Klooster Disentis

Het klooster Disentis in het dorp Disentis/Munstèr (Romaans voor klooster, Kanton Graubünden) is rond 700 gesticht. De Sarazenen verwoestten het klooster in 940. Karel de Grote (748-814) en Duitse keizers van het Heilige  Roomse Rijk reisden naar Italië via Disentis op weg naar of van de Lukmanierpas.

De abt van het klooster speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van de Graue Bund in 1395. 1497 werd de Graue Bund mede op initiatief van de abdij zugewandter Ort of geallieerde van de Eidgenosssenschaft.

De twee volgende eeuwen stonden in het teken van de Reformatie in de Freistaat der Drei Bünde (vanaf 1524, 1803 kanton Graubünden), Disentis bleef hiervan echter gevrijwaard.  De renovatie van het complex in de barokke stijl vond plaats aan het einde van de zeventiende eeuw.

De oorlog tussen Frankrijk en Rusland en Oostenrijk bereikte 1799 ook Disentis en het klooster ging in vlammen op. Een ding wordt het klooster echter bespaard: ze is na 1815 niet opgeheven door het nieuwe kanton. Om deze reden is het klooster zijn veertiende eeuw ingegaan en is onlangs de Mariakapel gerenoveerd.

Bron en verdere informatie: Klooster Disentis

Impressies

De kloosterkerk

De Kapel

\

Verdere Impressies

 

 

Slot Lenzburg, zijn geschiedenis en beroemde bewoners

In Lenzburg (Kanton Aargau) prijkt hoog boven de stad een indrukwekkend middeleeuws kasteel.  Het is een van de beste bewaarde Höhenburgen in Zwitserland.

De stad Lenzburg heeft een nog veel oudere historie. De restanten van het stenen Romeinse Amfitheater voor 4 000 toeschouwers wijzen op een nederzetting van belang in de Romeinse tijd.

De Romeinse naam is echter niet bekend, maar het nabijgelegen Romeinse garnizoen van Vindonissa (het huidige Windisch), de grensrivier (Limes) de Rijn en de Aare en de Romeinse wegen maakten de locatie van het huidige Lenzburg relevant uit militair en commercieel oogpunt.

De naam is afgeleid van het Alemannische woord ‘Lencis’ en toont de aanwezigheid van deze Duitstalige stam na het vertrek van de Romeinen. De eerste bekende schriftelijke vermelding dateert uit 893. (zie ook museum Burghalde in Lenzburg).

Het kasteel (castellum) Lenciburg komt voor in een document uit 1077 ten tijde van graaf Ulrich II van Lenzburg. Dit geslacht stierf in 1173 uit. De keizer van het Heilige Roomse Rijk Frederik I (keizer Barbarossa 1121-1191) ) erfde het slot. Na diens dood verwierven de graven van Kyburg het slot en na het uitsterven van dit geslacht in 1263 de Habsburgers.

Lenzburg kreeg in 1306 stadsrechten en de stad en het kasteel kregen hun middeleeuwse contouren, gevolgd door talrijke renovaties en uitbreidingen.

Bern veroverde Lenzburg (en Aargau, afgezien van het Fricktal) in 1415 en verwierf het kasteel in 1444. Van 1444 tot 1798 woonden de Berner voogden in het kasteel. Bern introduceerde de reformatie in Lenzburg in 1528.

Het wapen van Bern en Habsburg bij de hoofdpoort, zo groot was het prestige van Habsburg.

Na de oprichting van het kanton Aargau werd Lenzburg in 1803 de hoofdstad van een district. De stad ontwikkelde zich tot een katoenproducent en expeditiecentrum voor de Lenzburgse “katoenheren”. Ook de Engelse textielproducenten en politici waren destijds zeer onder de indruk van de innovatieve textielindustrie in Lenzburg en de Confederatie.

Het kanton Aargau beheerde het kasteel van 1803 tot 1860. Na 1860 waren beroemde Zwitserse, Duitse, Engelse en Amerikaanse families eigenaars, achtereenvolgens de families Pestalozzi-Scotchburn, Wedekind, Jessup-Bowes Lyon en Ellsworth.

Het kanton Aargau en de stad Lenzburg kochten het kasteel tenslotte in 1956. De Vereniging Freunde der Lenzburg beheert het slot en het daarin gevestigde museum.

(Bron en verdere informatie: Stadt Lenzburg; Schloss Lenzburg)

Impressies van het kasteel en stad Lenzburg

Foto vanaf Slot Lenzburg, op de tegenoverliggende heuvel de Staufbergkirche

De Staufbergkirche

    

Het oude Rathaus (stadhuis)

De Aabach

Aarau of het ontstaan van een hoofdstad

De stad Aarau (kanton Aargau) ontleent haar naam aan de rivier de Aare, de grootste toeleverancier van de Rijn. Een paar kilometer verderop stroomt de Aare bij het Zwitserse Koblenz in de Rijn en vervolgt zo haar weg naar Rotterdam.

De Aare en de Waterkrachtcentrale bij Aarau

Aarau is niet zomaar een stad, maar de hoofdstad van kanton Aargau. De Kelten, noch de Romeinen, de Habsburgers of de inwoners van Aarau hadden deze status tot 1798 in gedachten.

Graaf Hartmann von Kyburg

Vanwege de ligging aan de Aare was deze streek in de Keltische en Romeinse tijd al bewoond. De graven van Kyburg stichtten de plaats rond 1250. Het kasteel, de molen en de oude stadsmuren- en torens stammen ook uit deze tijd.

De middeleeuwse molen en kasteel

Koning Rudolf I van Habsburg (1218-1291) verwierf de plaats in 1273 en verleende haar in 1283 het stadsrecht. In 1415 veroverden Bern en Solothurn echter een groot deel van Aargau (alleen het Fricktal bleef tot 1803 Habsburgs bezit).  Aarau wordt dan door Bern bestuurd als Untertanengebiet (met een relatief grote autonomie).

Aarau was tot 1415 gebied van Habsburg. Overal in de stad zijn de Habsburgse dubbele adelaar én het wapen van Bern te zien

Tijdens de Reformatie kozen de burgers met een kleine meerderheid voor het Protestante geloof en vanaf 1531 vond de bijeenkomst (Tagsatzung) van de vertegenwoordigers van de gereformeerde kantons regelmatig in Aarau plaats. Baden bleef echter de belangrijkste plaats voor de Tagsatzung van alle (katholieke en protestante) kantons, hoewel de religieuze (en andere) verdeeldheid de effectiviteit belemmerde.

De Franse invasie van 1798 maakte in maart een einde aan bijna vier eeuwen heerschappij van Bern. De Franse revolutionaire idealen vonden ook in Aarau een enthousiast gehoor en op 12 april wordt vanaf het stadhuis de door de Franse bezetter opgelegde Helvetische Republiek (1798-1803) uitgeroepen. Het parlement van deze eenheidsstaat zetelde in het stadhuis, de regering (het directorium) in het Haus zum Schlossgarten.

Aarau is dan feitelijk de eerste hoofdstad van Zwitserland. Deze status is van korte duur. De infrastructuur ontbreekt en vanaf september 1798 is Luzern de nieuwe hoofdstad van de Helvetische Republiek en de zetel van het parlement en het directorium.

De revolutionaire idealen van 1798 maakten echter ook in Aarau al snel plaats voor de realiteit van een Frans bezetting en een ongewenste eenheidsstaat. Overal in deze republiek ontstonden (gewapende) opstanden en Napoleon intervenieerde in 1803 persoonlijk. Hij ontbond de Helvetische Republiek en herstelde door de Acte de Médiation (Mediationsakte) de oude confederatie van kantons met de creatie van zes nieuwe kantons, waaronder kanton Aargau (inclusief het Fricktal).

Regierungsgebäude

Städtisches Rathaus. Het oudste deel stamt uit de 13e eeuw. Daarna aangepast en uitgebreid in de 16e en 19e eeuw.

Aarau wordt de hoofdstad van het nieuwe kanton. Evenals andere hoofdplaatsen van kantons, feitelijk dorpen, bijvoorbeeld in de kantons Schwyz, Glarus, de beide Appenzeller, Obwalden en Nidwalden, is ook Aarau een metropool op microniveau, zoals Bazel, de hoofdstad van kanton Basel-Stadt, een kosmopolitische multiculturele wereldstad is met het levensritme van een dorp.

Bron en verdere informatie: A. Lüthi, Aarau, Historisches Lexikon der Schweiz, 25.11.2016; Gemeinde Aarau)

Impressies van Aarau

 

Stadtkerk (1478)

Het Stadtmuseum

Het Aargauer Kunsthaus

Heinrich Zschokke (1771-1848)

Bloemen voor de kunst in Aarau

Van 5 tot 10 maart 2024 viert het Aargauer Kunsthaus voor de 10e keer het begin van de lente met de tentoonstelling ‘Blumen für die Kunst’.

Hans Ernst Brühlmann, Mädchen auf dem Hügel, 1907. Florist Massimo Bundi

Arnold Böcklin, Bergschloss mit Kriegerzug, 1871. Florist: Rémy Jaggi

Samen met de kunstvereniging Flowers to Arts presenteert het Kunsthaus deze tentoonstelling, die de lente naar Aarau brengt. Bloemisten laten zich inspireren door kunstwerken uit de collectie van het Aargauer Kunsthaus en geven er een floraal antwoord op.

‘Blumen für die Kunst’ verbindt bloemisterij en kunst en biedt verrassende perspectieven bij het bekijken van de 14 werken in de collectie.

(Bron en verdere informatie: Das Aargauer Kunsthaus)

Otto Morach, Fabrikumbau, 1916. Floristin: Angela Kaspar

De holenbeer van Wenslingen, Grossholz van Ormalingen en de Ergolz in Oltingen

De beek Ergolz in kanton Basel-Landschaft heeft een lengte van ongeveer 30 Kilometer. Ze ontspringt op een hoogte van 830 meter bij de  Geissflue op de kantonsgrens van Basel-Landschaft en Solothurn. Daarna stroomt ze onder andere door de dorpen Anwil, Oltingen, Rothenfluh en Ormalingen op weg naar de Rijn.

Anwil

De Ergolz is de ader van het Talweiher Naturgebied en zijn vennen (Talweiher). Talrijke watervallen en beken vloeien stroomafwaarts in de Ergolz. Het waterrijke dal is een belangrijke habitat voor de Zwarte Specht, de bever en tal van andere dieren en een rijke flora.

De grenzen van kantons gaan of gingen soms door dorpen en stadjes. Bovendien zijner soms enclaves van kantons (bijvoorbeeld in regio van de Murtensee/lac Morat en Schaffhausen/Zürich) en zelfs van buurlanden in kantons (bijvoorbeeld Campesino in kanton Tessin en Büssingen in kanton Schaffhausen). Het dorp Oltingen kende ook zo’n historie met de Ergolz als grensbeek.

Oltingen, de berg en pasovergang de Schaffmatt (820 m) op de achtergrond

De Ergolz in Oltingen

St. Nikolaus kerk (1296), renovatie 15e eeuw. Prachtige Fresken uit de 15e eeuw. 

In de middeleeuwen bestuurden de graven van Homberg, Froburg, Homburg und Thierstein achtereenvolgens het dorp. Bazel verwierf het dorp in 1461. De Ergolz scheidde echter het dorp in twee delen. De rechteroever bleef tot de 17e eeuw bezit van Habsburg. Bazel verwierf  dit deel pas in de 17e eeuw.

Ormalingen en de Ergolz

De Houtweg en het Grossholzwald 

Ormalingen is een ander dorp aan de oevers van de Ergolz. Ormalingen is niet alleen vanwege de Ergolz en zijn middeleeuwse kerk bekend. Even voorbij het dorp begint een van de grootste aaneengesloten bosgebieden van Zwitserland, de Grossholz. De Grossholzweg doet zijn naam dan ook alle eer aan, nomen est omen, bovendien met prachtige uitzichten over dalen, dorpen, weides en beken.

Das Grossholz

Een van deze dorpen is Wenslingen met zijn monumentale panden en boerderijen en het uitzicht op de Wisenberg in een landschap met ‘Kopfweiden’ en akkerbouwgrond, doorkruist door Anton Pieck-achtige beekjes.

De Wisenberg ( (1002 m)

 

Wenslingen

Wenslingen, Ormalingen en Oltingen zijn afgeleid van Alemannische namen, een Duitstalige stam, die na het vertrek van de Romeinen in de vijfde eeuw naar deze regio emigreerde. Bij hun komst was (vulgair) latijn de spreektaal van de geromaniseerde Kelten. Binnen enkele generaties was Duits (het Alemannische dialect) echter de spreektaal.

De dorpen Ormalingen, Wenslingen, Oltingen en Anwil liggen maar een paar kilometer van elkaar. Maar ook dit korte traject heeft vele culturele en natuurlijke bezienswaardigheden en zelfs de holenbeer heeft zich hier duizenden jaren geleden al thuis gevoeld, getuige de grot (Bärenloch) bij Wenslingen en de daarin gevonden botten en tanden van een holenbeer!

De Ergolz stroomt uiteindelijk bij de oude Romeinse Colonia Augusta Raurica (het tegenwoordige Augst (kanton Basel-Landschaft en Kaiseraugst (kanton Aargau) in de Rijn, vlakbij de waterkrachtcentrale Wyhlen-Augst.

Zo is de cirkel rond. Het gebied van Wenslingen, Ormalingen en Oltingen was immers in de Romeinse (en prehistorische en Keltische) tijd ook al bewoond en de Ergolz was samen met een Romeinse weg de verbindende factor.

De Zwitserse Alpen Club

De Zwitserse Alpen Club (Schweizer Alpen Club, SAC/Club Alpin Suisse, CAS) organiseert regelmatig wandeltochten in deze omgeving (en elders) in het land.

Hoewel de naam anders doet vermoeden, organiseert de SAC niet alleen skitochten, bergbeklimmingen en andere sporten in de Alpen, maar ook (wandel) activiteiten in andere regio’s.

Het Talweiher Natuurgebied

De vennen (Weiher)

De Style sapin, La Chaux-de-Fonds en Charles L’Eplattenier

Tussen 1905 en 1914 bedachten studenten aan de École d’art de La Chaux-de-Fonds (kanton Neuchâtel), onder leiding van hun leraar Charles L’Eplattenier (1874-1946), een originele artistieke taal (le Style sapin) geïnspireerd door de lokale natuur van de Jura. sapin betekent den en die zijn er immers genoeg in deze regio.

In het begin van de twintigste eeuw was la Chaux-de-Fonds een stad in volle ontwikkeling. In amper zestig jaar tijd was de bevolking verdrievoudigd en het geïsoleerde dorp midden in de bossen op 1000 meter hoogte in het Juragebergte was een industriestad geworden met 40.000 inwoners, een fabrieksstad die volledig en uitsluitend gericht was op horlogerie.

La Chaux-de-Fonds richtte een aantal gespecialiseerde scholen op om de vele leerlingen op te leiden: de horlogeschool natuurlijk, maar ook de mechanicaschool, de handelsschool, de beroepsschool voor jonge meisjes en tot slot de school voor toegepaste kunst voor de industrie, of kortweg: de kunstschool.

De kunstschool van La Chaux-de-Fonds werd in 1870 opgericht door de Société des Patrons Graveurs. De school werd in 1872 overgenomen door de stad en verhuisde een paar jaar later naar het gloednieuwe Collège industriel (tegenwoordig het Collège Numa-Droz en de stadsbibliotheek).

Charles L’Eplattenier. Foto: Wikipedia

Charles L’Eplattenier

Charles L’Eplattenier werd op 9 oktober 1874 geboren in een boerenfamilie in de buurt van Neuchâtel. Tijdens zijn leertijd als huisschilder volgde hij ook tekenlessen. Hij was getalenteerd en gepassioneerd en werd door zijn familie naar Boedapest gestuurd, waar hij zich inschreef aan de School voor Decoratieve Kunsten. Dankzij een kantonnale beurs ging hij vervolgens naar Parijs om drie jaar te studeren aan de École Nationale Supérieure des Beaux-Arts.

Charles L’Eplattenier, Les Musiciennes, 1907, nog Art Nouveau. Collectie: Musée des beaux-arts de La Chaux-de-Fonds

In 1897, terug in Neuchâtel, werd Charles L’Eplattenier aangenomen door de École d’art de La Chaux-de-Fonds als tekenleraar. Hij was 23, zeer ambitieus en charismatisch.

De geboorte van de ‘Sapin-stijl’

In 1905 stelde L’Eplattenier voor om een hogere kunst- en decoratiecursus te openen voor de beste studenten van de school. Een belangrijke vernieuwing was dat deze cursus niet langer beperkt zou blijven tot horlogerie-gerelateerde vakken.

L’Eplattenier zette het hele designonderwijs op zijn kop, herzag het curriculum en paste resoluut moderne en innovatieve lesmethoden toe. Zijn grote ambitie was het creëren van een nieuwe formele artistieke taal, geworteld in de Jura.

Hij droomde ervan om samen met zijn studenten een regionalistische variant van de Art Nouveau (Jugendstil in Duitsland, Modernismo in Spanje) uit te vinden, specifiek voor La Chaux-de-Fonds.

André Evard (1876-1972), Femme à la Fourrure, 1909. Collectie: Musée des beaux-arts de La Chaux-de-Fonds

L’Eplattenier wilde de natuur van de Jura, haar flora en fauna, als zijn belangrijkste (zo niet enige) inspiratiebron nemen. Hij definieerde een methode, in vijf opeenvolgende fasen, die zijn studenten zich één voor één eigen moesten maken: beginnen met de observatie van de natuurlijke vorm in situ, om het essentiële element, het idee, eruit te halen en geleidelijk te komen tot een geometrisch, gestileerd motief dat vervolgens gebruikt kon worden in decoratieve composities.

Onder impuls van L’Eplattenier nam de École d’art de La Chaux-de-Fonds deel aan wedstrijden en internationale tentoonstellingen en won het erediploma op de Internationale Tentoonstelling van Milaan in 1906 voor de zakhorlogekasten die door haar studenten waren gemaakt.

La Chaux-de-Fonds, Crematorium. Foto: Wikipedia

Les Ateliers réunis en de Villa Fallet

In 1910 schakelde L’Eplattenier een versnelling hoger en lanceerde de Ateliers d’arts réunis met als doel “de samenwerking tussen kunstenaars, industriëlen en handelaars aan te moedigen”. Concreet produceerden de Ateliers voornamelijk decoratieve opdrachten die dienden als praktisch werk voor de studenten.

Ze ontwierpen een tiental interieurs, waaronder de woningen van horlogeriebazen, zoals de Salon bleu Spillmann, maar ook de hal van het postkantoor in La Chaux-de-Fonds, de kapel in Cernier-Fontainemelon en het paviljoen van het observatorium in Neuchâtel.

Observatorium in Neuchâtel

Het jaar daarop maakte L’Eplattenier zich los van de school door een Nieuwe Sectie op te richten binnen de Kunstschool. Het doel was om al deze disciplines samen te laten werken aan gezamenlijke projecten en, idealiter, de artistieke productie te integreren in de maatschappij en de regio.

Fotografie: © Aline Henchoz

L’Eplattenier werd bijgestaan door drie assistenten, waaronder Charles Édouard Jeanneret (1887-1965), de toekomstige Le Corbusier, voor de architectuur. Samen met Jeanneret overtuigde hij horlogemaker Louis-Edouard Fallet (1845-1916) om het hele ontwerp en de bouw van zijn villa toe te vertrouwen aan studenten van de school. De Villa Fallet zou het ultieme manifest van de Sapin-stijl worden – een collectief en totaal kunstwerk.

Het einde en de herontdekking van de stijl van Sapin

In slechts een paar jaar tijd had Charles L’Eplattenier van de kunstschool van La Chaux-de-Fonds een van de drie belangrijkste van Zwitserland gemaakt, naast Zürich en Genève. Maar ondanks, of dankzij, deze successen kwam L’Eplattenier vanaf 1913 in open conflict met zijn management en met de ‘klassieke’ docenten aan het Collège industriel.

Zijn assistenten probeerden de Nouvelle Section te redden en kregen steun van de grote namen van de Art Nouveau in Parijs, Berlijn en München, die een manifest ondertekenden. Tevergeefs, het stadsbestuur sloot de sectie op 1 augustus 1914. Les Ateliers réunis gingen twee jaar later failliet bij gebrek aan sponsors.

Fotografie: © Aline Henchoz

De term “sapin-stijl” is een recente uitvinding: L’Eplattenier en zijn tijdgenoten hebben hem nooit gebruikt. De stijl zelf werd snel vergeten en veel van zijn creaties werden vernietigd: de hal van het postkantoor verloor zijn decoraties in 1959 en de kapel in Cernier-Fontainemelon is in 1975 omgebouwd tot appartementen (hoewel de originele glas-in-loodramen vorig jaar in een pakhuis werden teruggevonden).

De herontdekking en van het avontuur van de ‘sapin-stijl’ dateert van zo’n vijftien jaar geleden. Het Musée des Beaux-arts de La Chaux-de-Fonds wijdt er tegenwoordig een zaal aan, waar de beroemde glas-in-loodramen en hun typische motieven van gentianen, distels en dennenbomen te zien zijn.

Lars Kophal (Neuchâtel), redacteur en journalist 

Impressies van de collectie van de Style Sapin in het Musée des beaux-arts de La Chaux-de-Fonds

De Vallei van Trient tot Châtelard-Frontière en de Espace Mont Blanc

De afstand van de Zermatt tot Chamonix is hemelsbreed 60 kilometer. De route per spoor of weg bedraagt ongeveer 140 kilometer. De afstand van de wandelweg is afhankelijk van de route en moeilijkheidsgraad en is tussen de 170 en 200 kilometer, maar dan krijg je ook wat. Bergpassen, gletsjers, talloze beekjes en watervallen, valleien, flora en fauna, dorpen en stadjes en (met helder weer) de Matterhorn of de Mont Blanc in zicht.

De Mont Blanc

Een combinatie van vervoer is ook mogelijk. Vanaf Zermatt rijdt een trein door het Mattertal en vanaf Stalden ( de andere splitsing rijdt door het Saastal) door het Vispertal tot Visp (vernoemd naar de rivier Vispa). Onderweg zijn er al diverse mogelijkheden voor wandelingen met uitzicht op de hoogste bergen van Zwitserland.

Vanaf Visp gaat een trein of autoweg naar Martigny, met onderweg de bekende plaatsen, onder andere Leuk, Leukerbad, Siders, Crans Montana, Verbier en Sitten en, onder andere, het Löschental, Turtmanntal, Val d´Anniviers (ongeveer de taalgrens van het kanton), Val d´Hérens, Val de Bagnes, Val d´Entremont en Val Ferret.

Deze bijdrage gaat echter met name over het veel minder bekende traject (de Vallée du Trient), vanaf Martigny tot aan een van de kleinste grensplaatsen van Zwitserland, Châtelard-Frontière. Deze route is 20 kilometer lang. Deze regio is ook bekend vanwege het project Espace Mont-Blanc van Frankrijk, Italië en Zwitserland.

Afbeelding: Espace Mont Blanc

Martigny

Martigny heeft een rijke (Keltische en Romeinse) historie en een divers cultureel aanbod (onder andere de Fondation Pierre Giannada, de Fondation Barry en de Médiathèque Valais). Bij Martigny buigt de Rhône af naar het noorden.

De Rhône op weg naar het noorden.

Na de opkomst van het (Engelse) toerisme vanaf 1850 was er een verbinding met diligences vanaf Martigny tot aan Chamonix, La Route des Diligences. Door de aanleg van de spoorlijn in 1906 werd deze steeds minder belangrijk. Deze spoorweg functioneerde tot 1935 alleen in de zomer, daarna ook in de winter. Tenslotte heeft de auto de diligence helemaal overbodig gemaakt. Wel zijn er nog steeds restanten, onder andere wegbewijzering en bruggen van te zien, onder andere in Le Trétien.

De weg naar de Franse grens voert onder andere door de dorpen Vernayaz, Salvan, Les Marécottes, La Médettaz, Le Trétien, Finhaut, Châtelard-Village en Châtelard-Frontière. Diverse gehuchten op deze route zijn af te leggen in le Tour des hameaux.

Vernayaz

Even voorbij Martigny ligt richting Châtelard-Frontière de Vallée du Trient. Bij de Gorges du Trient bij het plaatsje Vernayaz vond in 1844 een van de laatste (vergeten) veldslagen op Zwitserse grondgebied plaats. De prachtige vallei is een geweldig wandelgebied en bovendien ligt het op maar 20 kilometer van de Franse grens.

De batterij voor electriciteit voor de treinen van de SBB in Vernayaz

Salvan

Het eerste grotere dorp na Vernayaz is Salvan (woonplaats van een kok van de Titanic en geboorteplaats van de telegrafie). De weg door de kloof van Dailley  (Gorges du Dailley) is in 1895 aangelegd en in 1995 na een renovatie weer opengesteld voor het publiek.

Salvan

Les Marécottes

Het dorp Les Marécottes is onder andere bekend vanwege zijn skigebied, dierentuin, de groente chou-rave valaisan (rutabage in het Frans), die oorspronkelijk uit Zweden komt (Rotabaggar), maar in dit en omliggende dorpen een eigen leven is gaan leiden. Jean-Charles Squinabol (1769-1836), een deserteur uit het leger van het koninkrijk Sardinië, vestigde zich in het dorp en introduceerde deze groente in deze regio.

La Médettaz

La Médettaz

Zelfs het gehucht La Médettaz kende in 1900 al een verblijf voor toeristen, Pension de la Creusaz. Tegenwoordig is er een camping om de toeristen onder te brengen. De Gorges du Triège en het kunstmatige meer Combassas (aangelegd in 1898) zijn de belangrijkste trekpleisters.

Le Trétien

Dit dorp is vooral bekend vanwege de kloof van Triège (Gorges du Triège) en zijn vele bruggen uit 1870, de route naar Col de la Forclaz en de route Martigny-Chamonix. Het eerste hotel is gebouwd in 1888, la Pension de La Dent du Midi, vervolgens kwamen la Pension du Mont-Rose (1893) en le Chalet de la Forêt (1913) in dit kleine dorp.

De brug van de Route des Diligences (midden 19e eeuw)

De Gorges du Triège en zijn vele bruggen

De diligences en handelaren met hun muildieren passeerden al eeuwen lang deze kloof bij het dorp. De bekendste brug op deze verkeersweg (le Sentier de muletiers) is de stenen brug uit 1808, die de houten brug uit voorgaande eeuwen verving. De eerder genoemde Jean-Charles Squinabol heeft deze brug gebouwd.

De brug en le sentier de Muletiers (1808) 

Deze weg is vanwege de cultuur-historische waarde opgenomen in het federale inventaris van historische verkeerswegen (l´inventaire des Voies de communication historique de la Suisse). Het pittoreske dorp is opgenomen in het cultureel erfgoed (ISOS) van Zwitserland.

Finhaut

Finhaut had in 1865 al drie hotels, in 1913, aan de vooravond van WOI (1914-1918), waren het er maar liefst negentien in dit kleine dorp, mede door ligging aan de (spoor) weg Martigny-Chamonix, de nabijheid van de Zwitserse Alpen, onder andere de gletsjer van de Trient (Le glacier du Trient), natuur en het Mont Blanc Massief.

Voormalig hotel met op de achtergrond de glacier du Trient

La pension de la Croix- Fédérale (1860), Hôtel-Pension Bel-Oiseau (1879), le Beau Séjour (1892), le Chalet suisse (1895), le Grand Hôtel de Finhauts (1896), le Mont Fleuri (1906), le Victoria ( 1906) en het beroemde Bristol hotel (1908), waar onder andere de Belgische Koning Albert I (1875-1934) regelmatig logeerde, waren de belangrijkste verblijven voor gasten.

Station Finhaut

Hotel Bristol

De kerk en het Chalet suisse

Rond de eeuwwisseling bouwden Engelse bezoekers bovendien een Engelse kerk. Na WOI en vooral na WOII (1939-1945) kon het dorp niet meer concurreren met andere wintersportdorpen en hun moderne faciliteiten, wel bleef het vooral zomers een druk bezocht vakantieoord. Andere bezienswaardigheden zijn de kerk uit 1929, een opvolger van de oude kapel uit 1649, het oude postkantoor en le café de la Poste.

Châtelard-Village

Châtelard-Village is met name bekend vanwege zijn stuwdammen en de Funiculaire. De Zwitserse spoorwegen (SBB/CFF) bouwden al in 1917 de eerste waterkrachtcentrale om treinen van elektriciteit te voorzien!

Waterkrachtcentrale van de SBB

Ze gebruikten het water van de Barbarine, de Eau Noire, de Trient en de Triège. In Vernayaz staat de andere centrale en de moderne batterij. Deze stuwmeren zijn in 1955 uitgebreid met de Vieux-Ermosson, in 1955 met de Ermosson en in 1977 met Châtelard II. Aan de Franse kant maakt de waterkrachtcentrale bij Vallorcine gebruik van het stuwmeer Ermosson.

Waterkrachtcentrale Vallorcine

Châtelard-Frontière

Châtelard-Frontière dankt zijn bestaan aan de abdij van St. Maurice. De abt gaf inwoners van Salvan in 1288 toestemming het gebied te ontginnen en te bewonen. Valais was toen een graafschap met de bisschop van Savoie als graaf en hoogste wereldlijke bestuurder. Savoie bestuurde Vallorcine.

Station van Châtelard-Frontière

Deze grens is sindsdien niet meer veranderd, alleen sloot het hertogdom Savoie ( onderdeel van het koninkrijk Sardinië), zich in 1860 aan bij het Franse keizerrijk van Napoleon III (1808-1873) na een referendum en maakt Valais sinds 1815 deel uit van de Zwitserse Confederatie.

Onbekende kunstenaar, 1793. Lithografie de La Porte du Valais. Privé-collectie

Een van de eerste gebouwen was het kasteel Madeleine, La Porte du Valais, gebouwd in 1323. Châtelard-Frontière maakt tegenwoordig een verlaten indruk. Dit was in de negentiende eeuw wel anders. Diverse Grand-Hotels werden rond 1850 gebouwd, onder andere L´hôtel Suisse (1840) en L´hôtel Royal (1875).

Châtelard-Frontière is ook de overstapplaats voor de lokale Franse trein naar Chamonix (en Saint-Gervais-Les-Bains). Op deze korte route van ongeveer 11 kilometer zijn er ook diverse bezienswaardigheden, wandelpaden en winter- en zomersportfaciliteiten. Maar dat is een ander verhaal.

Impressies van de omgeving

Argentière (France)

  

De slag bij de Trient-brug of de voorloper van de Sonderbundskrieg

De Sonderbundskrieg van 1847 is een bekend historisch feit. Wie kent echter nog de militaire confrontatie tussen ‘die Alte Schweiz’ en ‘die Junge Schweiz’  op 21 mei 1844 bij de brug van Trient (le pont du Trient) bij Vernayaz in (Unter) Wallis ? Toch was deze veldslag met ongeveer 60 doden een generale repetitie van de Sonderbundskrieg van november 1847.

De kloof en de brug van Trient in 1844 © Archives et médiathèque Sion

Op nationaal niveau wilden de radicaal-liberalen een hervorming van de constitutie van 1815. Deze hervorming van 1830 staat bekend als het Rossi-Plan. De term ‘die Junge Schweiz/la Jeune Suisse’ is afgeleid van ‘la Giovine Italia’ van Joseph Mazzini (1805-1872), een Italiaanse advocaat, die de eenheid van Italië op het oog had.

Hij stichtte in 1834 in Bern in exil ook de beweging  ‘das Junge Europa/la Jeune Europe’, met als motto ‘Das Junge Europa wird sich gegen das alte Europa der Könige durchsetzen’.

Die Junge Schweiz verenigde een groep radicaal-liberalen, maar niet alle. Die Junge Schweiz in Wallis wilde, in grote lijnen, een sterkere nationale regering ten koste van de macht van de kantons, scheiding van kerk en staat, afschaffing censuur, verenigingsvrijheid, een versterking van de rechten van burgers, meer democratie en een vrije vestiging voor nieuwkomers, ook van protestanten in het katholieke kanton. De eeuwenoude dominantie van Oberwallis ten koste van Unterwallis speelde echter ook een rol.

Maurice Barman (1808-1878), leider van de Jeune Suisse/ Junge Schweiz en een belangrijke politicus uit en voor Bas-Valais/Unterwallis. Foto: Wikipedia

De katholiek-conservatieven en vooral de zeven Zenden van Oberwallis wilden de oude situatie (het ancien régime) en (katholieke) privileges juist handhaven. De bisschop van Sitten was de drijvende kracht achter deze beweging.

De Landrat, de regering van het kanton, waarin vertegenwoordigers van Unterwallis (met twee leden) en Oberwallis (met drie leden) zaten, was verdeeld. Op nationaal niveau namen in 1930 11 kantons (feitelijk 10.5) de Rossi-hervorming geheel of gedeeltelijk over. Dit proces is bekend onder de naam Regeneration. In Wallis veranderde er echter weinig tot niets.

Vanaf 1830 tot 1839 kregen de radicaal-liberalen en daaronder ook de Junge Schweiz steeds meer invloed en steun.  Voor het eerst botsten de liberalen en conservatieven niet alleen verbaal: op 11 april 1833 was er een schermutseling uit bij de Bâtiaz-brug in Martigny. De gebeurtenis gaat de geschiedenis in als de “bastonade”, of “schermutseling” van Martigny, waarbij overigens nog geen doden te betreuren waren.

Die Bâtiaz-Brücke

De polarisatie en escalatie waren zodanig dat de Tagsatzung (het nationale parlement met vertegenwoordigers van de kantons) bemiddelde. Dit leidde uiteindelijk in 1839 tot veranderingen in de grondwet. De katholiek-conservatieven verweerden zich echter en stichtten de beweging ‘die Alte Schweiz’, onder leiding van de bisschop van Sitten en gesteund door de zeven Zenden van Oberwallis.

De zes Zenden van Unterwallis steunden de radicaal-liberalen en ook de Junge Schweiz. Een splitsing van het kanton werd een reële mogelijkheid en de toestand werd steeds grimmiger met gewelddadigheden, doden en gewonden.

De kloof en de brug van Trient in 2024 

De radicalisering ging verder en beide bewegingen stelden een troepenmacht samen. Na vele kleine schermutselingen kwam het op 21 mei 1844 tot de slag bij de brug van Trient. De katholieke-conservatieve winnaars traden vervolgens in 1845 toe tot de Sonderbund.

In politiek opzicht zijn de gebeurtenissen in Wallis tussen 1830 en 1844 een voorloper op de Sonderbundskrieg van 1847 (met inachtneming van de specifieke gevoeligheden, historische ontwikkeling en lokale verschillen in dit kanton).

Ook het referendum van 3 maart 2024 staat niet los van deze historie en de relatie Unterwallis en Oberwallis. Wellicht is een vergelijking met België zo gek nog niet.

De Franstaligen waren tot de Eerste Wereldoorlog cultureel, politiek en economisch dominant, de Nederlands- (of Vlaams)taligen, waren, hoewel in de meerderheid, de onderliggende partij. Na 1945 veranderde dit en heeft de Vlaamstalige meerderheid in diverse opzichten de overhand.

Het overwegend Duitstalige Oberwallis (nu ongeveer 80 000 inwoners) vreest nu voor zijn positie, zoals het Franstalige Unterwallis (nu ongeveer 270 000 inwoners) dat tot 1798 deed. Deze gevoeligheden zijn al eeuwenoud, maar nog steeds (latent) aanwezig.

(Bron: Walliser Boten/ Le Nouvelliste; Vallée du Trient)

Vernayaz, de Trient

De Engelse kerk van Zermatt

Niets in de wereld kon de bewoners van de Alpen ertoe bewegen een berg als vrijetijdsbesteding op te gaan, laat staan om bergtoppen te beklimmen. Voor de boerenbevolking betekenden bergen tot de 18e eeuw vooral gevaar van de natuur, demonen en fantasiebeesten.

Schrijvers, wetenschappers en wat we tegenwoordig alpinisten noemen, begonnen zich echter eind 18e eeuw te interesseren voor de bergen en hun flora en fauna. De eerste wandelaars en bergbeklimmers dienden zich aan.

Decennia voordat de Engelse periode van bergklimmers aanbrak (rond 1850), beklommen twee Franse inwoners uit Chamonix in 1786 de Mont Blanc, aangemoedigd door de Zwitserse wetenschapper Horace-Bénédicte de Saussure (1740-1799).

Chamonix, monument voor Horace-Bénédicte de Saussure

Van een toeristische boom was echter geen sprake, hoewel deze beklimming wel het gesprek van de dag was. Wellicht hebben de Franse Revolutie en de daaropvolgende oorlogen tot 1815 de verdere ontwikkeling gestopt.

Feit is dat Britten rond 1850 Zwitserland en de Alpen in het bijzonder hebben ontdekt. De flora en de fauna van de Alpen en de schoonheid van de natuur en gezonde lucht (niet onbelangrijk in het Engeland van de industriële revolutie) ontketende een ware trend, met name in de Zwitserse Alpen.

Dit kwam mede door de positieve berichtgeving in (Engelse) media, politiek en bedrijfsleven over die bijzondere republiek met soevereine kantons in het midden van Europa. Kortom, Zwitserland was en vogue, overigens niet alleen voor Britse toeristen, maar ook voor politieke vluchtelingen uit andere Europese monarchieën.

De Matterhorn

Zermatt was de onbetwiste bakermat voor bergbeklimmers. De Engelse Gentleman nam veelal ook zijn familie mee. Uiteraard verwachtten ze comfort en lokale ondernemers, hoteliers, vervoersondernemers (tot de komst van de trein en later auto met de koets), restaurants, culturele evenementen voorzagen in de behoefte.

Een belangrijke behoefte was een locatie voor diensten van de Engelse (Anglicaanse) kerk. Zermatt was katholiek en er was geen protestante kerk. De kerkdiensten werden aanvankelijk gehouden in de hotels Monte Rosa (eigenaar Alexander Seiler), Mont Cervin (eigenaar Joseph Clementz) en Hotel des Alpes.

Het Alexander Seiler (1819-1891) en Katharina Seiler (1834-1895) monument

Met financiële en politieke steun van Seiler en Clementz  begonnen Engelse toeristen begin 1865 met een fondswerving voor een Anglicaanse kerk. Toen sloeg het noodlot echter toe. De eerste succesvolle beklimming van de Matterhorn op 14 juli 1865 eindigde met de dood van vier van de zeven bergbeklimmers. Onder de slachtoffers was de alpinist-dominee Charles Hudson (1828-1865). Bergbeklimmingen, Zermatt en de Matterhorn raakten enkele jaren uit de gratie.

Tijd heelt (veel) wonden en de Baedeker (destijds een toonaangevende ´Lonely Planet´) was in 1868 weer lovend. Bovendien hadden ook Amerikaanse toeristen de weg naar Zermatt gevonden.

De eerste kerkdienst in de nieuwe Anglicaanse kerk vond plaats op 29 juni 1870. De bisschop van Dover Edward Parry (1830-1890) wijdde de kerk op 6 augustus 1871 vervolgens in. De ongelukkige Charles Hudson vond zijn laatste rustplaats onder het altaar van de kerk, andere verongelukte klimmers kregen een plek rondom de kerk.

Zermatt was weer de belangrijkste plaats voor bergbeklimmers en de kerk was de ´parish church of the (British) Alpine Club´, die in 1857 in Londen was gesticht. Het prestige was zo groot dat de British Alpine Club zijn honderdjarig bestaan in Zermatt en in de Engelse kerk herdacht!

Na 1870 kwamen er echter steeds meer toeristen met andere motieven dan klimmen. Andere zomer- en wintersporten ontwikkelden zich. Winston Churchill (1874-1961) bezocht Zermatt in 1894. Hoewel hij onder andere bekend staat om zijn uitspraak ‘no sports’, was hij in zijn jonge jaren wel degelijk een sportman. Volgens de overlevering beklom hij zelfs de Monte Rosa (4634 m).

Deze tijden zijn al lang voorbij en na 1945 veranderde ook de samenstelling van de toeristen en hun bezigheden. De Anglicaanse kerk is echter nog steeds een centrum  voor (Engelssprekende) toeristen en protestantse diensten.

(Bron en verdere informatie:Cicely Williams, A Church in the Alps, Zermatt 1970, 6e editie, in 2006; www.zermatt.ch).