De romanisering van Vaud

Gedurende twee eeuwen van Romeinse vrede, de pax romana, is het gebied van het huidige kanton Vaud geromaniseerd. De Keltische bevolking nam de Romeinse manier van leven, de Latijnse taal en gebruiken over. Een van de belangrijkste bijdragen was de verstedelijking.

De Keltische nederzettingen, de oppida (oppidum in enkelvoud) werden uitgebouwd tot steden of nieuwe plaatsen werden vanaf het niets gesticht.

Daarnaast bouwden en onderhielden de Romeinen een uitgebreid wegennet en Vaud was het kruispunt van twee grote wegen. Een weg verbindt Genève (Genava) en het Rhônedal met Windisch (Vindonissa) via Lausanne (Lousanna) en Avenches (Aventicum).

Een andere route verbindt Italië en Noord-Europa door de Grote St. Bernard Pas en Martigny (Forum Claudii Vallensium) aan de ene kant, en Aosta (Augusta Praetoria Salassorum) aan de andere kant van de vallei.

Waterwegen waren ook van vitaal belang, onder andere de Rhône,  meren en kanalen in dit gebied, onder andere het kanaal van Avenches.

(Bron: L. Hubler, Histoire de Vaud, Lausanne 1991).

De kathedraal van Chur

De huidige kathedraal van Chur is een drieschepige basiliek uit de twaalfde en dertiende eeuw. De eerste voorganger dateert uit de vijfde of zesde eeuw. De kathedraal en het bisschoppelijk paleis liggen op de uitlopers van de Mittenberg en toren boven de binnenstad uit.

De kathedraal is gebouwd tijdens de overgang van de Romaanse naar de Gotische periode en toont invloeden uit de belangrijke culturele gebieden: Provence, Bourgondië, Lombardije, Duitsland en Byzantium. De belangrijke middeleeuwse stijlen van architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst komen in deze kathedraal bijeen.

Karolingische marmeren beelden, marmeren zuilen en een Langobarden kruis uit de achtste eeuw van de vorige kerk zijn behouden gebleven.

Het brede middenschip, de stenen sculpturen, de zuilen, de symboliek, de kapitelen, de apostelzuilen, de brede arcades en de massieve pieren zijn romaans.

Het geribbelde gewelf, de spitsbogen en de altaren dateren uit de (laat) gotische periode.

De vier apostelzuilen zijn van een hoge artistieke waarde. De apostelen staan op leeuwen en dienden als steunpilaren voor het preekgestoelte.

De leeuwen, die mensen en dieren in hun klauwen houden, symboliseren de zonde, het kwaad en de verdoemenis. Het Evangelie van de Apostelen overwint dit kwaad echter.

Als bisschoppelijke kerk is de kathedraal vrij klein, maar de indruk van uitgestrektheid en grootte wordt versterkt door de constructie van de muren met grote wanden en door witte oppervlakken. De buitengewone asymmetrie geeft het interieur ook beweging en dynamiek. Een bijzonder gebouw en interessante (cultuur)geschiedenis in de hoofdstad van het kanton Graubünden.

(Bronnen: H. Schlapp, Die Kathedrale von Chur, (Chur 2009).

Winter in Chaumont

De Jura is een oud gebergte (tussen de 205 en 135 miljoen jaar) dat zich voornamelijk in de Frans-Zwitserse grensstreek bevindt met uitlopers in Zuid-Duitsland.

In het noordwesten van Zwitserland strekt de Jura zich voornamelijk uit  in de kantons Neuchâtel, Vaud, Jura, Bern en Basel-Landschaft met uitlopers in Aargau en Zürich.

De hoogste bergtoppen in de Zwitserse Jura zijn te vinden in kanton Vaud (Mont Tendre, 1679 meter en La Dôle, 1677 meter), gevolgd door Chasseral (1607 meter) in kanton Bern, de Crêt Pela (1495 meter) in kanton Jura en de Mont Racine (1439 meter) in kanton Neuchâtel.

De kloven, dorpjes, meertjes, bossen, weiden, grotten, (onderaardse) rivieren en beekjes en indrukwekkende  bergkammen (de Creux du Van in  kanton  Neuchâtel bijvoorbeeld) en het uitzicht op de Alpen, inclusief de Jungfrau, Mönch, Eiger, Les Dents du Midi en de Mont Blanc, en de meren van Neuchâtel (Neuenburgersee),  Bienne (Biel) en Morat (Murten), zijn te bewonderen in de Jura (als er geen mist is in de herfst).

Het gebied is buiten de winter een mooi en toegankelijk wandel- natuurgebied. Fietsen langs de meren en in de bergen is in deze periode ook een aanrader.

De winters zijn relatief sneeuwzeker en er zijn diverse  wintersportmogelijkheden in een feeërieke omgeving.

De Chaumont (bij de stad Neuchâtel) is een van de locaties, die in de winter schitterende wandel- en langlaufmogelijkheden biedt in een  sprookjesachtige sfeer.

In de zomer is deze plaats vooral bekend van de Funiculaire, die vertrekt van 600 meter hoogte in Neuchâtel tot 1171 meter in een tijd van dertien minuten.

Rumantsch Grischun in het onderwijs

Graubünden groeide in de 14e en 15e eeuw in een langzaam proces naar politieke autonomie, los van de aristocratische en feodale structuren.

De Drie Bonden (het Huis van God (der Gotteshausbund), de Tien Jurisdicties (der Zehn Gerichtebund) en de Grijze Bond , (der Graue or Obere Bund) ontwikkelden zich van het feodale systeem naar autonome gemeentes en rechtssystemen.

De Drie Bonden kwamen samen in een Confederatie van Der Freistaat der drei Bünde aan het einde van de veertiende en het begin van de vijftiende eeuw.

Het Reto-Romaans (de vijf dialecten Surselvisch, Sutselvisch, Surmeirisch, Putèr en Vallader) was in die tijd nog steeds de dominante taal.

De Duitse taal werd echter steeds belangrijker, mede door immigratie van Duitstaligen onder anderen van de Walser.

Chur, het taal- en cultuurcentrum van de Romaanse taal, werd ook geheel Duitstalig.

In 1794 riep de Algemene Vergadering van de Freistaat de drietaligheid (Duits, Italiaans en Reto-Romaans) uit.

In 1803 nam Graubünden haar huidige naam aan als een van de negentien kantons van de nieuwe Confederatie, opgericht naar Frans initiatief (Mediationsakte, Acte de Médiation) na  het mislukken van de Helvetische eenheidsstaat (1798-1803) naar Frans model.

De drie talen hadden in principe dezelfde status, hoewel het Duits in de praktijk dominant was in het onderwijs, de overheid en het juridische systeem.

De Lia Rumantscha werd in 1919 opgericht om het bewustzijn en het gebruik van het Romaans in het onderwijs en de cultuur te vergroten.

Een van de initiatieven (vanaf 1982) was de ontwikkeling van Rumantsch Grischun, de gemeenschappelijke romaanse taal om les te geven op scholen en als officiële bureaucratische en juridische taal.

In 1999 verving Rumantsch Grischun het Romaans (de vijf dialecten) in het onderwijs. Er waren echter ook tegenstanders van deze unificatie van de vijf dialecten.

In 2020 blijkt inderdaad dat het gebruik van Rumantsch Grischun in het onderwijs (als verplichte taal, naast Duits of Italiaans) geen groot succes is. De vijf Romaans- sprekende regio’s geven kennelijk de voorkeur aan hun lokale identiteit.

Werelderfgoed in Zwitserland

De UNESCO Werelderfgoederen van Zwitserland vertegenwoordigen prehistorische paalwoningen, vroegmiddeleeuwse manuscripten in een vroegmiddeleeuwse, vanaf de zeventiende eeuw barokke abdij, hooggebergtelandschappen, spoorlijnen, een klooster uit 774 met Karolingische en Romaanse muurschilderingen, middeleeuwse steden, industriesteden en wijngaardterrassen. Het jaar van erkenning staat tussen haakjes vermeld.

  • Midden in Zwitserland ligt het gletsjergebied met de Eiger, Mönch, Jungfrau en de Aletschgletsjer, een van de meest spectaculaire hooggebergtelandschappen ter wereld, het  Jungfrau-Aletsch erfgoed (2007).
  • In het oosten (kanton Graubünden) ligt het Alpenlandschap rond de Piz Sardona, een gebied van 300 km2: de Tectonic Arena Sardona (2008).
  • Verder naar het westen getuigt de oude binnenstad van Bern van een bijna visionaire (middeleeuwse) stadsplanning. De stad heeft arcades, torens, fonteinen, gesloten huizenrijen en vooral talrijke grotere en kleinere architectonische, decoratieve en artistieke verrassingen van bijna duizend jaar kunsthistorie (1983).
  • In het westen van Zwitserland weerspiegelt Lavaux (kanton Vaud) een wijnbouwgebied aan het meer van Genève dat zich over 40 kilometer terrassenlandschap en veertien middeleeuwse stadjes en dorpen uitstrekt (2007).
  • De steden La Chaux-de-Fonds en Le Locle laten een symbiose zien tussen stedenbouw, effectieve horloge-industrie en het streven naar sociale betrokkenheid. De productie- en wooncentra van de horloge-industrie zijn nauw met elkaar verbonden (2009).
  • Aan de andere kant van Zwitserland, in de Val Müstair in Graubünden, biedt het klooster St. Johann in Müstair, gesticht rond 774, een goed inzicht in de Karolingische en Romaanse Middeleeuwen. Architectuur, fresco’s, decoratie, beeldhouwwerk, manuscripten en tal van andere (religieuze) kunstvoorwerpen zijn te zien in het kerkklooster en het museum (1983).
  • Het klooster van St. Gallen, gesticht in 719, was eeuwenlang een cultureel centrum. De beroemde kloosterplattegrond uit 800, de (vroegmiddeleeuwse) collectie documenten en manuscripten, de prachtige barokke bibliotheek en diverse thematisch opgezette musea zijn te bezichtigen (1983).
  • De Rhätische Bahn, in het landschap van de Albula in kanton Graubünden, is een meesterwerk in het aanleggen van een spoorweg door bergen (tunnels) en over dalen en rivieren (bruggen en viaducten). Het Landwasserviaduct in Filisur is het bekendste, maar slechts een van de honderden bruggen en viaducten in dit kanton. De lijn tussen Thusis en Tirano in Italië, geopend in 1930, is een spoorwegtechnisch unicum in het hooggebergte met destijds vele vernieuwingen. Het spoorwegmuseum in Bergün is hieraan gewend.
  • In het kanton Tessin komen in Bellinzona diverse wegen samen die het gebied strategisch van groot belang maakten. De forten Castelgrande, Montebello, Sasso Corbaro en hun vestingmuren zijn de belangrijkste getuigen van middeleeuwse vestingbouw in de Alpen (2000).
  • De omgeving van Mendrisotto opent in Monte Giorgio het venster op de prehistorie met fossielen van het zeeleven van 240 miljoen jaar geleden, toen Europa kilometers onder de waterspiegel lag (2010).
  • Paalwoningen uit de prehistorische en Keltische periode (5000-100 v. Chr.) zijn te vinden op 56 plaatsen in Zwitserland. Deze prehistorische nederzettingen in meren en veengebieden liggen verspreid over 15 kantons. Diverse musea en openluchtmusea geven inzicht in het ontstaan en de ontwikkeling van deze samenlevingen rond de Alpen (1983).
  • Twee van de zeventien als Werelderfgoed erkende Le Corbusier gebouwen staan in Zwitserland: La Petite maison in Corseaux (kanton Vaud) en l’Immeuble Clarté in Genève (2016).
  • De Engiadina Val Müstair (2010), een bergvallei ten zuiden van de Ofenpas, hoort samen met het Zwitserse nationale park in Graubünden, en het Entlebuch Biosfeerreservaat (2001) tot het werelderfgoed.

(Bron en verdere informatie: www.unesco.ch, www.whes.ch).

 

Rembrandt in Bazel

In tegenstelling tot Erasmus van Rotterdam (1466-1536) heeft Rembrandt van Rijn (1606-1669) Bazel nooit bezocht. De katholieke Erasmus is zelfs begraven in de kathedraal (Münster) van Bazel, al was de stad toen geen bisschopsstad en de kathedraal geen katholieke kerk meer sinds de Reformatie in 1529.

Ruim driehonderdvijftig jaar later ontmoeten de humanist en de kunstenaar elkaar echter alsnog in deze stad. Het kunstmuseum, gelegen aan de voet van de kathedraal en vlakbij het oude woonhuis van Erasmus, besteedt aandacht aan Rembrandt en diens artistieke relatie met Oriënt.

Hoewel Rembrandt de Oriënt ook nooit heeft bezocht, vormden oriëntaalse voorwerpen vaak een belangrijk motief in zijn kunst.

De Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) was net voor zijn geboorte opgericht (1602) en de jonge en zelfverzekerde protestante Republiek ging de handel in en de zeeën bevaren, mede mogelijk gemaakt door het Twaalfjarige Bestand (1609-1621) met de Spaanse Habsburgers.

De Oriënt was toen overigens een ruim begrip en omvatte  het gebied ten oosten van Wenen. Japan, China, Perzië en het Osmaanse Rijk, inclusief Noord-Afrika, vielen daar ook onder.

Het Osmaanse Rijk was toen de geduchte (Islamitische) tegenstander van de katholieke Habsburgers en dus in feite een bondgenoot van de protestante Republiek (“liever een Turk dan een Paap”). De historische context komt overzichtelijk en goed aan de orde.

De tentoonstelling (Rembrandts Orient. Westöstliche Begegnung in der niederländischen Kunst des 17. Jahrhunderts) is geen Rembrandt tentoonstelling, maar behandelt zijn kunst met oriëntaalse afbeeldingen (schilderijen, gravures, etsen) vanuit deze historische en culturele invalshoek en plaatst deze in het perspectief van zijn tijd en vakgenoten.

Behalve topschilderijen, gravures en etsen van de Meester zelf, onder andere een schilderij uit de collectie van de Earl van Derby in Liverpool (honderd jaar niet in het openbaar te zien geweest), zijn er veel werken van zijn tijdgenoten, onder anderen van zijn leermeester Pieter Lastman 1583-1633), stillevens, stadsgezichten en een Azië-kaart van Willem Jansz Blaeu (1571-1638).

Op deze wijze is er een goed inzicht in de motivatie om juist in die tijd veel oriëntaalse voorwerpen in de kunst op te nemen.

De tentoonstelling toont een schuttersstuk, met oriëntaals tapijt, met de strenge zwart-wit kledij van calvinistische regenten van Bartholomeus van der Helst (1613-1670).

Rembrandt heeft de belangstelling voor de Oriënt als beginnend kunstenaar in 1626 ook gemerkt en heeft er zijn invulling aan gegeven: een (Calvinistische) moralistische afbeelding in een oriëntaals decor (muziek, tulband, oriëntaalse motieven, schaars geklede dame, dit had maar één betekenis).

Hij sloeg de plank echter mis als beginner. Oriëntaalse voorwerpen hadden bij de calvinistische elite geen moraliserende taak, maar waren uitsluitend bedoeld ter verhoging van de status van regent, handelaar, wetenschapper, militair of ontdekkingsreiziger.

De eerste Nederlandse vertaling van de Koran, het begin van de wetenschappelijke oriëntaalse studies en de interesse voor deze cultuur en de collectie miniaturen met oriëntaalse motieven, onder andere uit de Millionenzimmer van keizerin Maria Theresia (1717-1780) van het Weense Hof in Schönbrunn komen ook aan de orde.

De uitbeelding van sultans (en dus de regenten van de Republiek) was ook toen al delicaat, getuige Samuel van Hoogstraaten (1627-1678) in zijn werk over de schilderkunst (Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst; anders de zichtbaere werelt (1678), waarmee de tentoonstelling besluit:

Lust u den Turkschen Sultan in zijn pracht te verbeelden? zoo schilder hem in’t wit Satijn of zilver laken met groen vermengt, en met groote bloemen doorwrocht. Stel hem den hoogen Tulbant met geschilderde veeren op’t hooft.

Het heeft niets aan actualiteit ingeboet, alleen hebben de sultan en de oriëntaalse wereld hun status verloren. Het is goed dat Rembrandt nu geen experimenterende  kunstenaar is. Het zou gevaarlijk voor hem kunnen zijn. (Meer informatie: www.kunstmuseumbasel.ch).

De Zwitserse Reddingsdienst in de Alpen

De veiligheid in de bergen werd een belangrijk thema naarmate meer en meer toeristen naar het hooggebergte kwamen. Sinds het midden van de 19e eeuw beklommen alpinisten, daalden ze hellingen af en wandelden op bergpaden of gletsjers.

Het aantal ongevallen nam ook sterk toe. Georganiseerde bergreddingen bestonden echter pas vanaf 1891. In Engadin was het de dokter Oscar Bernhard (1861-1939) uit Samedan die de noodzaak van actie inzag. Hij voerde campagne voor de oprichting van een Alpine reddingsdienst.

In 1891 organiseerde hij als eerste een meerdaagse eerste hulp cursus. Hiervoor liet hij 55 instructiepanelen maken, waarvan sommige met gekleurde tekeningen. Ze tonen eerste hulpmaatregelen bij ongevallen in de bergen en het vervoer van gewonden.

De educatieve borden en de cursus waren een groot succes en het was het begin van professionele bergredding, nu 130 jaar geleden. (Bron: D. Lardelli, ‘Pionier der Bergrettung’, in Piz Magazin für das Engadin, Winter 2018/2019, pp. 173-175, Scuol, 2019).

Een kantonale rivaliteit

Zwitserland telt meer dan 2200 gemeenten, van zeer klein (minder dat 20 inwoners) tot groot (ruim 400 000 inwoners).

Een stad met meer dan 500 000 tot een miljoen inwoners ontbreekt, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederland, Denemarken, Oostenrijk, België of Hongarije.

In de Franstalige Romandie zijn de grootste steden Lausanne en Genève, tot voor kort gevolgd door La Chaux-de-Fonds (Kanton Neuchâtel). Vanaf 1 januari zal de naamgever echter de grootste stad van het kanton zijn door de fusie met de gemeenten Corcelles-Cormondrèche, Valangin en Peseux. De nieuwe gemeente telt dan 45 000 inwoners.

La Chaux-de-Fonds blijft echter de hoofdstad van de horloge-industrie, (de cité horlogère) of, zoals men zegt, La Chaux-de-Fonds heeft lange tijd het bestuursapparaat van het kanton gefinancierd.

Zoals ieder land, kent zelfs het kleine kanton Neuchâtel een historisch gegroeide rivaliteit tussen steden en regio´s, de bergen (Montagnes of le Haut du canton) versus de oevers van het meer (Littoral of le Bas du canton).

Neuchâtel was eeuwenlang de zetel en (lucratieve) banenmachine van de graven van Neuchâtel en hun (formele) Duitse, Franse en Pruisische opvolgers (1454-1857). De stad ontwikkelde echter ook haar eigen industrie en een grote sector van het midden- en kleinbedrijf en huisvest tegenwoordig enkele multinationale ondernemingen.

Burgers van La Chaux-de-Fonds verzetten zich in 1830 (vergeefs) en in 1848 (met succes) tegen de aanspraken van de Pruisische koning op Neuchâtel, bij wijze van spreken de industriële revolutie tegen het ancien régime.

La Chaux-de-Fonds blijft de UNESCO-werelderfgoed stad van het kanton, zoals Neuchâtel de universiteitsstad is. Beide steden kennen een rijk cultureel leven en ondernemingsgeest en zijn goed gepositioneerd en volledig ingebed in de Confederatie.

De rivaliteit is geen ´Graben´, maar eerder een familie aangelegenheid.

De Franse en Zwitserse Chablais en haar grens

De moderne Chablais is een regio die delen van Oost-Frankrijk en West-Zwitserland beslaat. In Zwitserland ligt deze Franstalige regio tussen de Rhône en het meer van Genève.

Het Zwitserse gebied strekt zich uit over de kantons Valais en Vaud. In Frankrijk ligt dit gebied in het departement Haute-Savoie en wordt het in het noorden begrensd door het meer van Genève en de Zwitserse grensplaats St. Gingolph.

Het gebied werd ten tijde van de verovering door Romeinen in de eerste eeuw v. Chr. bewoond door de Keltisch stam van de Nantuates, die al snel romaniseerden.

Chablais werd deel van de Romeinse provincie Raetia-Vindelica en vanaf het einde van de tweede eeuw de nieuw gevormde provincie Alpes Poeninae.

Na de val van het Romeinse Rijk in 476 n. Chr. maakte het korte tijd deel uit van het (eerste) Bourgondische koninkrijk ( rond 461-534), waarna het opging in het Frankische Rijk van de Merovingen en later Karolingen.

Na de opdeling van het Karolingische keizerrijk in 843 bij het verdrag van Verdun, werd het gebied deel van het (tweede) Bourgondische koninkrijk (888-1032).

Na 1032 werd het formeel deel van het Heilige Roomse Rijk, maar lokale heersers hadden het feitelijk voor het zeggen. De talloze burchten getuigen daar nog van.

Daarna begon vanaf de dertiende eeuw de eeuwenlange politieke en militaire strijd om de hegemonie tussen de hertogen van Savoie, de bisschop van Sion en de opkomende stad Bern. Savoie zou de grote verliezer zijn.

In 1475 veroverde de bisschop van Sion de Chablais tot Massongex. In 1476 veroverde Bern, met ondersteuning van de bisschop van Sion, het overige deel van de Chablais, onder andere de regio rond Bex.

In 1536 veroverde Bern zelfs het Franse deel van Chablais, waaronder Thonon en Evian. Door de verdragen van Lausanne (1564) en Thonon (1569) kwamen grenzen tot stand zoals die nog steeds gelden.

De rivier de Morge bij St. Gingolph werd de grens tussen de Franse en Zwitserse Chablais (dat wil zeggen de Eidgenossen), Evian en Thonon vielen weer onder de hertog van Savoie. Pas eeuwen daarna, met en na de Franse inval in 1798, zouden de kantons Valais en Vaud ontstaan.

Het Zwitserse grondgebied van de Chablais zou niet meer veranderen. De stadjes Aigle, Villeneuve, Yvorne, Massongex, Ollon, Bex en Saint-Maurice zijn stille getuigen van deze geschiedenis.

Waterburcht Bottmingen

De waterburcht (Weiherschloss) in Bottmingen (Kanton Basel-Landschaft) is gebouwd in de tweede helft van de 13e eeuw.

In 1645 heeft Johann von der Grün (1603-1666), een edelman uit de Pfalz, het gebouw in de primaire Duitse barokstijl herbouwd.

In 1720 paste de nieuwe eigenaar Johannes Deucher (1673-1747) het kasteel aan tot een barok paleis in Franse stijl. Martin Wenk (1751-1830) uit Bazel, de nieuwe eigenaar, liet de ceremoniële zaal (Steinsaal) versieren met prachtig stucwerk in de Rococo-stijl.

De Engelse tuin werd in de 19e eeuw aangelegd door de bankiers Heinrich en Peter Oswald. Het kasteel is sinds 1957 eigendom van het kanton Basel-Landschaft en is een kantonaal en nationaal monument. Het kasteel herbergt tegenwoordig een restaurant.

(Bron en nadere informatie: www.weiherschloss.ch).

Het slot rond 1750. Afbeeling: Weiherschloss Bottmingen