Sculptuur op de Mont Racine

Jean-Félix Vuille, eigenaar van het bos van Mont Racine (Vallée de la Sagne, kanton Neuchâtel) heeft in de jaren 1960 een houten beeldenroute (Le sentier des statues) aangelegd.

In 1979 zette de nieuwe eigenaar, Georges-André Favre, de activteiten voort. Met behulp van boomstronken en gereedschap creëerde hij op locatie figuren, dieren en andere personages.

De diversiteit van de werken met de vaardigheid en de know-how van de beeldhouwer en hun variatie hebben het parcours bekend gemaakt.

Meer dan 120 houten kunstwerken begeleiden de wandelaar op weg naar de top van de Mont Racine (1439 m.), een parcours van grote natuurlijk schoonheid en hoge beeldhouwkunst.

(Bron: www.sentier-des-statues.ch).

De stad Orbe

De eerste menselijke nederzettingen op het plateau van Boscéaz dateren uit het neolithicum (vierde millennium v. Chr.). Daarna was gebied bewoond door de Kelten.

In de Romeinse tijd was Urbe (Orbe, kanton Vaud) een plaats op de verbindingsweg tussen Lausanne en Besançon. Bij Boscéaz, in de onmiddellijke nabijheid van de Romeinse weg die Orba met Yverdon verbond, stond een grote villa. Haar mozaïeken behoren tot de best bewaarde exemplaren in Zwitserland.

Orbe werd aan het eind van de 4e eeuw verwoest door Germaanse invallers. In de vroege middeleeuwen behoorde Orbe achtereenvolgens aan de graven van Bourgondië, de heren van Montfaucon, Montbéliard en Chalon.

In de Bourgondische oorlogen (1474-1477) werd het kasteel verwoest. Alleen de  donjon en een hoektoren zijn overgebleven.

De grote brand van 1407 verwoestte de Notre-Dame, de Grote Kerk, die echter weer werd opgebouwd. Vanaf 1536 tot 1798 werd Orbe bestuurd door Bern en in 1536 werd de stad gereformeerd.

(Bron: www.orbe.ch).

Romeinse villa Orbe-Boscéaz

De villa vlakbij de oude Romeinse stad Urba (Orbe, kanton Vaud) is het grootste complex van Romeins Zwitserland.

De villa is gebouwd in de eerste eeuw en bereikte in de tweede eeuw zijn voltooiing. Aan het einde van de derde eeuw is het hoogtepunt voorbij en vinden er geen restauraties meer plaats.

In de vierde eeuw worden alleen de omringende gebouwen nog bewoond en in de vijfde eeuw is het hele complex verlaten na het vertrek van de Romeinen en de invallen van Germaanse stammen.

De villa had uitzonderlijk grote afmetingen, 230 x 90 meter, en was georganiseerd rond vijf binnenplaatsen, de twee belangrijkste waren omgeven door zuilengalerijen. In dit deel bevonden zich ook verwarmde baden. Verschillende kamers werden ingericht met mozaïeken op de vloer.

De omringende muur van de villa had een omtrek van ongeveer 400. Er waren diverse gebouwen aan bevestigd die verband hielden met de exploitatie van het landgoed. Binnen deze ommuurde plaats lagen diverse Romeinse tuinen.

Ten westen van deze muur stond een tempel uit het begin va de derde eeuw, gewijd aan de Perzische god Mithra. Negen mozaïeken zijn momenteel nog zichtbaar. Het is de mooiste en grootste verzameling Romeinse mozaïeken ten noorden van de Alpen.

Ze zijn bewaard gebleven op hun oorspronkelijke locatie in vijf paviljoens en bieden een grote verscheidenheid aan Romeinse mythische/ religieuze en alledaagse onderwerpen.

Paviljoen I ligt op  de locatie van de toegang tot de eetkamer (triclinium, cenatio). Er zijn drie mozaïeken met geometrische motieven op de vloer.

Paviljoen II is de slaapkamer (cubiculum) met de het labyrint en Triton mozaïeken.

Paviljoen III in private vertrekken heeft twee slecht bewaarde mozaïeken, waarschijnlijk een processie en een geometrisch ontwerp.

Paviljoen IV in de kleedkamer (apodyterium) van het badhuis bewaard het best bewaarde mozaïek over de godenwereld.

Paviljoen V staat op de plaats van het ‘kantoor’ (tablinum) van de eigenaar van de villa. Het Mozaïek verbeeldt de Illias, in het bijzonder de ontmoeting tussen Odysseus en Achilles.

(Bron en verdere informatie: Guide archéologiques de la Suisse 5. La villa gallo-romaine d’Orbe-Boscéaz et ses mosaïques, Orbe 1997; www.pro-urba.ch).

Landvogteischloss en houten brug Baden

Het kasteel werd in de eerste helft van de 13e eeuw gebouwd als zetel van de ridders van Baden (kanton Aargau).

Het werd in het begin van de 14e eeuw uitgebreid. De trapgevel en het fresco met de wapenschilden van de acht oude Orte (kantons) van de Confederatie werden in 1490 aangebracht op de voorgevel.

De traptoren met het laat-renaissance portaal dateert uit 1580 en de noordoostelijke vleugel uit 1734. Het kasteel (vandaar de naam) was de zetel van de landvoogd van de Confederatie van 1415-1798 en is sinds 1913 het Historisch Museum van de stad Baden.

De overdekte houten brug werd voor het eerst gedocumenteerd in 1242. Tot 1766 was het de enige brug tussen Zürich en de monding van de Limmat bij Gebenstorf.

(Bron: www.baden.ch).

Eclépens, Mormont en kasteel

Het dorp Eclépens (kanton Vaud) ligt aan de voet van de heuvel Mormont (bekend van de Keltische opgravingen) en ligt op de linkeroever van de rivier Venoge.

Eclepedingus in het jaar 814, Sclepens in 1147, Escleppens in 1453, een naam waarvan men aanneemt dat het die van een persoon van Germaanse oorsprong is.

De Romeinse weg van Lousona (Lausanne) naar Urba (Orbe) liep over de linkeroever van de Venoge, twee kilometer boven het huidige dorp.

In het jaar 814 schonk Lodewijk de Vrome (778-840) de kapel van St. Didier en het eikenbos van Mormont aan de kerk van Lausanne. De nabijgelegen abdij van Romainmôtier had een boerderij in het dorp.

Er waren twee adellijke families: de Grassets en de Milites. Na hun uitsterven ging het eigendom over op de Gingins van het kasteel La Sarraz. Eclépens maakte deel uit van de baronie van La Sarraz tot 1623.

Tijdens de Bernse periode (1536-1798) bestond de rechtspraak uit zes juryleden onder voorzitterschap van de heer van La Sarraz.

De kerk van Eclépens, gewijd aan Sint-Pieter, werd waarschijnlijk vóór de 9e eeuw gesticht (vermeld in de schenking van Lodewijk de Vrome op 28 juli 814) en werd in 1228 als parochiekerk vermeld, onder het kapittel van Lausanne.

In 1924 nam de gemeente een wapen aan met de leeuw van de ridders van Eclépens, en een golvende lijn die het kanaal van Entreroches symboliseerde en voegde een embleem toe dat herinnerde aan de Mormont.

(Bron: www.eclepens.ch).

Les Clées en de tolpassage

De stichtingsdatum van Les Clées (kanton Vaud) is onbekend. De plaats wordt in ieder geval al in 814 genoemd. Van de brug wordt melding gemaakt in 1050.

De eerste vesting werd gebouwd en vervolgens verwoest vóór 1137, het jaar waarin paus Innocentius II (paus van 1122-1143) de herbouw van de kennelijk verwoeste burcht een tijdlang verbood, om onrechtmatige tolheffing tegen kooplieden en pelgrims te sanctioneren.

De toe-eigening van de winsten van deze verbindingsweg tussen Italiaans Lombardije en de jaarmarkten van Champagne verrijkte de graven van Bourgondië vanaf de elfde eeuw en vervolgens de heren van Savoie vanaf het midden van de 13e eeuw tot aan de Bourgondische oorlogen (1474-1477).

Het belang van deze tolpassage blijkt uit het rekeningenboek: Vlaamse wollen stoffen en andere textiel, verfstoffen, granen, suiker, papier, paarden, valken, specerijen en andere luxeartikelen komen in de boeken voor.

De tol van Les Clées, samen met Villeneuve (kanton Vaud), verzekerde de Hertog van Savoie van de grootste fiscale opbrengsten in Vaud.

Voor Les Clées en het kasteel betekenden de Bourgondische oorlogen tussen de Zwitserse kantons en de hertog van Bourgondië Karel de Stoute (1433-1477) het einde van de gouden tijd.

De Zwitsers brandden het kasteel af in 1475. In 1536 annexeerde Bern het land van Vaud en niets zou meer hetzelfde zijn voor het eens zo welvarende stadje, dat tegenwoordig slechts 90 inwoners telt.

(Bron: www.lesclees.ch)

Boris Johnson, Bazel en Anna

Drie jaar geleden slaagde een internationale onderzoeksgroep onder leiding van het Natuurhistorisch Museum Basel (Naturhistorisches Museum Basel) erin een lichaam in de Barfüsserkerk te identificeren als Anna Catharina Bischoff (1719-1787).

Zij was begraven in een tombe van de familie Bischoff, wat uiteraard een belangrijk aanknopingspunt was in de jarenlange zoektocht.

Een team van wetenschappers uit verschillende medische disciplines, (kunst) historici, genealogen, en archivarissen bestudeerde de best bewaarde mummie van Zwitserland vanaf 2015.

Uiteindelijk kon de identiteit worden vastgesteld van de ‘Vrouw van de Barfüsserkerk’, waar zij in 1975 bij de renovatie van de kerk en inrichting als historisch museum van Bazel (Historisches Museum Basel) werd ontdekt.

Het bleek te gaan om Anna Catharina Bischoff, geboren in 1719, dochter van een pastoor uit Bazel die destijds werkte in Straatsburg. Zij trouwde in 1739 de pastoor Lucas Gernler in Wolfisheim vlakbij Straatsburg en werd moeder van zeven kinderen. De laatste jaren van haar leven, na het overlijden van haar man in 1781, bracht zij door in Bazel.

Het boek geeft een fascinerend beeld van het (forensische)  werk van het interdisciplinaire onderzoeksteam. Het geeft verrassende inzichten en inzicht in het leven van een vrouw en het dagelijks leven in Bazel en Straatsburg in de 18e eeuw. Het team heeft ook haar kleding gereconstrueerd en de meest waarschijnlijke oorzaak van haar dood vastgesteld.

De zoektocht naar de voorouders van Anna Catharina Bischoff bracht ook een verbazingwekkend feit aan het licht.

Anna was een directe afstammeling van Johann Froben (1460-1527), een drukker-uitgever én goede vriend van Desiderius Erasmus (1466-1536) in Basel. Een de dochters van Anna trouwde met baron Christian Friedrich Pfeffel von Kriegelstein (1726-1807). Deze baron maakt deel uit van een rechtstreekse afstammingslijn via het geslacht van Stanley Johnson (1940), de vader van de huidige premier van het Verenigd Koninkrijk Boris Johnson (1964).

Anna is op basis van deze (DNA) feiten de betovergrootmoeder van Boris. Bovendien is Anna ook verwant met de High Society van Bazel, inclusief de oprichters van Roche.

De originele mummie en begeleidende tentoonstelling zijn gedurende korte tijd te bezichtigen in het Natuurhistorisch Museum Basel.

Het begeleidende boek leest als een goed geschreven detective, maar is kunstgeschiedenis op haar best. Het boek is alleen in de Duitse taal verkrijgbaar.

Gerhard Hotz, Claudia Opitz-Blakhal (Eds.) Anna Catharina Bischoff. Die Mumie aus der Barfüsserkirche, Rekonstruktion einer Basler Frauenbiografie des 18. Jahrhunderts. Christoph Merian Verlag, Basel, 2021).

(Bron: Naturhistorisches Museum Basel).

De eerste en enige Zwitserse kolonie

Aymons de Ginges (1823-1893), erfgenaam van de Baronie van La Sarraz (Kanton Vaud), begon zijn militaire loopbaan op 16-jarige leeftijd in dienst van de koning van Napels, in het regiment van zijn vader, kolonel Henri de Gingins, baron de la Sarraz (1792-1874).

Hij keerde terug naar het land van Vaud en naar Château La Sarraz in 1850, voordat hij in 1853 dienst nam om de leiding op zich te nemen van de eerste en enige Zwitserse kolonie.

Keizer Napoleon III (1808-1873) had in 1853 20.000 hectaren toegekend aan de Compagnie Genevoise des Colonies suisses de Sétif voor de vestiging van een kolonie van tien dorpen aan de poort van Kabylie in Algerije.

De compagnie was opgericht door de Geneefse François-Auguste Sautter de Beauregard (1826-1885) en had onder meer ten doel in Algerije een kolonie te stichten die bevolkt zou worden door Zwitsers.

De kolonisten kwamen vooral uit kanton Vaud.  In 1854 telde de kolonie bijna 3.000 kolonisten. In 1858 legde Aymons de Ginges zijn functie neer, maar de Zwitserse kolonie bleef bestaan tot 1956 (!).

(Bron en nadere informatie: Musée du Château de la Sarraz, www.chateau-lasarraz.ch; Universiteit van Genève, www.unige.ch).

Van Raetia tot Graubünden

De vroege Middeleeuwen (5de-10de eeuw) is een van de beslissende fasen van de geschiedenis van Raetia, een fase van de oprichting van de Raetia Curiensis (Churrätien) naar het laatmiddeleeuwse en moderne Graubünden.

De overgang van de Romeinse overheersing tot de vijfde eeuw naar de vroege Middeleeuwen was een langdurig proces waarin politieke structuren, sociale, economische en taalkundige-etnische ontwikkelingen, de kerkelijke en culturele situatie en de geografische oriëntatie fundamenteel veranderden.

Sinds de eerste helft van de 4e eeuw werd de Romeinse provincie Raetia verdeeld in de provincies Raetia prima en Raetia secunda. Raetia prima was de westelijke provincie, Raetia secunda de oostelijke provincie.

Raetia prima omvatte het Rijndal, de valleien van de Vorder- en Hinterrhein en de Engadin. In het noorden vormden de Rijn en het Bodenmeer (meer van Konstanz) de grens.

In het westen liep de grens van Stein am Rhein naar Pfyn, over de rivieren Glärnisch en Clariden naar het Gotthardmassief.

In het zuiden vormde de waterscheiding tussen de Inn en de Rijn enerzijds en Mera en Adda anderzijds de grens.

In de late oudheid (vanaf 300 n.Chr.) was Raetia een noordelijke periferie van het Romeinse Rijk, in de vroege Middeleeuwen (zesde en zevende eeuw) was het een zuidelijke periferie van het Merovingische en Frankische Rijk, in de Karolingische tijd (achtste en negende eeuw) was het een periferie tussen Italië en de noordelijke Alpen, en later (tiende-veertiende eeuwen) een zuidwestelijke periferie van het Heilige Roomse Rijk.

Raetia is echter ook altijd een transit door de Alpen gebleven. De regio was dus zowel een perifere als een transit gebied.

Het verklaart het grote politieke en strategische belang, onder andere vanwege de passen Julier, Septimer, Lukmanier en Splügen.

De Gotthardpas zou pas in de dertiende eeuw toegankelijk worden. Door de bergen was het echter ook een periferie met een moeilijke toegankelijkheid en daardoor een relatief grote mate van autonomie.

Het bisdom Chur speelde een belangrijke rol in dit proces. In het jaar 451 wordt de bisschop van Chur voor het eerst genoemd. Tot 843 viel het bisdom Chur onder het Aartsbisdom Milaan.

Bij het Verdrag van Verdun is Raetia en daarmee Chur toegewezen aan Karel (823-877), de zoon van Louis de Vrome (778-840). Chur valt vanaf dat moment tot 1803 onder het aartsbisdom Mainz.

Deze verandering  getuigt van het grote geografische en politieke belang van de regio voor de machthebbers

(Bron: R. Kaiser, Churrätien im frühen Mittelalter, Basel 2008).

De monumenten van Elm

Het schilderachtige dorp Elm ligt in kanton Glarus in het Sernftal. In de achtste eeuw verwierf de abdij Säckingen (Duitsland) het Glarnerland.

De Heilige Fridolin was de patroonheilige van deze abdij en ook van het kanton Glarus, zoals aan de vlag van het kanton nog steeds is te zien.

De Habsburgers bestuurden Glarus en Elm tot de slag bij Näfels in 1388. Elm kocht zich in 1395 vrij van de abdij Säckingen. Elm nam 1528 het protestante geloof aan.

Rusland, Oostenrijk en Frankrijk streden in 1799 in dit gebied. De Russische generaal Alexander Suvorov (1730-1800)  trok op 5 oktober 1799 op zijn terugtocht over de Panixerpas door Elm, een van de beroemdste militaire expedities over de alpen.

Elm is tegenwoordig vooral bekend vanwege de karakteristieke en monumentale Elmer en Glarner boerenhuizen.

(Bron en verdere informatie: www.elm.ch).