Kloster Schöntal, de Tüfelsschlucht en de ovens in het Dürsteltal

Haat en liefde, goed en kwaad, de duivel en de engel, kanton Basel-Landschaft en kanton Solothurn gaan soms ongemerkt in elkaar over. Zo ook het voormalige klooster Schöntal bij Langenbruck (kanton Basel-Landschaft) en een paar kilometer verderop de Tüfelsschlucht (kloof van de duivel).

De Tüfelsschlucht bij Hägendorf

Deze kloof doet haar naam alle eer aan. Woeste watervallen, spelonken, kronkelige smalle paden, nauwelijks zon, krijsende kraaien, krakende bomen en andere bosgeluiden vormen het decor.

Tot aan het einde van de 18e eeuw was dit soort oorden het terrein van rovers, vagebonden en wolven. Een wandeling maakte men toen nog niet. Een bos, laat staan een  Tüfelsschlucht, ging men alleen is als er geen andere (reis)weg was.

Niettemin kent ook deze kloof een einde om uit te komen in een bergachtig weidelandschap met een voormalig sanatorium en voormalig restaurant. Deze regio was echter niet alleen bewoond door monniken en de duivel, maar ook door smeden. Hiervan getuigden de middeleeuwse smederijen op de Düstelberg.

Het voormalige sanatorium op de Allerheiligenberg 

Het voormalige op de Allerheiligenberg

De Dürstelberg 

De Dürstelberg is een van de laatste ongerepte bosgebieden in het kanton Basel-Landschaft. Sinds het begin van de vorige eeuw is het grootste deel van het gebied ongebruikt en onaangetast gebleven.

Gastwirtschaft Dürstel

Het resultaat is een natuurlijk bos met veel oud en dood hout, holle bomen en een rijke flora en fauna. De Dürstelberg is een bosreservaat van het kanton.

Reconstructie: Joe Rohrer, Bildebene.ch

De ovens in het Dürsteldal

In het Dürsteldal, in de omgeving van Langenbruck, stonden in de 13e en 14e eeuw twee smeltovens. Dit blijkt uit sporen van ijzerwinning en -verwerking. Er zijn in het gebied nog steeds sporen van middeleeuwse ijzersmelterij te zien. De twee ovens waren van twee verschillende typen: een grote rennofen en een hoogoven.

De in de Jura veel voorkomende rennofen produceerde smeedbaar ijzer via een direct proces. De hoogoven was uitgerust met een blaasapparaat en werd aangedreven door waterkracht. Daarom stond de installatie dicht bij de beek. Deze oven produceerde uitsluitend ijzer via een indirect proces. Het ruwijzer werd vervolgens verwerkt in een blaasoven.

Afbeelding: gemeente Langenbruck. De werkprocessen van een hoogoven: het vermalen (1) en roosteren van het erts, het mengen van erts, houtskool en andere toevoegingen (3), het vullen van de hoogoven (4), het aftappen van het vloeibare ruwijzer (5) en het koelen van het ruwijzer (6).

Vroege industrialisatie

De ovens in het Dürsteltal dateren uit een tijd van technologische vooruitgang. Vanaf de 14e eeuw raakten de hoogovens ingeburgerd. Ze waren al sinds de laat-Romeinse tijd bekend. De rennovens waren al sinds de ijzertijd bekend, maar de hoogovens hadden aanzienlijke voordelen. Ze bereikten hogere temperaturen, waardoor uit dezelfde hoeveelheid erts meer ijzer kon worden gewonnen.

De vondsten zijn belangrijk bewijs van een tijd van technologische omwenteling naar grootschalige installaties, die vanaf de 14e eeuw in de Jura voet aan de grond kregen. De hoogoven in het Dürsteltal is met zijn datering uit de 13e eeuw een van de oudste in Europa.

Verschillende aanwijzingen wijzen erop dat het de graven van Frohburg waren die in 1145 het klooster Schöntal stichtten. Hun interesse in de ijzerproductie kwam ook in de 13e eeuw tot uiting in het Fricktal, waar ze daardoor in conflict raakten met de heren van Kienberg.

Klooster Schöntal

Het voormalige Klooster Schöntal

Eind goed, al goed. Uiteindelijk overwint ook hier het goede het kwade om na de Tüfelsschlucht uit te komen bij het voormalige klooster Schöntal bij Langenbruck. Het klooster is weliswaar al lang geleden opgeheven, maar het prachtige romaanse portaal en het hedendaagse beeldenpark geven een duivel en het kwaad geen kans.

Langenbruck

(Bron en verdere informatie: Gemeinde Lamgenbruck; Gemeinde Hägendorf)