Allgemeine Lesegesellschaft Basel

Het gebouw van de Allgemeine Lesegesellschaft Basel (Algemene Leessociëteit Basel), opgericht in 1787, staat naast de kathedraal (de dom) aan de Pfalz.

Na de aardbeving van 1356 werd op deze plaats de woning van de architect/bouwmeester van de dom gebouwd. In dit huis waren ook de kathedraalschool en de vergaderzaal van de kanunniken gevestigd.

Aan de vooravond van de reformatie zorgden de kanunniken voor de bouw van een nieuw kloosterhuis, dat in 1528 werd voltooid.

Bazel werd in 1529 echter protestant en de kanunniken vertrokken naar Porrentruy (en later Arlesheim). Het huis bleef weliswaar eigendom van het kapittel, maar diende voortaan als opslagplaats van goederen, graan en fruit.

Johann Rudolf Gemuseus (1764-1836) kocht het huis in 1806. Hij deed het in 1830 over aan de Allgemeine Lesegesellschaft. Tussen 1830 en 1832 bouwde de vereniging een van de vroegste neogotische gebouwen in Zwitserland.

Dit is een interessante getuigenis van de interpretatie van de middeleeuwse cultuur en haar eclectische receptie die in de eerste helft van de 19e eeuw plaatsvond. Het gebouw biedt tegenwoordig ook onderdak aan het Marionettentheater van Bazel.

(Bron: D. Huggel. Das Haus der Allgemeinen Lesegesellschaft in Basel, Bern, 1996).

Saint-Pierre-de-Clages

De Romaanse kerk Saint-Pierre-de-Clages (kanton Wallis) ligt tussen de verkeersroute van de Grote St. Bernardpas en de Simplonpas.

Ze is gebouwd in de eerste helft van de twaalfde eeuw. De kerk wordt voor het eerst genoemd in een van Paus Eugene III (1088-1153)  uit 1153. Zij is een priorij van de Benedictijnse abdij St. Martin- d’Ainay in Lyon. Dit klooster maakte onderdeel uit van de abdij van Cluny.

Dit komt ook tot uiting in de architectuur van Saint-Pierre-de-Clages. De achthoekige vieringtoren is gebouwd naar het voorbeeld van de abdij van Cluny III (gebouwd tussen 1070 en voltooid in 1120).

Andere elementen hebben de Lombardische en Bourgondische elementen van de Romaanse kunst. Ook het interieur heeft sterke gelijkenis met de architectuur van deze abdij, zoals onder andere ook te zien was in de kerk van Rüeggisberg (kanton Bern) uit 1070, waarvan alleen nog ruïnes resten. Overigens was deze kerk de eerste vestiging van Cluny in Duitstalig Zwitserland.

De restanten van middeleeuwse muurschilderingen zijn in het intacte interieur van deze fraaie drieschepige kerk aan het dorpsplein te zien.

(Bron: H.-R. Meier, Romanische Schweiz, 1996, Würzburg).

Nieuwe leden en reisgids

Het stadje Diessenhofen (Kanton Thurgau) ligt tussen Schaffhausen en Stein am Rhein, aan een van de mooiste rivierlandschappen van Europa.

Bosco Gurin (Kanton Ticino) is het hoogst gelegen dorp van het kanton en ligt in een alpenbekken op een hoogte van 1.500 meter.

Het bergdorp Albinen in Bovenwallis (Oberwallis) maakt indruk met zijn spectaculaire ligging boven de Dala-kloof met het imposante rotsbekken van de Daubenhorn op de achtergrond. Het dorp is een dichte cluster van huizen bestaande uit oude blokhutten, schuren en lofts, allemaal in perfecte naar het zuiden gericht.

In de eerste editie van de officiële gids van de organisatie Les plus beaux villages de Suisse/ Die schönsten Schweizer Dörfer (De mooiste Zwitserse dorpen) die midden juni verschijnt, worden ook deze dorpen als nieuwe leden voorgesteld.

Het boek biedt een zorgvuldig portret, de bezienswaardigheden, praktische informatie en prachtige illustraties.

Op 208 bladzijden en met meer dan 200 foto’s vermeldt de gids niet minder dan 43 dorpen en stadjes, verspreid over 15 kantons en 2 landen (Zwitserland en Liechtenstein).

De gids wordt gepubliceerd in drie verschillende talen (Frans, Duits en Italiaans).

(Bron en nadere informatie: www.borghisvizzera.ch).

Het Johanneum in Neu St. Johann

Het klooster van St. Johann in Alt St. Johann, dat rond het midden van de 12e eeuw was gesticht, werd op 8 februari 1626 getroffen door een zware brand.

De abt van St. Gallen besloot het gebouw en de kerk ongeveer tien kilometer verderop in het dal te herbouwen. In 1629 waren de bouw en een jaar later het grootste deel van het interieur van het nieuwe priorijgebouw voltooid, maar de kerk was pas in 1680 klaar.

De plaats van de nieuwe priorij kreeg de plaatsnaam Neu St. Johann. Het klooster werd in 1805 opgeheven. Sinds 1902 herbergt het gebouw het Johanneum, een instituut voor mensen met een mentale of leerstoornis.

(Bron: www.johanneum.ch).

Kerk Obstalden

Disponible en néerlandais, allemand et anglais

De kerk in Obstalden (kanton Glarus) werd in 1300 gebouwd als bijkerk van het klooster Schänis en behoorde tot het bisdom Chur.

Tussen 1260 (Matt in Sernftal) en 1349 (Schwanden) werden in Glarus vier nieuwe kerken gebouwd: Mollis, Obstalden, Linthal en Betschwanden.

De bouw en inrichting van deze kerken viel samen met de consolidatie van de Habsburgse heerschappij in het gebied.

De kerk werd in 1528 hervormd en vormde in 1593 een eigen parochie.

(Bron: Historischer Verein des Kantons Glarus, Glarner Burgenweg).

Filisur en het Landwasserviaduct

Filisur in Parc Ela (kanton Graubünden) is een dorp met een centrum van nationaal monumentaal belang en 14 prachtige Engadiner huizen.

In 1262 werd Filisur in een document Villa Fallisour genoemd. In die tijd behoorde het dorp tot de heerschappij van Greifenstein.

Filisur bekeerde zich tot de reformatie in 1590. De Landwasserviaduct van de Rhätische Bahn is het belangrijkste herkenningspunt.

Arena voor een boom

De boom is het middelpunt van Klaus Littmanns kunstwerk op de Münsterplatz in Bazel. De openlucht tentoonstelling ‘Arena for a Tree’ is een stand-in voor de natuur en tegelijkertijd een krachtig pleidooi voor de natuur en het behoud ervan.

Landschapsarchitect Enzo Enea heeft de boom uitgekozen. De keuze is gevallen op de ijzerhoutboom (Parrotia Persica) uit de toverhazelaarfamilie. De ijzerhoutboom, die oorspronkelijk uit Perzië komt, is gewend aan verschillende seizoenen en verdraagt het stadsklimaat goed.

De omringende tribune, de arena, is gemodelleerd naar de groeiringen die de ouderdom van elke boom in de stam archiveren. De oneffenheden van boomschors vormen de inspiratie voor de buitenomtrek.

Het gaat niet om pure schoonheid en kracht van de boom, maar om de vraag of hij kan worden opgenomen in het bomenbestand van Bazel en of zijn soort zich op lange termijn kan aanpassen aan de veranderde omstandigheden als gevolg van de opwarming van de aarde. De boom zal later in Basel worden gepland.

Bron en verdere informatie: www.kbhg.ch

Kanton Obwalden

Het kanton Obwalden, hoofdstad Sarnen, vormt samen met kanton Nidwalden het gebied Unterwalden in Centraal Zwitserland.

Het kanton ligt aan een uitloper van het Vierwoudstedenmeer (Vierwaldstättersee) en is weliswaar klein, maar een van de grondleggers van de huidige Confederatie.

Prehistorie-veertiende eeuw

Na de prehistorie, Kelten, Romeinen en het eerste Bourgondische Koninkrijk (443-534) trokken Alemannen het gebied binnen.

Rond 900 was Duits (Alemannisch) de spreektaal geworden. Obwalden maakte vanaf 1032 deel uit van het Heilige Roomse Rijk.

De graven van Lenzburg speelden een dominante rol tot hun uitsterven in 1173. De abdijen Beromünster en St. Leodegar waren ook belangrijke grondbezitters. Daarnaast speelden regionale adellijke geslachten een rol van betekenis.

1291-1798

Habsburg is in de dertiende eeuw de belangrijkste macht. Obwalden maakte in 1291 en in ieder geval in 1309 deel uit van de eerste Eidgenossenschaft.

Obwalden kreeg in 1309 de status van vrije gemeente (dorp), de Reichsunmittelbarkeit, van keizer Heinrich VII (1273-1313).

Obwalden volgde vanaf de slag bij Morgarten en de Bundesbrief van 1315 de geschiedenis en economische ontwikkeling en zuidelijke expansie van Schwyz en Uri.

Vanaf 1403 tot 1515 bezette Obwalden Italiaanse gebieden aan de andere kant van de Gotthard en bestuurde deze samen met andere kantons als ‘Untertanengebiete’.

Obwalden bleef katholiek in de Reformatie en was actief in de Contrareformatie na het Concilie van Trente (1545-1563) en de  lokale godsdienstoorlogen (Kappeler oorlogen van 1529 en 1531 en de Villmerger oorlogen van 1656 en 1712).

Huurlingen uit Obwalden namen deel aan de religieuze burgeroorlogen en bondgenootschappen met katholieke monarchen in Europa tot de Vrede van Westfalen in 1648.  Het huurlingenbedrijf bleef bestaan tot 1848.

De Landsgemeinde bestond in Obwalden sinds de dertiende eeuw en is in 1998 afgeschaft.

1798-1848

Als oerkanton van de Confederatie verzette ook Obwalden zich tegen de Helvetische Republiek (1798-1803).

Vanaf het begin van de Tagsatzung in de veertiende en vijftiende eeuw  (bijeenkomst van vertegenwoordigers van de kantons van de Eidgenossenschaft) deelde Obwalden zijn zetel om beurten met Nidwalden.

In de 1803 van Mediationsakte, in 1815 bij het Bundesvertrag en in 1848 in de nieuwe Grondwet kreeg het kanton een eigen zetel in de Raad van Staten (Ständerat) in plaats van twee.

Obwalden was lid van de katholieke Sarnerbund (1832), de Sonderbund (1845), verloor de Sonderbundsoorlog (1847) en ging met tegenzin akkoord met de Grondwet van 1848.

De Vlag

Het wapen van Obwalden is ontleend aan de zegel waarmee de oudste charters (Bundesbriefe) vanaf 1291 zijn verzegeld. De originele zegel is te zien in het archief van Obwalden.

De formele naam van Obwalden was tot 1999 in de federale Grondwet Unterwalden ob dem Wald. Beide kantons deelden dezelfde zegel tot in de vijftiende eeuw. Dit is de reden dat de heraldiek vrijwel identiek is. Dit geldt overigens ook voor de andere kantons Basel-Stadt en Basel-Landschaft en Appenzell Innerrhoden en Appenzell Auseerhoden.

Bron: Thomas Maissen, Geschichte der Schweiz, Baden, 2010).

Kanton Uri

Het kanton Uri heeft een met Schwyz vergelijkbare historische, economische en politieke ontwikkeling vanaf de Keltische en Romeinse tijd.

Altdorf, is de hoofdplaats van het kanton en onder andere beroemd vanwege Willem Tell. Belangrijke gebeurtenissen zijn de verkrijging van de status van vrije Rijksstad (dorp)  door Keizer Friedrich II (1196-1250) in 1231 en de relatie en conflicten met de abdijen Frauenmünster in Zürich, de abdij Engelberg en de abdij van Wettingen, alle drie onder bescherming van Habsburg.

Habsburg was aan het einde van de dertiende eeuw ook in Uri de landsheer. De gemeentes in Uri waren aan het einde van de dertiende eeuw al feitelijk onafhankelijk. De allianties van 1291, 1309 en 1305 met Unterwalden en Schwyz waren niet alleen tegen Habsburg gericht en hadden zeker geen onafhankelijke staat op het oog.

Deze Orte hadden  een gemeenschappelijk belang in het beheer van weidengronden, conflictbeheersing en vredeshandhaving. Vanwege de Gotthardpas en de ligging aan het meer was Uri economisch en politiek interessant. De conflicten met Habsburg (en haar abdijen) en andere kantons van de (latere) Eidgenossenschaft vloeiden hier uit voort.

De opening van de Gotthardpas (1220-1230) betekende niet alleen economische groei. Het veroveren van de Italiaanse gebieden aan de andere kant van de pas was van 1403-1515 onderdeel van de expansie en het regeren van de gebieden (Untertanengebiete).

Uri nam ook deel aan andere voogdijen (Aargau (1415), Thurgau (1460) en het bestuur van het graafschap Neuchâtel (1512-1529). In de veertiende eeuw ontstond de Landsgemeinde die in 1928 is afgeschaft.

Uri bleef katholiek in de jaren van de Reformatie. Het katholieke geloof leidde tot allianties met andere katholieke kantons en Europese monarchen. Dit leidde tot spanningen en enkele (burger) oorlogen, maar niet tot een breuk van de Confederatie.

Het kanton verzette zich hevig tegen de Helvetische Republiek (1798-1803) en was lid van de Sarnerbund (1832) en de Sonderbund in 1845 en was verliezer in de Sonderbundsoorlog (1847).

De vlag

Het wapen van Uri is een zwarte stierenkop met een uitgestoken tong en een rode ring door de neus op een goudgele achtergrond (de Uristier). De betekenis is het temmen van de stier (symbool van de veeteelt) en het agrarische gebruik van het land. Deze heraldiek stamt uit de dertiende eeuw.

(Bron: R. Sablonier, Gründungszeit ohne Eidgenossen. Politik und Gesellschaft in der Innerschweiz um 1300, Baden, 2013).

   

De Rijn, Bazel en Rotterdam

De bron van de Rijn ligt in het Gotthardmassief in de Zwitserse Alpen. Van daaruit begint de rivier aan zijn 1250 kilometer lange tocht naar Rotterdam in Nederland. De rivier is bevaarbaar vanaf Bazel tot aan de Noordzee (850 kilometer).

De rivier heeft een belangrijke industriële functie, is een verkeersader en is onmisbaar voor de drinkwatervoorziening. Tegenwoordig is de Rijn ook een grens tussen landen, wat hij tot 1815 niet was.

Bazel ligt op het punt waar de Hoog-Rijn (Hochrhein) naar boven buigt en overgaat in de Boven-Rijn (Oberrhein).

De Bovenrijn

De rivier heeft altijd het leven van de stad bepaald. Het was een verdedigingslinie, zoals de Romeinen (de Limes) en daarvoor de Kelten die kenden (de murus gallus op de Münsterheuvel).

In de vijfde eeuw vestigde de bisschop van Augusta Raurica (nu Augst, kanton Basel-Landschaft) zich op de heuvel aan de Rijn.

In de Romeinse tijd was de rivier al een belangrijke scheepvaartroute. In de Middeleeuwen reisden kooplieden, pelgrims, diplomaten, koningen, keizers, bisschoppen en andere hoogwaardigheidsbekleders bij voorkeur per boot. De reis over land was gevaarlijker en minder comfortabel.

Boomstammen dreven als houten vlotten naar Bazel of verder stroomafwaarts en stenen bouwmaterialen werden altijd over water vervoerd.

Eeuwenlang kon de Rijn zonder ingrijpen van de mens zijn loop vervolgen, vanaf de bron via de indrukwekkende waterval (Rheinfall) bij Neuhausen (Schaffhausen) en door de stad Bazel.

De rivier was een economische zegen, maar soms ook een groot gevaar door overstromingen. Kanalisatie, sluizen en andere menselijke ingrepen hebben het karakter van de Rijn sinds de 19e eeuw echter veranderd.

Tegenwoordig is de Rijn een rustige, grotendeels gekanaliseerde rivier, die zich in zijn eigen tempo een weg baant door en langs natuurgebieden, havens, industrie, steden en dorpen, kastelen, kathedralen, landbouwgebieden, sluizen en honderden bruggen, waaronder de zes bruggen van Bazel.

De Rijn die door Bazel stroomt is niet dezelfde Rijn van tweeduizend jaar geleden. De route, functie en perceptie zijn veranderd.  De beroepsvisserij is ook bijna verdwenen, net als de zalm.

Het project “Lachs 2020” heeft tot doel de zalm te herintroduceren, onder meer door de aanleg van vistrappen, die nu in Bazel zijn gerealiseerd.

Tegenwoordig is de rivier ook een plaats voor vrijetijdsbesteding, sport (zwemmen, roeien, kanoën, varen), wandelingen langs de oevers en bovenal is de rivier niet langer een gevaar.

Als het krimpen van de gletsjers in het huidige tempo doorgaat, kan de Rijn over 100 jaar zelfs een middelgrote beek zijn geworden.