Kasteel van Rolle

Het kasteel (kanton Vaud) aan het Meer van Genève werd in het derde kwart van de 13e eeuw gesticht door het Huis van Savoye. De bouw van het eerste kasteel tussen 1264 en 1269 wordt bevestigd door dendrochronologisch onderzoek.

De vesting van Rolle wordt voor het eerst genoemd in documenten uit 1291 en was toen in het bezit van graaf Amédée V van Savoye. Het gebouw, opgetrokken uit tufsteen, een plaatselijke kalksteen, is een van de grootste in zijn soort (het carré savoyarde).

Het kasteel werd gebruikt om goederen op te slaan en voor verdediging. Er was zelfs een binnenhaven die vanaf het meer toegankelijk was. Rond 1330 stichtten de graven van Savoye het stadje Rolle ten westen van het kasteel.

In 1295 ging het leengoed over in handen van ridder Jean de Greilly, wiens nakomelingen tot in de 15e eeuw in het kasteel woonden.  Na 1400 erfden de Heren van Greilly  bovendien de uitgestrekte landerijen in Guyenne.

In 1531 gingen het kasteel en zijn bezittingen over naar Jean Amédée de Beaufort en in 1536 nam Bern het eigendom over na de verovering van Vaud (le Pay de Vaud). Jean Amédéus van Savoie, lid van de Ligue de la Cuiller (zie Swiss Spectator, 5 april 2021, La lique des chevaliers de la Cuiller, Liga van de Ridders van de Lepel) erkende zijn nederlaag pas in 1543.

Het kasteel van Rolle werd in 1558 gekocht door een rijke Bernse patriciër, Jean de Steiger. De familie behield het kasteel en zijn heerlijkheidsrechten bijna twee eeuwen. Het kasteel werd op 29 maart 1799, na de Franse ‘bevrijding’ van Vaud,  gekocht door de gemeente Rolle.

Tegenwoordig herbergt het monument onder meer een tentoonstellingsruimte en een historische bibliotheek met ruim 13.000 boeken.

(Bron en nadere informatie: www.chateauderolle.ch).

Hedendaagse Dans Neuchâtel

De associatie, Association Danse Neuchâtel (ADN ), is opgericht in 1996. In de zomer van 2003 lanceerde de ADN het festival Neuchâtel Scène Ouverte om dans naar en in het centrum van de stad te brengen met voorstellingen voor het Stadhuis, op de pleinen en in de parken en steegjes.

Met het evenement Hiver de Danses is de continuïteit ook in de winter gegarandeerd. Voortbouwend op het succes is Hiver de Danses zelfs in steeds meer locaties en plaatsen in het kanton te zien.

In 2018 is een samenwerking tot stand gekomen met het Théâtre populaire romand – Centre neuchâtelois des arts vivants in La Chaux-de-Fonds en Neuchâtel.

Hiver de Danses organiseert tegenwoordig dansevenementen gedurende het hele jaar, van januari tot december. Het doel is hedendaagse dans en choreografie in het kanton (en andere regio’s) te ondersteunen.

Bron en meer informatie: (www.danse-neuchatel.ch).

De Wederdoper David Joris stierf als Basler burger Johann von Brügge

De aanvang van de St. Margarethakerk in Binningen ligt in de 9e of 10e eeuw. De schenkers waren landeigenaren. Na hun dood, werden ze begraven in hun kerk.

De dorpen Binningen en Bottmingen (kanton Basel-Landschaft) waren sinds 1004 in het bezit van de bisschop van Basel. De eerste vermelding van St.Margrethen in 1251 toont haar bestaan als parochiekerk in handen van de bisschop.

Met de reformatie rond 1527 ging St.Margarethen over in handen van de stad Bazel. De kerk werd ondergeschikt gemaakt aan de St. Elisabethen in Basel. Het protestante Bazel verkocht de kerk en haar landgoed (St. Margarethengut) in 1530 aan private personen.

Johann von Brügge, een Nederlander die het burgerschap van Bazel  had verworven, verkreeg de kerk in 1544. Johann was echter niet zomaar een emigrant. Hij was de leider van de wederdopers in de Lage Landen en moest vanwege de vervolging vluchten.

Hij zocht zijn heil in Bazel, maar was wel zo verstandig zich uit te geven als aanhanger van Huldrych Zwingli (1484-1531) de reformator van Zürich met een grote invloed in Bazel.

Johann von Brügge was een pseudoniem voor David Joris (1501-1556), zijn eigenlijke naam. Hij bezat ook het kasteel van Binningen en enkele andere goederen.

Gedurende zijn verblijf in Bazel stond hij op goede voet met de elite, die zijn ware identiteit echter niet kende. Hoewel Bazel relatief tolerant was, werden ook in deze stad wederdopers niet getolereerd, al was de vervolging minder fanatiek dan in andere delen van de Confederatie.

Huldrych Zwingli (1484-1531) in de Kerk, als hij geweten zou hebben wie de nieuwe eigenaar was…

Zijn rijkdom dankte hij aan zijn schoonzoon, de adellijke  Joachim van Berchem (1520-1574). Deze nam na de dood van zijn schoonvader het kasteel, de kerk en het landgoed over.

De Leonardskirche

Spiesshof

David Joris woonde in Bazel in de Spiesshof en is in 1556 is aanvankelijk in de St. Leonardkerk begraven, maar na de ontdekking van zijn ware identiteit is zijn stoffelijk overschot uit de kerk verwijderd en verbrand. Joachim van Berchem woonde tot zijn dood op het kasteel in Binningen.

Een epitaaf in de St. Margarethenkerk herdenkt ook Niklaus von Diesbach (1684-1722), een kapitein uit Bern in Nederlandse dienst. De officier was op weg naar huis, toen hij in de buurt van Binningen van zijn paard viel en overleed. Hij is in de St. Margarethenkerk begraven.

Het toont de eeuwenoude band en relaties tussen Zwitserland en Nederland.

(Bron en nadere informatie: www.altbasel.ch)

De wijnbouw op de St. Margarethenheuvel

Bomen op het toneel in Bazel

Diverse recente boeken boeken, gratis apps (www.Basel-baeume.ch) met het kadaster van de bomen in de stad, tentoonstellingen (Het Museum Kleines Klingental vanaf 14 mei (Bäume in Basel) en in 2021 het Museum der Kulturen, het natuurhistorisch museum Basel en Kulturstiftung Basel H. Geiger | KBH.G.) en vanaf 29 april zelfs het theaterstuk Unter Bäumen over, met en onder bomen. De ontluikende bladeren in de stad van de groene oases zijn overal in het echt te zien.

Bomen en parken markeren vaak ook de plaats van verdwenen begraafplaatsen en stadsmuren. Veel bomen zijn in de loop van de eeuwen ook verdwenen om plaats te maken voor wegen,  stadsuitbreiding of renovatieprojecten.

Van sommige van deze projecten heeft men tegenwoordig spijt, andere zijn meer geslaagd. Alle hebben ze gemeen dat ze tegenwoordig met een groene bril worden bekeken. Pleinen, binnenplaatsen, langs wegen en fietspaden en oevers, de boom is helemaal terug van nooit helemaal weggeweest.

De Universiteit van Bazel, gesticht in 1460, lag op de toegangsweg naar de Münster. Haar botanische tuin is ook in deze tijd gesticht en lag aan de oevers van de Rijn. De  tuin zijn is in 1692 verhuisd, maar de diens contouren en bomen zijn tot op de dag van vandaag te zien.

De boom als hoofdrolspeler in een theaterstuk is echter opmerkelijk en vloeit voort uit de prominente plaats van bomen in de historie en het heden van de stad.

(Verdere informatie: Museum Kleines Klingental, Bäume in Basel,  www.mkk.ch;  Unter Bäumen, Vorstadttheater Basel).

De Wandelaars

Zwitserland is een wandelland. Duizenden goed aangegeven paden leiden wandelaars door gehuchten, dorpen, steden, parken, kloven, bergen, dalen, bossen, weides, langs meren, vennetjes, beekjes en rivieren en in alle hoeken van het land.

De rugzak, wandelstokken, reservekleren, moderne navigatiemiddelen (onder andere Schweizmobil, Swisstopo, Peakfinder) en voldoende proviand  horen bij de standaarduitrusting. De ware natuurliefhebbers hebben bovendien apps voor planten, bomen, vogels en andere dieren tot hun beschikking.

De benen blijven echter het belangrijkste hulpmiddel. De Franse kunstenaar Tjeerd Alkema (1942) is, zoals de naam al doet vermoeden, een geboortige Nederlander (Harlingen), die sinds 1963 in Frankrijk woont en werkt.

Bij de haven van Auvernier, aan het meer van Neuchâtel, heeft hij het belangrijkste hulpmiddel van de wandelaar prachtig weergegeven. De twee paar benen van de wandelaars geven treffend de essentie van het wandelen aan.

De sculptuur uit 2006 is een eerbetoon aan wandelaars uit Neuchâtel en van elders.

Archeologische vindplaats kathedraal Saint-Pierre

Onder de kathedraal Saint-Pierre in Genève uit de twaalfde eeuw liggen de resten verborgen van  de oudste kerken van Zwitserland. De eerste kerk dateert uit de vierde eeuw.

De heuvel is ook de archeologische vindplaats van de Keltische (de stam van Allobroges) en Romeinse tijd (vanaf 120 v. Chr.). De nederzetting heette toen Genava.

Het archeologische museum toont onder andere waterputten, materiaal voor de verwerking van graan, beelden, fundamenten van Romeinse gebouwen, graven van de Keltische Allobroges-stam en vele andere vondsten.

Het is een van de belangrijkste archeologische vindplaatsen ten noorden van de Alpen.

(Bron en nadere informatie: le site archéologique de la Cathédrale Saint-Pierre, www.site-archeologique.ch)

 

Le Fornel Gléresse

Het landhuis van de Heren van Gléresse “Le Fornel” werd in 1550 gebouwd door Rodolphe de Gléresse (1510-1564) op een domein van de prins-bisschop van Basel.

Het landhuis is 250 jaar (tot aan de Franse inval in 1798) in de familie gebleven en getuigt van de woonomgeving en de wijnbouw uit die tijd.

Sinds 1970 herbergt het gebouw het wijnmuseum (Rebbaumuseum) van de regio Meer van Biel/Bienne (www.rebbaumuseum.ch).

De wijnbouw rondom het meer beslaat ongeveer 220 hectare. Een document uit 866 toont dat er al meer dan 1000 jaar geleden wijnbouw plaatsvond.

In de middeleeuwen exploiteerden abdijen en kloosters de wijngaarden, na de Reformatie in 1530 vooral families uit Bern.

De middeleeuwse wijndorpen en stadjes hebben nog niets van hun charme verloren en houden hun tradities in stand.

De ongeveer 80 wijnbouwers rond het meer verbouwen van oudsher witte wijn en hebben bijna allemaal nog steeds hun eigen wijngaard. (Bron en verdere informatie: www.vinsdulacdebienne.ch).

De abdij van Ottmarsheim

Op de oude Romeinse weg van Straatsburg (Argentoratum) naar Augst (Augusta Raurica) ligt de abdij van Ottmarsheim in de Elzas. Ottersheim is voor het eerst genoemd in 881 als bezitting van het klooster Murbach. De abdij is genoemd naar St. Otmar, een abt van het klooster van St. Gallen in de achtste eeuw.

De abdij heeft ook een directe relatie met de dynastie van Habsburg, zoals een herdenkingssteen in herinnering brengt. De wortels van de Habsburgers liggen in de Elzas, Ottmarsheim en omgeving.

De abdij van Ottmarsheim is gesticht in 1030 door een van de voorouders van de Habsburgers, Rudolf van Altenburg. Zijn broer Radbot van Altenburg stichtte 1028 het klooster Muri (in het huidige kanton Luzern).

De abdij van Ottmarsheim is eeuwenlang het toneel geweest van strijd tussen Habsburg en de bisschop en later de stad Bazel. De relatie tussen Habsburg en Bazel normaliseerde pas na de Schwabenkrieg (1499) en de Vrede van Bazel. Bazel werd in 1501 lid van de Zwitserse Confederatie.

De Reformatie was echter de nieuwe bedreiging in 1517. De regio bleef echter katholiek. Het klooster werd een Stift voor adellijke dames uit Zwitserland, Elzas en Oostenrijk. Deze bestemming garandeerde ook een grote rijkdom.

De Dertigjarige Oorlog (1618-1648) veranderde weer alles. De nonnen vluchtten aanvankelijk naar het protestante, maar neutrale Bazel toen de Franse koning dit deel van de Elzas confisqueerde. De katholieke Lodewijk XIV (1638-1715)  garandeerde echter de (financiële en fysieke) veiligheid en integriteit.

De Frans Revolutie was echter fataal. Het nieuwe Franse bewind nationaliseerde het Stift in 1790 zonder vergoeding. Het complex werd afgebroken op de abdijkerk na. De gemeenteraad van Ottmarsheim had de kerk net op tijd gekocht. De kerk is nog steeds eigendom van de gemeente.

De abdijkerk heeft zijn Romaanse architectuur grotendeels behouden en fresco’s uit de veertiende tot de vijftiende eeuw. Het interieur heeft een sterke gelijkenis met de dom in Aachen, gebouwd door Karel de Grote (747-814)  in de jaren 796-804.

(Bron: H. J. Wörmer, J. Ottilie, Abteikirche Ottmarsheim, Ottmarsheim 2019).

Het begin van de horlogeindustrie

De steden Le Locle en La Chaux-de-Fonds in het kanton Neuchâtel zijn gebouwd voor de horloge-industrie en horlogemakers. De geschiedenis van het vakmanschap en de industrie komt tot uiting in de architectuur en stadsplanning.

Nergens anders ter wereld heeft de horloge-industrie zulke duidelijke en goed bewaarde sporen van haar ontwikkeling in een stedelijke omgeving achtergelaten.

De stad Le Locle is de oudste gemeente in het Juragebergte van het kanton Neuchâtel en wordt beschouwd als de bakermat van de horloge-industrie.

De eerste horlogefabriek  werd in 1705 opgericht door Daniel Jean-Richard (1665-1741). Sindsdien is de horloge-industrie een booming business in de regio (en Zwitserland).

Afbeelding: Espace de l’urbanisme horloger

De stad La Chaux-de-Fonds is ook gebouwd voor de horloge-industrie. Het dorp brandde in 1794 bijna volledig af. De herbouw stond geheel in het teken van de horloge-industrie, het werk, de ateliers, opslagplaatsen en (comfortabele) woningen voor de arbeiders.

In de tweede helft van de 19e eeuw ontwikkelde de stad zich snel. In 1857 werd een van de eerste spoorlijnen in Zwitserland aangelegd.

De horlogemetropolen La Chaux-de-Fonds en Le Locle hebben een horlogemuseum met een indrukwekkende collectie van de mooiste horloges uit de laatste eeuwen. De horloge-industrie is nog steeds belangrijk voor de regio.

Ook Nederland is vertegenwoordigd in het horlogemuseum van la Chaux-de-Fonds. Christiaan Huygens (1629-1695) heeft een ereplaats met een groot schilderij vanwege diens uitvinding van een spiraal voor de voortbeweging van het horloge en was hij de uitvinder van het slingeruurwerk, de staande klok, of de pendule.

De Fin de Siècle, de tijd rond 1900, is nog steeds overal te zien in architectuur en prachtige openbare en particuliere gebouwen. (Bron: Musée d’horlogerie du Locle, www.mhl-monts.ch, Musée international d’horlogerie – La Chaux-de-Fonds).

Zürioberland, Paul Burkhard en Tüfels Chilen

Niet veel Amerikanen en Engelsen zullen het Zürcher Oberland, regionaal ook wel Zürioberland genoemd, in verband brengen met een van de grootste muzikale hits uit de jaren vijftig.

De componist Paul Burkhard (1911-1977) componeerde in Zürich in 1939 de musical “Das Schwarze Hecht” voor het Schauspielhaus. Een van de nummers was het lied ’O mein Papa’.

Jack Metzger (1918-1999), Paul Burkhard, 1950. Foto: Sammlung ETH Zürich

Een wereldoorlog en elf jaar later koos de Zwitserse zangeres Lys Assias (1924-2018) dit nummer uit voor een optreden met het orkest van Radio Beromünster onder leiding van dezelfde Paul Burkhard. De uitzending op de radio was een groot succes en het lied werd opgenomen op een single, die toen juist aan zijn opmars begon.

(Tegenwoordig bijna vergeten: een single is een speelplaat met één nummer, een Langspeelplaat of LP heeft veel meer nummers van dezelfde artiest of groep).

In 1954 stond O mein Papa maandenlang nummer 1 op de Duitse hitparade. Snel daarna volgde een film van de musical onder de naam Feuerwerk wat nog meer bekendheid gaf aan het lied.

Vervolgens is het lied in diverse versies door verschillende artiesten gezongen. Het lied is in meer dan veertig talen beschikbaar, onder andere in het Nederlands, en is nog steeds regelmatig te horen.

Het grootste succes was echter in Amerika en het Verenigd Koninkrijk. In 1954 was de komedie onder de naam ‘Oh ! my Papa’ in Londen in West End te zien, in de tijd dat The Mousetrap van Agatha Christie (1890-1976) zijn eerste successen beleefde in 1952. In Amerika stond het nummer als eerste Europese hit acht weken lang nummer 1 in de hitparade met 1 miljoen verkochte exemplaren.

Ook niet veel Zwitsers zijn zich hiervan bewust. Wel degenen die op een wandeling het dorp Rämismühle-Zell passeren. Dit dorp in het kanton Zürich ligt vlakbij het kasteel (tegenwoordig een museum) van de Graven van Kyburg bij het Tösstal. Deze dynastie speelde tot haar uitsterven in 1264 een prominente politieke en militaire rol. Ze waren met Savoie en Habsburg de machtigste heersers in dit gebied.

De Paul Burkhardweg leidt de wandelaar door dit schitterende gebied met zijn lage bergen, wouden, weiden en dorpen.

Een van de bijzonderheden onderweg is de Obstgarten in Oberlangenhard (Rikon). Deze naam doet het restaurant met die naam alle eer aan. Verse groente, vers fruit, verse eieren en vers vlees te midden van fleurige weides, bloesems van boomgaarden en vee. Overigens is dit restaurant tot in Oslo bekend. Op 4 mei 1997 nuttigde Koningin Sonja van Noorwegen hier de lunch.

De vele fruitbomen en groentetuinen verbazen niet in deze waterrijke omgeving. Niet ver van Kollbrunn bevinden zich in de kloof Rörlitobel de zogenaamde Tüfels Chilen. Dit is een verzamelnaam voor waterbronnen.

De bron is bedekt door een metersdikke laag turf, waaruit twee grote en twee kleinere bronnen stromen. Deze vinden hun weg naar de Bäntalbach en zijn kleine zijbeekjes. De steile wanden en het vele (zon) licht vanwege de hoge loof- en naaldbomen zijn een ideaal oord voor orchideeën en andere planten die veel licht nodig hebben en in de lente hun pracht en praal tonen.

De Zwitserse Alpen Club

De Zwitserse Alpen Club (Schweizer Alpen Club, SAC/Club Alpin Suisse, CAS) organiseert regelmatig wandeltochten in deze omgeving (en elders) in het land.

Hoewel de naam anders doet vermoeden, organiseert de SAC niet alleen skitochten, bergbeklimmingen en andere sporten in het hooggebergte en de Alpen, maar ook (wandel) activiteiten in andere regio’s.

(Meer informatie: www.sac-cas.ch).