De tentoonstelling (La Belle Époque de l’Art Nouveau) laat verschillende aspecten zien van de grote artistieke stroming die de architectuur en de kunst van Europa tussen het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw heeft vormgegeven.

Tussen het einde van de 19e eeuw en de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) beleefde Europa jaren van vrede (La Belle Epoque). De welvaart, wetenschappelijke en technische ontdekkingen en het vooruitgangsgeloof wezen alle één kant op, tot 1914.

Kunstenaars namen volop deel aan de vernieuwing van de maatschappij,  in Parijs, maar ook in Wenen, München en bijvoorbeeld, Brussel. De Art Nouveau verwierp de vormen van het verleden en daagde de klassieke cultuur uit met een andere manier van waarnemen en verbeelden van de dagelijkse woon- en werkomgeving.

Art Nouveau (Jugendstil in het Duits) beperkt zich niet tot esthetische en formele veranderingen, maar ook tot sociale veranderingen. Het was een artistieke beweging die het begin van de 20e eeuw ingrijpend heeft gemarkeerd.

In haar streven om de maatschappij te hervormen door schoonheid van voor iedereen toegankelijke en zichtbare objecten, werd het op grote schaal verspreid in de metro’s, straten, (publieke) gebouwen en via haar favoriete  media, affiches, tijdschriften en prenten.

De goed en overzichtelijk gedocumenteerde tentoonstelling laat een aantal van de belangrijkste kunstenaars de revue passeren, onder anderen Jules Chéret, Edvard Munch, Pierre Bonnard, Alphons Mucha, Gustav Klimt en Oskar Kokoschka.