Marmorera en elektriciteit

De Lai da Marmorera (Murmarera in het Reto-Romaans, Surmiran idioom) of Marmorerasee is een stuwmeer. Het is ontstaan in 1954 na het bouwen van de stuwdam. Het stuwmeer ligt tussen de dorpen Mulegns en Bivio aan de weg van de Julierpas (Pass digl Gelgia)op een hoogte van 1680 meter.

Het is vooral de rivier Julia, naamgever van de Julierpas, die het stuwmeer vult. Het stuwmeer, dat door de elektriciteitscentrale van Zürich (EZW) wordt geëxploiteerd, is ongeveer 1,4 km lang en tot 700 m breed.

EWZ heeft 16 waterkrachtcentrales in Graubünden en drie aan de Limmat (in de kantons Zürich en Aargau). In tegenstelling tot dammen en hun centrales in rivieren, die continu elektriciteit leveren, kunnen centrales met een stuwmeer flexibel worden ingezet.

Ze houden het water tegen en zorgen ervoor dat de turbines naar behoefte kunnen worden gebruikt. Dit betekent dat waterkracht ook beschikbaar is wanneer de zon minder schijnt of de windturbines niet draaien.

Marmorera

Aan de oostkant van het stuwmeer leidt de weg naar de Julier Pass. Ongeveer halverwege het meer ligt het in 1960 herbouwde dorp Marmorera. Het oude dorp is 1954 verzwolgen door het stuwmeer. Het meer is bij duikers geliefd, omdat de restanten van het oude dorp Marmorera en zijn kerk uit 1522 een mekka zijn voor archeologisch onderzoek.

In 1954 kwam een einde aan een ruim duizendjarige geschiedenis van het dorp. De eerste vermelding vond plaats in 831 onder de naam ‘Marmoraria’. Tot de zestiende eeuw waren de heren van Marmels’ de bezitters.

Het nieuwe Marmorera vormt tegenwoordig samen met andere dorpen, waaronder Bivio (Beiva) de gemeente Surses.

Zwitserse Waterkrachtcentrales, energie en Grimselpas

Zwitserland heeft geen grondstoffen of fossiele energiebronnen, maar water in overvloed, het ‘waterkasteel van Europa’. Het land heeft wel water, veel water. Het Gotthardmassief wordt zelfs het waterkasteel (Wasserschloss) van Europa genoemd vanwege het ontspringen van de vier grote rivieren de Rijn, Ticino, Reuss en Rhone.

Whylen-Augst

Energie

Zwitserland heeft ruim 680 kleinere en grotere waterkrachtcentrales voor het opwekken van elektriciteit. Deze worden geëxploiteerd door overheidsbedrijven. Ze dekken bijna 60% van de elektriciteitsbehoefte. Kerncentrales produceren ongeveer 33% van deze behoefte. Windmolens, zonenergie en conventioneel-thermische bronnen voorzien in de overige behoefte. Wat betreft elektriciteit is Zwitserland bijna zelfvoorzienend.

De dammen, waterkrachtcentrales en de stroomproductie- en distributie worden beheerd door bedrijven van de kantons of de centrale overheid.

Elektriciteit beslaat echter maar 25% van de totale energiebehoefte. Fossiele brandstoffen zijn met 50% nog altijd de belangrijkste energiebron. Gas dekt  ongeveer 15% van de energiebehoefte en hout en overige bijna 10%.

Waterkrachtcentrales

De waterkrachtcentrales bestaan uitdammen (bij rivieren of valleien), stuwdammen en stuwmeren en machines om de elektriciteit op te wekken. De eerste waterkrachtcentrales zijn in de periode 1885-1900 in het hele land gebouwd.

Dammen en hun centrales in rivieren leveren continu elektriciteit en kunnen niet of nauwelijks naar behoeve worden stilgezet. De rivier stroomt immers altijd. Waterkrachtcentrales bij een stuwmeer kunnen echter flexibel worden ingezet.

Ze houden het water tegen en zorgen ervoor dat de turbines naar behoefte kunnen worden gebruikt. Dit betekent dat waterkracht ook beschikbaar is wanneer de zon minder schijnt of de windturbines niet draaien.

De functie van stuwdammen  is het blokkeren van een rivier of vallei voor de vorming van een stuwmeer voor de opwekking van elektriciteit door waterkrachtcentrales.

In verschillende gebieden zijn er echter ook dammen ter voorkoming van overstromingen. Ten slotte zijn er in Wallis verschillende stuwmeren die dienen voor irrigatie en watervoorziening.

De opwekking van energie uit deze stuwmeren is de afgelopen decennia en in het bijzonder de afgelopen jaren steeds belangrijker geworden. De regering (der Bundesrat) heeft in 2017 de energiestrategie tot het jaar 2050 aan het Volk en de kantons voorgelegd.

Deze stemden er mee in en sindsdien ligt de nadruk met name op het bouwen van meer stuwdammen en klimaatvriendelijke opwekking van energie uit waterkracht. De regering heeft in 2021 de wet aangenomen van extra stroomvoorziening door windmolens, zonenergie en waterkrachtenergie.

De stroomvoorziening door de vele waterkrachtcentrales in het land is weliswaar betrouwbaar, maar niet toereikend voor de totale energiebehoefte. De overeenkomst met de Europese Unie over de import en export van stroom en de afbouw van de afhankelijkheid van gas en olie spelen een belangrijke rol in de strategie van de regering.

Gezien de actuele situatie wil de regering ook de vele juridische procedures door milieuorganisaties en andere belangengroepen inperken. Soms duurt het twintig jaar voordat grote projecten, zoals de bouw van stuwdammen of windmolenparken, kunnen beginnen.

De Grimsel en Susten regio

De Grande Dixence is de grootste stuwdam van het land en de grootste ter wereld met een hoogte van 285 meter. Zij is gebouwd in 1961. Een restant van het beton is een paar jaar later gebruikt voor de ‘betonnen’ kerk in Hérémence.

Een van de meest innovatieve projecten vindt momenteel plaats in de Grimsel regio. Deze regio strekt zich uit in de kantons Bern en Wallis en is onder andere het bronnengebied van de Aare, de grootste waterleverancier van de Rijn, groter dan de  Main, Neckar of Moezel.

Koblenz, de Rijn, Aare en de Reuss

De Aare stroomt samen met de Reuss bij het Zwitserse Koblenz in de Rijn (niet te verwarren met het Duitse Koblenz, waar de Moezel en Rijn samenkomen). Verschillende 4000+ bergen en hun gletsjers, waaronder de Aare-gletsjer, zijn gezichtsbepalend voor de regio.

De grote watermassa van de Aare blijkt ook uit de noodzaak van het grote project in de negentiende eeuw, de Juragewässerkorrektion/correction des eaux du Jura).

Dit staaltje van Zwitserse ingenieurskunst reguleerde de waterhuishouding van de Jura, de Zwitserse Deltawerken in de negentiende eeuw, met een vervolg in de jaren 1960 en 1970.

Grimselpas

De route over de Grimselpas was vroeger een belangrijke verbinding voor inwoners uit het Haslital, Wallis, Lombardije en Duitsland. kooplieden uit Genua, Florence of Milaan vervoerden rijst, wijn, mais, specerijen en andere mediterrane producten. Uit het noorden kwamen voornamelijk melk- en vleesproducten, wol, huiden, zout en vee.

In zijn hoogtijdagen in de achttiende eeuw staken wekelijks vele handelaren en honderden muilezels de pas over, totdat tussen 1891 en 1894 de eerste weg werd aangelegd. Koetsen en nadien autovervoer en de Postauto vervingen de Säumer en hun muilezels.

De reizigers vonden onderdak in het Hospiz “Spittel”. Het stuwmeer verzwolg na 1925 echter ook dit Hospiz. Sinds 1960 heeft het nieuwe Hospiz-hotel de functie overgenomen, zij het met een meer toeristisch oogmerk.

Kraftwerke Oberhasli AG (KWO)

De tijden zijn veranderd in deze regio sinds de eerste stuwdam in 1925 gereed is gekomen. De bouwer van de dammen en de exploitant van stroom, Kraftwerke Oberhasli AG (KWO), heeft haar hoofdkantoor in Innertkirchen in de Oberhasli (kanton Bern) en is actief in het berggebied van de Grimsel en Susten.

Sinds de oprichting in 1925 produceert KWO elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Met 13 waterkrachtcentrales en acht stuwmeren produceert KWO Grimselstrom jaarlijks tussen 2100 en 2300 gigawattuur elektrische energie. Het Grimselmeer is het grootste en belangrijkste opslagmeer in het energiecentralesysteem van KWO.

Het KWO maakt de Grimselwereld, de prachtige natuur en het hooggebergte ook toegankelijk voor het publiek. De onderneming exploiteert toeristische spoorwegen en hotels, geeft rondleidingen in krachtcentrales en heeft een bezoekers- en informatiecentrum.

De Spitallamm dam is een van de twee dammen op het Grimselmeer. De dam is meer dan 90 jaar oud. In plaats van de oude muur te renoveren, bouwt het KWO sinds juni 2019 direct ervoor een nieuwe muur, die in 2025 klaar moet zijn (afhankelijk van juridische procedures van milieuorganisaties).

De bouwwerkzaamheden in het hooggebergte op bijna 1900 meter boven de zeespiegel zijn veeleisend. De bouw vindt alleen plaats van mei tot oktober. De hoogte van de dam wordt 113 meter, de lengte 212 meter.

Twee gigantische kranen van 90 (negentig) meter hoog zijn de belangrijkste hulpmiddelen. Ondanks de strenge vorst op deze hoogte blijven de kranen in de wintermaanden staan.

De werkzaamheden liggen van oktober tot april stil. Om te voorkomen dat de kranen vastvriezen en beschadigd raken, maken ze meerdere keren per dag in de winter een charmant dansje, het Zwanenmeer in de Alpen. De Fundaziun Origen en haar Julierturm voor theater en muziekuitvoeringen op ruim  2200 meter hoogte hadden het niet kunnen bedenken.

Een andere bijzonderheid is de kolossale Mélisande fresco op de Räterischsboden stuwdam, de tweede dam van de Grimsel. De kunstenaar Pierre Mettraux heeft dit fresco van deze mythische vrouwenfiguur voltooid in 2007.

Een andere bezienswaardigheid is de kristalkunst. Al eeuwenlang worden exclusieve drinkglazen, kelken, kroonluchters, decoraties, dier- en mensenfiguren en tal van andere (luxe) voorwerpen van kristal gemaakt. In de ‘Alpen Tower’ is bijvoorbeeld de grootste adelaar van kristal te zien.

(Bron en verdere informatie: Stiftung UNESCO-Welterbe Swiss Alps Jungfrau-Aletsch, Handel und Wandel an der Grimsel, Biel, 2021; www.grimselstrom.ch; www.grimselwelt.ch; www.swissdams.ch).

Ballet, Mélisande en Grimsel

Het kolossale Mélisande fresco op de Räterischsboden stuwdam, de tweede stuwdam van het Grimsel stuwmeer in kanton Bern, van de kunstenaar Pierre Mettraux (1551-2021) heeft een afmeting van 2750 vierkante meter, 51 bij 54 meter. De dam is 450 meter lang en 94 meter hoog. De kunstenaar begin in 2004 en rondde het in 2007 af.

Het is artistiek geheel met de twee kranen van de nieuwe stuwdam. Deze voeren in de wintermaanden enkele keren per dag een dansje uit, het ballet van twee kranen op 1900 meter hoogte, om niet vast te vriezen!

Mélisande is een van de twee hoofdkarakters in de opera Peliéas en Mélisande van Claude de Bussy (1862-1918). Hij voltooide de opera in 1895, in 1902 vond de eerste uitvoering in Parijs plaats. Metttraux wilde de grijze betonnen wand van een passende decoratie voorzien. Hij koos voor Mélisande vanwege haar relatie met water en de ongelukkige liefdesrelatie.

De inspiratie voor de Bussy was het toneelstuk van de Belg Maurice Maeterlinck (1862-1949) uit 1893. na een eerdere uitvoering zonder muzikale begeleiding in Parijs, was er in 1898 een uitvoering met muziek van Gabriel Fauré en Charles Koechlin (1867-1959) in Londen.

Het fresco van Metttraux past in het symbolisme van de jaren 1880 en de art nouveau die rond 1900 tot ontwikkeling kwam.

Een vuurtoren in de Alpen

Geen enkele berg is te hoog voor Zwitsers, maar wat doet een vuurtoren op de Oberalppas op 2 046 boven de zeespiegel? De vuurtoren staat op een uur lopen van de bron van de Rijn. En dat is geen toeval.

Het Gotthardmassief is de bron en de scheidingslocatie van vier rivieren: de Rijn (aanvankelijk naar het oosten), Reuss (naar het noorden), Rhône (naar het westen) en Ticino (naar het zuiden).

De vuurtoren is bedoeld als oproep om naar de bron van deze rivieren en in het bijzonder de Rijn te reizen, een soort Sirene. Zwitserland is immers ‘het waterkasteel’,  van Europa. Het vierbronnenwandelpad (Vier-Quellen-Weg) herinnert hier aan.

Het traject voert door vier kantons (Uri, Graubünden, Wallis en Ticino) en door vijf taalgebieden: Reto-Romaans, Duits, Frans, Italiaans én het Walser dialect! Het startpunt van deze route is de Oberalppas. De route ligt grotendeels boven de 2 000 meter en is vanaf mei tot november (meestal) begaanbaar.

Op de Oberalppas bevindt zich niet alleen het informatiecentrum, maar ook de replica van een Nederlandse vuurtoren. De vuurtoren is in 2010 gebouwd in het Zwitserse dorp Alpnach en vervolgens naar de Oberalppas getransporteerd. In oktober 2010 is de vuurtoren feestelijk in gebruik genomen als visueel icoon voor het Rijngebied met zijn meer dan 50 miljoen inwoners.

De vuurtoren is een replica van een vuurtoren die meer dan zeventig jaar dienst heeft gedaan aan de monding van de Rijn bij Hoek van Holland. Het origineel staat in het Maritiem Museum van Rotterdam.

Na de 1 233 kilometer lange reis van de Gotthard Massief naar de Noordzee, waarvan ruim 375 kilometer in Zwitserland, is de Rijn als het ware terug naar de bron en wacht het op het eerste schip. Het is immers de bedoeling een schip naast de vuurtoren te plaatsen.

Een gek idee ? Ruim honderd jaar geleden was er zelfs een plan de Via d’Acqua transalpina, een scheepvaartroute dwars door de Alpen aan te leggen! Misschien is de vuurtoren over 20 miljoen jaar bovendien weer aan zee gelegen. De Gletschergarten in Luzern geeft een goed inzicht in de klimatologische historie van de planeet aarde, zonder of met invloed van de mens.

De (onbezoldigde) vuurtorenwachter in 2022/2023 is de Zwitserse muzikant Dodo (Dominik Jud, geboren in 1977  in Nairobi, Kenia). Vanwege zijn ‘Back to the Roots Reise’ is hij tot maart 2023 niet aanwezig op de vuurtoren.

(Meer informatie: www.leuchtturm-rheinquelle.ch).

Openluchtmuseum Ballenberg

Het openluchtmuseum toont meer dan 110 landelijke huizen en boerderijgebouwen, die uit heel Zwitserland afkomstig zijn. Voor de inrichting en het interieur van de gebouwen verzamelt het museum voorwerpen uit het plattelandsleven en de landbouw van vóór de grote mechanisatie en modernisering van 1950.

Deze voorwerpen en informatie hebben betrekking op vroegere levenswijzen, sociale structuren en economische activiteiten in de landbouwgemeenschap, evenals op ambachten, apotheken en handel.

Het museum toont prachtige boerderijen, nederige arbeiderswoningen, berghutten, schuren, pakhuizen, wasplaatsen en droogovens, die zowel architectonisch als sociaal-historisch getuigen van het dagelijkse leven en de landelijke cultuur van het verleden. Tuinen, velden, weiden en weiden, ingericht volgens historische modellen, omringen de boerderijen en huizen.

In de gebouwen werken ambachtslieden met traditioneel gereedschap, terwijl thematische tentoonstellingen inzicht geven in het landelijke leven van vroeger.

Bovendien geven ongeveer 250 boerderijdieren een levendig beeld van het samenleven van mens en dier in voorbij dagen.

Om een goede indruk te krijgen van authentieke huizen kan men echter ook een bezoek aan het museum naar de nabijgelegen dorpen Ballenberg en Brienz gaan.

(Meer informatie: www.ballenberg.ch)

Impressies van het openluchtmuseum

Wooninrichting, muziekinstrumenten

Gebouwen

Tuinen

Wijnbouwdorpen in Wallis

Selectie uit getoond Vee

De os, vroeger onmisbaar in de landbouw, vanwege mechanisatie een museumstuk

Kapel uit Wallis

Enkele oude ambachten

De internationale verkoop van chalets

Wandelpaden en verkeerswegen

De oude weg naar Bern

Papierknipkunst (Scherenschnitt)

Het kleine Versailles van Vaud in L’Isle

L’Isle (kanton Vaud) is het dorp waar de rivier de Venoge ontspringt. Het “kleine Versailles van Vaud” is de bijnaam die aan het 17e eeuwse kasteel is gegeven.

In juni 1291 kocht de heer van Cossonay het land en de eilandjes, wateren en zijarmen van de rivier de Venoge om er een nieuwe stad te bouwen. Dit werd het dorp L’isle, geen stad, maar wel een bijzondere plek aan de voet van het Jurapark.

Na te hebben behoord aan de Cossonays, de Savoies, de Glerens en de Dortans, werd  L’Isle in 1614  bezit van Esaïe de Chandieu, afkomstig uit de Dauphiné, en vervolgens aan een van zijn nakomelingen, Charles de Chandieu (1658-1728).

Deze maakte carrière in het leger van Lodewijk XIV (1638-1715). Na zijn huwelijk met Catherine de Gaudicher d’Aversé (1671-1761)  besloot hij  het kasteel van L’Isle, gelegen aan de oevers van de Venoge, te herbouwen.

Hij gaf Jules Hardouin-Mansar (1646-1708), de Franse hofarchitect van Lodewijk XIV, de opdracht. Catherine de Gaudicher d’Aversé en de architect Antoine Favre (c. 1658-1757) uit Neuchâtel beleidden de bouw van het kasteel. bouw is in 1696 voltooid. Daarna is een Franse tuin met terras, bloemperken, vijvers en twee bomenlanen aangelegd.

Het water van de Venoge is aangewend om een grote vijver aan te leggen. In Franstalig Zwitserland is het kasteel van L’Isle het eerste regionale voorbeeld van Frans classicisme. Daarna volgden nog vele gebouwen in deze stijl.

Het 76 km lange pad “In de voetsporen van de Hugenoten” in L’Isle is een eerbetoon aan de 100.000 (!) vluchtelingen die Frankrijk ontvluchtten naar Zwitserland na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685.

Bron: Gemeente L’Isle; Swiss Castles

Twee speelpoppen en romanisering

Onder een Romeinse necropool met 311 graven in Yverdon-les-Bains (Kanton Vaud) hebben opgravingen talrijke overblijfselen van de Gallo-Romeinse vicus van Eburodunum aan het licht gebracht, zoals aarden en houten gebouwen uit het begin van de jaartelling en de gemetselde funderingen van een kelder.

Er zijn ook twee kleine ivoren speelpoppen gevonden, die verwant zijn met de eerste modellen die in Rome verschenen.

De bijzonderheid ligt in de opmerkelijke kapsels, die de modellen imiteert die in zwang waren aan het keizerlijk hof. Bij gebrek aan een precieze archeologische context is dit een goed dateringscriterium.

De beste vergelijkingen komen van vierde-eeuwse kapsels gebruikt door vrouwen van de familie van keizer Constantijn in de jaren 306-330 AD.

Terwijl deze beeldjes betrekkelijk veel voorkomen in Romeinse Spanje (Hispaniae)  van de vierde eeuw, Zuid-Frankrijk en Italië, zijn er zeer weinig voorbeelden bekend uit Romeins Zwitserland.

De twee poppen uit Yverdon-les-Bains zijn van een hoge technische en artistieke kwaliteit die ten noorden van de Alpen nauwelijks voorkwam.

Waarschijnlijk hoorden deze poppen bij een Romeinse of Gallo-Romeinse welgestelde familie. Dit wordt ook afgeleid uit de context van andere vondsten en een verregaande romanisering.

(F. Rossi, “Deux poupées en ivoire d’époque romaine à Yverdon-les-Bains” in Archéologie suisse, 1993, nr. 4).

Auvernier en het meer van Neuchâtel

De eerste historische vermelding onder de naam Averniacum dateert uit 1011 in een document dat de schenking van Rudolph III (970-1032), de laatste koning van het Koninkrijk Bourgondië, bevestigt.

Auvernier ligt aan de rand van het meer van Neuchâtel en is al sinds het neolithicum en de Gallo-Romeinse tijd bewoond.

De paalbouwwoningen aan het meer zijn een van de rijkste prehistorische plaatsen in Zwitserland (en een UNESCO-werelderfgoed).

Over een lengte van 1,5 km liggen tenminste tien plaatsen die tussen het vierde en eerste millennium voor Christus al werden bewoond (zie ook het museum Laténium in het nabijgelegen Hauterive).

Het dorp ontwikkelde zich rond visserij en wijnbouw, zoals ook te zien is aan het dorpswapen.

Complex La Roche, 16e eeuw.

Het dorp is ook bekend vanwege het kasteel van Auvernier uit 1559 en andere gebouwen, pleinen en middeleeuwse straten.

De kerk (le temple) en het stadhuis van Auvernier. Het dorp werd in 1532 protestant.

Het graafschap Neuchâtel is met het uitsterven van de dynastie in 1395 achtereenvolgens bestuurd door de graven van Freiburg im Breisgau (1395-1458), de markgraven van Baden-Hochberg (1458-1504), de Franse dynastie d’Orléans-Longueville (1504-1707) en de koning van Pruisen, die het vorstendom Neuchâtel formeel tot 1857 bestuurde, ondanks de toetreding van het kanton Neuchâtel, inclusief Auvernier, tot de nieuwe Zwitserse Confederatie in 1815.

Abraham Mouchet, schatbewaarder van het graafschap, bouwde dit stadspaleis in de 17e eeuw.

Het dorp (gemeente Milvignes samen met Colombier en Bôle sinds 2013) is ook een toeristische bestemming met zijn jachthaven, strand en de Jura.

(Bron: www.hls-dhs-dss.ch, Auvernier, Michel Egloff en Germain Hausmann, 2019; meer informatie: https://www.milvignes.ch).

De Romandie, Latijn, Patois en Frans

Tegenwoordig is het Frans de officiële geschreven en gesproken taal in de Romandie, de Franstalige kantons van  Zwitserland (de kantons Neuchâtel, Jura, Genève, Vaud en de tweetalige kantons Fribourg/Freiburg, Valais/Wallis en Berne/Bern). Maar achter deze huidige taalkundige eenheid gaat een grote verscheidenheid tot de negentiende eeuw schuil.

Het Frans dat na de elfde en twaalfde eeuw langzaam zijn intrede deed, heeft eeuwen met Latijn en lokale dialecten (het patois) gewedijverd. De doorbraak in de Romandie komt pas in de negentiende eeuw. De patois heeft echter zijn sporen nagelaten. Deze situatie verklaart waarom het Frans in Neuchâtel, Genève, Lausanne (kanton Vaud), Porrentruy (kanton Jura) of  Fribourg niet hetzelfde is.

De Middeleeuwen

De Gallo-Romeinse cultuur en taal  bleven lang dominerend in het westen van Zwitserland na het vertrek van de Romeinen in de vijfde eeuw. De bevolking sprak geen Frans. Op dit Gallo-Romeinse grondgebied was het Francoprovençaal de spreektaal. De  lokale verschillen, het patois, waren echter groot.

In het huidige kanton Jura was Langue  d’oïl de spreektaal, of beter gezegd Franc-Comtois. Deze talen  waren uitsluitend gesproken. Latijn was de schrijftaal en de taal van de kerk en de elite. In het Koninkrijk Bourgondië (446-534) en de Frankische koninkrijken bleven deze talen gehandhaafd.

Duits

Het Duits van de Alemannen en later de Walser is vanaf de vijfde eeuw in steeds meer oorspronkelijk Patois gebieden overheersend geworden. De eerste expansie van de Alemannische taal was in de vijfde tot de negende eeuw. Het leidde tot germanisering van de bovenloop van de Rhône (Oberwallis tot het district Brig) en de linkeroever van de Aare (Berner Oberland, rechteroever van de Singine (Sense in Duits) en het meer van Biel/Bienne).

De tweede Duitstalige expansie vond plaats in de elfde tot de dertiende eeuw in de districten Visp en Raron, de bovenloop van de Saane door de Walser. De Alemannische taal domineerde vanaf deze tijd de linkeroever van de Singine/Sense, de regio Murten/Morat, de plaatsen Ins/Anet, Erlach/Cerlier in het Seeland en Twann/Douanne op de linkeroever van het Bielermeer (lac de Bienne/Bielersee).

Het wapenboek (L’Armorial) van Jacques Huguenin (1642-1728).  Het oudste heraldiekboek van kanton Neuchâtel.

De 16e en 17e eeuw

Pas in de 15e eeuw verschenen de eerste Franstalige literaire teksten in de Romandie, terwijl de patoisliteratuur zich pas in de 16e eeuw manifesteerde.

In de Romandie bestonden aan het begin van de Reformatie (eerste helft van de 16e eeuw) drie taalvarianten. Het patois en zijn vele lokale dialecten waren de moedertaal voor de meeste bewoners.

Het Frans won in deze periode echter aan belang, vooral bij de stedelijke protestante elite. Het was een taal van prestige, van het geschreven woord (de bijbel !) en van geleerdheid. Het Latijn was ook nog steeds aanwezig, maar voornamelijk in juridische documenten, op universiteiten en onder geleerden en als taal van de katholieke Kerk. Door de reformatie nam het belang van Latijn in protestante kantons snel af.

Gravure gebaseerd op de Petite Chronique van Jeanne de Jussie uit Gustave Revilliod (éd), Levain du calvinisme ou commencement de l’hérésie de Genève, Genève 1853.

Jeanne de Jussie (geboren in 1503), een Genèvoise, is de eerste bij naam bekende schrijfster van de Romandie. Vooral haar Petite Chronique is bekend en geeft een goed beeld van de tijd van de Reformatie en de talen in Genève. Zij schreef zelf in het Frans.

De gesproken talen van de patois en Frans bleven nog lang naast elkaar bestaan, zelfs lang na de komst van bijna 100 000 Franse hugenoten in de zeventiende eeuw.

De 18e en 19e eeuw

De situatie veranderde aan het eind van de 18e eeuw en de Franse tijd. Frans werd ook in de Romandie de prominente taal in het dagelijkse leven, onderwijs en overheid. In de tweede helft van de 19e eeuw was het patois in stedelijke en geïndustrialiseerde protestantse gebieden (Genève, Vaud, Neuchâtel en de Berner Jura) verdwenen.

In andere kantons handhaafde patois zich langer, soms tot op de dag van vandaag, zoals in Evolène in het Val d’Hérens in Wallis. Patois in Wallis neemt tegenwoordig net zo’n bijzondere plaats in als het gesproken Duits in dit kanton.

Aan het eind van de 19e eeuw stelde Louis Gauchat (1866-1942) een groot woordenboek van de patois samen, de Glossaire des patois de la Suisse romande. Gedurende bijna tien jaar verzamelde hij informatie over het patois door vragenlijsten. Hij ontving meer dan 500.000 reacties! Zij zijn nog steeds de belangrijkste bron van de huidige kennis van het patois. Zijn Glossaire wordt nog steeds aangevuld en is een onschatbare bron van kennis over het patois.

Louis Gauchat. Foto: Wikipedia

De 20e en 21e eeuw

In de Romandie is Frans tegenwoordig de taal van het dagelijks leven in woord en geschrift. Patois wordt nog steeds gesproken in sommige dorpen in de kantons Valais, Fribourg en Jura. Ze hebben echter geen groot verspreidingsgebied. De sporen van het patois zijn echter in alle kantons zichtbaar in het regionale Frans, in plaatsnamen en in familienamen.

In Duitstalig Zwitserland is de verscheidenheid aan Duitstalige dialecten per kanton overigens veel groter dan het Frans in de Romandie. De uitzondering is wellicht kanton Valais.

L’Atlas linguistique audiovisuel des dialectes francoprovençaux du Valais romand (ALAVAL)

Patois maakt deel uit van het culturele erfgoed van de Romandie. Sinds 2018 is patois als minderheidstaal erkend door de federale overheid. Dit sluit aan bij de aanbevelingen van het Europees Handvest voor regionale en minderheidstalen van de Raad van Europa.

(Bron: A. Paravicni Bagliani, J.-P. Felber, J.-D. Morerod, V. Pasche, Les Romands au Moyen Age, Lausanne 1997); Bibliothèque Publique Neuchâtel, de tentoonstelling: Pourqoui parle-t-on le français en Suisse romande? Neuchâtel, 2022

De Zwitserse politie

De politie in Zwitserland is ook sterk gedecentraliseerd. De federale overheid (de federatie) heeft een beperkt aantal bevoegdheden. In verband met een toename van internationale en grensoverschrijdende criminaliteit en Europese samenwerking heeft de federatie wel meer bevoegdheden dan een aantal decennia geleden.Hieronder volgen in het kort de hoofdlijnen van de organisatie, taken en structuur.

De 26 kantons hebben in principe de soevereiniteit. Dit is een eeuwenoude bevoegdheid van de kantons, die in de federale grondwet van 1848 niet is veranderd. De federatie heeft alleen bevoegdheden die door de kantons en het volk na een referendum zijn overgedragen.

De federatie

De federale grondwet belast de federatie met de volgende bevoegdheden op politiegebied.

Bescherming van personen en gebouwen van de Confederatie, met inbegrip van beschermingsverplichtingen uit hoofde van het internationale recht; politiebevoegdheden in verband met de uitoefening van douanetaken; waarborging van de veiligheid op het gebied van het openbaar vervoer en het luchtverkeer; politiebevoegdheden binnen de strijdkrachten.

De federale politiedienst

De federale politiedienst (Bundesamt für Polizei/L’Office fédéral de la police  (Fedpol) heeft de functie van algemene politiedienst van de Confederatie. Fedpol is het uniforme aanspreekpunt voor de kantonale en gemeentelijke politiekorpsen en internationale coördinatie en samenwerking en vervult strafrechtelijke, veiligheids-, administratieve en ondersteunende politietaken.

Fedpol coördineert bepaalde grensoverschrijdende kwesties voor de kantons, met name de bestrijding van cybercriminaliteit en georganiseerde misdaad, mensenhandel en -smokkel.

Fedpol  beheert en onderhoudt ook een centraal politie-informatiesysteem ten behoeve van de kantonale en federale wetshandhavingsinstanties, mede in verband met Europese samenwerking (onder andere Schengen).

Ten slotte is Fedpol het nationale platform voor informatie, coördinatie en analyse voor de kantonale en internationale partners in de politiesector.

Ook op het gebied van het strafrecht heeft de federatie een beperkt takenpakket. Het bureau van de procureur-generaal (die Bundesanwaltschaft) is samen met de federale recherche van Fedpol verantwoordelijk voor de vervolging van georganiseerde criminaliteit, financiering van terrorisme en complexe zaken op het gebied van economische criminaliteit.

Enkele politietaken worden uitgevoerd door de federale recherche (Bundeskriminalpolizei (BKP). De Federale Veiligheidsdienst (Der Bundessicherheitsdienst (BSD) vervult veiligheidspolitieke taken om personen en gebouwen te beschermen.

Het leger

Het leger heeft ook bepaalde politietaken op federaal niveau. Deze taken worden uitgevoerd op basis van het militaire recht. Daarnaast wordt het leger ingezet als steun voor civiele autoriteiten bij bedreigingen van de binnenlandse veiligheid en bij  buitengewone situaties, evenementen of gelegenheden (bijvoorbeeld het Economisch Wereldforum of staatsbezoeken).

De inlichtingendienst

De Federale Inlichtingendienst (Nachrichtendienst des Bundes (NDB) is verantwoordelijk voor informatiegaring op relevante gebieden binnen de federatie en international. Ze valt onder het Federale Departement van Defensie, Civiele Bescherming en Sport (Departement für Verteidigung, Bevölkerungsschutz und Sport (VBS).

De grenswacht

De Zwitserse grenswacht  (das Schweizerische Grenzwachtkorps (GWK) is het gewapende onderdeel van de federale douane (Eidgenössischen Zollverwaltung (EZV) en valt onder het federale ministerie van Financiën (Eidgenössischen Finanzdepartement (EFD). De grenswacht voert taken uit op het gebied van douane, veiligheidspolitie en migratie.

De kantons

De kantons regelen de taken en bevoegdheden en de organisatie van hun politiekorps in de kantonale politiewetten.  Deze politiewetten stemmen grotendeels overeen wat betreft de bevoegdheden en taken van politie.

Politiekorps Basel-Landschaft, Politiebureau Allschwil. “1991, 700 jaar Zwitserse Confederatie”. Foto: TES  

De oorsprong van de meeste politiekorpsen ligt in het eerste decennium van de 19e eeuw in de nieuwe confederatie (1803-1813) en is niet identiek aan de volgorde waarin de kantons tot de confederatie zijn toegetreden. De Zwitserse traditie is dat elk politiekorps zijn eigen uniformen en insignes heeft.

De kantons hebben een grote vrijheid om hun politie te organiseren, met inbegrip van opleiding, bewapening, uitrusting en uniformen. Tegelijkertijd bestaat er een nauwe samenwerking tussen de korpsen op deze gebieden.

De kantonale politiekorpsen beschikken over speciale eenheden, interventiegroepen en organisaties zoals de scheepvaartpolitie of de luchthavenpolitie.

 

De kantons werken onderling samen in het kader van regionale politieconvenanten en de harmonisering van informatie en IT.

De gemeente

Naast de kantonnale politie spelen ook de gemeentelijke politiediensten een rol in de handhaving en bij het uitvoeren van andere politietaken. De bevoegdheden zijn in de kantonale grondwetten vastgelegd.

Gemeentelijke politiediensten zijn vooral ontstaan in kantons waar gebieden moeilijk toegankelijk zijn, zoals in Wallis of Graubünden, of waar gemeenten traditioneel een hoge mate van autonomie hebben. Andere kantons hebben daarentegen geen gemeentepolitie. Naast de 26 kantonale korpsen zijn er ongeveer 300 gemeentelijke politiekorpsen, wat niet veel is op ongeveer 2 200 gemeentes.

(Bron en verdere informatie: www.admin.chwww.polizei.ch);