Kunst, oorlog en schaken


Zelden zal de voorbereiding van een tentoonstelling zo door de actualiteit zijn ingehaald als ‘Kunst und Krieg’ in het Kunstmuseum Winterthur. Na een jarenlange voorbereiding toont ze zich vanaf 8 oktober tot 12 januari 2023 aan het publiek. Sinds 24 februari is de huidige titel echter in de plaats gekomen van ‘Wargames’.

Het was de bedoeling de verbeelding van oorlog en zijn menselijke lijden door kunstenaars vanaf eind vijftiende en begin zestiende eeuw weer te  geven. Wargames was de apotheose of (anti) climax van de digitale oorlogsvoering in de 21e eeuw. Vier video’s met simulaties  voor Amerikaanse soldaten in Irak, de Wargames, besluiten nog steeds de expositie, de actuele context is echter veranderd.

Harun Farocki, Ernste Spiele I-IV, 2010. Collection Harun Farocki GbR

De kwaliteit van de werken echter niet. Achtereenvolgens passeren unieke series van Albrecht Dürer (1471-1528) in die Apokalypse, Jacques Callot (1592-1635) in de Misères de la Guerre, Hans Ulrich Franck (1590-1675) in Schrecken des Dreissigjährigen Krieges, de barokschilder Giovanni Battista Tiepolo (1696-1770), vooral bekend van zijn beschilderde gewelven in kerken, in zijn Vari Capricci  en Francisco Goya (1746-1828) in zijn Desastres de la Guerra de revue.

Albrecht Dürer. Die apokalyptische Reiter. 1511. Collectie Kunstmuseum St. Gallen

Zij verbeeldden op hun originele en niets ontziende wijze het ware karakter van de oorlog. Deze kunstenaars stelden niet de heersers en de oorlogshelden in het middelpunt op grote oliedoeken, maar maakten op eigen risico en zonder opdracht kleine grafische werken die makkelijk verveelvoudigd en verspreid konden worden. Dürer was de eerste die de pas uitgevonden boekdrukkunst gebruikte voor dit doel.

Jacques Callot, L’estrapade, nr. 11. 1633. Collectie Kunst Museum Winterthur/Stiftung Oskar Reinhart

Félix Vallaton (1865-1925), Käthe Kollwitz (1867-1945), Eduard Rüdisühli (1875-1938), Otto Dix (1891-1969), Frans Masereel (1889-1972), Walter Kurt Wiemken (1907-1941), Alberto Giacometti (1901-1966), Gerhard Richter (1932) en tenslotte Harun Farocki (1944-2014)en zijn serie ‘Ernste Spiele’, vier simulatie video’s voor Amerikaanse soldaten, trekken de lijn door van de negentiende tot de eenentwintigste eeuw.

Francisco Goya, Tampoco, 1810-1814, blad 34. Collectie Kunst Museum Winterthur/Stiftung Oskar Reinhart

Grote verrassing is het werk van Frans Masereel (juin 1940-1942). Deze Belgische kunstenaar vluchtte in juni 1940 van Parijs naar Zuid-Frankrijk. Als een ‘Tapijt van Bayeux’ tekende hij op zes meter papier een klein panorama, een Makimonos, van de oorlogsgebeurtenissen. Het werk is veertig jaar lang niet te zien geweest in het openbaar.

Giacometti’s La main uit 1947 is gebaseerd op diens persoonlijke ervaring. Bij zijn vlucht uit Parijs in juni 1940 zag hij na een Duitse aanval een afgerukte arm op straat liggen. Hij verbeeldt hiermee niet alleen het leed van de oorlog, maar ook zijn persoonlijke ontwikkeling van levensgrote figuren van een verbinding van het persoonlijke met het universele.

Friedrich V., Pfalzgraf und König von Böhmen (1596-1632), 1621. Collectie Emil S. Kern

De indrukwekkende show heeft ook een vervolg, namelijk het afbeelden van heersersfiguren in miniaturen van de vroegbarok. Deze periode was uitermate gewelddadig (onder andere de Dertig- en de Tachtigjarige Oorlogen) en de heersers voerden oorlog als op een ‘schaakbord’. De heersers moesten hun macht legitimeren en miniaturen was een effectief middel van zelfrepresentatie. Prachtige miniaturen uit Frankrijk, Nederland en Engeland zijn te zien.

Schaken was sinds het jaar 1000 een geliefd en vooral prestigieuze vrijetijdsbesteding van monarchen, generaals en andere (militaire) leiders. De Lewis Chessmen zijn Europa’s eerst gevonden (Isle of Lewis, Noord-Schotland) ivoren schaakstukken, waarschijnlijk gemaakt in Trondheim in Noorwegen.

De Lewis schaakstukken, elfde eeuw, ivoor. De krijger/boer, de koning(in) en de bisschop. Replica’s British National Museum, London.  Foto: TES.

Deze Vikingen bewoonden toen Schotland en Ierland en hadden het schaakspel in Byzantium leren kennen via de door hun gestichte stad en het koninkrijk Kiev, eeuwen voor het ontstaan van het Groothertogdom Moskou en zijn Tsaren.

Daarmee is de cirkel van deze tentoonstelling rond en de titel ‘Checkmate-Spiel der Könige. Herrscherminiaturen des Frühbarock’ raakt de actualiteit.

Barokzilver uit een Basler collectie


De tentoonstelling (Schöner Trinken. Barockes Silber aus einer Basler Sammlung)  presenteert een van de belangrijkste privécollecties barokzilver in Zwitserland. Het geeft inzicht in de diversiteit van drinkvaten en hun vervaardiging en gebruik. De tafelmanieren van 300 jaar geleden vertonen, ondanks alle verschillen, ook parallellen met de huidige drinkcultuur.

Zeilschepen gevuld met wijn en varend over de tafel, tuimelaars met molens en blaaspijpen, wijnwonderbekers en pulsen voor warm bier met een inhoud tot 2,5 liter demonstreren op onderhoudende wijze de drinkgewoonten.

Bovendien geven de artistiek vormgegeven zilveren vaten inzicht in hun functie en betekenis als representatieve stukken. De productie van deze ambachtelijke producten krijgt ook een speciale plaats met een replica van een werkplaats.

 

Jakob Scheuchzer en het klimaat


De opwarming van de aarde is al tientallen jaren merkbaar. In tegenstelling tot eerdere warmere periodes gaat deze ontwikkeling snel en is ze wereldwijd merkbaar. Interdisciplinair onderzoek probeert de oorzaken van dit proces te achterhalen en scenario’s om het af te remmen te ontwikkelen.

Deze situatie is ook een gelegenheid om naar het verleden te kijken om de processen van het heden in een historische context te plaatsen. De verzamelde gegevens in deze tentoonstelling gaan terug tot de prehistorie. Aan de hand van archeologische vondsten en talrijke historische en wetenschappelijke documenten belicht ze de klimaatgeschiedenis van Zürich, van het neolithicum tot heden.

Speciale aandacht gaat uit naar het werk van de Züricher universele geleerde Johann Jakob Scheuchzer (1672-1733). Hij was niet alleen de eerste Zwitser die een wetenschappelijke benadering introduceerde, maar hij werkte ook aan een Europees netwerk voor weerobservatie en -voorspelling.

Jakob Scheuchzer, detail uit de Physica Sacra (Band I 1731). Foto: Wikipedia

Hij studeerde natuurfilosofie, promoveerde in de geneeskunde, specialiseerde zich in plantkunde en geologie, en werd uiteindelijk huisarts. Hij correspondeerde jarenlang met andere wetenschappers en publiceerde tientallen boeken en geschriften. Ruim 6 000 brieven zijn bewaard gebleven en worden in Zürich bewaard

Hij tilde het Zwitserse en Europese onderzoek naar een nieuw niveau door systematische metingen van onder andere waterstanden, droogte, zonuren, luchtdruk, temperatuur, neerslag. Zo ontstonden de eerste datareeksen, die hij uitwisselde met collega’s in het buitenland.

De tentoonstelling plaatst de resultaten van deze geleerde in perspectief van het heden en schetst zo een wetenschappelijk beeld en inzicht van de temperatuurwisselingen van de steentijd tot heden.

Bijzondere aandacht gaat uit naar de Kleine IJstijd (1350-1840). Hoewel dit fenomeen pas rond 1730 wetenschappelijk in kaart is gebracht, trok het in het leven van Scheuchzer al de aandacht. Hij constateerde namelijk dat de flora en fauna door de afkoeling veranderden, maar de natuur en de mens zich ook aanpasten, zoals de ijsberen dat nu op de Noordpool doen.

Ook toen waren er lange periodes van grote droogte of te veel regen, droogden de Rijn en Limmat uit, waren er overstromingen of spleten tornado’s kathedralen door midden (de Dom in Utrecht bijvoorbeeld).

De tentoonstelling relativeert de opwarming van de aarde niet. Ze gaat sneller dan ooit te voren, met name door emissies en industrialisatie. Ze toont echter hoe samenlevingen destijds reageerden en zich aanpasten, vaak met irrationele maatregelen en reacties, zoals heksenverbrandingen of pogroms. Wat dat betreft zijn complottheorieën of ontkenningen relatief onschuldige verschijnselen.

En wie weet is er pas over honderd jaar een goede analyse mogelijk over oorzaak en gevolg. In ieder geval is de Gletschergarten in Luzern een goede aanvulling op deze goed gedocumenteerde  presentatie.

 

De barok in Europees en Zwitsers perspectief


De barok (c. 1580-c. 1780) was een tijdperk van uitersten. De grandeur, extravagantie, kunst, wetenschap en handel vonden plaats tegen een achtergrond van voortdurende (godsdienst) oorlogen, kolonisatie, armoede, honger en ziektes.

De Reformatie (vanaf 1517) en de Contrareformatie (vanaf 1540) lagen ten grondslag aan de vluchtelingenstromen, oorlogen, onder andere de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) en een breuk in de Europese samenleving. Deze conflicten groeiden steeds meer uit tot een langdurige strijd om de macht in Midden-Europa en de nieuwe wereld.

Deze strijd bepaalde het religieuze leven en het Europese politieke systeem en bracht ingrijpende maatschappelijke, economische en culturele veranderingen met zich mee. Wetenschap, handel en cultuur ontwikkelden zich snel en drukten hun stempel op een wereld die steeds meer onderling verbonden en geglobaliseerd raakte.

De burgers en regeringen van de Zwitserse Confederatie van dertien kantons namen talrijke trends over in de mode, kunst, architectuur, tuincultuur en binnenhuisarchitectuur. Verschillende Zwitserse kunstenaars, architecten en stadsplanners hadden de hand in het verspreiden van de barokstijl, het ontwerpen van belangrijke gebouwen en het ontwikkelen van steden in Europa.

De tentoonstelling belicht dit fascinerende tijdperk en laat zien dat de Confederatie actief deelnam aan de ontwikkeling en de implementatie van de barok. De tentoonstelling laat ook zien hoe de barok nog  steeds van invloed is, bijvoorbeeld op de eettafel en in de tuin.

De term ’barok’ is zelfs een uitdrukking voor een stijl van vorm, doen, schrijven of praten. Prachtige voorwerpen uit de barokarchitectuur, de tuincultuur, de mode, interieurs en de kunst illustreren de luxe en elegantie van het tijdperk in de goed gedocumenteerde historische context.

Niki de Saint Phalle


Niki de Saint Phalle, Nana Mosaïque Noire, 1999. Würth Collection. Foto/Photo: Archiv Würth, © 2022 Niki Charitable ArtFoundation, All rights reserved / ProLitteris,Zurich

Niki de Saint Phalle (1930-2002) verwierf wereldwijde bekendheid met haar ‘Nana’s’, de ogenschijnlijk zorgeloze vrolijkheid van de kunstenaar illustrerend. Maar de schijn bedriegt, zoals ze in later in haar leven toegaf en haar trauma’s uit haar jeugd publiek maakte.

Haar werk is niet alleen veelzijdig, excentriek, emotioneel, donker en brutaal, humoristisch, raadselachtig en vaak uitdagend. Het brede spectrum varieert van schilderen, tekenen, assemblages, grote sculpturen, theater, film en architectuur.

Ze werkte vanaf 1956 nauw samen met Jean Tinguely (1925-1991) en was decennia zijn partner. Zij leverde eveneens een grote bijdrage aan de hedendaagse performancekunst.

De selectie van werken voor deze tentoonstelling biedt een goed inzicht in  en overzicht van de complexe en interessante carrière van deze uitzonderlijke kunstenares.

 

De banketbakkers van Graubünden


George Kuhnt, Konditorei Barth & Cloetta, Breslau, c. 1854. Tentoonstelling: 'Die Bünder Auswanderungsgeschichte von Zuckerbäckern'. Foto: TES.

De tentoonstelling in het Palazzo Castelmur bestaat uit documenten, foto’s en drukwerk die een belangrijk deel van de emigratiegeschiedenis van Graubünden documenteren. Het gaat dan uitsluitend over de banketbakkers (Zuckerbäcker)van Graubünden.

Wanneer men over hen spreekt, moet men de term ruim definiëren, want hij omvat een hele reeks beroepen: banketbakkers, cafétiers, chocolatiers, bierbrouwers, herbergiers, hotelhouders en fabrikanten van limonade, grappa, schnaps, zuivelproducten, enzovoort enzovoort.

De Bündner Zuckerbäcker waren in de achttiende en negentiende een begrip in Europa en Amerika en stichters van vele bekende hotels, cafés en allerlei merken en soorten dranken en zoetige waren. Het opzeggen van het verdrag uit 1603 tussen Venetië en de der Drei  Bünde 

Handelsovereenkomsten vanaf 1603 tussen de Republiek Venetië en de Freistaat der Drei  Bünde (sinds 1803 het kanton Graubünden) gaven privileges zoals vrije vestiging in de Republiek Venetië en het recht om handel te drijven en bedrijven te stichten.

Zo zijn de nieuwe beroepen ontstaan. In ruil daarvoor kregen goederen uit Venetië via de Alpenpassen toegang tot de handelscentra van Noord-Europa. Naast de handel speelden ook politieke en strategische belangen een belangrijke rol. De Drei  Bünde vormden met de door hun bestuurde en bezette Italiaanse gebieden (Bormio, Chiavenna en Veltin) een buffer tussen de Habsburgers, die ook delen van Lombardije en Milaan bezaten, en de Republiek Venetië en Frankrijk.

De Drei  Bünde en Venetië hernieuwden regelmatig hun verdragen. Dit veranderde pas in 1766, toen de Bünder van de ene dag op de andere Venetië moesten verlaten.

Er waren twee redenen voor deze drastische maatregel. Ten eerste raakte de Republiek Venetië steeds verder achterop in Europa, zowel politiek als economisch. Daarom konden de Venetianen niet langer toestaan dat de de Bündner het geld dat zij in Venetië verdienden, mee naar huis namen. Ten tweede ging het ook om het feit dat de Drei  Bünde onderhandelingen met de Habsburgers waren begonnen. Laatstgenoemden regeerden ook over Milaan en waren al lang vijanden van de Venetiaanse Republiek.

Na hun verdrijving zwermden vele banketbakkers Uit over heel Europa en later ook Noord- en Zuid- Amerika en vestigden ze zich binnen enkele jaren in talrijke steden op zoek naar nieuwe mogelijkheden. Zij waren meesters in hun vak, ondernemend en goed georganiseerd. En ze waren bereid om risico’s te nemen.

Alleen de succesverhalen zijn overgeleverd, zoals die van de families Redolfi en Castelmur uit Bergell. De meesten bleven echter arm en van deze grote meerderheid is vrijwel  niets bekend. De emigratie uit Graubünden stopte pas na 1848 vanwege de industrialisatie, toerisme en ontsluiting van het gebied.

(Bron: Gian Andrea Walther, David Wille, Palazzo Castelmur, Stampa 2015)

 

Vier eeuwen Keltische cultuur in het Laténium


La Tène is de eerste vindplaats van de Keltische beschaving van de periode 500-100 v. Chr. Deze cultuur was in het grootste deel van Midden-en West-Europa dominant.

Bij het kleine dorp La Tène, aan de oevers van het meer van Neuchâtel, is in 1857 deze Keltische cultuur door een visser ontdekt. Na de Hallstatt-periode (1200-500 v. Chr.) heeft deze vondst de lacune gevuld van de eeuwen voor de komst van de Romeinen.

Deze Keltische cultuur is vernoemd naar haar dorp van de eerste vondst, de La Tène-periode. Het (openlucht) museum Laténium is ernaar vernoemd.

Met de nieuwe tentoonstelling “Entre deux eaux. La Tène, lieu de mémoire”  geeft het Laténium (kanton Neuchâtel) een compleet overzicht van meer dan anderhalve eeuw onderzoek aan de hand van objecten, informatie, animatiefilms en veel visualisatie.

Om deze cultuurhistorie voor een breed publiek toegankelijk te maken, heeft het Laténium gekozen voor een aanvullende filmische en muzikale benadering. Vier animatiefilms vertellen het verhaal van La Tène, aangevuld met de muzikale creatie van Marek Hunhap. De musicus liet zich inspireren door de visuele wereld van La Tène en zijn compositie begeleidt de bezoeker op zijn tocht naar de Kelten.

Een centraal element van de tentoonstelling is een twintig meter lange vitrine waarin de duizenden vondsten uit La Tène worden tentoongesteld.

Dit project begeleidt de museografische vernieuwing van de sector “De Kelten van La Tène” in de permanente tentoonstelling.

 

De tekenaar Federico Fellini


Duits affiche, bij de film «Il bidone», 1955, naar een tekening van Fellini, Collectie Deutsches PlakatMuseum, Museum Folkwang, Essen© 2022, ProLitteris, Zürich

Federico Fellini (1920-1993) is een van de belangrijkste regisseurs uit de filmgeschiedenis. Films als ‘La Strada’ (1954), ‘La Dlce Vita’ (1960), ‘Amarcord’ (1973) en ‘La Città delle donne’ (1980) behoren tot de klassiekers.

Het zijn indringende commentaren op de Italiaanse samenleving, maar ook op de westerse waarden in de 20e eeuw. Minder bekend is dat Fellini een tekenaar was, die ideeën eerst op papier schetste alvorens ze op de set te rangschikken en de camera’s te laten draaien.

De tentoonstelling (tot 12 september) Federico Fellini: Von der Zeichnung zum Film omvat ongeveer 500 tentoongestelde stukken: tekeningen, foto’s van de set en rekwisieten.

Kunst en Medische Wetenschap


Kiki Smith, Untitled, Graphit auf Metho-Zelluloseund handgefärbtes Nepalpa-pier, D.Daskalopoulos Collection,© Kiki Smith

De zorg voor het lichamelijk welzijn in de kunst is zo oud als de kunst zelf. Het lichaam is zowel een werkinstrument als een object van observatie. In zes hoofdstukken wordt het productieve samenspel van ziekte en pijn, geneeskunde, zorg en genezing onderzocht aan de hand van 300 tentoongestelde werken.

Een breed spectrum aan media, van tekenen, schilderen en beeldhouwen tot video, ruimtelijke installatie en performance, is te zien. De nadruk van de kunstwerken ligt op lichamelijke gebreken.

Thema’s die aan bod komen zijn onder meer de ‘gouden eeuw’ van de geneeskunde, ‘plagen en pandemieën’, ‘profylaxe, complementaire geneeskunde en zelfgenezing’, ‘de diagnostische blik en het ziekenhuissysteem’, ‘farmaceutica en baanbrekend onderzoek’, en ten slotte ‘patiënten op het kruispunt van het genormeerde en het singuliere lichaam’. Bekende namen uit het verleden ontmoeten jonge kunstenaars van in de twintig die ingaan op het brede spectrum en de fascinerende evolutie van het discours rond het zieke lichaam.

De tentoonstelling omvat de posities van kunstenaars uit de 19de tot de 21ste eeuw, met omwegen tot in de 15de eeuw.

De kleuren, vorm en ruimte van Bridget Riley


Bridget Riley in haar atelier in West-Londen, 1983 Foto: Bill Warhurst. Courtesy van het Bridget Riley Archief.

Bridget Riley (1931) is één van de meest prominente vertegenwoordigers van de naoorlogse abstracte schilderkunst. Het uitgangspunt van de tentoonstelling Bridget Riley: Looking and Seeing, Doing and Making is een reis die zij in 1979-1980 in Egypte maakte. Deze ervaring heeft een grote invloed gehad op het gebruik van haar  kleuren.

Bridget Riley heeft zelf de selectie gemaakt van werken waarmee zij de twintig jaar durende creatieve periode na dat bezoek opnieuw aflegt. De tentoonstelling omvat zelden vertoond voorwerk, tekeningen en studies, die het dagelijkse leven van Bridget Riley in haar atelier onthullen en haar dynamiek van kleur, vorm en ruimte.

Zowel Bridget Riley als Paul Klee haalden artistieke inspiratie uit hun reizen naar Noord-Afrika. In 1914 reisde Paul Klee naar Tunesië, waar hij een “doorbraak in kleur” beleefde. Later, toen hij in 1928 naar Egypte ging, werd hij getroffen door de relaties tussen licht en kleur en het culturele landschap in de Nijlvallei.

Bridget Riley bezocht Egypte in de winter van 1979/1980. De grafschilderingen, de architectuur en het contrast tussen woestijn en vegetatie in de Nijlvallei maakten een blijvende indruk op haar. Zij bestudeerde ook de techniek van de Egyptische schilderkunst, wat haar ertoe bracht het zogenaamde Egyptische palet te ontwikkelen, dat uit zeven kleuren bestaat: turkoois, blauw, rood, geel en groen, zwart en wit.

De tentoonstelling begint met de streepschilderijen uit het begin van de jaren tachtig, die gebaseerd zijn op het Egyptische palet, en laat zien hoe dit artistieke keerpunt doorwerkte in Riley’s werk tot het begin van de jaren 2000.

Het merendeel van de 44 werken in de tentoonstelling zijn afkomstig uit de collectie van Bridget Riley. Ze worden aangevuld met werken uit de Sammlung Lambrecht-Schadeberg van het Museum für Gegenwartskunst in Siegen en de Kirkland Collection in Sheffield.

Samen illustreren de 17 schilderijen en 27 studies een sleutelperiode in haar  artistieke ontwikkeling.