Das Kloster Magdenau. Foto/Photo: TES

Kloosters als traditionele Zwitserse bron van innovatie en ondernemingsgeest

Veel kloosters in Zwitserland zijn in de loop der eeuwen opgeheven, met name na de Reformatie, tijdens de Franse bezetting (1798-1813) en in de negentiende eeuw. Een aantal is afgebroken, andere hebben een nieuwe bestemming gekregen, veelal met instandhouding van het complex.

St. Urban

Muri

Ondanks de secularisatie in de 20e eeuw en het afnemende aantal monniken en nonnen doemen in het landschap, in steden of dorpen op onverwachte plaatsen nog functionerende kloosters op. St. Johann in Mustair (kanton Graubünden), Mariastein bij Metzerlen (kanton Solothurn), Bigorio (kanton Tessin), Einsiedeln (kanton Obwald) of Notkersegg (kanton St. Gallen) zijn maar enkele voorbeelden.

Wat deze kloosters gemeen hebben is hun creativiteit, innovatie, daadkracht en openheid om, met instandhouding van hun traditie en religieuze beleving, voort te bestaan. Wat dat betreft symboliseren ze in zekere zin Zwitserland. Twee kloosters kunnen bij wijze van voorbeeld genoemd worden, met verwijzing naar diverse andere al besproken kloosters op deze site.

Het benedictijnerklooster Fischingen

Het benedictijnerklooster Fischingen in het dorp Fischingen (kanton Thurgau), aan de rivier Murg, niet al te ver van de oude residentie Wil van de abt van het klooster van St. Gallen, is gesticht in 1138. Het complex telde in de 13e eeuw maar liefst 150 monniken en 120 nonnen.

De graven van Toggenburg, diens opvolgers de Habsburgers en in 1460 de Eidgenossenschaft waren de beschermheren. Het klooster overleefde de reformatie en het werd zelfs na het Concilie van Trente (1545-1563) een steunpunt in de Contrareformatie.

De eerste Romaanse kloosterkerk stamde uit 1144. Diverse branden en een Gotische verbouwing  in 1440 verder, is de huidige barokke kerk 1687 ingewijd. Andere gebouwen van het enorme complex zijn rond 1750 gebouwd.

De Idda-kapel is een belangrijke halte op de pelgrimsweg van Konstanz naar Einsiedeln. De kapel is vernoemd naar de Idda, de echtgenote van de Graaf van Toggenburg, beschermheer van het klooster. Zij leefde in de 12e eeuw en leefde na de dood van haar man als kluizenaar vlakbij het klooster.

Wat de Franse bezetter in 1798-1813 niet was gelukt, deed het kanton Thurgau in 1848 per decreet: het klooster werd opgeheven en het bezit geprivatiseerd. Echter, het private initiatief speelt in dit bottom-up land in alle kantons een belangrijke rol.

Een katholieke vereniging kocht in 1879 het kloostercomplex en richtte het in als tehuis voor wezen, geleid door benedictijner monniken. Op 28 augustus 1977 volgde zelfs de feestelijke heropening van het klooster als zelfstandige Benedictijner priorij.

 

   

Van belang in dit verhaal is echter de huidige bestemming van het klooster. Tegenwoordig zijn er nog 4 monniken, met een leeftijd tussen de 60 en 80 jaar. Zoals in veel kloosters is de belangstelling voor toetreding gering, en toch heeft de abdij een creatieve oplossing gevonden om althans het fysieke voortbestaan te waarborgen.  Een klein deel van het complex is gereserveerd voor de monniken.

Het overige deel is echter omgebouwd tot een indrukwekkend hotel-, restaurant- en seminarcomplex. Daarnaast zijn er nog diverse andere bedrijven aanwezig, waaronder de brouwerij, zagerij en meubelmakerij. Traditie, innovatie en ondernemingsgeest van een klooster in een klein dorp in Thurgau.

Het Cisterzienserklooster Magdenau

Het Cisterzienserklooster in het dorp Magdenau bij Degersheim (kanton St. Gallen) is in de 13e eeuw gesticht. De oorsprong van het klooster is een aantal vrouwen uit St. Gallen, die in 1228 een gemeenschap vormde. De lokale ridder Rudolf II. Giel von Glatburg en diens vrouw Gertrud schonken deze groep  landerijen en met instemming van de de abt van St. Gallen de parochiekerk St. Verena en land.

De parochiekerk St. Verena

De vrouwen bouwden op deze plek bij Magdenau hun klooster. Ze deden dit met zoveel succes, efficiency en enthousiasme, dat Paus Innocent IV (1195-1254) hun beschermheer werd en het klooster 1247 rangschikte onder de Orde van Cisterzieners. De abt van Wettingen was hun beschermheer. Het prestige was al zo groot, dat zelfs de machtige abt van Reichenau het jonge klooster steunde.

Ondanks de (gebruikelijke) tegenslagen van opheffing (1529-1532), staatstoezicht (1798-1813 en 1829-1842) en verkoop van vele landgoederen, konden de nonnen hun klooster voortzetten, tot op de dag van vandaag.

Niet alleen onderhouden ze het prachtige complex al eeuwenlang, ze waren ook economisch op vele gebieden actief (naast hun religieuze en sociale activiteiten). Ze waren boekbinders, onderwijzers en textielondernemers. Ze beheerden ook bossen, de zagerij, de molen en  houtproductie en doen dat in samenwerking met ondernemers nog steeds.

Ze legden vier vijvers aan voor energie voor molens, beheerden verschillende molens en een steenfabriek en verzorgden de bossen, paden en weiden. Ze plantten talloze fruitbomen, runden een kloosterapotheek en waren imkers.  Tot op de dag van vandaag zijn een boerderij, een houtzagerij en de herberg Rössli aan het klooster verbonden.

Bovendien biedt ook dit klooster onderdak een reizigers, in gastverblijven van het klooster, en is het een bron van inspiratie voor jong en oud op spiritueel, cultureel en sociaal gebied. Ook dit klooster staat volop in de maatschappij en heeft traditie, innovatie en ondernemingsgeest in het vaandel staan.

Klosterhof Rössli

Degersheim

 

Restaurant-Hotel Wolvensberg