De Bastei, Nijmegen. Photo/Foto: Eric Brouwer.

1500 Zwitsers op een Houten vlot

Een kroniek uit de negentiende eeuw (Jan Willem van Druijnen, Leven aan de Waal of Vervolg der Kronijk van Nijmegen 1819-1859) meldt dat meer dan 1500 Zwitsers in juli en augustus 1819 op houtvlotten aankwamen in Nijmegen, op weg naar Dordrecht om vervolgens per schip naar Zuid-Amerika (Brazilië) te emigreren.

Het is niet alleen een indicatie voor de massale emigratie uit deze regio in de eerste helft van de negentiende eeuw, maar toont ook welke route de emigranten namen.

De tocht op rivieren was in deze periode de meest zekere, goedkope en comfortabele manier van reizen. De (hygiënische) omstandigheden waren uiteraard slecht, maar dat was iedere reis voor arme emigranten toentertijd.

Deze houtvlotten zijn eeuwenlang de meest opmerkelijke, maar vergeten transporten over de Rijn geweest. In de zestiende eeuw kwam dit vervoer langzaam op gang nadat was bepaald dat in Hollandse steden huizen alleen nog met stenen mochten worden gebouwd.

De vraag naar (lange) heipalen was enorm groot. Alleen het Paleis op de Dam is  gebouwd op meer dan 13 000 palen/boomstammen.

Ook de bloeiende scheepsbouw had zeer veel hout nodig. Dit hout (eiken, beuken, dennen en grenen) was in overvloed aanwezig in de Vogezen, het Zwarte Woud en andere bosgebieden langs de Rijn in Zwitserland.

Kleinere rivieren zoals de Main en Neckar vervoerden de gekapte bomen stroomafwaarts naar Mainz en Mannheim aan de Rijn, waar de stammen tot enorme vlotten van wel 300 lang en 60 meter breed werden samengebonden.

Vanaf Koblenz ging het vervolgens richting eindhaven Dordrecht, waar het vlot werd ontmanteld en verkocht aan lokale afnemers. Een houtvlot omvatte zo´n 30 000 m3 boomstammen.

Deze reuzenvlotten werden Höllander Flösse genoemd. Het was een gecompliceerde logistieke operatie de vlotten met een snelheid van ongeveer 16-20 kilometer per dag (´s nachts werd niet gevaren) stroomafwaarts te manoeuvreren.

Honderden bemanningsleden leefden en sliepen op het vlot in houten hutten op stro, de kapitein, stuurlieden, meesterknechten en andere hoge bemanningsleden hadden eigen scheepshutten.

Gaarkeukens, varkens en ander slachtvee, duizenden kilo´s meel, kaas en boter, zout en peulvruchten en tienduizenden liters bier gingen mee als foerage.

Alles en iedereen moest aan de kant als zo´n gevaarte er aankwam. Een bootje met een rood-witte vlag voer één uur vooruit om te waarschuwen, want het vlot stopte niet.

De remweg met tientallen zware ankers was kilometers lang. Brugpijlers, kades en andere schepen moesten het vaak ontgelden, het vlot kon wel tegen een stootje.

Honderden bemanningsleden roeiden met riemen, begeleidden het vlot aan de zijkant met sloepen of bemanden de zogenaamde knieën aan de voorkant met touwen.

Honderden houtvlotten passeerden zo de Waal bij Nijmegen op weg naar Dordrecht. He was commercieel immers een uiterst lucratieve bezigheid en de winsten waren fabelachtig.

Ter indicatie, een houtvlot vertegenwoordigde een waarde tot wel 1 miljoen gulden uit die tijd. De kosten waren uiteraard ook hoog, alleen aan tol was al een bedrag van ongeveer 40 000 – 60 000 gulden gemoeid, daarnaast inkoopkosten hout, bemanning en foerage.

Het laatste houtvlot passeerde de Rijn in 1967 en bestond slechts uit 2 500 stammen, die door sleepboten werden getrokken. Aan vier eeuwen vervoer met houtvlotten was een einde gekomen. Zwitserland was toen al een eeuw een immigratieland geworden.

(Bron: K. Moerbeek, B. Gunterman, Het Nijmeegsch Rondgezicht. Een tentoonstelling over het oudste stadspanorama van Nederland, Nijmegen 2019).