1848 in Baden, Duitse Bond, Zwitserland en Frankrijk

Vlakbij het plaatsje Eigenbrakel in de provincie Waals-Brabant (België) staat de Leeuw van Waterloo. Het monument is gemaakt in opdracht van Koning Willem I (1772-1843) van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. België maakte tot 1831 deel uit van dit Koninkrijk. Het monument herdenkt de laatste veldslag (18 juni 1815) van de geallieerden tegen Napoleon.

Na het Congres van Wenen(1814-1815) leken de rust en het ancien régime hersteld. De Heilige Alliantie van Oostenrijk, Rusland en Pruisen (gesloten op 26 september 1815) bewaakte de orde en smoorde revolutionaire en democratische bewegingen in de kiem.

De Oostenrijkse Minister van Buitenlandse Zaken Klemens von Metternich (1779-1859) was tot 1848 de drijvende kracht achter deze alliantie. Von Metternich speelde ook een prominente rol in de Duitse Bond en de censuur en politieke onderdrukking in de Duitse staten.

Hij was ook een voorstander van militair ingrijpen in de in zijn ogen veel te democratische en liberale Zwitserse Confederatie. Niet alleen vluchtten duizenden politieke tegenstanders uit Europese monarchieën naar Zwitserland, ook wantrouwde hij de liberale bewegingen en democratie in diverse kantons.

Met name een veto van Engeland en de revoluties in eigen land hebben een ingrijpen in de Sonderbundskrieg van 1847 en tijdens de ‘crisis van Neuchâtel’ in 1848 in de weg gestaan.

De rust keerde echter niet terug, niet in Zwitserland (en haar confederatie van soevereine kantons), niet in de Duitse Bond (een confederatie van 34 soevereine koninkrijken, prinsdommen en hertogdommen en 4 vrije steden, opgericht op 8 juni 1815 bij het Congres van Wenen) en niet in Frankrijk (en tal van andere landen).

Het revolutiejaar 1848

Het Dreiländermuseum in Lörrach (Baden-Württemberg) wijdt een tentoonstelling (Der Ruf nach Freiheit-Revolution 1848/49 und heute) aan deze periode. De tentoonstelling concentreert zich op de ontwikkelingen in Zwitserland, Frankrijk en Duitsland met het revolutiejaar 1848 als leidraad en het Groothertogdom Baden, het koninkrijk Pruisen en de Duitse Bond (Deutscher Bund) als voornaamste spelers.

Collectie Dreiländermuseum in Lörrach

Het drielandenpunt en het museum zijn een geschikte plek om deze gebeurtenissen in vergelijkend perspectief onder de aandacht te brengen. Deze regio was een laboratorium van politieke experimenten. Industrialisatie, met Mulhouse en Bazel als belangrijke industriesteden, burgerij en arbeidersbewegingen waren al ontwikkeld en lagen aan de basis van de roep om politieke en sociale hervormingen.

Het perspectief richt zich op beoogde constitutionele en democratische veranderingen met op de achtergrond de industrialisatie en de honger en armoede in de (opkomende) industriesteden en arbeidersklasse. Ieder land had zijn perspectief, belangengroepen en aanvoerders.

De Duitse Bond (Deutscher Bund), 1815-1866

1830

De opkomende burgerij in de staten van de Duitse Bond eiste na 1830 haar plek op in het politieke bestel. Deze aanpassingen gingen ten koste van de macht van (lokale) koningen, prinsen en hertogen in de 34 Duitse staten. In 1830 speelde de nationale eenheid en sociale vraagstukken nog een ondergeschikte rol, in 1848 was het een hoofdthema van de hervormers.

In het centralistische Frankrijk waren de eisen dezelfde, alleen was Parijs het centrum en was de eenheid al een feit. De opstand van de burgerij leidde in juli 1830 tot de afzetting van koning Charles X (1757-1836). Louis Philippe (1773-1850) werd de nieuwe koning om vervolgens in 1848 zelf afgezet te worden. In 1830 was het nog vooral een opstand van de burgerij, in 1848 was het een revolutie van arbeiders en burgerij.

In Zwitserland zijn de ‘Regeneration’, de constitutionele veranderingen in elf liberale kantons en de splitsing van kanton Bazel in 1830-1833 belangrijke aandachtspunten. De situatie in Zwitserland verschilde van kanton tot kanton. De macht van het (herstelde) ancien régime in de (oude) kantons, modernisering en de macht van de centrale overheid waren de voornaamste discussiepunten.

De Confederatie bestond al eeuwenlang als een los samenwerkingsverband van soevereine kantons. De Confederatie stond niet ter discussie, wel de bevoegdheden voor de federale overheid.

Links: de situatie in Frankrijk het Palais Bourbon (zetel parlement in 1848), midden: de situatie in de Duitse Bond en de Pauluskirche in Frankfurt, rechts: de situatie in de Confederatie en het Bundeshaus in Bern

De revoluties van 1848

De tentoonstelling begint met een overzicht van de politieke situatie in deze landen voor, in en na 1848. Wat deze landen gemeen hadden, waren de gewapende opstanden of burgeroorlogen. In Zwitserland was het de Sonderbundskrieg van 1847 (mede ingegeven door religieuze motieven).

Duitsland kende opstanden in steden en diverse staten. Met name drie veldtochten van opstandelingen in het Groothertogdom Baden in 1848 en 1849 en de prominente (repressieve) rol van de koning van Pruisen komen aan de orde.

In Frankrijk staan de februariopstand van 1848 in Parijs en de vestiging van de Tweede Republiek met Louis Napoleon Bonaparte (1808-1873) als president centraal. De Franse Republiek ging in chaos en geweld ten onder en dit leidde tot de staatsgreep door Louis Napoleon Bonaparte in 1851 en de vestiging van een autocratisch keizerrijk (1851-1871) met hem als keizer Napoleon III.

Het parlement in Frankfurt

Het parlement van de Duitse Bond kwam op 18 mei 1848 voor het eerst in de Pauluskirche in Frankfurt bijeen. De vorsten van de 34 Duitse staten erkenden aanvankelijk dit parlement uit schrik voor een revolutie. Het parlement bestond grotendeels uit gematigde liberalen en conservatieven uit de 38 leden van de Duitse Bond. Zij zochten de dialoog en compromis met de vorsten. Hun doel was de vereniging van de staten van de Duitse Bond en een constitutionele monarchie met de Pruisische koning als keizer.

Republikeinse vlag uit 1848

Het parlement garandeerde de grondrechten van burgers in december 1848 en in mei 1849 was de eerste Grondwet van het verenigde Duitsland met fundamentele rechten voor burgers en algemeen mannenkiesrecht een feit. Het experiment in Frankfurt eindigde met een militaire interventie, straatgevechten, doodvonnissen en herstel van het ancien régime in mei 1849. Troepen van staten van de Duitse Bond onder leiding van de koning van Pruisen grepen militair in en ontbonden het parlement.

Titelblad en Grondwet Baden van 1818

Baden en de Duitse Bond

Het groothertogdom Baden was in 1818 al een liberale voorloper, niet alleen in de Duitse Bond, maar ook ten opzichte van de andere landen. Baden had dan ook de naam van ´Liberales Musterland´ en speelde ook in 1848 een voortrekkersrol.

De nabijheid van Frankrijk en dus de Franse Revolutie van 1789 en contacten met de Zwitserse Confederatie speelden daarbij een rol. Zelfs in het relatief liberale Baden organiseerden burgers op 27 mei 1832 (Hambacher Fest) en op 11 juni 1832 (Badenweiler Fest) bijeenkomsten voor meer vrijheid en democratie.

De Duitse eenheid speelde toen nog een ondergeschikte rol.  De liberaal Karl von Rotteck (1775-1840)  formuleerde het als volgt op 11 juni 1832: “Lieber Freiheit ohne Einheit, als Einheit ohne Freiheit”.

Bernhard von Neher (1806-1886), rond 1848. Friedrich Hecker en Gustav Struve (waarschijnlijk). Museum der Stadt Schopfheim

Op 26 april 1848 riepen opstandelingen na eerdere militaire nederlagen onder leiding van Friedrich Hecker (1811-1881) op het toenmalige Schustereiland (Schusterinsel) de Duitse Republiek uit. Dit voormalige eiland lag in de Rijn tussen Baden, Zwitserland en Frankrijk. De militaire nederlaag op 27 april tegen troepen van andere Duitse staten onder leiding van de koning van Pruissen maakte echter snel een einde aan deze Republiek.

Hieronymus Hess (1799-1850), Het uitroepen van de Duitse Republiek op de Schusterinsel (verdwenen) bij Weil am Rhein op 26 april 1848.

Het parlement van de Duitse Bond kwam sinds mei 1848 al bijeen, maar wilde geen republiek. De revolutionairen in Baden wilden echter een Duitse Republiek en Gustav Struve (1805-1870) riep deze in Lörrach op 21 september 1848 uit met het motto “Wohlstand, Bildung, Freiheit für Alle”.

Ludwig von Elliot in de Illustrierte Leipziger Zeitung, Intocht van Gustav Struve op 21 september 1848 in Lörrach

Altes Rathaus Lörrach

Origineel bord uit september 1848. Dreiländermuseum Lörrach

Deze keer was de opstand militair en politiek beter voorbereid. Bovendien steunde een groot deel van burgers en arbeiders in Baden deze beweging. Ook deze opstand was echter gedoemd en leidde 24 september 1848 tot een nederlaag. Mede door het vervoer per trein konden troepen van de Duitse Bond snel naar Baden worden verplaatst om de opstand neer te slaan.

De laatste gewapende opstand vond plaats in 1849. Directe aanleiding was het militaire verzet van de Duitse vorsten tegen het parlement in Frankfurt. De burgers en militairen van Baden accepteerden deze inmenging onder leiding van de koning van Pruisen niet. Ook deze opstand werd in juli neergeslagen. De Groothertog maakte vervolgens na een korte ballingschap weer zijn rentrée. Zwitserland werd het ballingsoord voor vele liberale politici en revolutionairen uit Baden en andere Duitse staten.

Het naspel 

Wat Zwitserland van Frankrijk en Duitsland onderscheidt is het vervolg op deze burgeroorlogen. In Zwitserland was geen sprake van doodvonnissen of een vervolging van leden van de Sonderbund, maar van dialoog, verzoening, compromissen en pragmatisme. Het ging niet van harte, zeker niet in de kantons van de Sonderbund, maar de Constitutie van 1848 was het fundament voor de verdere democratisering in 1874 en 1891 tot heden.

In Frankrijk en Duitsland was geen ruimte voor deze benadering, maar was er vervolging van politieke tegenstanders, (her) invoering van autoritaire systemen, herstelbetalingen en censuur.

Liestal, monument voor de dichter, politicus en revolutionair Georg Herwegh (1817-1875)

Liestal, de hoofdstad van kanton Basel-Landschaft, ontstaan in 1833 als afscheiding van kanton Basel-Stadt, is volgens diens laatste wil (“in freier Schweizer Erde”) de laatste rustplaats van Georg Herwegh (1817-1875). Hij was een van de aanvoerders van de gewapende opstand in Baden. Liestal was zelf in 1831 de bakermat van de gewapende opstand tegen het ancien régime van Basel-Stadt.

De tentoonstelling blikt niet alleen terug, maar heeft ook oog voor het heden en de toekomst. Actuele thema´s en zelfreflectie staan hierbij centraal, met speciale aandacht voor jongeren en hun beleving van democratie en vrijheid.

 

Impressies van de tentoonstelling

Conclusie

De periode 1847- 1849 is voor de huidige constitutionele vormgeving in deze buurlanden nog steeds van groot belang. In Zwitserland is er grote continuïteit van 1848 tot heden. In Frankrijk en Duitsland is daar geen sprake van. Wel waren de fundamenten van de huidige constituties al in 1848 aanwezig.

Het toenmalige Groothertogdom Baden had zelfs in 1818 al een relatief liberale Grondwet, gevolgd door de liberale Grondwet van de Duitse Bond in 1849. Burgerij en later veelal arbeidersbewegingen zetten zich toen al in voor democratisering, vrijheden en fundamentele rechten.

Baden was in 1848 en 1849  weliswaar radicaler dan andere Duitse staten, maar symboliseerde de betrokkenheid van de meeste Duitse staten destijds. De Duitse constitutie heeft na diverse dieptepunten in de twintigste eeuw met de Duitse eenwording in 1990 een hecht fundament.

Frankrijk heeft vanaf 1815 vijf republieken en nog meer constituties achter de rug en het is de vraag of het eindstation al bereikt is. Maar ook hier zijn democratie, grondrechten en vrijheid verankerd.

De verscheidenheid aan politieke culturen en constitutionele historie tussen deze drie landen springt het meest in het oog, hoewel de roep naar meer vrijheid, democratisering en fundamentele rechten dezelfde was.

Men kan zich dan ook afvragen op welke wijze een effectieve Grondwet op Europees niveau gestalte kan krijgen, indien drie buurlanden met Duits en Frans als hoofdtalen al zulke uiteenlopende politieke culturen en referenties hebben.

(Bron en verdere informatie: Dreiländermuseum in Lörrach)

Wildenstein en zijn eikenbos

Het voormalige prinsbisdom Bazel bestaat al ruim twee eeuwen niet meer. De ruim 500 jaar oude eiken en het kasteel Wildenstein hebben echter zijn hoogtijdagen nog meegemaakt.

De meeste grond van het huidige kanton Basel-Landschaft was eigendom van het prinsbisdom. Zo ook het dorp Bubendorf en zijn omgeving (kanton Basel-Landschaft). In de tweede helft van de dertiende eeuw gaf de bisschop een stuk grond in leen aan de heren van Eptingen.

Basel, Rittergasse, de Eptingerhof

Zij cultiveerden het gebied voor landbouw en veeteelt en bouwden het slot Wildenstein. Sindsdien noemden ze zich Eptinger von Wildenstein. Diverse nieuwe eigenaren volgden tot 1792, waaronder de familie Planta en van 1792 tot 1994 de familie Vischer-Merian. Het kanton is vanaf 1995 de nieuwe eigenaar.

Het complex met zijn middeleeuwse verdedigingsstoren, schilderijen en interieur uit de zeventiende eeuw, de (Engelse en Franse) tuinen en slotvennetje (Schlossweiler) uit de achttiende eeuw en de (ridder) romantiek uit de negentiende eeuw ligt te midden van een uniek behouden middeleeuws landbouw- en bosgebied. De structuren van eeuwenoud (eiken) bos, weide en landbouwgrond zijn nog grotendeels intact.

Het eikenbos, met bomen van meer dan een halve eeuw oud, heeft de naam Eichenwitwald. Witwald is de oud-Duitse benaming voor weidebos (Weidewald). Eeuwenlang voedden zwijnen zich met eikels en noten van de beukenbomen, de runderen met het malse gras.

De eigenaren van Wildenstein waardeerden het malse zwijnen- en rundvlees en de eiken danken daaraan hun voortbestaan. Eiken- en beukenhout was immers ook kostbaar materiaal voor de vervaardiging van meubilair, huizenbouw en wagens. De landbouw zorgde voor de opbrengst van groenten, fruit en granen. Ook de waterbronnen, (kruiden) tuinen en de boerderijen van het kasteel ademen nog de sfeer van de voorbije eeuwen.

Het kanton, de huidige eigenaar, onderhoudt dit beschermde natuurgebied sinds 1995. Nieuwe eiken staan naast de (vergane) glorie van eeuwenoude (dode) eiken. Een eeuwenoud cultuurlandschap met een kasteel als middelpunt op nog geen 20 kilometer van de voormalige residentie van de bisschop. Het kasteel, de weides, bossen en het landbouwgebied zijn in hun samenhang een monument.

(Bron en verdere informatie: Schloss Wildenstein)

Wildegg, Habsburg en de Effinger

Kasteel Wildegg is ook gesticht door de Habsburgers. Zij legden de fundamenten van Wildegg in de eerste helft van de 13e eeuw op de uitlopers van de Chestenberg bij de dorpen Holderbank en Möriken (tegenwoordig kanton Aargau).

Het kasteel werd lange tijd bewoond door rentmeesters van Habsburg, het laatst door de heren van Hallwyl. In 1415 veroverden Bern en andere leden van de Confederatie Aargau. Hoewel de verdedigers (de Hallwylers) zich met succes verzetten op kasteel Wildegg, kwam het kasteel toch in Berns bezit door een verdrag.

De aristocraat Kaspar Effinger (1442-1513) uit Brugg kocht het kasteel in 1483 en verkreeg tevens het burgeschap van Bern. Hij had al onder de Berner vlag gevochten tegen de Bourgondiërs (1474-1477) en onderhield goede betrekkingen met Bern. De familie Effinger woonde bijna 450 jaar ,tot 1912, op kasteel Wildegg.

De kasteelheer exploiteerde hadden verschillende bedrijven: wijnteelt, boerderijen, een steenbakkerij en molenaars- en zuivelwerkplaatsen. Bernhard Effinger (1658-1725) liet het middeleeuwse kasteel rond 1700 ombouwen tot een barok lustpaleis en voegde er Franse tuinen aan toe.

Na 1798 veranderde ook het leven voor de kasteelheer van Wildegg. In het nieuwe kanton Aargau (1803) was geen plaats voor adellijke privileges. Hoewel de familie Effinger een groot deel van hun bezittingen mochten behouden, verloren ze de meeste van hun privileges.

De laatste bewoner van de familie was Adelheid Pauline Juliette von Effinger (1837-1912). Zij liet het kasteel en het domein na haar dood in 1912 na aan de Zwitserse Confederatie.

Het Nationaal Museum van Zürich opende 1917 het museum (Schlossmuseum). Sinds 2011 zijn het kasteel en domein eigendom van het kanton en maken ze deel uit van het Museum Aargau.

De hervormde kerk en haar begraafplaats in Holderbank zijn de laatste rustplaats van de familie. Holderbank heeft ook een Habsburgse historie. Koning Rudolf I van Habsburg verkreeg door koop vlak voor zijn dood het dorp Holderbank.

De familie Effinger maakte van de kerk haar familiekerk. De Kerk werd in 1528 gereformeerd. De hierboven genoemde Bernhard Effinger verbouwde 1701 ook de kerk in de laatbarokke stijl.

(Bron: Museum Aargau; U. Frick, Die reformierte Kirche Holderbank. Hofkirche der Effinger, Holderbank-Möriken-Wildegg, 2018)

Aarburg en zijn Burcht

Aare en Burg (kasteel) maakt Aarburg (kanton Aargau). De rivier Aare is sinds de Romeinse tijd een natuurlijke verdedigingslinie geweest. Aarburg is echter niet door de Romeinen gesticht, maar duizend jaar later door de graven van Froburg, een plaatselijke dynastie.

In de dertiende eeuw namen de Habsburgers het heft in handen. De opening van de Gotthardpas (1230) en de Habsburgse ambities in de regio (en ver daarbuiten) maakten van Aarburg en zijn kasteel een interessante aanwinst. De Eidgenossen bezetten Aargau en Aarburg echter in 1415.

De invasie van de Franse troepen maakte (1798) een einde aan hun heerschappij en Aargau werd in 1803 een onafhankelijk kanton. Aarburg verloor zijn strategische relevantie en het kanton werd de nieuwe eigenaar van het kasteel.

(Bron: www.aarburg.ch).

Internationale Triënnale van papier

De eerste tentoonstelling van papierkunst in Gruyère (Zwitserland) opende op 25 september 1993. Dertig jaar later presenteert het Musée de Charmey (kanton Fribourg) de 11e editie van deze tentoonstelling.

In de afgelopen drie decennia heeft het museum ongeveer 520 kunstenaars uit 40 landen ontvangen. Ter gelegenheid van dit jubileum is het thema van de Triënnale  ‘Roots’. Roots is een veelomvattend begrip, dat 59 exposerende kunstenaars met verve en durf verkennen, zowel in de interpretatie van het thema als in de uitvoering ervan.

Het papier wordt gesneden, gelijmd, gerecycled, gevouwen, verfrommeld, geassembleerd, bewerkt, tot pulp verwerkt en geweven. De werken zijn een ontdekkingsreis door verschillende werelden – van plantkunde tot braille, via genealogie, grote en kleine verhalen en zelfs de vierkantswortel.

(Bron en verdere informatie: le musée de Charmey) 

Wil, de abt en de confederatie

Het klooster van St. Gallen verkreeg in de tweede helft van de 8e eeuw goederen en rechten in Wil. Rond 1200 stichtten de graven van Toggenburg de stad Wil. In 1226 schonk de graaf de stad aan de prinsabdij St. Gallen. De abdij bleef in het bezit van de stad tot 1798.

De prinsabt van de prinsabdij St. Gallen

De machtige prinabt van de prinsabdij St. Gallen was tot 1798 een van de belangrijkste politieke, militaire en economische machthebbers in Oost-Zwitserland. Ondanks de Reformatie van 1526 en de strikte scheiding (zelfs door een muur) van de protestantse stad St. Gallen, bekleedde de abt een hoge positie in de hiërarchie van het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie.

Als prins had hij een belangrijke stem in de Keizerlijke Raad (Reichsrat) en het belangrijkste adviescollege (Fürstenrat), die rechtstreeks onder de keizer ressorteerden.

Het bisschoppelijk paleis

Wil en de Confederatie

De abt woonde niet alleen in St. Gallen, maar ook vaak in Wil, ver weg van de protestante stad St. Gallen. De stad draagt dan ook niet voor niets de naam “Abtenstad”.

Met de uitbreiding van Wil als residentie van de prinsabdij ontstond in de tweede helft van de 13e eeuw een conflict met koning Rudolf van Habsburg (1218-1291). Het eindigde met de verwoesting van Wil in 1292. Na het vredesverdrag van 1301 werd de Wil teruggegeven aan de abdij.

In 1379 sloot Wil zich aan bij de Zwabische stedenbond en van 1388 tot 1405 ook bij die van de Bodenseesteden. In 1425 sloot de stad Wil bovendien een verbond met de graaf van Toggenburg. Zo gecompliceerd was de politieke situatie in die tijd.

Wil was daarnaast eeuwenlang het middelpunt van Zwitserse twisten en (religieuze) burgeroorlogen, het laatst in 1712 (Tweede Villmerger Oorlog). In de Oude Zürich Oorlog (Alter Zürichrieg 1440-1450) nam Wil deel aan militaire campagnes tegen Zürich aan de kant van de Confederatie.

Toen de prinsabt in 1451 een verbond sloot met de vier Orte Schwyz, Luzern, Glarus en Zürich, was de stad Wil ook verplicht om haar deel van het leger van de prinsabt te leveren in geval van een conflict.

Vanaf 1479 waren deze vier steden in Wil vertegenwoordigd door een bestuurder. In 1463 droeg keizer Frederik III (1415-1493) de hoge jurisdictie over Wil over aan de abdij. De stad was daardoor feitelijk onafhankelijk van de keizer. De burgers van de stad kozen de 12 leden van de Kleine Raad en de 30 leden van de Grote Raad.

Het Baronenhaus

De (religieuze) Toggenburgse twisten (Toggenburger Wirren 1712) brachten Wil opnieuw op de politieke voorgrond in de Tweede Villmerger Oorlog. Zürich en Bern bezetten de katholieke stad tot de Vrede van Baden in juni 1718.

Na het einde van de prinsabdij St. Gallen in 1798, vormde Wil een gemeente van het kanton Säntis in de Helvetische Republiek (1798-1803). Sinds 1803 is de stad een gemeente in kanton St. Gallen.

Conclusie

Wil heeft enerzijds een typisch Zwitserse geschiedenis, anderzijds deelt het in de historie van dit deel van Europa. Wil toont de gecompliceerde politeke situatie en het belang aan van middeleeuwse verdragen tussen de steden in deze regio.

Wil was in de veertiende en begin vijftiende eeuw lid van de Zwabische stedenbond en de stedenbond van de Bodensee. De reformatie maakte het nog ingewikkelder.

De confederatie van de 13e tot de 16e eeuw was geen uitzondering, maar het feit dat deze nog steeds bestaat in 2023 is dat wel. Dit is uniek en niet de verdienste van “vreemde machten”, maar van de wil van de kantons in 1499 (Vrede van Bazel), 1648 (Vrede van Westfalen), 1803 (ontbinding van de unitaire Helvetische Republiek door verzet van de kantons ten gunste van de nieuwe Confederatie van kantons), 1815 (Neuchâtel, Genève en Wallis kozen voor de Confederatie), zoals Ticino al had gedaan in 1798 (Napoleon bood hen de keuze (bijna unaniem verworpen) om zich aan te sluiten bij de Cisalpijnse of Italiaanse Republiek in 1798.

Eeuwen eerder had de Eidgenossenschaft de Habsburgse keizers en de hertogen van Bourgondië en Savoye al vernietigend verslagen.  In 1516 (na Marignano) sloot Frankrijk maar al te graag een alliantie met deze machtige confederatie van soevereine kantons, die uitstekende soldaten, ondernemers, diplomaten, politici en kooplieden voortbracht.

De Franse koning realiseerde zich dat zonder de verpletterende militaire overwinningen op Habsburg (1315, 1386, 1388, 1415, 1460 en 1499), Bourgondië (1474-1477) en Savoye (1536 en daarvoor al de zeven Zehnden in Beneden-Wallis), het zieltogende Franse koninkrijkje van de kaart zou zijn verdwenen.

Een Bourgondisch koninkrijk of een Habsburgse heerser in Parijs was tot 1477 of 1499 een realistischer scenario dan de “Grande Nation” van Lodewijk XIV (1638-1715).

(Bron en verdere informatie: Stadt Wil)

Hugenoten, wijn, land- en tuinbouw

Het bestuur van de de Franse kerk in Bern (l’église française de Berne) en de stichting VIA (Stiftung VIA – Auf den Spuren der Hugenotten und Waldenser) verzorgden op 3 september een Hugenotische lunch in het raadhuis (Rathaus) van Bern.

Impressie van het ‘Banquet Huguenot’ met een introductie van Olivier Schopfer (dominee van de Franse kerk)

Vanaf de reformatie aan het begin van de zestiende eeuw was Frankrijk het toneel van godsdienst- en burgeroorlogen. De Bartholeumsnacht in 1572 is misschien de meest bekende (of beruchte) uitbarsting van geweld, maar er waren er vele. Duizenden Hugenoten vluchtten naar andere landen.

Het Edict van Nantes van 1598 gaf hun religieuze vrijheid, maar in 1685 (Edict van Fontainbleau) begon de vervolging opnieuw en honderdduizenden vluchtten naar noordelijke en protestante landen, voornamelijk naar Duitse prinsdommen en koninkrijken, Zwitserland, Engeland, De Republiek van de Zeven Verenigde Provinciën, Amerika en Ierland.

De Muur van de Hervormers in Genève

Genève

Velen gingen eerst naar Genève, dichtbij Frankrijk en de Franse taal, de Calvinistische hoofdstad en de meest noordelijke protestante onafhankelijke republiek op het continent. De Hugenoten waren veelal geschoolde ambachtslieden, kooplieden en wetenschappers uit met name het mediterrane zuiden en zuidwesten van Frankrijk.

De herkomst van het woord Hugenoten is niet duidelijk. In de eerste helft van de zestiende eeuw kwam het in gebruik als duiding voor protestante Fransen. Wellicht ligt de oorsprong in het Calvinistische Genève, waar vele Hugenoten naar toe vluchten. Genève duidde deze groep aan als ‘Eidgnots of Eidguenots’, als referentie aan de Eidgenossen van de Confederatie, kameraden door een eed, in dit geval geloof.

Genève was de culturele synthese van het protestante noordelijke Europa en het mediterrane Europa van de Hugenoten. Ook het mildere klimaat en de ligging aan het meer van Genève maakten de inburgering voor de Hugenoten makkelijker.

Amsterdam heeft zijn snelle groei na 1585 mede te danken aan de komst van duizenden protestantse vluchtelingen uit West-Vlaanderen en Antwerpen in het bijzonder.

Tuin-, land- en wijnbouw

De immigratie betekende in Zwitserland onder andere een opleving of start van de horloge- en textielindustrie, financiële dienstverlening en de handel in zijde. Deze economische verrijking is welbekend.

De kardy in de Stiftsgarten in Bern. Foto: Stiftsgarten.ch

Bazel, Merian Gärten, tuin ProSpeciesRara, de artisjok uit Genève, geimproteerd door Hugenoten

Bazel, Merian Gärten, tuin ProSpeciesRara, de artisjok uit Laon

Bazel, Merian Gärten, tuin ProSpeciesRara, de artisjok uit de Provence

Veel minder bekend is het aandeel van de Hugenoten in de tuin-, land- en wijnbouw. De Hugenoten hebben in Zwitserland, en wellicht ook in Nederland, een grote bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van deze sector. Op de lunch op 3 september stonden dan ook door Hugenoten geïmporteerde groenten op het menu: Kardy (een soort artisjok, Longeole (een worst), aardappelen, bonen en wijn van hutins (zie hieronder).

De Stiftsgarten in Bern

De Hugenoten uit het mediterrane Frankrijk waren geboren tuiniers en wijnboeren. De stad en Republiek Genève (pas in 1815 kanton Genève) stelde hun grond te beschikking in de omgeving van Plainpalais. Sindsdien geldt Plainpalais als de wieg van de tuinbouw en groenteteelt in Zwitserland (Le berceau de la culture maraîchère en Suisse/Wiege des Gemüseanbaus in der Schweiz).

Afbeelding uit het kadaster van Genève uit 1717. De typische mediterrane architectuur en kleinschaligheid is goed te zien. Bron: Archives d’Etat de Genève, Cadastre B16 (Photo: DZ)

Ze veranderden het moerassige gebied tussen de Arve en de Rhône in een grote bloeiende groente-en fruittuin en wijngebied. Ook aan de mediterrane architectuur van de boerderijen en hun platte daken met dakpannen, de vele kleine dorpen (het kanton telt maar liefst 50 gemeentes!) en het bocage-landschap (kleine velden gescheiden door heggen) is dit te zien.

Vanuit Genève verspreidde de nieuwe land-, tuin- en wijnbouw zich naar Waadt (destijds bestuurd en bezet (een territoire sujet/Untertanengebiet) door kanton Bern), Bern, Zürich en andere gebieden, afhankelijk van de (religieuze, geografische en klimatologische) mogelijkheden. Genève bleef echter eeuwenlang toonaangevend. De opening van de eerste tuinbouwhogeschool (L’École d’horticulture) in 1887 in Châtelaine (kanton Genève) vloeide hier uit voort.

De eerste tuinbouwschool (Gartenbauschule) in Duits-Zwitserland volgde in 1920 op de Oeschberg in kanton Bern. Het Berner Seeland was in deze tijd na de eerste Juragewässerkorrektion  (1868-1891) immers de groente- en fruittuin van Zwitserland geworden.

Botanische wetenschappers

De Hugenoten waren ook (botanische) wetenschappers. De arts Jean Bauhin vluchtte in 1542 naar Bazel. Zijn zonen Johann Bauhin (1541-1612) en Caspar Bauhin (1560-1624) waren prominente artsen en (botanische) wetenschappers. Johann is een van de grondleggers van de plantkunde met zijn (onvoltooide) werk Historia plantarum universalis (gepubliceerd in 1650) en diverse door hem aangelegde botanische tuinen. Zijn broer Caspar publiceerde een overzicht van duizenden planten in zijn Pinax theatri botanici (1623). De beroemde Zweedse plantkundige Linnaeus (1707-1778) baseerde zich grotendeels op diens werk.

Caspar Bauhin, Pinax theatri botanici

Olivier de Serres (1539-1619) is de grondlegger van de landbouwkunde met zijn 1000 pagina’s tellende publicatie Le théâtre d’agriculture des champs (1600). Het werk kende vijf herdrukken en bespreekt onder andere de wijnbouw in Genève (zijn woonplaats), de artisjok, kardy, bonen en de zijderups.

Hutins

De wijnbouw van de Hugenoten verdient, tot slot, nadere aandacht. Genève is tegenwoordig het derde wijnbouwgebied van Zwitserland, ondanks haar kleine oppervlakte. De Hugenoten hebben hier een groot aandeel in gehad.

Wijnranken bestaan er in verschillende soorten. De meest bekende is de lage wijnrank aan palen of de hoge wijnrank aan pergola’s. Een andere soort introduceerden de Hugenoten, de zogenaamde hutins. Hutins zijn wijnranken, die zich aan fruitbomen ontwikkelen. Tussen de bomenrijen met wijnranken waren granen gezaaid.

Voorstelling van hutins, de fruitbomen met wijnranken. J.C.L. Simonde de Sismondi (1773-1842), in ‘Le Tableau de l’agriculture toscane’, Genève, 1801

Deze methode had diverse voordelen: minder kwetsbaar voor (nacht) vorst, veelzijdig gebruik (fruit, wijn en graan) en dus meer opbrengsten. Nadeel was de mindere ontvankelijkheid voor de zon. Hoe het ook zij, aan het einde van de 18e eeuw was 7% van het gebied van de Republiek Genève in gebruik voor hutins.

Conclusie

De bijdrage van Franse protestante vluchtelingen aan wetenschap en economie in noordelijke landen is al lang bekend en erkend. Deze braindrain was echter ook van grote betekenis voor de land-, tuin- en wijnbouw.

De rondreizende tentoonstelling ‘Wurzeln schlagen – Menschen und Pflanzem im Exil/Prendre racine – hommes et plantes en exil’ (vrij vertaald ‘wortel schieten, mensen en planten in ballingschap) in de (voormalige) Stiftsgarten (kloostertuin) in Bern (tot 1 oktober) is een gemeenschappelijk project van de Stifung Via en haar partners in Frankrijk, Italië en Duitsland.

Het Hugenotische banket en de tentoonstelling in nabij gelegen Stiftsgarten hebben deze erfenis van de Hugenoten in woord, beeld en buik gebracht.

(Bron en verdere informatie: Musée protestant; Stiftung Via;  Stiftsgarten Bern)

De Stiftsgarten aan de voet van de kathedraal van Bern

De Hugenoten- en Waldenzenweg

Het laatste traject van de Europese Culturele Route de Hugenoten- en Waldenzenweg  (Hugenotten- und Waldenserweg) wordt op 24 september in gebruik genomen in Thayngen (kanton Schaffhausen). Ze verbindt dan Franstalig en Duitstalig Zwitserland met Piëmont, Zuid-Frankrijk en Duitsland.

De Stichting (Stiftung) VIA  werkt al sinds 2011 aan de realisatie van deze route door Zwitserland. Lokale verenigingen in Genève, Vaud, Aargau, Zürich en Schaffhausen hebben de VIA-stichting ondersteund bij de uitvoering van het project.

Op zondag 24 september vieren gasten uit Zwitserland, Frankrijk en Duitsland en een koor uit het bergdorp Rorà in de Waldenzische valleien van Piëmont de opening van het laatste stuk van de Culturele Route.

Het verbindende element is de herinnering aan de vluchtelingen die vanaf 1685 met duizenden uit Zuid-Frankrijk en Piëmont vluchtten en van Genève via Bern naar de grens in Schaffhausen trokken. Daarna konden ze een nieuw bestaan opbouwen in verschillende Duitse vorstendommen.

Een informatiesteen zal worden onthuld aan de grens in Barzheim. De dag wordt om 16.00 uur afgesloten met een viering in de Hervormde Kerk in Thayngen, begeleid door het Waldenzenkoor. De Oekraïense schrijfster Olena Pantsiuk zal voorlezen uit haar herinneringen als oorlogsvluchteling.

(Bron en verdere informatie: Stiftung VIA – Auf den Spuren der Hugenotten und Waldenser)

Arbon, Rorschach, bisschop, abt en Bodensee

Het is een Zwitserse bijzonderheid dat twee nabijgelegen stadjes een andere geschiedenis hebben gehad. Arbon (kanton Thurgau) en Rorschach (kanton St. Gallen) liggen aan de Bodensee op ongeveer 12 kilometer van elkaar. Arbon viel echter tot 1798 onder het Bisdom Konstanz, Rorschach maakte deel uit van het grondgebied van de abdij St. Gallen.

De Bodenseeregio was al in de prehistorie een bewoond gebied. Bij Arbon zijn tal van objecten uit de periode 5 000 v. Chr. 850 v. Chr. gevonden, onder andere paalbouwwoningen.

Het is in de huidige klimaatdiscussie wellicht nuttig eens een bezoek te brengen aan deze regio. Vanwege een snelle klimaatopwarming en stijgende meerspiegel zijn de paaldorpwoningen van de Kelten rond 850 v. Chr. verlaten.

De paalbouwwoningen van Arbon zijn van groot Europees belang voor wetenschap en onderzoek, mede dankzij het grote aantal gevonden voorwerpen. Honderden bronzen en ijzeren werktuigen, jachtwapens, en sieraden onthullen de vaardigheid van de ambachtslieden uit de Bronstijd en de IJzertijd. Brons  is een legering van koper en tin.

Het koper dat in Arbon is verwerkt komt uit de Eifel, het tin uit het zuidwesten van Groot-Brittannië. Het is een bewijs van de levendige lange-afstandshandel in Europa (en daarbuiten), al eeuwen lang voor de Grieken en het Romeinse Rijk.

Arbon

De Romeinen erkenden de strategische ligging van Arbon en stichtten de nederzetting Arbon Felix (gelukkige boom). De plaats was onderdeel van de goed georganiseerde Romeinse postbezorging door het hele Rijk (Cursus publicus).

Bovendien lag Arbon Felix op de kruising van de handelswegen van de route  Vitudurum (Winterthur), Constantia (Konstanz), Brigantium (Bregenz) en Curia (Chur). Het Romeinse kasteel is in de vierde eeuw gebouwd, nadat de Bovenrijn-Bodensee de nieuwe grens (Limes) met Germania was geworden.

Na het vertrek van de Romeinen rond 410 trokken Alemannen het gebied binnen. Ze vervingen in kort tijd de taal en cultuur van de geromaniseerde Kelten en introduceerden de Alemannische taal en cultuur. De Alemannische hertogen heersten tot de achtste eeuw. De Frankische koningen en keizers (de Karolingers) namen daarna het bestuur dan over.

Gallus en Columban

Met de komst van de Ierse monniken Columban en Gallus was 612 al een nieuwe fase in de geschiedenis van de regio begonnen. Gallus verbleef aanvankelijk in Arbon en vertrok daarna naar de bovenloop van de Steinach in de buurt van St. Georgen. Hij leidde vervolgens op de plaats van de huidige abdij in St. Gallen zijn heremieten bestaan. Op deze plaats aan de Steinach was hij namelijk gestruikeld en hij zag dit als goddelijk teken.

De bisschop

Van 700 tot 1798 was Arbon eigendom van het bisdom Konstanz. De bisschoppelijke voogden resideerden bijna 1000 jaar (!) op kasteel Arbon. De Confederatie had Thurgau echter in 1460 veroverd op Habsburg en voor Arbon betekende dit een gecompliceerde situatie, want de bisschop van Konstanz was weliswaar de rechtmatige heerser van Arbon, maar de Confederatie had de feitelijke macht en oefende deze uit  door gemeenschappelijk bestuur in de Tagsatzung en door voogden. Het was een garantie voor veel conflicten, die hier verder buiten beschouwing blijven.

Arbon was in deze tijd een stad ( een document van 29 januari 1255 bevestigt de stadsrechten) met een belangrijke regionale- en handelsfunctie. Aanhoudende geschillen tussen de bisschop van Konstanz en de abt van St. Gallen waren de aanleiding voor de bouw van de stadsmuur met kantelen, poorten en gracht in de 13e eeuw.

Rorschach

De geschiedenis van Rorschach gaat terug tot de Alemannen. Zij stichtten de nederzetting Rorscahun nadat de Romeinen waren vertrokken, in de eerste helft van de vijfde eeuw. De Duitse koning en later de eerste keizer van het Heilige Roomse Rijk, Otto I (912-973), verleende de plaats 947 stadsrechten. Eigenaar was het klooster St. Gallen.

Rond 1000 was Rorschach een doorgangsplaats voor pelgrims naar Santiago de Compostela en Einsiedeln en een handelsplaats voor handel over en langs de Bodenzee.

De permanente conflicten tussen de abdij St. Gallen en het bisdom Konstanz komen ook tot uiting in de twee middeleeuwse kastelen in Rorschacherberg, een gemeente vlakbij Rorschach.

Er waren echter niet alleen conflicten tussen de abt en de bisschop, maar ook tussen de abt en de Appenzeller en de abt en de stadsbewoners van St. Gallen. De abdij wilde in 1489 het Mariabergklooster in Rorschach inwijden.

Kort voor de voltooiing werd het echter verwoest door Appenzellers en burgers van St. Gallen. Het klooster werd herbouwd, maar niet als klooster, maar als gebouw voor de abt van St. Gallen. De abdij bestuurde Rorschach tot 1798.

De Franse tijd 1798-1813

De Franse tijd maakte een einde aan de (formele) politieke macht en het eigendom van de bisschop en de abt. Rorschach werd een gemeente in het kanton St. Gallen, Arbon in het nieuwe kanton Thurgau in 1803.

Na de ontbinding van het bisdom Konstanz (1803) was het kasteel lange tijd eigendom van de ondernemer Franz Xaver Stoffel. Hij richtte de zijdeweverij Stoffel & Sohnen op, de eerste industriële onderneming in de stad. Arnold Baruch Heine stichtte later de op één na grootste borduurfabriek ter wereld!

De (textiel) industrie en ambachtssector ontwikkelden zich na 1850 snel. De machinefabriek Sauer werd zelfs nationaal en internationaal toonaangevend op het gebied van industriële apparatuur, machines en later bedrijfswagens. Van 1890 tot 1910 groeide de bevolking van 2500 naar bijna 10.000.

 Het klooster Marienberg (1489) en de barokke Kolumban Kirche (1782) zijn het andere culturele erfgoed van de abdij.

Tegenwoordig is Arbon een veelzijdig commercieel, industrieel en dienstverlenend centrum en een toeristische bestemming aan het Bodenmeer.

Rorschach bleef ook na de onafhankelijkheid als zelfstandige gemeente lange tijd vooral een haven- en handelsplaats. Het graanhuis (Kornhaus) uit 1749, dus nog gebouwd in opdracht van de abt, is nog steeds het symbool van de stad. Diverse stadspaleizen in het centrum herinneren aan deze tijd.

De internationale firma Würth vestigde zich in 2008 in de stad en opende ook Forum Würth, haar derde instituut in Zwitserland.

De promenade met de badinrichting op palen (badhut, 1924), de handelshuizen, het park aan de oever van het meer en de graanschuur geven de stad een mediterrane grandeur.

Conclusie

Eeuwenlang waren Arbon en Rorschach niet alleen economische, maar ook politieke en dynastieke rivalen. Tot op zekere hoogte zijn ze nog steeds economische rivalen, maar als gemeenten zijn ze politiek onafhankelijk in verschillende kantons.

Ondanks hun eeuwenlange politieke ondergeschiktheid aan een bisschop en een abt, is de geschiedenis hen gunstig gezind geweest. Beide steden hebben onder dit bestuur welvaart en cultuur kunnen ontwikkelen en de (godsdienst)oorlogen (en ook de Reformatie!) zijn grotendeels aan hen voorbijgegaan.

Een tentoonstelling (Mittelmeer am Bodensee, Wirtschaftsraum zwischen Alpen und Rheinfall) in het Liechtensteinse Nationale Museum toont het regionale handelsgebied van het Bodenmeer in de Middeleeuwen.

Handel trok zich toen al weinig aan van politiek en nationale grenzen. Bovendien was het Alemannisch de taal die in de Middeleeuwen in deze regio werd gesproken (naast het Latijn in kerkelijke, wetenschappelijke en bestuurlijke kringen).

Zelfs de eerste paalbewoners beschouwden de ligging aan het Bodenmeer (tot de snelle stijging van het meerpeil rond 850 voor Christus) als een voedsel- en klimaatparadijs. Dit geldt vandaag de dag nog steeds voor de inwoners van Arbon en Rorschach, hoewel er zelfs nu geen garantie is voor de toekomst.

Arbon

Rorschach

Vier kastelen voor Vluchtelingen

Wat hebben kasteel Arenenberg (Salenstein, kanton Thurgau), kasteel Wartegg (Rorschacherberg, kanton St. Gallen), kasteel Coppet en kasteel Prangins (kanton Vaud) met elkaar gemeen? Deze vier kastelen waren toevluchtsoorden voor vorsten in ballingschap of voor bannelingen van hun regimes.

Kasteel Coppet in de gelijknamige gemeente was lange tijd de ballingsoord van Madame de Stäel (1766-1817) en haar gevolg tijdens de Napoleontische overheersing (1799-1813).

Kasteel Arenenberg was vanaf 1817 de residentie van Hortense de Beauharnais (1783-1837) en haar zoon Louis-Napoleon (1808-1873), Frans keizer van 1851-1871. Hortense was de vrouw van Louis Bonaparte (1778-1846), koning van Holland (1806-1810).

Kasteel Prangins was eigendom en tijdelijk verblijf van Joseph Bonaparte (1768-1844), koning van Spanje (1808-1813), van 1814-1827.

Kasteel Wartegg

Kasteel Wartegg was de bestemming van gevluchte Franse aristocraten in 1789, waaronder Markies de Bombelles (1744-1822). Louise van Bourbon-Parma (1819-1864), hertogin en regentes van Parma, kocht het kasteel in 1859 na het Italiaanse Risorgimento. Aan de andere kant van het Bodenmeer bouwde de Groothertog van Toscane Ferdinand IV (1835-1908) zijn villa in Lindau na het Risorgimento.

Zita (1892-1989), de kleindochter van de hertogin, trouwde in 1911 met aartshertog Karel I van Oostenrijk (1887-1922), de laatste keizer van Oostenrijk (1916-1918). De keizerlijke familie woonde een paar maanden in het paleis nadat ze Wenen in 1919 had verlaten. Overigens woonde Karl’s broer van 1919 tot 1934 in Bazel.

Korte geschiedenis

Kasteel Wartegg werd in 1557 gebouwd door Kaspar Blarer von Wartensee (1524-1585), die in dienst was van de bisschop van Konstanz. Hij bewoonde kasteel Wartensee, dat ook in Rorschacherberg ligt en twee eeuwen ouder is. Rorschacherberg heeft nog twee andere kastelen: kasteel St. Anna dateert uit de 12e eeuw en kasteel Wiggen werd gebouwd in 1573.

De territoriale belangen van de abdij van St. Gallen en het bisdom Konstanz, de ligging aan het Bodenmeer en de weg van St. Gallen naar Konstanz waren de reden voor deze dichtheid van kastelen in een dorp met een paar honderd inwoners.

Een andere inwoner van Wartegg is ook belangrijk voor de Zwitserse geschiedenis. Sebastian Peregrin Zwyer von Evibach (1597-1661) bewoonde het kasteel rond 1650. Samen met Rudolf Wettstein (1594-1666, burgemeester van Bazel) was hij de belangrijkste onderhandelaar van de Confederatie in 1648. Aan het einde van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) verkreeg de Confederatie in de Vrede van Westfalen  (feitelijke) erkenning als soevereine staat.

Vanuit architectonisch oogpunt legde Louise de Bourbon in de jaren 1860-1864 echter de basis voor de huidige pracht van het complex en de Engelse tuin. De familie de Bourbon-Parma verkocht het kasteel in 1924 en tegenwoordig is het een hotel-restaurant en een locatie voor culturele evenementen.

 

De kapel

De Engelse componist Robert Lucas Pearsall (1795-1856) kocht het kasteel in 1842 en woonde er tot zijn dood.