De oorsprong van de Via Francigena, die Canterbury met Rome verbindt door de (huidige) landen Engeland, Frankrijk, Zwitserland en Italië, gaat terug tot het oude Romeinse wegennet toen soldaten en kooplieden van het zuiden naar het noorden van Europa reisden en omgekeerd.
De Via Francigena doorkruist de kantons Vaud en Wallis en gaat ook over de Grand-Saint-Bernard. De Romeinen gebruikten deze weg toen ze in 43 naar het noorden marcheerden om Britannia te veroveren.
De huidige naam van deze oude Romeinse weg is echter van veel latere datum. In 772, toen de Longobarden (en hun Italiaanse Koninkrijk met zijn hoofdstad Ravenna) de pauselijke staten bedreigden, schoot Karel de Grote, koning van de Franken, in 772 de paus te hulp.
In 774 zou hij de Longobarden vernietigend verslaan (en als dank onder andere het klooster St. Johann in Müstair en St. Peter in Mistail in Graubünden stichten).
Het is uit deze tijd dat de weg de naam Via Francigena kreeg, wat de ‘weg die uit Frankrijk komt’ betekent.
De weg werd echter pas een bedevaartsweg nadat de aartsbisschop van Canterbury over deze weg in 985 naar Rome was gereisd om het pallium van de paus te ontvangen. Deze reis is nauwkeurig opgeschreven en het document (bewaard in het British Museum) werd een soort reisgids voor pelgrims.
De huidige kantons Vaud en Wallis bestonden toen nog niet en het gebied en de steden behoorden tot het Bourgondische Koninkrijk (888-1032).
De Zwitserse steden zijn te vinden onder hun (vulgaire) Latijnse namen, onder andere Bourg-Saint-Pierre (Petrecastel), Orsières (Ursières), Saint-Maurice (Sce Maurici), Aigle (Burbulei), Vevey (Vivaec), Lausanne (Losanna), Villeneuve, Orbe (Urbe) en Yverdon (Antifern).
In 1994 erkende de Raad van Europa de Via Francigena als een Europese culturele route en in 2001 werd de Europese vereniging van de Via Francigena opgericht.
(Bron: A.M. Barelli, Le Chablais (Viterbo, 2014).








