Morgarten en zijn betekenis

Op 15 november 1315 vond bij Morgarten (kanton Zug) een veldslag plaats tussen de eerste Eidgenossen (Uri, Schwyz en Unterwalden)  en hertog Leopold van Habsburg (1290-1326). Er is weinig bekend over de oorzaak en het verloop van de slag, alleen de winnaar (de drie Eidgenossen) en de verliezer (hertog Leopold) en de hinderlaag voor Leopold zijn bekend.

Feit is dat Schwyz in 1314 het Habsburgse klooster Einsiedeln had geplunderd en mogelijk was de reactie van Leopolod een strafactie. Een andere theorie is de troonstrijd tussen Ludwig van Beieren en Friedrich van habsburg (de broer van Leopold) als Duitse koning in het Heilige Roomse Rijk. Schwyz steunde Ludwig.

Morgarten en de  Ägerisee tegenwoordig

Desondanks ging Morgarten aan de Ägerisee de geschiedenis in als de eerste strijd van deze Zwitserse Orte voor meer vrijheid en autonomie (nog niet voor onafhankelijkheid en soevereiniteit, dat was nog niet aan de orde). Niemand voorzag of wilde toentertijd de Confederatie van dertien kantons in 1513, laat staan de Confoederatio Helvetica van 1848. Deze ontwikkeling is een ander verhaal.

De kerk van Sattel

Op het Morgartenpad (themapad) door de regio worden op verschillende plaatsen de gebeurtenissen van 1315 (speculatief) in herinnering en beeld gebracht. Het pad begint bij het Morgatenmonument aan het meer en leidt naar de parochiekerk in Sattel (kanton Schwyz).

Morgarten Monument (1908). Dit monument geeft de gevoeligheden tussen en identiteit van de kantons. Met monument staat op grondgebied van Zug, destijds de verliezer en Habsburgs gebied in 1315. Kanton Schwyz, de winnaar, nam om deze reden niet deel aan de inwijding op 2 augustus 1908. Federale motieven en de fraaie ligging aan de Ägerisee leidden tot de keuze voor kanton Zug.

Het informatiecentrum biedt inzichten en uitgebreide documentatie over deze geschiedenis en geeft uitleg over de betekenis door de eeuwen heen tot op de dag van vandaag (de discussie over een nieuwe nationale feestdag op 12 september of de relativering (ad absurdum) van de gebeurtenissen in 1291, 1309, 1315 en 1386, bijvoorbeeld).

De Morgartenbrief of de ‘Bund von Brunnen‘  van 9 december 1315 is een authentiek document (Bundesbriefmuseum in Schwyz)  in het Duits en voor het eerst met de term ‘Eidgenosse’. Het is een verbond tussen de “lantlüte von Ure, Szwits und Unterwalden“. woordelijk stemt deze brief vrijwel overeen met de brief uit 1291, alleen is daar geen authentiek document van bewaard en ontbreken andere gegevens.

Het was een verbond voor wederzijdse steun, het bewaren van vrede en conflictoplossing: een Landfriedensbündniss (onder andere over gebruik weidegronden, diefstal van vee en andere delicten) en geen onafhankelijkheidsverklaring.

Integendeel, de landsheer wordt erkend, tenzij deze de rechten van de Orte niet erkend in verband met de al in de dertiende eeuw verleende autonomie (Reichsunmittelbarkeit). Deze afspraken lwamen in deze periode op veel plaatsen in het Heilige Roomse Rijk voor. Alleen heeft de Zwitserse Eidgenossenschaft als enige de 18e eeuw en Napoleon gehaald. Dat is uniek.

Het Informatiecentrum Morgarten, links de Letziturm, rechts het informatiecentrum en het oudste Europese Houten huis (1176). De Letziturm was de grens tussen Schwyz en Zug, dat in 1315 nog bij Habsburg hoorde.

(Bron: B. Meier, Von Morgarten bis Marignano, Baden 2008; Informationszentrum Morgarten). 

De kapel en interieur

De drie eerste Eidgenossen, Wilhelm Tell en de Habsburger voogd Gessler met hoed in het Europapark (D).

Impressies van de omgeving

Arosa, Lenzerheide en Tschiertschen

De oude bisschopsstad Chur ligt dicht bij Reichenau, waar de Hinterrhein en de Vorderrhein verdergaan als de Alpenrhein in het Rheintal tot aan het meer van Konstanz (Bodensee). Chur is ook het verkeersknooppunt voor de richting Arosa, Lenzerheide, Disentis/Mustér en het mooiste dorp van Zwitserland en Liechtenstein: Tschiertschen.

Chur vanaf de weg naar Arosa

Arosa en het Schanfiggdal

De eerste schriftelijke aanduiding van Schanfigg is Scanavico in het jaar 765. De dorpen Lüen (1084), Castiel (1132), St. Peter (831), Pagig (1160) en Calfeisen (1156) zijn ook oude dorpen, waar tot de zestiende eeuw Romaans de voertaal was.

Vanuit Davos, een Walserdorp, immigreerden in de 13e en 14e eeuw Walser over de Strelapas naar het Schanliggdal. Ze stichtten onder andere Arosa en Langwies.

Door het uitsterven van lokale adellijke heersers (in 1338 de Freiherren von Vaz en in 1436 de graven van Toggenburg) ontwikkelden zich ook in dit onherbergzame gebied autonome Gerichtsgemeinden.

      

Dorpen in het Schanfiggdal

Arosa en de andere dorpen maakten  deel uit van de Gerichtsgemeinde Davos (ook een Walserdorp), de hoofdstad van de Zehngerichtenbund (1436). Langwies was zelf een Gerichtsgemeinde. St. Peter maakte deel uit van de Gerichtsgemeinde (Ausser)Schanfigg, maar was wel de locatie van de Landsgemeinde van het dal Schanfigg.

De Zehngerichtenbund sloot in 1450 een verdrag met de Gotteshausbund (1367) en in 1470 met de Graue of Obere Bund (1395). De Gerichtsgemeinden bleven echter autonoom (afgezien van de formele status van onderdeel van het Heilige Roomse Rijk tot 1648 en de Vrede van Westfalen) tot hun opheffing in 1798.

Afgezien van de reformatie vanaf 1530 en de verwoestingen in 1622 ten tijde van de Bünder Wirren (1619-1639) veranderde er politiek, sociaal en economisch weinig in het overwegend arme agrarische bestaan van de meeste inwoners.

Dan volgen de Franse bezetting in 1798, de  opheffing van de Freistaat der Drei Bünde, de oprichting van achtereenvolgens de Helvetische Republiek (1798-1803), de Confederatie (Mediationsakte) en oprichting kanton Graubünden (1803-1813), de nieuwe Confederatie in 1815 en tenslotte de Nieuwe Grondwet van 1848.

Arosa (met dan slechts 56 inwoners) wordt in 1851 een zelfstandige gemeente. Het toerisme veranderde Arosa echter in de daaropvolgende decennia. Het dorp ontwikkelde zich tot een bekend wintersport- en toeristenoord.

 

Arosa tegenwoordig

Het eerste hotel opende zijn deuren in 1877, in 1888 gevolgd door het eerste sanatorium. De verkeersweg Chur-Arosa kwam in 1890 gereed. Deze weg was echter pas vanaf 1925 toegankelijk voor auto’s, want het kanton verbood auto’s tot 1925.

Langwies viaduct

Sinds 1914 rijdt de trein tussen Chur en Arosa met een 264 lang en 62 hoog viaduct bij Langwies. De Rhätische Bahn exploiteert deze spoorweg met een stijging van 593 tot 1738 meter in nog geen uur!  Arosa had door deze ontwikkelingen ruim 3 300 inwoners in 1930, vijftig keer zoveel als een halve eeuw daarvoor!

De tocht van Chur nar Arosa door het Chanfiggdal, met de auto, trein, fiets, motor of te voet, is in alle jaargetijden de moete waard. De andere dorpen hebben weliswaar veel minder van het toerisme geprofiteerd, maar voor het behoud van de eveneens  eeuwenoude gebouwen is dat juist een zegen. Tegenwoordig zijn de dorpen in het dal ondergebracht in de gemeente Arosa.

Het Schanfiggdal

Chur vanaf de weg naar Lenzerheide

Lenzerheide, Malix en Churwalden

Lenzerheide kent een soortgelijke historie als Arosa. Een klein Walserdorp op de route naar Tiefencastel. Vanaf het midden van de negentiende eeuw veranderde ook hier het toerisme het leven en aanzien van het dorp.

Lenzerheide

Heidimeer bij Lenzerheide

De route naar Lenzerheide is in cultureel-historisch opzicht echter interessanter. De Walser vestigden zich ook hier in de 13e en 14e eeuw. Het oude klooster (9e eeuw) en het Abthaus (15e eeuw) in Churwalden, de ruïne van de burcht (rond 1150) van de Freiherren von Vaz in Malix of voorbij Lenzerheide de Val/Obervaz zijn enkele hoogtepunten.

Ruïne van de burcht bij Malix

Klooster Churwalden

Klooster en Abtshaus Churwalden. Johann Rudolf Rahn  (1841-1912), rechts het abtshuis, tekening rond 1900. Zentralbibliothek Zürich, Graphische Sammlung und Fotoarchiv

Tschiertschen, Pagguss en Praden

De weg naar Lenzerheide heeft echter nog een ander geheim. De afslag naar het dorp Tschiertschen is de weg naar ‘het mooiste dorp van Zwitserland’. Aan de Pagguss-schlucht staat in het dorp Pagguss bovendien de EHL Hotelfachschule.

EHL Hotelfachschule.

 

Pagguss-Schlucht

Tschiertschen is onder andere bekend vanwege de romaans-gotische kerk uit de veertiende eeuw.  Het dorp maakte deel uit van het bisdom Chur. Het naburige dorp Praden deelde lange tijd de kerk en begraafplaats met  Tschiertschen, maar politiek hoorde Praden bij de Gerichtsgemeinde Langwies en Tschiertschen bij de Gerichtsgemeinde Churwalden van de Zehngerichtenbund.

Tschiertschen

Daarmee eindigt de historie van Praden en Tschiertschen echter niet. De reformatie vond plaats in 1540, uiteraard na stemming onder burgers, de pastoor mocht bovendien tot zijn dood aanblijven, pas daarna werd een predikant benoemd! De twee dorpen vielen onder verschillende rechtbanken in Langwies en Churwalden, maar deelden de kerk en begraafplaats in Tschiertschen.

Door een pestepidemie in 1627 vluchtte een deel van de elite van Chur in 1629 naar het geïsoleerde Tschiertschen. De slachtoffers van de pest in Praden werden echter ook in Tschiertschen begraven. Dat wilden de vluchtelingen uit Chur verhinderen vanwege besmettingsgevaar.

Praden

Praden bouwde met geld van inwoners van Chur  rond 1630 een eigen kerk en kerkhof. Tschiertschen accepteerde dit om financiele redenen niet. Praden deelde immers niet meer in de kosten van de kerk in Tschiertschen. Zo ontstond een rechtsstrijd met rechtbanken Langwies en Churwalden, een hoogste instantie in Davos en een arbitragecommissie in Chur.

De juridische procedures duurden tot 1762. Dan besluit de rechter in een laatste oordeel dat ieder huishouden in Praden aan de pastorie in Tschiertschen jaarlijks een Füederli (een stuk brandhout) moet afleveren. Feit is in ieder geval dat beide kerken er nog steeds staan, een zelfs in het ‘mooiste dorp van Zwitserland’.

(Bron:Arosa und Lenzerheide; M. Domann, G. Jäger, Die Kirche von Tschiertschen, Tschiertschen, 2014)

Klooster Einsiedeln en Cavalli della Madonna

Abt Eberhard, proost van de kathedraal van Straatsburg, bouwde rond 948 de eerste kloosterkerk in Einsiedeln en wijdde de kerk aan de Moeder Gods Maria en St. Mauritius.

Daarvoor hadden kluizenaars op deze plek in de 9e eeuw een kapel gebouwd en gewijd aan St. Meinrad, een benedictijn uit het eiland Reichenau die rond 835 een kluizenaarshut stichtte en daar stierf. Meinard werd begraven op het eiland Reichenau, maar in Einsiedeln werd een kapel aan hem gewijd.

Na 948 schonken vele weldoeners, waaronder de Zwabische hertogen en de keizers Otto I (912-973), Otto II (955-983), Otto III (980-1002) en Heinrich II (973-1024) het klooster land en andere goederen.

De Marienbrunnen of Frauenbrunnen op het kloosterplein

In 1039 zijn de relikwieën van St. Meinard van het eiland Reichenau teruggebracht naar Einsiedeln. De oude kleine kapel is ingebouwd in de huidige kloosterkerk, zij het in een barokke setting en met een zwarte Madonna. Waarom is de Madonna zwart? Een vraag die nog steeds niet beantwoord is.

De Zwarte Madonna

In de 18e eeuw steeg het aantal pelgrims tot 150 000 per jaar en werd het complex steeds verder uitgebreid.

De kloostergebouwen (1704) en de kloosterkerk (1735) zijn in de achttiende eeuw in de barokke stijl verbouwd 

Het klooster heeft nog steeds een wereldwijde religieuze betekenis (ongeveer 200.000 pelgrims per jaar) en is van groot regionaal economisch belang.

(Die Stiftskirche Einsiedeln, Regensburg 2015; Kloster Einsiedeln).

PS: zie ook het Panorama Einsiedeln

Het Kloostercomplex

De Houtindustrie van het Klooster

De oudste nog bestaande stoeterij in Europa. De monniken fokken al paarden sinds de stichting van het klooster. Tussen 1500 en 1798 was er een levendige paardenhandel. De dieren werden vooral gebruikt voor reizen en voor het ontginnen van land. Italië was de belangrijkste afzetmarkt. In 1766 werden de stallen gebouwd die nu nog steeds in gebruik zijn. Tijdens de Franse invasie in 1798 werd het klooster geplunderd, de paardenfokkerij vernietigd en de paarden in beslag genomen. In 1866 kochten de monniken een hengst uit Engeland. Vandaag de dag zijn de succesvolle paardenrassen op hem terug te voeren. De huidige Einsiedeln Cavalli della Madonna zijn wereldberoemd.

Het prachtige kloosterplein is het resultaat van een bouwverbod uit 1419, dat voldoende afstand creëerde tussen het dorp en het klooster om te voorkomen dat een brand zich (weer) zou verspreiden en overslaan.

Het kerkhof en zijn omgeving

Het stadhuis (Rathaus) van Einsiedeln

Het Leeuwenmonument in Luzern

Het Leeuwenmonument (Löwendenkmal) is ingehuldigd op 10 augustus 1821, 29 jaar na de aanval op de Zwitserse Garde in het Tuilerieën Paleis in Parijs (10 augustus 1792). Carl Pfyffer von Altishofen (1771-1840) was een van de weinige overlevenden als officier van de Zwitserse Garde van koning Lodewijk XVI (1754-1793).

Op 10 augustus 1792 was hij in Zwitserland, anders had hij het lot van de ongeveer 700 gesneuvelde collega’s gedeeld, de meeste stierven op die dag, de overlevenden werden op 3 september geëxecuteerd.

Hij was de initiatiefnemer van het monument. Tijdens de Franse bezetting van Zwitserland (1798-1813)  was het politiek onmogelijk. Pas in 1815, en gesteund door de conservatieve stemming tijdens de restauratie, kon hij zijn plan om zijn collega’s te herdenken realiseren.

Carl Pfyffer haalde meer dan 20.000 Zwitserse frank op dankzij donaties uit binnen- en buitenland, onder andere van leden van buitenlandse koningshuizen zoals de Russische tsaar, de koning van Pruisen en de Franse koninklijke familie.

De opdracht voor het monument ging naar de destijds bekende Deense beeldhouwer Bertel Thorvaldsen (1770-1844). De leeuw werd direct uit de stenen muur in de oude steengroeve gehouwen, die Pfyffer al sinds 1805 voor dit doel had gehuurd.

Het beeldhouwen van de leeuw ging niet zonder slag of stoot. De beeldhouwer Urs Pankraz Eggenschwiler (1766-1821) wilde de leeuw direct in de muur van de voormalige zandsteengroeve hakken, maar overleefde het door een val niet.

Na zijn ongeluk voltooide Lukas Ahorn (1789-1856) uit Konstanz de leeuw. Boven het monument staat de inscriptie Helvetiorum Fidei ac Virtuti (Over de trouw en de moed van de Zwitsers).

De stervende leeuw is doorboord met een gebroken speer. Zijn been rust op een schild met de Fleur-de-Lis van de Franse koninklijke familie. Een ander schild draagt het wapen van Zwitserland. De inscriptie onder de leeuw bevat de namen van de officieren en het aantal slachtoffers en overlevenden.

De inhuldiging op 10 augustus 1821 was een feest van, voor en door het ancien régime. De ambassadeurs of vertegenwoordigers van de koninklijke en aristocratische huizen van half Europa waren aanwezig.

Voor de liberale en progressieve kringen die gelijke rechten voor alle burgers eisten, was het een reactionaire demonstratie en een steun voor de conservatieve heersende klasse van Luzern. 200 jaar later is het monument een trekpleister voor toeristen uit alle sociale lagen, politieke stromingen en landen.

(Bron: B. Schumacher, Kleine Geschichte der Stadt Luzern, Baden, 2015; www.loewendenkmal21.ch).

 

De kruisiging in het Einsiedler panorama

In de 19e eeuw was er wereldwijd een grote belangstelling om nationale thema’s, vooral veldslagen, natuur of steden, als panorama’s te schilderen. Panorama’s waren kolossale ronde schilderijen tot 15 meter hoog en tot 120 meter in omtrek. Ze waren in een speciaal, rond gebouw ondergebracht.

In de 19e eeuw hadden veel steden minstens één panoramagebouw waarin nieuwe panoramafoto’s werden getoond op een roterende basis. In deze periode ontstond het idee om de historische gebeurtenis van de kruisiging van Christus in een panorama uit te beelden.

In de jaren 1890 hadden de kunstenaars Karl Hubert Frosch (1846-1931) en Joseph Krieger (1848-1914) zich gespecialiseerd in panorama’s met religieuze thema’s. In 1892 tekenden ze een contract voor de productie van een panorama Kruisiging in Einsiedeln.

Een tentenkamp met olijfbomen

Het 10 meter hoge en 100 meter lange reusachtige cirkelvormige schilderij werd in zes maanden tijd in München geschilderd. Frosch en Krieger waren verantwoordelijk voor de architectonische en landschappelijke delen van het schilderij. Voor het figuratieve deel schakelden ze de Amerikaanse kunstenaar William Robinson Leigh (1865-1955) in.

Op 1 juli 1893 werd het Panorama Kruisiging van Christus feestelijk geopend in Einsiedeln in een speciaal daarvoor gebouwd gebouw. Aan het eerste leven van het Panorama in Einsiedeln kwam op 17 maart 1960 een einde toen brand het gebouw en het schilderij verwoestte.

Het tweede leven van het Panorama begon in hetzelfde jaar, toen werd besloten om een nieuw gebouw te bouwen en het beeld opnieuw vorm te geven aan de hand van bestaande kleurenfoto’s. Eerst werd er een nieuw panoramagebouw gebouwd. De oude houten constructie werd vervangen door een gebouw van staal en beton.

Jezus aan het kruis op de Golgatha

Het graf van Jezus

De Weense kunstenaars Prof. Hans Wulz (1909-1985) en Prof. Josef Fastl (1929-2008) waren de kunstenaars. Het nieuwe schilderij moest een eigentijdse artistieke opvatting tonen en geen kopie of reproductie van het oude schilderij zijn.

Het werd binnen een half jaar geschilderd, op dezelfde grootte en volgens de compositie en onderwerpen van het origineel, maar in een vrijere schilderstijl. De heropening vond plaats op 14 april 1962. In meer dan honderd jaar hebben bijna 5 miljoen pelgrims en toeristen het panorama bezocht.

Het panorama is een passie op het doek. De Passion van Bach is de muzikale begeleiding van deze indrukwekkende weergave.

(Bron en verdere informatie: Panorama Einsiedeln)]

Het paleis van Herodus met de drie torens Mariamne, Phasael en Hippikus

Rolle, De la Harpe en de tsaar

De stad Rolle (kanton Vaud) besloot na het overlijden van Fréderic-César de la Harpe (1754-1838) het nieuwste eiland in het meer van Genève zijn naam te geven. Rolle is een havenstad aan het meer van Genève . In 1835 is een dijk gebouwd om de boten in de haven tegen de wind te beschermen.

Eeuwenlang vond het meeste vervoer in deze regio over het meer plaats. De boten vervoerden stenen van de steengroeve Meillerie (Haute-Savoie) aan de Franse kant van het meer en wijn, vee, kaas en hout uit het Zwitserse deel.

Men legde in 1837 een eiland voor de dijk aan om nog meer luwte aan de schepen te geven. Grote rotsblokken uit Meillerie en tonnen puin bedekten voorgoed de palen en andere resten van paalbouwwoningen van de Keltische bewoners uit de eeuwen voor Christus.

Vaud viel in 1754 nog onder de heerschappij van Bern, een zogenaamd Untertanengebiet (Territoire sujet). Fréderic-César de la Harpe vertrok in 1782 naar Sint-Petersburg naar het hof van keizerin Catharina II (1729-1796). De keizerin vertrouwde hem de opvoeding toe van haar kleinzonen, de toekomstige tsaar Alexander I (1777-1825), en Constantijn (1779-1831). In 1795 keerde hij terug naar Zwitserland.

Jacques-Augustin-Catherine Pajou (1766-1828), Portret van Fréderic-César de la Harpe, 1803. Musée historique Lausanne. 

In 1798 pleitte hij bij het Franse Directorium voor een zelfstandige status van Vaud. In 1798 benoemd Napoleon hem tot de belangrijkste bestuurder van de kortstondige Helvetische Republiek (1798-1803). Napoleon stichtte deze republiek na de bezetting van de Confederatie van dertien kantons in 1798.

Het verzet van de oude dertien kantons was echter te groot en in 1803 verving Napoleon deze republiek door een nieuwe Confederatie van negentien kantons, met het nieuwe kanton Vaud.

In 1815, na de nederlaag van Napoleon, bleef Vaud in de nieuwe Confederatie een kanton, dankzij de tussenkomst van tsaar Alexander I en La Harpe, net als Aargau, Thurgau en Ticino.

De la Harpe genoot in Europa groot aanzien en respect. Dit bleek ook in 1844, toen de belangrijkste monarchen van Europa de obelisk ter nagedachtenis aan deze staatsman op het eiland  bezochten.

Genève heeft zijn Pictet de Rochemont (1755-1824), Vaud heeft zijn Fréderic-César de la Harpe.

(Bron en verdere informatie: www.rolle.ch)

Genève, Pictet de Rochemont

Maienfeld, Heididorp en Walser

Je rijdt er zo snel voorbij, al die mooie dorpen, stadjes en natuur in Zwitserland. Sommige hebben dan nog een toeristische trekpleister, zoals bijvoorbeeld Maienfeld (kanton Graubünden) dat aan de voet van het Heididorp ligt.

Heidi, wie kent haar niet? De schrijfster Johanna Spyri (1827-1901) heeft haar en haar dorp in 1881 gecreëerd. Wie kent echter Maienfeld ? In de Romeinse tijd was het al een plaats van betekenis met de naam Magia en als zodanig vermeld op de Peutinger kaart.

Het stadje was daarna eeuwenlang de standplaats van de belangrijkste geslachten van de regio en leverancier van bisschoppen voor het bisdom Chur. Dit bisdom was een van de eerste en belangrijkste ten noorden van de Alpen en strekte zich uit tot in de Vinschau (Zuidtirol in Italië), Vorarlberg (Oostenrijk) tot aan het meer van Konstanz (Bodensee).

Door de loop van de historie was Maienfeld van 1510-1798 (Franse inval en de Helvetische Republiek, 1798-1803) een Untertanengebiet van de Drei Bünde en de Freistaat van de Drei Bünde (vanaf 1524). Sinds 1803 is het een gemeente in kanton Graubünden. Op de afbeelding de benoeming van de laatste voogd in 1797.

Maienfeld kreeg al in de 11e of 12 eeuw stadsrechten van de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Dit wijst ook op de belangrijke politieke en economische rol. Het eerste kasteel is in de 10e eeuw gebouwd door de graven van Bregenz. Andere eigenaren waren achtereenvolgens de graven van Tübingen, de Freiherren van Vaz, de Freiherren van Aspermont (zij bouwden in de 13e eeuw het huidige kasteel) en de graven van Toggenburg. De Freiherren van Brandis verwierven het kasteel in 1438 en sindsdien draagt het de naam kasteel Brandis. Het kasteel is tegenwoordig in privaateigendom er wordt geëxploiteerd als restaurant.

Kasteel Brandis met klooster- en stadsmuren

De Bruder Klausen kapel in het protestante Maienfelden

De beroemde maar als persoon onbekende “Waltensburger Meister’ heeft in het kasteel een van zijn gotische muurschilderingen aangebracht. In het fraaie middeleeuwse centrum verdienen het stadhuis, de Amanduskerk (11e eeuw), de Luzikerk (1457) en diverse kloostergebouwen bijzondere aandacht. Maienfeld had zelf geen klooster, maar het klooster Churwalden (Hinterrhein) had enkele gebouwen en een kloosterhof in de stad.

De Klostertorkel

De ‘Klostertorkel’ herinnert aan deze tijd. Een Torkel is een locatie, waar de druiven werden geperst en de wijn werd opgeslagen door monniken. De reformatie in de jaren 1529  betekende echter het einde van hun aanwezigheid. De wijnbouw is nadien door burgers voortgezet. Tot deze tijd was Reto-Romaans de spreektaal en heette de plaats nog Maiavilla. Daarna volgde de germanisering.

De wijngaarden bevinden zich niet alleen buiten, maar ook in het stadje, waar ook schapen zich tegoed doen aan de grazige weides. Zoals in veel Zwitserse dorpen en stadjes heeft zich in Maienfeld een eigen industrie ontwikkeld. De houtindustrie is hiervan een voorbeeld met een creatieve speelse ingang als toegangspoort.

Heididorp

Het Heididorp ligt op loopafstand en is alleen al vanwege de (korte) wandeling de moeite waard. Het geeft inzicht in het boerenleven in de negentiende eeuw. Een bijzonderheid is de Walser-afkomst en invloed, zoals ook op het stadhuis (Rathaus) is te lezen. Graubünden was immers een belangrijke bestemming voor immigrerende Walser in de late middeleeuwen. Davos, de hoofdstad van de Zehngerichtenbund, was bijvoorbeeld een stad van Walser!

(Bron en verdere informatie: Gemeente Maienfeld)

Johanna Spyri (1827-1901) in het Johanna Spyri Haus in Maienfeld

Het Heididorp

Heidihaus

Rathausstal

Rathaus

Impressies van het Rijndal bij Maienfeld

Klooster Pfäfers nabij Bad Ragaz (kanton St. Gallen)

Bad Ragaz, Badhuis en Grand Hotel

De geschiedenis van het dorfbad (badhuis) is nauw verbonden met het gebruik van de thermale bron in de Taminakloof en het succesverhaal van Bad Ragaz (Kanton St. Gallen) na 1850.

Dit verhaal begon in 1840, toen Bernhard Simon (1816-1900) het domein “Hof Ragaz” overnam van het kanton St. Gallen. Hij bouwde binnen de kortste tijd eersteklas kuuroorden.

Bernhard Simon

Het kanton besloot een badhuis te bouwen. Het in 1866 en 1867 gebouwde badhuis was in de eerste plaats bedoeld voor de hygiëne. In die tijd hadden maar weinig mensen een badkamer en warm water.

De kuuroorden en Grand Hotel waren verplicht de het badhuis te exploiteren en te onderhouden. Deze taakverdeling heeft tot 1945 gefunctioneerd.

Vanaf 2003 stond het badhuis leeg. Het kanton heeft het monument echter aan een volledige renovatie en restauratie onderworpen. Het badhuis van Bad Ragaz is het laatste in zijn soort in Zwitserland en fungeert nu als spa en wellness centrum.

(Bron en nadere informatie: Gemeente Bad Ragaz)

     

Kasteel Freudenberg

Klooster Muri

Graaf Radebot van Habsburg en zijn vrouw Ita van Lotharingen stichtten het benedictijnenklooster in 1027 in wat tegenwoordig de gemeente Muri is (Kanton Aargau). Bisschop Rumold wijdde de kerk van St. Martin in op 11 oktober 1064.

Het vrouwenklooster verhuisde in 1140 naar Hermetschwil. De Acta Murensia (1150-1180) vormen de oudste kloostergeschiedenis  en zijn een belangrijke historische bron voor regionale politieke ontwikkelingen en de opkomst van Habsburg.

In de 12e eeuw bouwden de Habsburgers kasteel Havichsburg in het huidige Habsburg. Keizer Leopold I (1640-1705) van het Heilige Roomse Rijk verleende de abt in 1701 de waardigheid van keizerlijk vorst en verhief het klooster tot vorstenabdij.

Gedurende acht eeuwen ontwikkelde de abdij zich tot een van de rijkste abdijen van Zwitserland tot aan de barokperiode. De Romaanse crypte, het gotische hoogkoor en het barokke centrale gebouw getuigen hiervan.

Het stucwerk, de fresco’s en de interieurdecoratie van de latere rococostijl ontvouwen een weelderige pracht. De glas-in-loodramen in de kloostergang met hun kleurenpracht worden beschouwd als het hoogtepunt van de renaissance-in-loodschilderkunst.

De romaanse en gotische drieschepige basiliek werd aan het einde van de 17e eeuw herbouwd. Het resultaat was de barokke achthoek, de grootste gewijde centrale ruimte in Zwitserland. De vijf orgels en de akoestiek van de kerk zijn muzikale wonderen uit de 18e eeuw.

In 1841 besloot het kanton Aargau het klooster op te heffen. De monniken en de abt verhuisden naar Gries bij Bolzano en Sarnen (Obwalden). Het klooster van Muri leeft daar nog steeds voort.

Het kloostermuseum toont deze (cultuur) geschiedenis.

(Bron en verdere informatie: Kloster Muri)

Siehe auch: die Via Habsburg

St. Niclà aan de Inn

De  Romaanse kerk in St. Niclà (Kanton Graubünden) uit de twaalfde eeuw is gewijd aan de heilige Nicolaas, patroonheilige van zeelieden en kinderen.

De kerk staat vlakbij de brug over de Inn (En genoemd in het Reto-Romaans, Vallader dialect) op de oude middeleeuwse weg naar Nauders. De Romaanse toren, het rechthoekige schip en de halfronde apsis zijn nog in goede (gerenoveerde) staat.

Na de aanleg van een nieuwe weg op de andere( linker) oever  van de Inn in de zestiende eeuw verloor de kerk (en de brug) haar functie en belang.

Aan de west façade van de toren is een fresco van St. Christoforus te zien met het wapen van de families à Porta en Von Marsch. Christoforus was onder andere de beschermheilige van bruggenbouwers  en heeft het kindje Jezus over de rivier gedragen, in  dit geval de Inn.

Deze fresco’s zijn rond 1500 gemaakt. De famliie Von Marsch was eigenaar van de kastelen  in Tarasp en Ramosch, à Porta  was een andere machtige familie uit de regio.

In 1718 heeft de kerk een nieuw gewelf gekregen. De kerk verloor echter snel  daarna  haar functie door de bouw van de nieuwe kerk in het nabijgelegen Strada (in 1750). De kerk is nadien als opslagplaats gebruikt en er is zelfs een boerderij tegenaan gebouwd.

In Donatyre (kanton Vaud) staat ook een Romaanse kerk uit deze periode tussen de boerderijen met een fraaie replica van het fresco van de Romaanse kerk St. Etienne in Montcherand (Kanton Vaud).

Wellicht is deze seculiere bouw en gebruik de redding geweest van de Romaanse kerk in St. Niclà.

(Bron en verdere informatie: www.san-nicla.ch).

St. Niclà en Strada op de achtergrond