voor het leger van de Sonderbund. Deze opvolger van de in 1841 ontbonden Sarnerbund verenigde in 1845 de katholieke kantons Zug, Luzern, Freiburg, Wallis, Schwyz, Obwalden, Nidwalden (Unterwalden) en Uri.

Deze kantons verzetten zich tegen een te machtige federale overheid en wilden daarentegen hun soevereiniteit houden. Bovendien hadden andere kantons in strijd met de Grondwet kloosters opgeheven. Luzern reageerde daarop door de Jezuïeten weer een prominente rol te geven in het onderwijs. Dit leidde tot een militaire tegenactie van inwoners van protestante kantons.

De liberale kantons die een sterke federale overheid voorstonden en protestants waren (alleen St. Gallen, Tessin en Solothurn waren grotendeels katholiek) erkenden deze Sonderbund niet en in de Tagsatzung (zeg maar de Staten Generaal van de kantons) verklaarden ze deze illegaal.

Zij hadden de meerderheid in bevolking, economische macht en de politiek. Als het ware een soort voorloper van de scheidslijnen in de Amerikaanse burgeroorlog (1861-1864). De protestante kantons Basel-Stadt en Neuchâtel en het katholieke Appenzell Innenrhoden bleven neutraal.

Daarna nam het conflict zijn loop met de (anti) climax van de veldslagen in Gisikon en Meierskappel in november 1847. De Sonderbund was de verliezende partij, maar de winnende kantons van de federatie toonden zich verzoenlijk.

Dit kwam onder andere tot uitdrukking in de Nieuwe Grondwet van 1848. De Federale overheid kreeg weinig bevoegdheden en dan nog alleen na instemming van de kantons én van de burgers. Zij bleven de soeverein, ook in de nieuwe Grondwet en tot de dag van vandaag.

De Raad van Staten (Ständerat/Conseil d´États) was de Tweede Kamer met volledig gelijkberechtigde kantons én met exact dezelfde bevoegdheden als de Nationale Raad of de Eerste Kamer (Nationalrat/Conseil fédéral). Iedere wet moest ook de toestemming hebben van een absolute meerderheid van de kantons in de Raad van Staten.

Deze opzet was bedoeld om de kleinere katholieke-conservatieve kantons een aanvaardbare (tegen) stem te geven in de federale systeem en de meerderheid van grotere en machtigere overwegend protestante kantons.

Ook op religieus gebied werd de protestante soep niet zo heet geheten en het katholieke onderwijs en de kerk kregen grondwettelijke rechten.

Het herbouwde Innerthal

Vanaf 1848 was het weer rustig in het Wägital. Tot 1924. Dan verdwijnt het dorp Innerthal om plaats te maken voor het stuwmeer, dat is ontstaan na het aanleggen van de stuwdam. Het dorp en zijn middeleeuwse kerk zal worden hoger op de heuvel worden herbouwd.

Als bomen, water, dorpen en kantons konden spreken.

De Zwitserse Alpen Club

De Zwitserse Alpen Club (Schweizer Alpen Club, SAC/Club Alpin Suisse, CAS) organiseert regelmatig wandeltochten in deze omgeving (en elders) in het land.

Hoewel de naam anders doet vermoeden, organiseert de SAC niet alleen skitochten, bergbeklimmingen en andere sporten in het hooggebergte en de Alpen, maar ook (wandel) activiteiten in andere regio’s.

(Meer informatie: www.sac-cas.ch).

Bron en verdere informatie: René Roca, Historisches Lexikon der Schweiz, HLS

De Rijn in achtendertig musea

Het museumnetwerk (Netzwerk Museen/Réseau des musées) presenteert de grootste grensoverschrijdende tentoonstellingsreeks over de Rijn tot nu toe. Tussen het najaar van 2022 en het voorjaar van 2023 zullen er 38 tentoonstellingen worden georganiseerd rond het thema “De Rijn”.

De tentoonstellingen vinden plaats in Noord- en Zuid-Baden (Duitsland), in de departementen Haut-Rhin en Bas-Rhin (Frankrijk) en in Noordwest-Zwitserland. Ze belichten de Rijn vanuit uiteenlopende gezichtspunten.

Natuur, ecologie en scheepvaart op de Rijn zullen evenzeer aan bod komen als architectuur, geschiedenis, kunst, cultuur, religie, technologie en de verschillende nationale visies op deze grote rivier.

Het Museumnetwerk is een vereniging van musea uit Frankrijk, Duitsland en Zwitserland die op projectbasis samenwerken. Om de vier jaar presenteert het netwerk in de deelnemende musea tentoonstellingen over een gemeenschappelijk thema.

De grensoverschrijdende tentoonstellingen van het netwerk belichten thema’s vanuit verschillende invalshoeken. Grote en kleine musea zijn erbij betrokken.

De eerste tentoonstellingsreeks van het netwerk was in 2014 was gewijd aan de Eerste Wereldoorlog met meer dan 20 tentoonstellingen.

Het Museumnetwerk wordt gecoördineerd door het Dreiländermuseum Lörrach (Duitsland).

Schaffhausen, Rijn Waterval.

Bazel

De papiersnijders van Pays-d’Enhaut

Louis Saugy (1871-1953) en Johann-Jakob Hauswirth (1809-1871) zijn tegenwoordig de meest onbekende meesterkunstenaars van Zwitserland of misschien wel van Europa.

Zij vonden de kunst van het papiersnijden (découpage in het Frans, Scherenschnitt in het Duits) uit. Het werd een specialisatie in de regio Pays-d’Enhaut (kanton de Vaud) en Château- d’Oex en Rougemont zijn de centra.

Louis Saugy woonde in Rougemont en hij knipte met zijn schaar letterlijk het leven van Pays-d’Enhaut uit. Hij was vanaf 1930 al een beroemdheid en een bekend kunstenaar. Zijn voorganger Johann-Jakob Hauswirth was zijn voorbeeld, maar hij steeg daar artistiek boven uit.

Winston Churchill, de Koninklijke familie van Spanje, veldmaarschalk Alexander Montgomery en vele andere beroemdheden kwamen naar zijn huis/atelier om hem aan het werk te zien.

Het Musée du Vieux Pays-d’Enhaut in Château-d’Oex toont veel van zijn uitzonderlijke werken. Hij sneed of knipte letterlijk alles, de abdij van Rougemont, chalets, mensen, winkels, allerlei dieren, bergen, bomen, bloemen, interieurs van huizen, cafés, restaurants en vele andere scènes uit het dagelijks leven.

Zijn moeder was een schooljuffrouw en tekende prachtig. Zij leerde hem de basis van het tekenen. Zijn vader was boer en slager en sneed ’s avonds soms grote papieren silhouetten van dieren en mensen.

De MOB (de Montreux en het Berner Oberland) spoorweg verbond Montreux en het Berner Oberland en Rougemomt in 1905. De trein verving de postkoets van de Federale Postdienst voor het bezorgen van de houtsnippers voor de papierproductie. Het maakte zijn snij-  en knipleven makkelijker. Steeds meer reizigers en toeristen arriveerden met de trein en zij zagen en kochten zijn werk en maakten hem bekend in heel Europa.

Het Louis Saugy wandelpad in Rougement en het Musée du Vieux Pays-d’Enhaut tonen zijn leven en werk.

Soevereiniteit Zwitserland

De geschiedenis van de soevereiniteit van Zwitserland kent vele data, mythen en (historische en politieke) discussies.

Het staat buiten kijf dat het grondgebied van het huidige Zwitserland in de 15e eeuw nog deel uitmaakte van het Heilige Roomse Rijk en dat dit grondgebied (behalve Rhäzuns (1819) en Neuchâtel (1856) in de 19e eeuw respectievelijk in 1815 en 1848 soeverein was.

Heilige Roomse Rijk

De periode tussen de 16e en 18e eeuw (tot 1798, 1803, 1813) is minder duidelijk. Het Heilige Roomse Rijk strekt zich rond 1530 uit over gebieden die vandaag de dag verdeeld zijn over meer dan tien soevereine staten (Nederland, België, Luxemburg, Liechtenstein, Oostenrijk, Frankrijk (Lotharingen, Franche-Comté, (Hoge) Savoie, Elzass), Duitsland, Tsjechië, Slovenië en gebieden in Kroatië en Polen). Spanje, Hongarije, Sicilië en Sardinië waren verbonden in een persoonlijke unie.

De keizer

De Habsburgse dynastie leverde 1438-1806 bijna zonder uitzondering de keizers. Dit rijk en de keizers samen met de paus belichaamden ook de Latijnse christenen.

Het Rijk was formeel een politieke en juridische entiteit, met inbegrip van het Reichskammergericht in achtereenvolgens Worms, Speyer en uiteindelijk tot 1806 in Wetzlar), de Hofrat  in Wenen, de Reichstag in verschillende steden.

Het Rijk kende honderden kerkelijke en seculiere, regionale en lokale heersers: bisschoppen, abdijen, hertogdommen, graafschappen, keizerlijke steden. De lokale wetten en gewoontrecht waren meestal doorslaggevend. Van een  werkelijke politieke en juridische was geen sprake.

De geschiedenis van het recht wordt niet verder besproken. Maar drie factoren zijn relevant. Het monopolie van de keizer op het gebruik van geweld en het stichten van vrede. Dit was belangrijk voor de Eidgenossenschaft in 1415 (verovering van Aargau op Habsburg), 1460 (verovering Thurgau) en in 1474-1477 (de Bourgondische oorlogen, met keizerlijke toestemming).

Het recht om belasting te heffen en ten derde het prestige van het rijk en de keizer als opperste wetgever speelden een belangrijke rol tot de ontbinding van het Rijk in 1806.

Eidgenossenschaft

Zwitserland bestond toen nog niet in de middeleeuwen. Formeel hoorde het gebied tot 1648 (vrede van Westfalen) tot het Heilige Roomse Rijk. Feitelijk was er sprake van steeds grotere autonomie vanaf de dertiende eeuw.

De bekendste alliantie is die van de drie Urkantone van 1291 (Uri, Schwyz en Unterwalden). De politiek belangrijkste allianties waren echter tussen de keizerlijke steden Zürich, Bern, Luzern, Fribourg en Solothurn.

De academische vraag of de Eidgenossenschaft van 1291 of de stedelijke allianties de grondslag zijn van wat uiteindelijk de Confederatie zou worden is niet relevant. Het is een feit dat er in 1513 een Confederatie van dertien kantons en Orte bestond.

Deze allianties waren in die tijd gebruikelijk, de Elzasser Zehnstädtebund of Dekapolis, de Hanze of de Zwabische Liga in Zuid-Duitsland. De Zwitserse Confederatie bleef echter tot 1798 bestaan. Wat maakte deze Confederatie een uitzondering en een bijzonder geval in (Midden) Europa?

Autonome steden en regio’s

Het centrale niveau van de heerschappij van het Heilige Roomse Rijk en de  koninkrijken waren de dominante factoren in de vorming van de staat tussen 1495 en 1648.  Het Rijk kende daarnaast veel regionale en lokale seculiere en kerkelijke heersers, ook in Zwitserland.

De vele keizerlijke steden en keizerlijke privileges voor het grondgebied van het huidige Zwitserland zijn in dit opzicht belangrijk. Keizerlijke steden waren autonome gemeenschappen, bijvoorbeeld Basel, Bern, Zürich, Freiburg, Luzern, Zug, Schaffhausen, Rapperwil, Genève, St. Gallen, Stein am Rhein en Solothurn.

In deze regio waren er veel keizerlijke steden (Besançon, Colmar, Straatsburg, Rottweil, Mulhouse, Augsburg, Konstanz) en ook stadsfederaties (Dekapolis, Schwäbischer Bund, Eidgenossenschaft).

Meer dan 90% van alle keizerlijke steden bevonden zich in het zuidwestelijke kwart van het Rijk. In de Eidgenossenschaft sloten de Orte, steden en hun territoria naadloos aan elkaar aan, in tegenstelling tot de Elzasser Zehnstädtebund en de Schwäbischer Bund.

Bovendien vormde de Eidgenossenschaft met haar bergpassen, rivieren en noord-zuidverbindingen een belangrijk gebied voor handel, personenvervoer en militair transport.

Om deze redenen sloot de Freistaat der Drei Bünde (een verbond van de drie regionale allianties Gotteshausbund, Zehngerichtenbund, Oberer/Grauer Bund) een verbond met de Confederatie van 13 kantons en toonde ook belangstelling in (militaire) samenwerking.

Deze gemeenschappelijke (commerciële) belangen waren uiteindelijk belangrijker dan de vele religieuze (sinds 1525), politieke en territoriale verschillen. De oerkantons en Graubünden waren bijvoorbeeld met geïnteresseerd in Italiaanse gebieden (Tessin, Bormio, Chiavenna en Veltlin) terwijl Bern, Solothurn en Freiburg zich vooral op Noord- en West-Zwitserland (Aargau, Thurgau, Waadt) richtten.

1513-1798

De uitbreiding van de Eidgenossenschaft in 1513 tot 13 leden en de Vrede van Westfalen in 1648 waren volkenrechtelijk niet doorslaggevend voor het ontstaan van het huidige Zwitserland.

De 13 kantons van de Eidgenossenschaft bleven tot 1798 soeverein en de Confederatie was nog geen nieuwe Europese natie, hoewel ze door andere landen wel feitelijk als staat werd behandeld. Er is een zekere gelijkenis met de Republiek van de Zeven Verenigde (soevereine) Provincies in de Nederlanden.

1815-1848

De jaren 1815-1848 waren bepalend voor de volkenrechtelijke soevereiniteit en het ontstaan van het huidige Zwitserland.

De wortels gaan echter eeuwen terug en 1291, feit, mythe of niet, is in ieder geval een indicatie van deze ontwikkeling die in  een lang proces tot de soevereiniteit heeft geleid. Dat het ook anders had kunnen lopen,  is niet relevant.

In andere bijdragen wordt ingegaan op de vele lokale en regionale heerschappijen tussen 1300 en 1798, zoals bisdommen (Bazel, Chur of Sion bijvoorbeeld), abdijen bijvoorbeeld Einsiedeln, St. Gallen, Pfäfers, Disentis, Werdenberg, hertogdommen en graafschappen (waaronder Schwaben, Habsburg, Savoie, Kyburg of Zähringen),

(Bron: B. Marquardt, Die alte Eidgenossenschaft und das Heilige Römische Reich (1350-1798). Staatsbildung, Souveränität und Sonderstatus am alteuropäischen Alpenrand, Zürich 2007).

De barok. Een periode van contrasten

Het woord ‘barok’ heeft tegenwoordig een andere betekenis dan twee eeuwen geleden. Het staat nu voor overdaad, theatraal of overdreven gedrag, taalgebruik of voorkomen. Het woord stamt af van het Italiaanse ‘barocco’ en refereert aan een ongelijkmatige en zeker geen ronde parel.

De Italiaanse oorsprong vloeit voort uit een gebeurtenis in Italië: het Concilie van Trente (1545-1563). Dit concilie was het antwoord, de Contrareformatie, van de katholieke kerk op de in 1517 begonnen Reformatie in Europa. Een van de uitkomsten was een nieuwe presentatie en liturgie van de katholieke kerk. Dit groeide uit tot de barok, de periode 1580-1780.

Concilie van Trente, Kopie uit 1770 van een schilderij uit 1563. Tentoonstelling ‘Barock. Zeitalter der Kontraste’. Collectie: Schweizerisches Nationalmuseum 

De barok beperkte zich niet tot de katholieke omgeving, ook de protestante en seculiere cultuur, wetenschap, mode, kunst en muziek werden ‘barok’. Het Franse koninklijke hof van Louis XIV en XV zijn de toonbeelden bij uitstek van deze cultuur.

Niet alleen Versailles, maar diverse stadspaleizen in Parijs getuigen hiervan. Een voorbeeld is het Hôtel Lambert. Vanwege een veiling van het interieur is het complete barokke interieur nu online te bezichtigen. Het geeft een indruk van de barokke pracht en praal.

Detail van een tapijt van Charles le Brun (1619-1690), 1668, ontmoeting tussen de Franse Koning Lodewijk XIV, de Spaanse koning Philippe IV en de Spaanse kroonprinses, (de toekomstige vrouw van Lodewijk). Tentoonstelling ‘Barock. Zeitalter der Kontraste‘. Collectie: Mobilier national, Paris

De paleistuin van Versailles, aangelegd door André le Nôtre (1613-1700), 1668, de aankomst van Louis XIV. Reproductie, Paleis van Versailles en Trianon, akg-images/Jean-Claude Varga.

Dichter bij huis, in het Landesmuseum Zürich, plaatst de tentoonstelling (Barock. Zeitalter der Kontraste) de barok in Europees en Zwitsers perspectief. De tentoonstelling heeft een chronologische en thematische opzet.

Na de ‘barokke’ entrée met een fraaie replica van de  Lanterna van de Sant’Ivo kapel in Rome (Francesco Borromini, 1664) is er een overzicht van de religieuze en staatskundige verdeling van Europa aan de hand van kaarten uit de zeventiende eeuw en digitale overzichten.

Het geeft een duidelijk overzicht van de verschillende religieuze en politieke machten en conflicten in Europa en de handelsstromen naar en Europese machtsstrijd in de nieuwe wereld, Afrika en Azië. Het is immers ook de periode van de kolonisering van andere continenten.

Het is een goede keuze de religieuze verdeeldheid met name te beperken tot het katholicisme en de hoofdstromen van het protestantisme. Zij bepaalden de vele (religieuze) oorlogen, (koloniale) handel en vluchtelingen en de opkomst van de barok in deze periode.

Andere religies, zoals het joodse of de wederdopers, speelden staatkundig en in de vele militaire en economische conflicten tussen landen geen rol van betekenis. De Islam en Turkije, een militaire supermacht in de regio, bijvoorbeeld het beleg van Wenen in 1683, speelden een bescheiden rol in de barok, zoals onlangs een andere tentoonstelling heeft getoond.

De Cembalo. Collection: Museum für Gestaltung Zürich/Kunstgewerbesammlung/Zürcher Hochschule der Künste

Franse hofmode, zeventiende eeuw. Tentoonstelling ‘Barock. Zeitalter der Kontraste‘. Sammlung: Germanisches Nationalmuseum, Nürnberg

De titel is ook goed gekozen. Het goud en glitter van de kerken, de pracht en praal van het hofleven en de welgestelde burgerij, de bloei van de wetenschap, kunsten, muziek, architectuur en de technische ontwikkelingen stonden in schril contrast met de vrijwel permanente oorlogen en (handels) conflicten, ziektes, honger, koude (‘de kleine ijstijd’) en armoede voor het grootste deel van de bevolking.

De Dertigjarige oorlog en de vlucht van de Hugenoten zijn de meest sprekende voorbeelden. In Nederland speelde de Tachtigjarige oorlog tegen Spaans-Habsburg een hoofdrol, die echter ook een burger- en godsdienstoorlog was.

Ook Zwitserland kende een rijke barokke cultuur, maar op zijn Zwitsers, ingetogener en maatvoller dan haar buurlanden. Haar burgers, ‘Zuckerbäcker’, politici, wetenschappers, kooplieden en ondernemers waren actief in Europa en in de kolonies van Europese landen en namen de barokke cultuur over of gaven er invulling aan. Zwitserse kunstenaars verspreidden niet alleen in eigen land, maar ook bijvoorbeeld in Rome, Duitsland en aan het Franse Hof de barokke cultuur.

Carlo Maderno (1556-1629), Francesco Borromini (1599-1667), Domenico Fontana (1543-1607), Giovanni Viscardi (1645-1713), Enrico Zuccalli (1642-1724) en andere architecten of kunstenaars waren met name actief in Frankrijk, Zuid-Duitsland, Oostenrijk (Voralberg) of Italië (Rome) en andere plaatsen.

Johann Baptist Cysat (1587-1657), 1619, wereldkaart met locaties van actieve en als martelaar gestorven Jezuïeten. Collectie: Historisches Museum, Luzern

De belangrijkste onderwerpen passeren de revue: de rol van de kerk, Jezuïeten en Kapucijners en hun architectuur, de volksvroomheid, Versailles en Frankrijk als maat voor de mode, tuinen, paleizen, hof- en wooncultuur, theater, muziek, literatuur en de pre-industrialisatie (in Zwitserland onder andere de zijde-, wol- en (bedrukte) textielindustrie, de horlogerie en de verwerking van thee- en koffieproducten), de rol van Zwitserse burgers en huurlingen in Europese kolonies, de wetenschap, de ‘verzamelwoede’ en wonderkamers en de Europese netwerken op ieder gebied.

Een andere tentoonstelling in Zwitserland stelt dezer dagen een specifiek onderwerp uit de barokke cultuur centraal.

Kortom, het was een dynamische en contrastrijke periode. Wellicht kijkt men over twee eeuwen op deze wijze op onze tijd terug. De tentoonstelling maakt ook inzichtelijk dat deze periode de huidige maatschappij en cultuur nog steeds beïnvloed. De barok is geen voltooid verleden tijd, maar een belangrijke fase in de ontwikkeling van de huidige maatschappij.

(Bron en verdere informatie: Landesmuseum Zürich)

Tulpen- en Bloemenpyramide, Tulpenmanie. Delft c. 1700. Collectie Rijksmuseum, Amsterdam

Andrea Sacchi, Jan Miel, Filippo Gagliardi, schilderij van de  Il Gesù in Rome, de moederkerk van de Jezuïeten, 1640, viering honderdjarig bestaan. Collection: Nazionali d’Arte Antica di Roma. 

Katholicisme, Orthodoxie en landbouw in Schwarzbubenland

De Betekenis Schwarzbuben stamt waarschijnlijk van het woord ‘schwärzen’, dat smokkelen betekent. Het Schwarzbubenland is de regio ten noorden van de berg Passwang (1204 meter) in het kanton Solothurn. Het bestaat uit districten Dorneck en Thierstein. De belangrijkste plaatsen zijn  Dornach en Breitenbach.

Het Benedictijnse klooster Beinwil is in 1648 verplaatst naar het even verderop gelegen klooster Mariastein. Enkele monniken bleven in het klooster, maar sinds 1874 heeft Beinwil het ten gevolge van de ‘Kulturkampf’ zonder monniken moeten doen. De inwoners van Solothurn hadden aldus beslist in een referendum.

Tot 2019. Sindsdien biedt het kloostercomplex onderdak aan het Byzantijns-Orthodoxe klooster: Heilige Orthodoxe Kloster Johannes Kapodistria, onder leiding van de Griekse abt Archimandrit Dionysios. Het klooster valt onder het Patriarchaat van Antiochië.

In 1054, het jaar van het Grote Schisma, was het ondenkbaar dat een katholiek klooster door een orthodox klooster zou worden vervangen. Het symboliseert de vitaliteit van de Orthodoxe religie in Europa. Ze vult het gat van de katholieke en protestante religies.

De abdij telt thans vier monniken en mag zich, naar eigen zeggen, in een groeiende belangstelling verheugen. Ook in Nederland ontbreekt veelal opvolging in kloosters. De hoop is gevestigd op toetreders uit andere continenten en bijvoorbeeld Indonesië, het voormalig Nederlands-Indië, waar soms nog steeds eeuwenoude banden mee bestaan, bijvoorbeeld ket klooster Onder de Bogen in Maastricht.

Niet alleen kloosters (onder andere ook in Mariastein en Dornach), kerken, talrijke kapelletjes en een enorme kerk in Seewen (Kirche St. German) hebben in dit katholieke kanton eeuwenlang een goede voedingsbodem gevonden.

Ook de (vochtige) bodemgesteldheid is van goede kwaliteit voor akkerbouw, en een diversiteit aan vruchten en groenten. Het dal van de Lüssel is een goed voorbeeld.

Zelfs na maanden zonder regen is het dal nog een groene oase. De inwoners van Erschwil hebben hun dankbaarheid voor de oogst in de Kirche St. Peter und Paul onder de aandacht gebracht. Ze brengen hiermee tot uitdrukking dat het dagelijkse voedsel géén vanzelfsprekendheid is. Dat is geen religieuze uiting, maar respect voor de natuur en de boer.

Het dorp ligt in een dal aan het riviertje de Lüssel in het middelhoge Juragebergte met haar vele rotspartijen, kloven, dalen, weides, bossen, beken en riviertjes. Het dorp is in 1147 voor het eerst in en document genoemd onder de naam Hergiswilre.

Het klooster Beinwil oefende de geestelijke macht uit en had veel grond in het dorp. De Graven von Thierstein waren de wereldlijke heersers. Solothurn verwierf het dorp in 1522. Na een aanvankelijke bekering tot het protestante geloof, had het dorp in de zeventiende eeuw weer een katholieke kerk.

Erschwil is niet alleen een goed begin- of eindpunt voor wandelingen. Het ligt ook vlakbij de steden Zwingen, Dornach en Laufen en andere mooie plaatsen, onder andere Gempen, en Rodersdorf, aan de rand van Basel-Landschaft en Frankrijk.

(Bron en verdere informatie: www.schwarzbubenland.info)

De botanische tuin van Genève

De botanische tuin van Genève, Les Conservatoire et jardin botanique de Genève (CJBG), is de grootste botanische tuin van Zwitserland. De Geneefse botanicus Augustin-Pyramus de Candolle (1778-1841) stichtte de tuin in 1817.

De botanische tuin had toen een oppervlakte van 7,5 hectare. In 1908 en 1911 zijn de plantenkassen en de orangerie gebouwd. Tussen 1954 en 1978 is de tuin uitgebreid tot 18 hectare door de aankoop van naburige landgoederen.

Het doel van de tuin s het botanisch erfgoed te verkennen, soorten in stand te houden, de kennis van de plantenwereld te onderzoeken en te ontwikkelen, de door observatie van het botanisch erfgoed verworven kennis over te dragen en de plantenwereld te beschermen.

Tegenwoordig heeft de tuin een omvang van 28 hectare midden in de stad en aan de oevers van het meer van Genève. In 1971 en 1974 zijn de herbariumcollectie en de bibliotheek in nieuwe gebouwen ondergebracht.

De bibliotheek heeft ruim 120 000 publicaties, waaronder unieke werken uit de 16e en 17e eeuw en een opmerkelijke reeks 18e-eeuwse botanische folio’s en quarto’s, de  rijkelijk versierd en geïllustreerd met gravures en tekeningen. Dit uitzonderlijke erfgoed getuigt van de lange botanische traditie van Genève.

Het herbarium met zes miljoen onderwerpen is een van de belangrijkste ter wereld, erfgenaam van een lange botanische traditie in Genève die teruggaat tot de 18e eeuw.

Het Herbarium bevat planten en schimmels uit de hele wereld, maar vooral uit het Middellandse Zeegebied, het Nabije en Midden-Oosten, Zuid-Amerika en de Europese flora.

Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) is wellicht door deze omgeving geïnspireerd toen hij zich op latere leeftijd in kanton Neuchâtel (1762-1765) toelegde op botanisch onderzoek. In ieder geval heeft ook deze Genevois een belangrijke wetenschappelijke bijdrage geleverd aan de botanica !

De Tuin zelf heeft diverse paviljoens voor exotische en utilitaire planten, zes chalets met digitale, (audio) visuele en schriftelijke informatie over diverse onderwerpen, het hoofdgebouw Le Chêne voor de ontvangst en informatie en de villa La Console met het herbarium en de bibliotheek.

Een van de zes châlets met documentatie en informatie

Bovenal is het een goed gedocumenteerd parcours in een prachtig complex, een van de 31 botanische tuinen van Zwitserland.

(Bron en verdere informatie: Les Conservatoire et jardin botanique de Genève)

Aubonne en haar kasteel

De naam Aubonne (kanton Vaud) komt van het Keltische woord Albunna, dat “wit water” betekent vanwege het schuim en de kleur van deze wildkolkende rivier. De Aubonne ontspringt in het Juragebergte aan de voet van de Monts de Bière.

De geschiedenis van het dorp is verbonden met die van het kasteel. Het was aan het begin van de 12e eeuw dat de inwoners van de streek bescherming zochten door hun woningen te groeperen aan de voet van het kasteel.

Het kasteel was de residentie van de Seigneurs van Aubonne. In 1234 werd onder de titel “Franchises d’Aubonne” een charter opgesteld waarin de rechten en plichten van de heer en de inwoners van de stad werden vastgelegd.

Vanaf de 12e tot de 17e eeuw ging het van een eenvoudige toren naar een citadel en vervolgens naar een versterkt kasteel, al naar gelang de wisseling van bewoners, namelijk de Heren van Aubonne, het Huis van Savoye, de Heren van Grandson en de Graven van Gruyère.

De mensen van Aubonne leefden eeuwen zonder oorlogshandelingen, wat uitzonderlijke genoemd mag worden. Landbouw, wijnbouw en ambachtelijke activiteiten waren voldoende om de handel en het levensniveau op peil te houden.

De komst van Jean-Baptiste Tavernier (1605-1689), diamantair van Koning van Frankrijk en een groot reiziger, en vervolgens die van Henri, markies Duquesne (1652-1722), oudste zoon van de beroemde admiraal van Lodewijk XIV, veranderden het dorp in een dynamisch centrum. De beroemde ronde toren is een souvenir van Taverniers reizen in de Orient. Duquesne bouwde de binnenplaats met arcades.

Deze twee Hugenoten, bannelingen uit Frankrijk, maakten van het Château d’Aubonne een comfortabele en adellijke residentie geheel in de (barokke) stijl en grandeur van het Franse koninklijke Hof.

Vanaf 1701 werd Aubonne de zetel van de voogd van Bern en bleef dat tot de Franse inval in 1798. Het protestante Bern had in 1536 Vaud veroverd op de hertog van Savoie en regeerde dit gebied met een voogd.

Tegenwoordig is het kasteel op de heuvel een prachtig complex dat uitziet op de stad met zijn pittoreske straatjes .

De kerk is ook een interessant monument. In de middeleeuwen stond de parochiekerk nog in Trévelin, een kilometer verderop. Aubonne sloopte de inmiddels verlaten katholieke kerk in Trévelin echter in 1577 en gebruikte de materialen voor de bouw van de huidige protestante kerk (le temple), met zijn gotische koor en houten plafond in het schip.

(Bron en verdere informatie: www.aubonne.ch)