Berner Kastelen presenteren zich

Er is geen ander gebouw dat meer fascinatie opwekt, de verbeelding in beweging brengt en zich aanbiedt voor excursies en ontdekkingstochten.

De diversiteit van de kastelen in kanton Bern is enorm. Geen twee zijn gelijk, elk heeft zijn eigenaardigheden en (bouw) historie.

Permanente en tijdelijke tentoonstellingen op uiteenlopende gebieden trekken de aandacht in een omgeving van parken, tuinen, meren en veelal met een magnifiek uitzicht op of te midden van het berglandschap.

Elf Berner kastelen passeren de revue: Schloss Münsingen, Schloss Thun, Schloss Oberhofen, Schloss Spiez, Schloss Landshut, Schloss Burgdorf, Schloss Laupen, Schloss Jegenstorf, Schloss Hünegg, Schloss Thunstetten, Schloss Belp.

(Quelle und weitere Informationen: www.berner-schloesser.ch).

Anestre werd Ins

Reeds in het neolithicum (4000-1800 v. Chr.) was het gebied rond Ins (kanton Bern) bewoond.  Ook de Romeinse periode heeft zijn sporen nagelaten.

De eerste vermelding uit de middeleeuwen dateert uit 851: Villa d’Anes. In 1009 is de eerste vermelding in een oorkonde met de oud-Franse naam Anestre aangetroffen.

Aan het begin van de 13e eeuw behoorde Anestre nog tot het Franstalige graafschap Neuchâtel-Nidau. In 1376 maakte Anestre met de Heerlijkheid Cerlier (het huidige Erlach, kanton Bern) deel uit van het graafschap en later hertogdom Savoye.

Bern veroverde het gebied tijdens de Bourgondische oorlogen (1476-1477) en sindsdien is Ins Duitstalig en maakt het deel uit van het kanton Bern. De huidige Franse naam is Anet.

(Bron en verdere informatie: Gemeinde Ins)

Impressies van Ins

Albert Anker Huis

De schilder Albert Anker werd in 1831 in dit huis in Ins (Kanton Bern) geboren en overleed hier in 1910. Het huis werd in 1803 gebouwd door zijn grootvader Rudolf Anker, een dierenarts, in de stijl van de Seelandse boerderijen.

De indeling van het huis, de inrichting en de inventaris komen nog grotendeels overeen met de toestand waarin de schilder en zijn voorouders leefden.

Het atelier is in zijn oorspronkelijke staat bewaard gebleven, een zeldzame getuigenis van de 19e eeuw. De schilder studeerde eerst theologie voordat hij naar Parijs verhuisde om een schildersopleiding te volgen.

Daar woonde hij met zijn vrouw en kinderen gedurende de wintermaanden. De zomermaanden bracht hij door in het huis van zijn ouders, waar hij de meeste van zijn schilderijen schilderde met modellen uit het dorp. Vanaf 1890 woonde en werkte hij in dit huis tot aan zijn dood.

(Bron en  verdere informatie: www.albert-anker.ch).

Maloja Palace

De periode van de Grand-Hotels leidde ook tot te ambitieuze of nooit gerealiseerde projecten. Een voorbeeld van dit laatste is het Grand Palace in Riom (Kanton Graubünden). Andere complexen zijn wel gebouwd, maar kregen al spoedig te maken met financiële tegenslag.

Een bekend voorbeeld is het Maloja Palace uit 1884 in Graübunden. Het Hôtel-Kursaal de la Maloja staat tussen Bergell en Oberengadin en niet ver van St. Moritz.

Het hotel is gebouwd door de Belgische Graaf Camille de Renesse (1836-1904). De Graaf kwam op dit plan na een bezoek aan St. Moritz in 1880. St. Moritz was toen al een dorp met Grand-Hotels en badhuizen, veelal eigendom van de familie Badrutt.

De Graaf wilde zijn eigen Grand-Hotel en kocht een stuk grond in Maloja aan het westelijke einde van de Silsersee. Hij kocht deze grond overigens van de familie Giacometti. Giovanni Giacometti (1868-1933)  schilderde in 1899 het hotel. Dit schilderij hangt tegenwoordig in het Schweizerhaus in Maloja.

De Graaf had grote ambities, een villapark, casino, golfbaan, restaurants, twee kerken, zwembad, tennisbaan en een ijsbaan en springschans voor de wintersport. Hij plande verder een spoorlijn en treinstation in Maloja (niet gerealiseerd), het (middeleeuwse) kasteel Belvedere (deels voltooid in 1903) en hij kocht twee stoomschepen voor het meer.

Het hotel met een façade van 200 meter was het een na grootste gebouw in Zwitserland (na de ETH in Zürich). De Belgische architect Jules Rau (1854-1919) voltooide het project in slechts 15 maanden.

De opening was op 1 juli 1884. Het ontbrak aan niets: 300 kamers met 450 bedden, verwarmde zalen met een ingenieus systeem van hete lucht, elektrisch licht, een eetzaal voor 300 gasten en een schitterend interieur, een rookzaal, bibliotheek, conversatieruimte, (Bechstein) piano´s, een paardenomnibus voor het vervoer van de gasten (van St. Moritz naar Maloja en vice versa), galeries en een platform op het dak met een magnifiek uitzicht op het (berg) landschap en aan het meer steigers voor plezierboten en de stoomschepen.

Vijf maanden na de opening was het hotel failliet. Een choleraepidemie, het overlijden van de Gravin Malvina de Kerckove von Denterghem (1846-1884), het casino-verbod, de spoorlijn die niet kwam en vooral een torenhoge schuld waren de oorzaak van het faillissement op 3 januari 1885.

Het hotel wisselde daarna tot 1934 meerdere keren van eigenaar en was daarna bestemd als verblijfsoord van het Zwitserse leger en van 1962 tot 1980 zomeropvang van (Belgische) kinderen.

In 2009 opende het hotel weer zijn deuren na een jarenlange renovatie en een nieuwe eigenaar. Het Maloja Palace, zoals het tegenwoordig heet, ligt er nog steeds stralend bij en de geest van de Graaf waart er nog steeds rond.

Het kasteel Belvedere brandde deels af. De toren van het kasteel is eigendom van de stichting Pro Natura.

(Bron: P. Bröckli, Bis zum Tod der Gräfin. Das Drama um den Hotelpalast des Grafen Renesse in Majola, Zürich 1998; www.malojapalace.com).

Het kapucijner klooster in Sion

Het kapucijner klooster in Sion is het enige object in kanton Valais uit de 20e eeuw dat is geclassificeerd als cultuurgoed van nationaal belang.

In 1631 vestigden de kapucijnen zich in Sion en begonnen met de bouw van het gebouw. De kerk werd in 1643 ingewijd door bisschop Adrien III de Riedmatten (1610-1646).

Ruim 400 jaar later renoveerde en vergrootte architect Mirco Ravanne (1928-1991) het gebouw. Deze ingreep contrasteert met de basisstructuren van het gebouw uit 1631. Het interieur is ook veranderd. Het geheel vormt een prachtig decor in de binnenstad van deze bisschopsstad.

(Bron en meer informatie: www.bourgeoisie-de-sion.ch).

De Witte Toren van Origen

De Stichting Origen (Nova Fundaziun Origen) bouwt in het dorp Mulegns (kanton Graubünden) een Witte Toren (der Weisse Turm), niet te verwarren met de Julierturm van Origen op de Julierpas.

De Witte Toren is een digitaal bedrukt gebouw dat verhaalt over de historie van het dorp, de heimwee van de emigranten uit Graubünden en de patisseriebaronnen van Mulegns.

Het gebouw biedt ruimte voor kunstinstallaties, hoorspelrondleidingen en theatervoorstellingen. De Witte Toren demonstreert de indrukwekkende rijkdom aan vormen van digitale fabricage en stelt nieuwe normen voor het duurzame gebruik van beton.

Situatie zomer 2023

In de koepelzaal is een podium dat een uitzicht biedt op het dorp en ’s avonds de laatste zonnestralen vangt. De vormenrijkdom van de toren herinnert aan het grote vakmanschap van de architecten en banketbakkers van Graubünden, die tot aan de Eerste Wereldoorlog 250 (hoofd)steden in Europa, Zuid- en Noord Amerika van exclusieve patisserie voorzagen en een beslissende invloed hadden op het imago en het leven van Mulegns.

De Witte Toren wordt in de zomer van 2024 geopend voor een periode van vijf jaar.

(Bron en verdere informatie: www.origen.ch).

Bazel in steen gemetseld

Iedere straathoek van het centrum van het (antieke) Basel, Basilea, heeft zijn geschiedenis. Op de heuvel van de Münster, de kathedraal, bouwden de Kelten een verdedigingsmuur, de murus gallus in de eerste eeuw v. Chr.

De Romeinen stichtten echter 20 kilometer verder de Colonia Augusta Raurica rond 44 v. Chr. als verdediging tegen de Germaanse stammen aan de overkant van de Rijn (Rhenus).

De groei van Bazel begon pas na het vertrek van de Romeinse legioenen in 410 n. Chr. en de invallen van de Alemannen. De bisschop zetelde in Augusta Raurica, maar verplaatste zijn zetel naar de heuvel van Bazel. Daarna heeft de historie, groei en bloei van Bazel haar loop genomen.

Het historische Museum in de Barfüsserkerk heeft de stadsgeschiedenis letterlijk in steen gemetseld (Stadtgeschichte in Stein gemeisselt). In een muur van het oude klooster van de Franciscanen (Barfüsser genoemd omdat ze blootsvoets liepen) zijn gedenkplaten van de 15e tot de 18e eeuw gemetseld.

Deze gedenkplaten zijn afkomstig van (verdwenen) kerken, huizen, gilden of andere (openbare) gebouwen. Ze vertellen het verhaal van personen, de historie straten en van (verdwenen) gebouwen en hun architecten. Het geeft een compact overzicht in steen van vier eeuwen Bazel.

(Bron en verdere informatie: www.hmb.ch).

Centrum 19e eeuw Collectie: Historisches Museum Basel

Amber in de Germaanse, Keltische en Romeinse tijd

Het Alemannische Museum in Ellwangen organiseerde de speciale tentoonstelling “Bernstein – Gold der Germanen: Das Collier von Trochtelfingen”.

Dit is een kostbare halsketting van Amber (Barnsteen) van een 4de-eeuwse Alemannische vrouw. Ze is 2006 ontdekt in het Eger-dal bij Trochtelfingen (Ostalbkreis).

Na een zorgvuldige restauratie zijn de amberstenen samengevoegd tot een buitengewone, delicate ketting bestaande uit gedraaide kralen van verschillende grootte en dikte en cilindrische, ringvormige, veelvlakkige en achthoekige oogvormige kralen van donkerblauw glas.

De ketting wordt gepresenteerd rondom het thema amber in de vroege Middeleeuwen. In de bronstijd bestonden er al handelsroutes tussen de Oostzee en de Nijl die de uiteinden van de toen bekende wereld met elkaar verbonden.

In een uitgebreid uitwisselingssysteem werd het barnsteen uit de Oostzee door handelaren te voet, op ossenkarren of te paard over de Alpen vervoerd. Deze belangrijke handelsroutes staan ook bekend als de Amberroute.

Het belangrijkste productiecentrum voor voorwerpen van Amber in de Romeinse periode was Aquileia aan de Adriatische Zee. De Alemannen uit de migratieperiode beschouwden amber als een statussymbool en droegen het met veel trots in prachtige halskettingen en andere sierraden.

In de Merovingische periode maakten kralen van amber nog maar een klein deel uit van halskettingen en andere sierraden, die voornamelijk werden gedomineerd door kleurrijke en veelzijdige glazen kralen.

Ze bleven echter een belangrijke rol spelen als amuletten aan de riemen van vrouwen of als magische zwaardkralen voor de krijgerselite.

Bron en verdere informatie: www.alamannenmuseum-ellwangen.de.

De kerk van Vinelz

De kerk in Vinelz, in het Frans Fenis, (Kanton Bern) is van romaanse oorsprong. Ze werd voor het eerst vermeld in 1228. In de 14e eeuw werd het huidige koor gebouwd als  uitbreiding van een kleiner koor.

Er zijn nog fragmenten aanwezig van laatgotische vensters van zandsteen en steen uit Neuchâtel. De doopvont in het koor dateert uit de 13e eeuw. In 1667 werden het dak en plafond vernieuwd en werd de koormuur verhoogd. De preekstoel en het koorgestoelte stammen uit de 17e eeuw.

Er zijn ook muurschilderingen te zien die in de loop van de reformatie rond 1530 werden witgekalkt. Ze komen uit verschillende periodes en overlappen elkaar gedeeltelijk.

Barok rankenwerk loopt als een fries door de kerk en versiert de nog bestaande romaanse hoge vensters. De drie moderne gebrandschilderde ramen zijn gemaakt tijdens de laatste renovatie in 1951.

De stamvader van de graven van Neuchâtel en Nidau, Ulrich van Fenis of Ulrich de Eerste, verbleef in de 11e eeuw op de Hasenburg bij het dorp. Er zijn geen restanten van de Hasenburg meer te vinden, alleen de grafheuvel markeert de locatie van deze donjon of motte.

Zijn twee zonen hebben echter wel iets nagelaten: Kuno van Fenis, bisschop van Lausanne (1093-1103) is de stichter van de abdij van Erlach (of het klooster St. Johannsen), Burkhard van Fenis, bisschop van Bazel (1072-1105), bouwde kasteel Erlach en wellicht de kerk in Vinelz.

(Bron en nadere informatie: Der Geschichtenweg,  www.kirchenbezirk-seeland.ch; www.vinelz.ch).

Het Aare-Hagneckkanaal

De rivieren en de meren in het Drie Meren gebied (das Drei-Seen-Land, le Pays des Trois-Lacs) zijn in de jaren 1868-1891 en 1962-1971 op een ingenieuze manier aangepast in de Juragewässerkorrektion/ la correction des eaux du Jura.

Het was en is een uniek pionierswerk voor de ontwikkeling en de drooglegging van het gebied van de Drie Meren.

Tussen 1868 en 1891 werd het waterpeil van de drie meren van Murten, Neuchâtel en Biel met meters verlaagd door een systeem van kanalen.

De kern van het project was het acht kilometer lange kanaal van Aarberg naar Hagneck (Kanton Bern). De Aare werd vanuit Aarberg via dit kanaal omgeleid naar het meer van Bieler.

De Aare stroomt vanaf Aarberg nog wel naar Büren, maar veel kleiner en heet sinds 1891 de Alte Aare. Vanaf Büren tot Nidau is ook de Alte Aare een kanaal, die uitmondt in het meer van Biel.

In tegenstelling tot het kanaal Nidau-Büren, waar sprake is van een riviercorrectie, is het kanaal van Aarberg naar Hagneck een nieuwe waterweg.

De twee andere nieuwe kanalen tussen de drie meren zijn het Broye-kanaal tussen de meren van Murten en Neuchâtel en het Zihl-kanaal (Thielle in het Frans)  tussen de meren van Neuchâtel en Biel.

(Bron: www.bielerseekraftwerke.ch).

(Zie ook www.swiss-spectator.ch/nl/the-jura-water-management en www.schlossmuseumnidau.ch).