De Solothurner Tijdkloktoren

De toren (Zeitglockenturm) is het oudste gebouw in de stad Solothurn. De toren is aan het begin van de 13e eeuw gebouwd als onderdeel van het kasteel. Hij is voor het eerst vermeld in 1408 onder de naam Zitglogge.

Onder het dakje in het midden van de toren tonen drie symbolen (ridder, koning en skelet) bij elk uur de zin en de vergankelijkheid van het leven.

Het grote astronomische uurwerk uit 1545 van Lorenz Liechti en Joachim Habrecht toont op de 24-uurs wijzerplaat de twaalf uren van de dag boven en de twaalf uren van de nacht onder, de maanden en het jaar en heeft een zonnewijzer, een maanwijzer en de tekens van de dierenriem. Het geheel heeft in microformaat wel wat weg van het planetarium (1784) van Eise Eisinga in Franeker.

(Bron en nadere informatie: Tourismus Solothurn).

De Ajoie

Porrentruy  (Pruntrut in het Duits, kanton Jura) was lange tijd de zetel van de bisschop van Bazel nadat hij tijdens de Reformatie in 1528 zijn bisschoppelijk paleis aan de Münster in Bazel had verlaten.

De bisschop van Bazel verwierf dit gebied in 999 door de verkrijging van de machtige abdij van Moutier-Grandval. Deze abdij is na de reformatie rond 1530 overigens verlaten en tot op de laatste steen afgebroken (zie ook Swiss Spectator 2 april 2022, Moutier en de abdij Moutier-Grandval).

Porrentruy en Ajoie

Porrentruy ligt in de regio Ajoie, ten noorden van de rivier Le Doubs, aan de rand van een vlakte in de Jurabergen en enkele kilometers van de Franse grens. Het grote bisschoppelijke paleis en kasteel op de heuvel, het Hôtel-Dieu, de glacière uit de achttiende eeuw,  de stadspaleizen voor het kapittel en andere grandeur getuigen van de eeuwenlange aanwezigheid van deze prins van het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie.

De prinsbisschop en Bern

De bisschop, tevens prins van het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie, vandaar de titel prinsbisschop en prinsbisdom, bleef in het bezit van Ajoie tot de inval van het revolutionaire Frankrijk in 1792. Alleen de Graaf van Monbéliard was enkele periodes Heer van deze regio, in 1283 en van 1386-1461.

De prinsbisschop verloor het gebied definitief in 1792. Ajoie viel samen met ander gebied van het huidige kanton Jura onder de Rauraakse Republiek (november 1792-maart 1793), het departement Mont-Terrible (1793-1800) en departement Haut-Rhin (1800-1813) voordat het door het besluit van het Congres van Wenen in 1815 bij kanton Bern werd gevoegd.

Vele oude grenstenen in de bossen markeren de oude grens van het kanton Bern (met beer) of de Zwitserse Confederatie (CS: Confédération Suisse) met Frankrijk, gemarkeerd met de Franse Fleur de Lille of RF (République Française). Sinds 1979 vormt het Franstalige kanton Jura de grens met Frankrijk.

Dinosauriërs, gletsjers en zee

Niet alleen de bisschop, maar ook de dinosauriërs, gletsjers en zee zijn nog prominent aanwezig. Deze regio lag zo´n 20 miljoen jaar geleden aan en onder een subtropische zee. Weer verder in de tijd, ongeveer 175 miljoen jaar geleden, was de Jura een geliefde verblijfplaats van de Dinosauriërs. Ongeveer 20 duizend jaar geleden was het ijs- en ijskoud, een Poolklimaat met gletsjers van honderden meters dik en breed.

Het prehistorische park van bij het dorp Réclère (Préhisto-Parc de Réclère) reconstrueert de wereld van de dinosauriërs op een parcours van twee kilometer en een documentatiecentrum. Langs het parcours staan 45 levensechte replica’s van de eerste vissen, reptielen en dinosauriërs te land, te water en in de lucht.

De 1 500 meter lange grotten en hun wonderschone stalagmieten en stalactieten in dit park zijn ontstaan in een proces van miljoenen jaren. De fossiele afdrukken van bewoners van de zee zijn overal in de Jura te vinden.

In de kerk van Réclère bevindt zich overigens een kunstwerk van meer recente datum: de beroemde glas-in-lood ramen van Wilfrid Moser (1914-1997).

Ajoie

De naam Ajoie is afgeleid van het riviertje Allaine die door Porrentruy stroomt en in de zuidelijker gelegen Doubs uitmondt. Ander namen voor deze regio zijn Pay de Porrentruy en in het Duits Pruntruter Zipfel (vroeger ook wel Elsgau). Ajoie is het stroomgebied van de Allaine. De vlakte is omgeven door bergen tot bijna 1 000 meter hoogte. Het agrarische gebruik van het gebied kenmerkt zich door fruitbomen, veeteelt en akkerbouw, onder andere met koolzaad en graan.

De wandelaar doorkruist diverse eeuwenoude dorpen, zoals Grandfontaine, het bovengenoemde Réclère, Roche’d’Or, Rocourt en Chevenez.

De Zwitserse Alpen Club

De Zwitserse Alpen Club (Schweizer Alpen Club, SAC/Club Alpin Suisse, CAS) organiseert regelmatig wandeltochten in deze omgeving (en elders) in het land.

Hoewel de naam anders doet vermoeden, organiseert de SAC niet alleen skitochten, bergbeklimmingen en andere sporten in het hooggebergte en de Alpen, maar ook (wandel) activiteiten in andere regio’s.

(Meer informatie: www.sac-cas.ch).

Romeinse theaters en amphitheaters in Zwitserland

Antieke theaters

Een theatertraditie ontbrak in de westelijke provincies van het Romeinse Rijk tot aan het begin van het keizerrijk onder Augustus (keizer van 27 v. Chr. – 14 n. Chr.). Alleen in de Griekse nederzettingen in Spanje (Hispania) en Zuid-Frankrijk (Gallia Narbonensis) bestonden stenen theaters.

Het duurde tot de laatste fase van de Romeinse Republiek (de periode na 55 v. Chr.) voordat stenen theaters ook in Rome en daarna in de veroverde westelijke gebieden  werden gebouwd.

Het theater was in Griekenland een belangrijk communicatiemiddel en speelde een prominente politieke rol in de samenleving.

Rome

In de Romeinse Republiek verbood de senaat juist om deze reden stenen theaters, omdat deze instellingen misbruikt konden worden voor politieke doeleinden. Houten theaters waren wel toegestaan omdat deze geen permanent karakter hadden.

Het theater was immers niet zomaar een plaats voor het opvoeren van een komedie of tragedie, maar vooral een ontmoetingsplek van de elite en burgers.

Daarnaast speelde religie een vooraanstaande rol in het theater. Processies, offerandes en andere religieuze rituelen waren een vast onderdeel van de theateropvoeringen, die dagen achtereen konden duren.

Aosta, Romeinse theater, het enige overdekte Romeinse theater, gesitueerd naast het amfitheater

De Republiek

De laatste decennia van de Republiek overtroffen theateropvoeringen en de grootte van houten theaters, die aan vele duizenden toeschouwers ruimte boden, elkaar in originaliteit en kosten. De kosten werden gedragen door generaals, die rijk geworden door buit, politieke ambities hadden.

Ideologie, religie en propaganda gingen hand in hand. Het is tegen deze achtergrond dat de generaal Gnaeus Pompeius Magnus, Pompeius de Grote (106 – 48 v. Chr.) in 55 v. Chr. het eerste stenen theater in Rome bouwde, gepresenteerd als tempel, omdat het formeel nog steeds verboden was.

En er was inderdaad een tempel aanwezig, die echter in het niet viel bij de constructie voor tienduizenden toeschouwers. Geld is macht, er bovendien beschikte Pompeius over zijn legioenen.

Zijn grote tegenstrever Julius Caesar (100-44 v. Chr.) liet het er niet bij zitten en begon aan de bouw van een gigantisch stenen theater in Rome, dat echter pas in 11 v. Chr. door Augustus werd voltooid. Dit is het Marcellus theater in Rome. In Spanje bouwde Lucius Cornelius Balbus (100-32 v. Chr), een bondgenoot van Caeser, een groot stenen theater in Gades (Cadiz) in 44. Chr.

Theater Aventicum (Avenches)

Keizer Augustus

Onder Augustus (63 v. Chr.- 14 n. Chr.)werd het stenen theater een belangrijk ideologisch en politiek medium. Hij worstelde met de vraag hoe hij zijn monarchie in het Republikeinse Rome kon presenteren zonder koning genoemd te worden.

Dat was zijn adoptief vader Caesar in 44 v. Chr. immers fataal geworden. Het Principaat, Augustus noemde zich princeps inter pares, vandaar de naam Principaat, kon immers niet verhullen dat in feite sprake was van een monarchie, dat pas na Augustus een keizerrijk genoemd werd.

Hij zette hiervoor onder andere het theater in. Het Principaat en zijn instituties lieten zich noch ideologisch, noch staatsrechtelijk precies definiëren.

Propaganda

Van groter belang voor de legitimatie van de macht waren de propaganda en vooral het gevoel van vrede, veiligheid en economische voorspoed na decennia van burgeroorlog.

Niet de letter van de (republikeinse) wet, die formeel in stand bleef, maar de keizerlijke ideologie en de keizercultus waren de feitelijke grondwet.

Het theater werd een van de spreekbuizen en propaganda bouwstenen van het keizerrijk, een belangrijk communicatiemiddel, strikt hiërarchisch georganiseerd volgens een vaststaand bouwconcept.

De theaters, ideologie, communicatie

De theaters in Rome werden de architectonische maatstaf voor de provinciesteden en lokale elites, urbs pro maiestatae imperii ornata.

De lokale elite, die de theaters en de opvoeringen financierden, spiegelden zich aan de bouw- en cultuurpolitiek van de keizer, Rome en zijn naaste omgeving.

In deze ideologie waren theaters een belangrijk scharnier tussen de keizer en de burgers in de verre provincies.

De politieke betekenis van het theater vloeide voort uit de alom aanwezige keizerscultus, de standbeelden en andere afbeeldingen en omdat de opvoeringen plaatsvonden in naam van de keizer. Het theater was een politiek gebouw.

Het was een medium voor massacommunicatie, waarbij religie en zelfrepresentatie van de elite en de financiers een centrale rol speelden.

Augustus introduceerde om deze reden tal van nieuwe religieuze festivals en ceremonies, die in het theater tot uitdrukking werden gebracht in combinatie met opvoeringen.

Door de religie en politieke ideologie nauw met elkaar te verbinden creëerde  Augustus in de diepreligieuze antieke wereld een nieuwe structuur voor loyaliteit aan zijn persoon en regime.

Dit was de kern van de keizerscultus, die door priesters tot uiting werd gebracht. Augustus had het belang van theater goed ingeschat.

Politiek

Het politieke succes maakte het noodzakelijk voor de lokale elite ook in hun steden stenen theaters naar het voorbeeld van Rome te bouwen en festivals en ceremonies te organiseren, ten tijde van Augustus meer dan vijftig dagen per jaar. Het volk verwachtte dit van de keizer en dus van de lokale elite.

Een stenen theater en opvoeringen waren niet alleen een gunst van de keizer en de lokale elite, maar ook een recht van het volk. In het theater maakte een politieke betrokkenheid van de burgers plaats voor een deelname aan de opvoeringen door het publiekelijk uiting geven van goed- of afkeuring van beleid.

Augustus had immers in feite een absolute monarchie bewerkstelligd onder het mom van een republikeinse staatsvorm en het theater was een van de smeermiddelen dit systeem in stand te houden.

Theater Augusta Raurica

Amphitheaters

Amphitheaters ontstonden pas veel later, aan het einde van de 1e eeuw. Het Colloseum in Rome (70 n. Chr.) is het bekendste voorbeeld. Vanwege het succes in Rome werden in de 1e en 2e eeuw ook amphitheaters in de provincies gebouwd. Spektakels, wilde dieren en gladiatoren waren de belangrijkste evenementen. Het was echter net zoals het theater een politiek instituut van propaganda en communicatie met de burgers.

Theaters and amphitheaters in Zwitserland

Op het grondgebied van het huidige Zwitserland bestond tot Augustus geen theatercultuur, laat staan of een (stenen) theater of amphitheater.

In de eerste en 2e eeuw n. Chr. werden diverse grote stenen theaters gebouwd, onder andere in Augst, Lausanne, Nyon, Lenzburg en Avenches betaald en onderhouden door de lokale elite, soms wellicht met (financiële) steun van de keizer of diens naaste omgeving. Amphitheaters zijn aangetroffen in Windisch, Avenches, Nyon, Augst, Kaiseraugst en Martigny.

 (Bron: U. Pappalardo, Antieke Theater, Petersberg, 2007).

Avenches (Aventicum), amphitheater. Musée romain.

Engadin nader toegelicht

Diepblauwe meren, zonovergoten besneeuwde bergtoppen, met zijn landschap en unieke lichtinval is het Engadin een van de meest spectaculaire (vakantie)bestemmingen en natuurlijke omgeving in de Alpen.

Het boek presenteert de belangrijkste plaatsen en de mooiste landschappen, van Sent tot Sils, van Corvatsch tot Münstertal.

De Alpenpassen, viaducten, valleien, de bergen, meren, dorpjes en stadjes, rivieren en beekjes, Engadiner specialiteiten, de Reto-Romaanse taal, graffiti en architectuur zijn maar enkele van de besproken onderwerpen.

Van het mondaine Oberengadin tot het nog landelijke Unterengadin biedt het boek fascinerende inzichten in een van de mooiste hooggelegen valleien van Zwitserland, zo niet Europa.

Angelika Overath, Gebrauchsanweisung für das Engadin, München, 2016

 

Basel-Stadt en Basel-Landschaft

Niets is voor altijd, zelfs of ook niet in Zwitserland. Het ontstaan van het nieuwe kanton Jura in 1979, de keuze van Moutier (kanton Bern) om vanaf 2026 samen te gaan met het Kanton Jura of, bijvoorbeeld, de fusies van gemeentes.

Zwitserland zelf is hiervan ook het bewijs, zoals de nieuwe publicatie van François Walter (Text), Marco Zanoli (Karten), Historischer Atlas der Schweiz, (Zürich, 2021) toont. Ook het kanton Bazel kent een dergelijke geschiedenis.

Kanton Bazel (Basel)

Het kanton Bazel was vanaf 1501 lid van de Eidgenossenschaft of Confederatie van dertien kantons (vanaf 1513). De stad Bazel was de belangrijkste politieke en economische gemeente van het kanton. Een oligarchie van gilden en kooplieden bestuurde de stad en de omliggende gebieden, de Landschaft.

Na de reformatie van 1527-1528 vertrokken de laatste aristocratische families of ze gingen op in de burgerij. De bisschop en zijn kapittel vertrokken naar Porrentruy (Pruntrut in het huidige kanton Jura). De bisschop was tevens prins in het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie, vandaar de titel prinsbisschop en prinsbisdom.

Hij hield wel zijn eigendom en landgoederen, die zich uitstrekten tot in de Elzas, Zuid-Duitsland en de huidige kantons Jura, Bern en Basel-Landschaft. Deze situatie eindigde pas in de periode van de Franse inval in 1792-1798 en het Congres van Wenen in 1815. Het einde van de Franse overheersing betekende het begin van de restauratie, het herstellen van het ancien régime van de oligarchie van de stad Bazel.

Liestal, Museum BL

Kanton Basel-Landschaft

De oude tijd kwam echter niet meer terug in het kanton, niet in de stad Bazel, maar ook niet de de landelijke gebieden van de Landschaft. De stadjes, gemeentes en boerengemeenschapen van de Landschaft accepteerden de politieke dominantie van de stedelijke oligarchie niet neer.

Economische en demografische motieven

Economische en demografische motieven lagen hieraan ten grondslag. In de eerste plaats woonden er bijna twee keer zoveel mensen in de Landschaft als in de stad Bazel. Ten tweede was de Landschaft veel welvarender en zelfbewuster geworden sinds de zestiende en zeventiende eeuw, onder andere door de bloeiende textielindustrie.

De bevolking van de Landschaft eiste meer inspraak in de politieke besluitvorming. Dit leidde tot onenigheid met de regering van het kanton, die na 1815 feitelijk in weer handen was van de oude bestuurders van voor 1798.

1830

Vanaf 1830 organiseerden inwoners van de Landschaft zich, mede geïnspireerd door de opstand in Parijs in dat jaar. Dit leidde tot een referendum in het kanton met een meerderheid voor splitsing. De regering accepteerde dit echter niet.

Het leidde tot een periode van de ‘Basler Wirren’  en gewapend ingrijpen van de stadBazel, nadat inwoners van de Landschaft, na een referendum, op 17 maart 1832, een nieuwe Grondwet voor het nieuwe kanton Basel-Landschaft hadden aangenomen. Overigens waren er ook gemeentes, die geen splitsing van het kanton wilden (zoals bijvoorbeeld ook het geval was in 1974 in Moutier en een aantal andere kantons inzake de Jura). Het was een complexe situatie.

Burgeroorlog

In feite was er ook sprake van een soort burgeroorlog binnen de Landschaft, Dit blijkt uit een proclamatie van 20 augustus 1831 van voorstanders van afscheiding: “ Jeder, der zu Gunsten von Basel agiert oder Proklamationen verteilt, wird volgelfrei erklärt”. Ook in de eenentwintigste eeuw lopen de emoties vaak nog net zo hoog op, in Schotland, Catalonië of bijvoorbeeld bij relatief kleine gemeentelijke fusies.

De situatie dreigde uit de hand te lopen door een nieuwe militaire expeditie van de stad Bazel, die eindigde met een nederlaag op 3 augustus 1833. De Tagzatzung, de vergadering van de kantons,. greep toen in.

Op 26 augustus 1833 besloot ze met grote meerderheid tot de splitsing van het kanton in de kantons Basel-Stadt en Basel-Landschaft. Liestal werd de hoofdstad van het nieuwe kanton en zetel van de regering en parlement (Landrat).

Het nieuwe kanton Basel-Stadt accepteerde dit besluit van de andere kantons en nam op 3 oktober 1833 een nieuwe Grondwet aan.

De hereniging van beide kantons en referenda 

Het kanton Basel-Landschaft introduceerde in 1863 als een van de eerste kantons (de kantons met een Landsgemeinde uitgezonderd) direct democratische bepalingen: het direct kiezen van de regering (Regierung) door de burgers en het parlement van het kanton, het recht een lid van van het parlement tussentijds weer weg te stemmen,  het recht van initiatief (Initiatieve), en het verplichte referendum (obligatorisches Gesetzesreferendum) bij nieuwe wetgeving.

Een van de eerste referenda schafte op 4 maart 1864 het “Niemals Beschluss” van een hereniging van beide Bazels uit 1832 af. Vanaf 1900 ontstond in de twee kantons inderdaad een sterke beweging om tot een hereniging te komen.

Een referendum leidde in 1936 tot de voorbereiding van een hereniging. Toen kwam echter de Tweede Wereldoorlog en ging het momentum verloren. Een nieuw referendum in 1958 in Basel-Landschaft bevestigde echter de wens van een hereniging.

Twee gebeurtenissen dwarsboomden dit project: Basel-Landschaft was economisch zeer succesvol in de jaren 1960. Het kanton was zelfs het economisch sterkst groeiende kanton en dit verminderde de animo om met het relatief armere Basel-Stadt samen te gaan.

De tweede factor was de invoering van het vrouwenkiesrecht in het kanton in 1968. De vrouwen stemden op 7 december 1969 in overgrote meerderheid tegen een hereniging in het referendum voor een nieuw kanton Basel.

Een nieuw tijdperk? Eric Nussbaumer (SP), kanton Basel-Landschaft, president van de Nationalrat in 2024 (derde van links), Eva Herzog (SP), kanton Basel-Stadt, president van de Standerat in 2024 (vierde van links), op 6 December na hun benoeming. Beat Jans (SP), president van de regering van kanton Basel-Stadt, vijfde van links.

Samenwerking en kantonale verdragen

Weliswaar werken de kantons sedertdien op steeds meer gebieden samen, maar tot een hereniging komt het voorlopig niet meer. De inwoners van het kanton Basel-Stadt In september 2014 verwierpen in een nieuwe referendum de hereniging.

De beide kantons sluiten als soevereine republieken wel overeenkomsten op tal van gebieden, bijvoorbeeld de gezondheidszorg. De burgers in beide kantons hebben ook dan het laatste woord. De burgers van Basel-Stadt hebben bijvoorbeeld in een referendum de fusie van ziekenhuizen afgewezen, de burgers van Basel-Landschaft stemden voor. Zelfs de data van de Fasnacht verschillen, maar daarover is nooit een referendum gehouden.

(Bron: R. Teuteberg, Basler Geschichte, Bazel 1988).

Notre-Dame du Vorbourg

Het oudste Mariaheiligdom (12e eeuw) van kanton Jura bevindt zich in de vallei van Delsberg (Delémont), gelegen op een rotspunt aan de voet van de Birs, die bij Bazel in de Rijn uitmondt.

De kapel maakte oorspronkelijk deel uit van kasteel Telsberg. De aardbeving van 1356 verwoestte het kasteel. De kapel bleef grotendeels gespaard.

Na de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) werd de kapel uitgebreid tot aan de rots waarop de toren van Sint-Anna staat. In dezelfde tijd werd het standbeeld van Notre-Dame du Vorbourg opgericht. Op 7 april 1658 werd Maria de belangrijkste beschermheilige van de kapel.  De votief afbeeldingen uit 1671 behoren tot de opmerkelijkste van Zwitserland.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog legde de pastoor van Delsberg de gelofte af dat hij een permanent priesterschap in de kapel zou vestigen als Zwitserland aan de bezetting door de nazi’s zou ontsnappen. Tot 2018 werd deze dienst uitgevoerd door de Benedictijnen. De huidige waarnemer is een priester van het bisdom.

(Bron: www.delemont.ch).

Natuurhistorisch Museum 200 jaar

In 1821 opende Bazel zijn eerste nationale museum, het Natuurhistorische Museum (Naturhistorisches Museum Basel) in het gebouw Falkensteinerhof aan de Münsterplatz.

De gespecialiseerde bibliotheken, collecties en onderzoeksapparatuur waren niet langer over de stad verspreid, maar bevonden zich onder één dak, zeer tot genoegen van de onderzoekers. Ook het publiek stroomde toe.

Een deel van de collecties ging terug tot de Middeleeuwen en de verzamelwoede van de Basler burgerij in de vroegmoderne tijd. Zij legden in de 17e eeuw de basis voor de huidige collecties van ruim 11 miljoen objecten. De oudste is de tassenkreeft (Taschenkrebs) uit 1567.

Talrijke voorwerpen zijn afkomstig uit het kabinet van de arts Felix Platter (1536 – 1614). Andere stukken stammen uit het Amerbach-kabinet van de hoogleraar in de rechten Basilius Amerbach (1533 – 1591). Aan het begin van de 19e eeuw nam de behoefte aan ruimte voor de collecties toe nadat Peter Merian (1795 – 1883) ook zijn voorwerpen aan het pas opgerichte museum had geschonken.

Overigens verhuist het museum in 2028 naar een nieuw pand in de wijk St. Johann. De bouw is in de zomer van 2021 begonnen en zal naar verwachting in 2026-27 zijn afgerond. Het museum zal dit nieuwe pand delen met het archief van het kanton.

De collecties van het museum bestaan uit natuurhistorische voorwerpen uit de zoölogie, entomologie, mineralogie, antropologie, osteologie en paleontologie.

(Bron en verdere informatie: www.nmbs.ch).

Kasteel Waldegg

Het kasteel (Schloss Waldegg) ligt aan de voet van het Juragebergte, vlakbij  Solothurn. De Solothurner patriciër Johann Viktor von Besenval (1638-1713) liet het barokke kasteel tussen 1682 en 1686 bouwen als zomerresidentie.

Tegenwoordig is het kasteel eigendom van het kanton Solothurn. Sinds 1991 is dit monument van nationaal belang als museum opengesteld voor het publiek.

De permanente tentoonstelling is gewijd aan een centraal thema van de geschiedenis van Solothurn: van de 16e tot het einde van de 18e eeuw verbleven de gezanten em ambassadeurs van de Franse koningen in Solothurn en brachten (barokke) pracht, savoir-vivre en veel geld naar de stad.

De tentoonstelling belicht het sociale en economische belang van deze Franse aanwezigheid voor de plaatselijke patriciërsfamilies en de stad Solothurn.

Met de rijk gedecoreerde salons, de uitgebreide collectie prachtige schilderijen en het originele kasteelmeubilair, toont het museum de Frans georiënteerde levensstijl van de patriciërsklasse. Andere hoogtepunten zijn de twee kapellen.

(Bron en nadere informatie: www.dieschweizerschloesser.ch).

Het verslag van John Bowring over Zwitserland

Het verslag met de titel The Report on the Commerce and Manufactures of Switzerland presenteerde John Bowring aan beide kamers van het parlement in 1835 en het is gepubliceerd in 1836.

Bowring (1792-1872) bezocht het land en de meeste kantons in 1835. Hij schreef het rapport op basis van zijn indrukken en bezoeken, ontmoetingen en bijeenkomsten met politici, fabrikanten, handelaren, burgers, boeren en arbeiders. Deze samenvatting is gebaseerd op de volledige tekst die online beschikbaar is.

Introduction

“When I was directed to inquire into the commercial relations of Switzerland, it could not, indeed, but excite the attention of any reflecting person, that the manufacturers of Switzerland, almost unobserved, and altogether unprotected, had been gradually, but triumphantly, forcing their way into all the markets of the world, however remote, or seemingly inaccessible.

That such a remarkable result was not the consequence of geographical position is evident, for Switzerland neither produces the raw material which she manufactures nor when manufactured, has a shiny outlet port, except on the conditions her maritime neighbours impose upon her. No one of her fabrics owes its prosperity to protecting or interposing legislation.

Her progress has been almost unexampled in manufacturing prosperity. In most of the manufacturing cantons of Switzerland, the power of legislation is not only indirectly but directly in the hands of the whole body of the people. Were their commercial economy opposed to the common interest, it could not exist for a day. It has the sanction of universal experience and universal approbation.

Activity is visible everywhere, like in the trading and agricultural districts. There is no national debt in many of the cantons, and some of them nearly discharge their government’s expenses out of the interest of that capital which has been accumulated from the surplus revenues of many years.

But Switzerland is far away from all the great outlets of trade. The cotton she manufactures must be conveyed hundreds of miles from the Mediterranean and a greater distance from the Atlantic Ocean.

The silks she imports from Italy and France, and her wool from Germany. It must find its way over the Jura or the Alpine mountains; be conveyed down the irriguous rivers or on the inland lakes; yet, despite all impediments, the manufactured products of Switzerland are found in all the great markets of the universe; and the reason is simple, but unmistakable: Industry has been left to itself.

The system

Wealth has not been diverted by legislative interference from its natural tendencies. There has been no foolish struggle encouraged by the government between the protected monopoly of the few and the unprotected interests of the many.

It might be expected that the prohibitory system with which surrounding States have fenced their frontiers would alarm the manufacturers of Switzerland, and induce them to seek commercial alliances among neighbouring countries by adopting similar legislation, falsely called protective.

But such has not been the tendency of Swiss opinion nor the recommendation of Swiss experience. Many of the most enlightened manufacturers assured me that they were convinced that the free trade and the free-transit policy are the wisest, the most prosperous, and the best.

Notwithstanding the natural disadvantages of the geographical position of the Swiss cantons, I am persuaded there does not exist in the world a manufacturing industry more sound, healthy, and elastic than that of Switzerland.

While, on the one hand, it is an object of alarm to those who represent the interests of the protected portion of the manufacturers of France, while the markets of Germany and Italy are becoming less and less accessible to the produce of Swiss industry, that industry, on the other, is constantly making its way to new regions of demand.

That of the transatlantic states far exceeds the consumption it formerly found in Europe, and Switzerland has already, by courageous perseverance, in an intelligent and successful commercial policy. In travelling through the different districts, I constantly found merchants and manufacturers who had established connexions with the remotest countries of the globe.

The cantons

The cantonal independence has been singularly preserved. Revolutions which have entirely changed the constitution and the laws of one district have had little or no influence upon another. The boundary of a canton has bounded the most marked and violent political commotions. The civil war has not spread beyond the narrow sphere of local interests. No other example exists in the long continuance of separate adjacent communities so small yet wholly independent. Switzerland is a federation of large political self-governed families.

In some of the cantons, publicly assembled, the direct approval of a majority of the whole people is necessary to give any act of the legislature the form and sanction of law. In almost all, electoral suffrage is widely diffused and, in most instances, universal.

The independence of the different cantons has prevented the settlement of any general law of transit, the want of which is very sensibly felt. A significant proportion of the cantons receive a large part of their revenues from a Droit de péage, and the collection of tolls at the different frontiers necessarily impedes the transport of merchandise.

Merchants have made many attempts to equalise the transit duty and remove the charges and embarrassments of so many local administrations by some general plan. Still, the local influences have been hitherto invincible.

I had the satisfaction frequently of hearing discussions on trading and manufacturing interest. I was invariably struck with the calm and quiet good sense, the sobriety, order, and intelligence with which all such matters were debated.

It very frequently happens that, without local or personal influence, individuals are nominated by the electors solely on the grounds of their virtues or their talents. I am well aware this is not the place for those general details as to the improved condition of the labouring population of Switzerland.

Prosperity

I doubt whether any country has made the same comparative progress in prosperity. In the mountains of the Jura and Appenzell, along the borders of the lakes of Zurich and Constance, everywhere where the operatives are settled, I found in their habitations a mass of enjoyments, such as are possessed by few of similar stations in other countries.

If there be any ground for anxiety, it is in the gradual intrusion of machinery upon manual labour, an intrusion everywhere felt, and which menaces Switzerland more immediately and more alarmingly since so significant a portion of her manufactures is produced by domestic labour.

International relations

In December 1833, the Swiss confederation appointed a committee to report on the foreign commercial relations of Switzerland. The reports boast of the fact that the various industry of Switzerland has developed itself without protection or privilege for articles produced at home, as without prohibitions or duties on those imported from abroad, and it strongly recommends, in the fiscal and custom house struggle which is going on in Europe, that Switzerland should preserve a strict neutrality.

They declare that their political and commercial well-being demands perseverance in liberal legislation, which is the groundwork of their social policy.

The political character of the Prussian League—the interests of other countries, France, England, and Russia, which Switzerland is bound not to disregard — require that Switzerland should not be a party to a question likely to divide Europe into two opposing sections.

They state that however strong the motives for adhesion may be among the German cantons, opposed motives are far more vital in the Southern and Eastern districts, and, as the establishment of a different system between the North and South would destroy the unity of Switzerland, the Committee recommend that participation in the good or evil of the Prussian Commercial League should be declined.

Conclusion and recommendations

The Committee concludes the Report with the following resolutions: I. The Swiss confederation shall adhere to its established free trade and manufacturing system. II. Under no circumstances and conditions shall it form a part of the French custom-house system of the Prussian Commercial League or the custom-house line of any foreign nation. III. It shall use every effort to establish and extend the principles of free trade. IV. As far as possible, it shall discuss and establish conventions with the neighbouring states for maintaining the daily, reciprocal, economic, neighbourly and border traffic and market transactions. V. Wherever a free trade is not obtainable, it shall endeavour to remove all prohibitions, lower duties, and secure transit power on the most favourable terms.”

Grandval en de abdij

Het dorp ligt in de Grand Val (rond 900 Grandemvallem).  Het dorp en Moutier ontwikkelden zich na de stichting van de abdij Moutier-Grandval in 640.

Rudolf III (970-1032), de laatste koning van het tweede Bourgondische Koninkrijk (888-1032), schonk De abdij en Grandval in 999 aan het prinsbisdom Bazel. Dit bleef de situatie tot de Franse inval in 1792.

Na de reformatie raakte de abdij in verval en in vergetelheid en tegenwoordig herinneren alleen de bijbel van Moutier-Grandval (in het British Museum in Londen) en enkele andere kunstwerken aan de abdij, onder ander het Merovingische kruis van St. Germain (te bezichtigen in het historische en kunstmuseum (Musée jurassien d’art et d’histoire) in Delémont (Delsberg).

Na de Franse inval van 1792 ging het dorp over in de Franse departementen Mont-Terrible (1793-1800) en Haut-Rhin (1800-1813) voordat het in 1815 bij kanton Bern werd gevoegd.

De kapel, voor het eerst vermeld in 962 en gewijd aan Sint-Maarten, werd in de 14e eeuw een parochiekerk. Na 1663 werd het herhaaldelijk herbouwd. Het is een Gereformeerde parochie sinds 1531.

(Quelle und weitere Informationen: Historisches Lexicon der Schweiz, François Wisart/Übersetzung: Anja Lindner, 10.01.2006).